Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:8827

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
30-12-2014
Zaaknummer
C/02/283085 / HA ZA 14-422
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Onrechtmatig handelen van bestuurder van een personenauto die zonder gegronde reden menner met paard en wagen achterna rijdt, klem rijdt en het paard zodanig opschrikt waardoor het paard op hol slaat en vervolgens dwars door een winkelruit in een winkel terechtkomt. Verwonding van het paard en schade aan winkel en paardenwagen. Alle elementen van onrechtmatige daad aanwezig. Geen eigen schuld van menner van het paard. Veroordeling bestuurder personenauto tot vergoeding van schade; ook voor de schade die verzekeraars hebben vergoed en voor wie de eigenaar van het paard in deze procedure als gevolmachtigde optreedt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2015/150

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/283085 / HA ZA 14-422

Vonnis van 17 december 2014

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat: mr. M.S. van der Keur,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat: mr. T. Havekes.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 13 augustus 2014, met de daarin vermelde stukken,

  • -

    de bij brieven van respectievelijk 29 augustus 2014, 1 september 2014 en 2 september 2014 van de zijde van [eiser] in het geding gebrachte producties genummerd 34 t/m 42,

  • -

    de akte vermeerdering van eis met productie 43,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie gehouden op 16 september 2014,

  • -

    de akte overlegging producties van [eiser] met de producties genummerd 44 en 45,

  • -

    de antwoordakte van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert na wijziging van eis bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I voor recht te verklaren dat [gedaagde] toerekenbaar onrechtmatig heeft

gehandeld door op 8 juli 2010 het paard van [eiser] klem te rijden en daarna

zodanig op te jutten dat het paard op hol sloeg;

II [gedaagde] te veroordelen:

A. tot betaling aan Achmea Schadeverzekeringen N.V. van € 28.982,--

vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de in par. 49 van de dagvaarding

vermelde data;

B. tot betaling aan Equipe Verzekeringen B.V. van € 5.753,34 vermeerderd

met de wettelijke rente vanaf de in par. 51 van de dagvaarding vermelde data;

C. tot betaling aan [eiser] van € 11.769,78 vermeerderd met de wettelijke

rente vanaf de in par. 52 van de dagvaarding vermelde data;

D. tot betaling aan DAS van € 137,45 ter zake buitengerechtelijke kosten ter

vaststelling van de schadeomvang van [eiser], vermeerderd met de

wettelijke rente vanaf 4 augustus 2010;

E. tot betaling aan DAS van € 5.848,23 ter zake buitengerechtelijke kosten ter

vaststelling van de aansprakelijkheid van [gedaagde], vermeerderd met de

wettelijke rente vanaf de dag der betaling;

III [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, een en ander te

vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de uitspraak tot aan de

dag van de algehele voldoening;

IV [gedaagde] te veroordelen in de nakosten van € 131,-- en bij betekening van

€ 199,-- en de eventuele verdere executiekosten.

2.2.

[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties, wordt uitgegaan van de volgende feiten:

- [eiser] was eigenaar van het paard Frieske (hierna: het paard) en een

marathonwagen. Op de ochtend van 8 juli 2010 reed [eiser] met dit paard en deze wagen door Baarle-Nassau.

- Op voormelde datum reed [gedaagde] omstreeks hetzelfde moment in Baarle Nassau in een personenauto met aanhanger met daarin houten balken.

- Tussen partijen is in de Burgemeester de Grauwstraat te Baarle Nassau onenigheid ontstaan waarbij het tussen hen tot een handgemeen is gekomen.

- Het paard is tijdens voormelde onenigheid met het rijtuig op hol geslagen en is uiteindelijk met het rijtuig dwars door de etalageruit in een schoenenwinkel genaamd Rigoletto Trendy Shoes (hierna: Rigoletto) terechtgekomen.

- Hierbij is het paard gewond geraakt aan zijn oor, nek en benen en is het ter plaatse behandeld door een dierenarts. Het paard heeft meerdere hechtingen gekregen.

- De marathonwagen van [eiser] is hierbij beschadigd.

- Een getuige van voormelde onenigheid tussen [eiser] en [gedaagde] - de heer [getuige] (hierna: [getuige]) - heeft bij de politie de volgende verklaring afgelegd:

“(…)

Op donderdag 8 juni 2010 omstreeks 08:20 fietste ik door de Burgemeester de

Grauwstraat te Baarle-Nassau. Ik zag dat er een personenauto met aanhangwagen

ter hoogte van de wegverhoging, in de Burg. De Grauwstraat, een paard met wagen

klem reed. Ik zag dat de bestuurder van de personenwagen uitstapte en naar de

menner van de paard met wagen liep. Ik zag dat de menner van de bok van de

paard en wagen afstapte. Ik hoorde de bestuurder van de personenwagen zeggen,

als er schade is aan mijn auto, dan zul je dat betalen. Ik hoorde dat de menner van

de paard met wagen zei, dan moet je nu de politie bellen. Ik zag dat de beide

mannen verder gingen met de discussie. Ik zag dat het paard onrustig werd. Ik zag de bestuurder van de personenwagen toen zijn aandacht richtte op het paard. Ik zag dat de bestuurder van de auto het paard begon op te jutten. Ik zag dat de man hard op het dak van zijn personenauto begon te slaan en

keihard, ksssst, ksssst, kssst, riep in de richting van het paard. Ik zag dat het paard daarop op hol sloeg, in de richting van het St. Annaplein. [...]Ik zag het paard met de wagen bij de t-splitsing op het st. Annaplein rechtdoor een etalageruit van een winkel in rende. Ik zag dat het paard met de wagen geheel in de winkel, RIGOLETTO, verdween.(…)”

- Op 13 juli 2010 heeft [gedaagde] bij de politie onder meer het volgende verklaard:

“(…) Ik hoorde dat de meneer van het span met zijn rijzweep op het dak van mijn personenauto sloeg. Ik heb toen mijn personenauto gekeerd en ben het span van paard en wagen achterna gereden. Vervolgens heb ik het span klemgereden op Burgemeester de Grauwstraat. Ik ben toen naar de menner die op de bok van het span zat toegelopen en ik heb hem gevraagd waarom hij dat deed en dat het vast niet de eerste keer is geweest. Hierop zag ik dat de man die op de bok zat afstapte en op mij toe kwam lopen. Wij kregen een woorden wisseling en de zaak liep zo hoog op dat de man mij sloeg. Dit deed hij met gebalde vuist en hij sloep mij op mijn mond. Dit deed mij pijn…Tevens sloeg hij mij op mijn schouder…Ik heb de man ook een schop tegen zijn benen gegeven. Tijdens deze confrontatie sloeg het paard op hol om vervolgens door de winkelruit te eindigen van “Rigoletto” op het Sint Annaplein te Baarle-Nassau.(…)”

- De winkelpui van Rigoletto is door het incident beschadigd en is nadien vervangen door een nieuwe pui. Verder heeft het incident schade veroorzaakt aan het interieur en de inventaris van Rigoletto. Als gevolg hiervan was de winkel tot zondag 11 juli 2010 gesloten voor het winkelend publiek.

- De naamloze vennootschap Achmea Schadeverzekeringen N.V., gevestigd

in Apeldoorn (hierna te noemen: Achmea) is de aansprakelijkheidsverzekeraar van [eiser].

- Rigoletto was tegen schade verzekerd bij ASR Verzekeringen (hierna: ASR).

- De eigenaar van het winkelpand waarin Rigoletto was gevestigd, de vennootschap G. Bruurs Beheer B.V. heeft een opstalverzekering bij de naamloze vennootschap Interpolis Schadeverzekeringen N.V. (hierna: Interpolis).

- Rigoletto en ASR hebben [eiser] als bezitter van het paard aangesproken tot vergoeding van de schade aan de winkel (art. 6:179 BW).

- De eigenaar van het winkelpand, G. Bruurs Beheer B.V. en Interpolis hebben [eiser] op dezelfde grondslag aangesproken tot vergoeding van de schade aan het winkelpand.

- [eiser] heeft het paard op 13 december 2011 laten inslapen.

- [eiser] had het paard verzekerd bij de firma Equipe te Waspik. Equipe heeft aan [eiser] ziektekosten uitgekeerd, alsmede een uitkering gedaan ter zake het overlijden van het paard.

- Op 1 september 2014 heeft de vennootschap [naam deskundige] Ongevallenanalyse B.V. (hierna: [naam deskundige]) in opdracht van de rechtsbijstandverzekeraar (DAS Rechtsbijstand) van [eiser] een toedrachtsrapport betreffende het ongeval gemaakt. In het rapport is onder meer als volgt geconcludeerd:

“(…)

[gedaagde] heeft na het inhalen van de paardenwagen zijn door hem bestuurde combinatie (personenauto met aanhangwagen) naar rechts gestuurd zodat [eiser] werd klemgereden en het paard en de wagen koers moesten zetten richting het trottoir. Met rechts het hek, links betonnen palen en van voren een boom was er voor Frieske in de op het troittoir tot stilstand gekomen positie geen (reële) mogelijkheid om voorwaarts verder te kunnen. Als reactie op het ongedurig worden van het paard heeft [gedaagde] ophitsende geluiden gemaakt, met zijn armen gezwaaid en op het dak van zijn auto geslagen, met als gevolg dat Frieske op hol is geslagen en uiteindelijk in de winkel Rigoletto op het Sint Annaplein tot stilstand is gekomen. Zij liep daarbij verwondingen op aan hoofd en benen.(…)”

Rechtsmacht

3.2.

[gedaagde] is woonachtig te België (Baarle-Hertog) en aldus op het grondgebied van een andere staat dan Nederland zodat de vordering een internationaal karakter draagt. Gelet hierop dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van deze vordering kennis te nemen. Aangezien de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (verder te noemen: EEX-Vo) verbindend is en rechtstreeks toepasselijk is in de lidstaten van de Europese Unie en zowel [eiser] en [gedaagde] in een lidstaat van de Europese Unie wonen, dient de rechterlijke bevoegdheid beoordeeld te worden op basis van deze verordening. Omdat de verbintenissen waarop de vorderingen van [eiser] betrekking hebben op onrechtmatig handelen van [gedaagde] en het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan, is de Nederlandse rechter en in het bijzonder deze rechtbank op grond van art. 5 aanhef en lid 3 EEX-Vo bevoegd van het onderhavige geschil kennis te nemen.

Toepasselijk recht

3.3.

Het betreffende incident heeft op 8 juli 2010 plaatsgevonden. De vraag welk recht op de rechtsverhouding tussen partijen van toepassing is, dient in het voorliggende geval (bij uitsluiting) te worden beantwoord aan de hand van het Haagse Verdrag van 4 mei 1971 inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg (Trb. 1971, 118; hierna: het Verdrag). Uit artikel 28, eerste lid, van de Rome II-Verordening volgt immers dat die verordening onverlet laat de toepassing van internationale overeenkomsten waarbij één of meer lidstaten op het tijdstip van de vaststelling van de verordening partij zijn en die regels bevatten inzake het toepasselijke recht op niet-contractuele verbintenissen. Het Ver-drag is een internationale overeenkomst in die zin. De uitzondering van artikel 28, tweede lid, van de Rome II-Verordening, waaruit volgt dat de verordening voorrang heeft op (oudere) uitsluitend tussen lidstaten gesloten overeenkomsten, is hier niet van toepassing, omdat bij het Verdrag ook niet-lidstaten zijn aangesloten. Blijkens de in artikel 3 van het Verdrag opgenomen verwijzingsregel, geldt als uitgangspunt dat van toepassing is de interne wet van de Staat op welk grondgebied het ongeval heeft plaatsgevonden (de lex loci delicti). Op grond van het algemeen spraakgebruik en het toelichtend rapport bij het Verdrag (het Rapport Essèn) dient te worden aangenomen, dat met de locus delicti is bedoeld de plaats van de gebeurtenis waardoor de schade is ontstaan. Op grond van de hoofdregel van het Verdrag dient de onderhavige zaak derhalve te worden beoordeeld naar Nederlands recht, nu het ongeval zich in Baarle-Nassau heeft voorgedaan. Overigens, zulks staat tussen partijen ook niet ter discussie.

Lastgeving

3.4.

Achmea en Equipe hebben [eiser] gemachtigd om de door hen geleden schade te verhalen op [gedaagde]. Achmea heeft als aansprakelijkheidsverzekeraar van [eiser] de schade van Rigoletto en G. Bruurs Beheer B.V. vergoed waardoor Achmea is gesubro-geerd in de rechten van Rigoletto en G. Bruurs Beheer B.V. (artt. 6:10, 6:12 BW en art. 7:962 BW). Daarnaast heeft Equipe de ziektekosten van het paard vergoed, alsmede een uitkering gedaan naar aanleiding van het overlijden van het paard, waardoor Equipe is gesubrogeerd in de rechten van [eiser] jegens [gedaagde] (art. 7:962 BW). Ter comparitiezitting heeft [eiser] aangevoerd dat sprake is van lastgeving.

3.5.

Hoewel [gedaagde] in de conclusie van antwoord - kort gezegd - het verweer voert dat geen sprake is van een rechtsgeldige volmachtverlening van Achmea en Equipe aan [eiser] heeft hij ter comparitiezitting verklaard dat hij het verweer op dit punt niet langer handhaaft. Gelet hierop en mede gezien in samenhang en verband met het bepaalde in artikel 7:414 BW is [eiser] in deze procedure gerechtigd om namens Achmea en Equipe op te treden.



Onrechtmatige daad

3.6.

[eiser] grondt zijn vordering op een onrechtmatige daad van [gedaagde], stellende dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de geleden schade die het gevolg is van het door zijn toedoen veroorzaakte ongeval door het paard. In de visie van [eiser] heeft [gedaagde] jegens de gelaedeerden onrechtmatig gehandeld door:

a. geen voorrang te verlenen;

b. [eiser] met paard en wagen klem te rijden en;

c. het paard vervolgens zo op te schrikken dat het op hol sloeg, gewond raakte en zaakschade veroorzaakte. Volgens [eiser] was het handelen van [gedaagde] gevaar-zettend voor gelaedeerden en was zulks ook voorzienbaar. Voorts voert [eiser] aan dat er een causaal verband bestaat tussen het gedrag van [gedaagde] en de schade omdat het paard als onmiddellijke reactie op de gedragingen van [gedaagde] op hol is geslagen. In dit kader betoogt [eiser] dat indien het onrechtmatig handelen van [gedaagde] komt vast te staan het causaal verband tussen het handelen van [gedaagde] en de ontstane schade voorshands dient te worden aangenomen op grond van de omkeringsregel.

3.7.

De rechtbank oordeelt, hierbij de verweren van [gedaagde] betrekkend, als volgt.

3.8.

Ter beoordeling ligt voor de vraag of er sprake is van aansprakelijkheid van [gedaagde] ten opzichte van [eiser] en zijn lastgevers op grond van onrechtmatige daad. Ingevolge de artikelen 6:162 en 6:163 BW dient daarvoor voldaan te zijn aan een aantal vereisten, te weten: onrechtmatige daad, toerekenbaarheid van de daad aan de dader, schade, causaal verband tussen de daad en de schade en relativiteit. Indien aan een van deze vereis-ten niet is voldaan, is de op onrechtmatige daad gegronde vordering niet toewijsbaar.

Voorts geldt dat artikel 6:179 BW bepaalt dat de bezitter van een dier aansprakelijk is voor de door het dier aangerichte schade, tenzij aansprakelijkheid op grond van de vorige afde-ling zou hebben ontbroken indien hij de gedraging van het dier waardoor de schade werd toegebracht, in zijn macht zou hebben gehad. De bezitter heeft regres op derden die het dier hebben laten ontsnappen, opgehitst of doen schrikken en die aldus onzorgvuldig handelen jegens de bezitter van het dier.

Geen voorrang verleend

3.9.

De stellingname van [eiser] ter zake het vermeend onrechtmatig handelen van [gedaagde] jegens hem en de gelaedeerden door geen voorrang te verlenen, behoeft geen bespreking nu de gevorderde verklaring voor recht hier niet op gegrond is, doch op het vermeende klemrijden en het opschrikken van het paard.

Klem rijden en opschrikken van het paard

3.10.

[eiser] betoogt dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld omdat hij [eiser] met paard en wagen heeft klemgereden en vervolgens het paard zo heeft opgeschrikt dat het op hol is geslagen, gewond is geraakt en zaakschade heeft veroorzaakt. Ter toelichting van zijn stellingname heeft [eiser] onder meer verwezen naar de afgelegde verklaringen van partijen tegenover de politie, de getuigenverklaring van [getuige] en de toedrachtsanalyse van [naam deskundige].

3.10.1.

Op grond van de beschikbare verklaringen van partijen, getuigen en de ongevalsanalyse van [naam deskundige] in onderling samenhang en verband bezien, destilleert de rechtbank het navolgende feitencomplex.

3.10.2.

Uit de stellingname van [gedaagde] en zijn verklaringen tegenover de politie alsmede uit zijn ter terechtzitting gedane verklaringen volgt dat [gedaagde] geïrriteerd en boos was vanwege het rijgedrag van [eiser]. Vast staat dat [gedaagde] zijn auto heeft gekeerd nadat [eiser] en hij elkaar ter hoogte van het kruispunt Leliestraat en Generaal Maczekstraat te Baarle Nassau waren gepasseerd. [gedaagde] is vervolgens [eiser] in boze gemoedstoestand achterna gereden omdat [gedaagde] - naar eigen zeggen - aan [eiser] wilde vragen waarom hij met de zweep op zijn auto had geslagen. Dit terwijl uit de verklaringen van [gedaagde] volgt dat hij niet eens had geverifieerd of schade aan zijn auto was toegebracht; desondanks heeft hij [eiser] wèl met paard en wagen in de Burgemeester de Grauwstraat afgesneden en vervolgens klemgereden. In het proces-verbaal van de politie ter zake de verklaringen van [gedaagde] staat op dit punt het navolgende: “Ik hoorde dat de meneer van het span met zijn rijzweep op het dak van mijn personenauto sloeg. Ik heb toen mijn personenauto gekeerd en ben het span van paard en wagen achterna gereden. Vervolgens heb ik het span klemgereden op Burgemeester de Grauwstraat”. Een rechtvaardiging voor dit gedrag van [gedaagde] kan niet in zijn verklaringen worden gevonden. Met voormeld gedrag heeft [gedaagde] de confrontatie gezocht en de paard en wagen combinatie aan gevaar blootgesteld. Dit gevaar heeft [gedaagde] versterkt door in de nabijheid van de paard en wagencombinatie wilde gebaren te maken en op luide toon ruzie met [eiser] te maken. De rechtbank houdt het er voorts bovendien op dat het waar is dat [gedaagde] ophitsende geluiden en gebaren heeft gemaakt. Getuige [getuige] heeft immers tegenover de politie verklaard: “Ik zag dat de beide mannen verder gingen met de discussie. Ik zag dat het paard onrustig werd. Ik zag de bestuurder van de personenwagen toen zijn aandacht richtte op het paard. Ik zag dat de bestuurder van de auto het paard begon op te jutten. Ik zag dat de man hard op het dak van zijn personenauto begon te slaan en keihard, ksssst, ksssst, kssst, riep in de richting van het paard. Ik zag dat het paard daarop op hol sloeg, in de richting van het St. Annaplein.”. In gelijke zin heeft [getuige] ook jegens de deskundige [naam deskundige] verklaard. In het rapport van [naam deskundige] is ter zake de verklaring van [getuige] het volgende opgenomen:

“Hoewel het paardje aanvankelijk rustig was gebleven zag ik dat hij toch ongedurig werd. De automobilist zag die ongedurigheid ook bij het paard en begon toen met zijn armen te zwaaien en ook met zijn handen op het dak van de auto te slaan (wel een keer of drie) en zei een aantal malen ksst, ksst….Als gevolg van de ophitsende geluiden die de automobilist van de grijze auto maakte (waarvan de motor nog steeds draaide) zag ik dat het paardje op hol sloeg. Daarvoor had ik niet de indruk gekregen dat het paard er vandoor zou willen gaan.”

De ontkenning door [gedaagde] van de inhoud van de verklaringen van [getuige] overtuigt niet bijster omdat [gedaagde] bij conclusie van antwoord nog heeft betwist dat er een ooggetuige was, maar dit eerst ter comparitiezitting heeft erkend. In dit verband is verder van belang dat [gedaagde] ter comparitiezitting heeft verklaard dat hij in zijn jeugd veel met paarden heeft gewerkt en weet dat een paard op hol kan slaan. Aldus was [gedaagde] bekend met het te verwachten gedrag van paarden in stressvolle situaties. Daarbij geldt voorts dat [gedaagde] [eiser] heeft belet het paard te kalmeren door een handgemeen met hem aan te gaan. Voormeld vastgesteld gedrag van [gedaagde] dient te worden gekwalificeerd als onzorgvuldig en dus onrechtmatig ten opzichte van [eiser] en anderen, zoals de gedupeerden in dit geding.

Toerekenbaarheid en voorzienbaarheid

3.11.

In de visie van [eiser] was het handelen van [gedaagde] gevaarzettend en was het ontstaan van schade voorzienbaar. Hierbij heeft [eiser] verwezen naar de aard en het gedrag van paarden indien zij bang worden. Gelet op de door [gedaagde] gecreëerde omstandigheden was het risico dat het paard op hol zou slaan groot en voor [gedaagde] zichtbaar aanwezig en kenbaar, aldus [eiser]. Verder voert [eiser] aan dat het paard zich in de bebouwde omgeving bevond zodat schade aan het paard en zaakschade voorzienbaar was.

3.11.1.

[gedaagde] stelt ten verwere dat hij in alle redelijkheid er niet op bedacht hoefde te zijn dat het paard op hol zou slaan, omdat hij ten tijde van het ongeval geen enkele ervaring had in de omgang met paarden en hem de schrikachtige eigenschappen van paarden aldus niet bekend waren. Verder voert [gedaagde] aan dat het op hol slaan van het paard voor [eiser] wèl voorzienbaar was. Hierbij wijst [gedaagde] op de verantwoordelijkheid van [eiser] ten aanzien van zijn paard te meer nu deze bekend was met de nerveuze en schrikachtige karaktereigenschappen van het dier. In de visie van [gedaagde] had [eiser] zich om die reden moeten distantiëren van de grimmige situatie die tussen [gedaagde] en hem was ontstaan. [gedaagde] werpt [eiser] tegen dat hij het paard onbeheerd achter heeft gelaten en de leidsels van het paard heeft losgelaten, terwijl daarvoor geen enkele noodzaak bestond.

3.11.2.

Bij de vraag of sprake is van toerekenbaarheid van een daad in zin van het derde lid van artikel 6:162 BW aan in dit geval [gedaagde] is van belang of [gedaagde] rekening diende te houden met de mogelijke risico’s en gevaren verbonden aan zijn gedrag. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, wordt als vast staand aangenomen dat [gedaagde] met zijn gedrag een gevaarzettende situatie heeft gecreëerd. Gelet hierop en gelet op de bekendheid bij [gedaagde] met het te verwachten gedrag van paarden in stressvolle omstandigheden - zoals door hem toegegeven ter comparitiezitting en anders dan door hem in de conclusie van antwoord naar voren gebracht - is de mate van waarschijnlijkheid dat het paard op hol zou kunnen slaan zodanig groot geweest dat [gedaagde] zich van de gedragingen had dienen te onthouden. De door [gedaagde] gestelde aan [eiser] toe te rekenen omstandigheden - de vermeende voorzienbaarheid voor [eiser] dat het paard op hol zou slaan, zijn bekend-heid met de karaktereigenschappen van het paard en het beweerde loslaten van de teugels door [eiser] - moeten worden verdisconteerd bij de beoordeling van de vraag of [eiser] het gestelde causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging en de schade voldoende heeft aangetoond.

Causaal verband

3.12.

Voorts ligt ter beoordeling voor de vraag of er sprake is van causaal verband in de zin dat de schade in kwestie ontstaan is door het aan [gedaagde] verweten gedrag.

3.12.1.

[gedaagde] betwist tevergeefs het causaal verband tussen zijn handelen en het op hol slaan van het paard waardoor de bewuste schade is veroorzaakt. Gelet op hetgeen hier-voor is overwogen, wordt aangenomen dat de schadeoorzaak is gelegen in voormelde handelingen van [gedaagde] in onderling samenhang en verband bezien. Hierdoor is het paard op hol geslagen en is de bewuste schade veroorzaakt. Daarmee is de causaliteit in beginsel gegeven, tenzij juist is dat er een andere oorzaak van het op hol slaan van het paard en de daardoor veroorzaakte schade bestaat dan het handelen en gedrag van [gedaagde]. Hiertoe heeft [gedaagde] aangevoerd dat [eiser] als eigenaar van het paard zich had moeten distantiëren van de ontstane grimmige situatie, maar dat hij in plaats daarvan de paardenwagen onbeheerd heeft achtergelaten en de leidsels van het paard heeft losgelaten, terwijl daarvoor geen enkele noodzaak bestond. Volgens [gedaagde] had het paard hierdoor niet weg kunnen rennen, waardoor de onderhavige schade zich niet had voorgedaan.

3.12.2.

De stelling dat het paard ook zonder de aan [gedaagde] verweten onrechtmatige gedragingen op hol zou zijn geslagen en schade zou hebben veroorzaakt is niet alleen weinig onderbouwd, doch eveneens weinig aannemelijk. Voor dit scenario ontbreekt bovendien ook elke indicatie. [gedaagde] laat hierbij volledig zijn eigen handelen buiten beschouwing, terwijl [eiser] juist hierdoor in een situatie is gebracht waarin hij de keuze heeft moeten maken om de leidsels van het paard los te laten. Uit het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de schade geheel is terug te voeren op het onrechtmatige gedrag van [gedaagde] en geen andere oorzaak kent. Voorts rijst de vraag of [gedaagde] aansprakelijk is voor de volledige schade.

Eigen schuld

3.13.

Voor zover [gedaagde] beoogt een beroep te doen op eigen schuld van [eiser] ex artikel 6:101 BW, stellende dat [eiser] het paard onbeheerd heeft achtergelaten en de leidsels van het paard heeft losgelaten, zodat de schade mede een gevolg is van omstandigheden die aan [eiser] kunnen worden toegerekend, wordt het volgende overwogen.

3.13.1.

Op grond van de eerste in artikel 6:101 lid 1 BW genoemde maatstaf wordt, wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Van deze hoofdregel kan worden afgeweken, in die zin dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.

3.13.2.

Vooropgesteld dient te worden dat de stelplicht en bewijslast ter zake van de aan [eiser] verweten eigen schuld op [gedaagde] rust. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd gesteld waarom voormelde door hem gestelde omstandigheden aan [eiser] kunnen worden toegerekend. Het enkele feit dat [eiser] bezitter van het paard was, is hiertoe onvoldoende. Zoals reeds is overwogen, is het onbeheerd laten van het paard/loslaten van de leidsels terug te voeren naar verwijtbaar gedrag van [gedaagde] en is dus niet een omstandigheid die eigen schuld van [eiser] oplevert. Aldus is geen sprake van eigen schuld van [eiser] in de zin van art. 6:101 (https://hybrid.kluwer.nl/docview?link=%2Fdelegate%2Fscion%2Fdocument%2Fhtml%2Fid6aaf2deb0f29479ebe900c16efb096e2%3Fv%3Df%26h1%3D%2528%2528eigen.%257B1%257Dschuld%2529%2529%252C%2528billijkheid%2529%26idp%3DLegalIntelligence%26cfu%3Ddefault%26provider%3DKluwer32&p_l_id=10320&provider=Kluwer32&idp=LegalIntelligence&type=document)BW.

Schade

3.14.

Als schade wordt onder meer betaling gevorderd aan Achmea (aansprakelijkheids-verzekeraar van [eiser]) van een bedrag van € 28.982,-- vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de in par. 49 van de dagvaarding vermelde data. Voormeld bedrag betreft onder meer het door Achmea aan Rigoletto voldane bedrag van in totaal € 23.380,--. Aan vermogensschade, te weten omzetderving voor Rigoletto, wordt een bedrag van
€ 1.630,-- gevorderd. Voormeld bedrag is door twee deskundigen beraamd en is gebaseerd op de jaaromzet 2009 en het gemiddelde van vier weekomzetten uit 2010, zo stelt [eiser].

3.14.1.

[gedaagde] betwist de gevorderde vermogensschade van Rigoletto, stellende dat deze moet worden bepaald door een vergelijking te maken van het feitelijke bedrijfsresultaat met het hypothetische bedrijfsresultaat. Volgens [gedaagde] dient rekening gehouden te worden met meerdere jaaromzetten. Ter comparitiezitting heeft [gedaagde] verklaard zich op dit punt evenwel te refereren aan het standpunt van de rechtbank.

3.14.2.

De rechtbank stelt vast dat de juistheid van de onderbouwing van de gevorderde vermogensschade door [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd is betwist, nu hij heeft nagelaten te motiveren dat en waarom de door de vennootschap ZNEB Expertise en Taxatie B.V. (productie 12 bij dagvaarding) gehanteerde berekeningsmethodiek en het daaruit geresulteerde bedrag aan omzetderving onjuist zou zijn. Aldus ontbreekt een grond om andere schade dan voormelde gevorderde vermogensschade ad € 23.380,-- toe te wijzen.

3.14.3.

Het gevorderde bedrag van € 5.602,-- voor vervanging van de winkelpui is door [gedaagde] eveneens bestreden. In de visie van [gedaagde] dient bij de berekening een zogeheten “nieuw voor oud correctie” verdisconteerd te worden. In de visie van [gedaagde] is door plaatsing van een geheel nieuwe winkelpui sprake van een waardevermeerdering van het pand vergeleken met de waarde hiervan vlak vóór het ongeval.

3.14.4.

Als prod. 16 bij dagvaarding is een rapport van Bureau Hartveld (Eindrapport Brand/Varia; opgemaakt in opdracht van Interpolis, de opstalverzekeraar van de eigenaar van het winkelpand) in het geding gebracht waarin staat dat door het herstel van de winkelpui (te weten plaatsing van een nieuwe winkelpui) geen sprake is van enige verbetering. Gelet hierop vormt de blote stelling van [gedaagde] dat sprake is van een waardevermeerdering geen aanleiding om de gehanteerde berekening te corrigeren. Het gevorderde bedrag ad € 5.602,-- komt derhalve eveneens voor toewijzing in aanmerking.

3.14.5.

Uit het vorenstaande volgt dat het gehele door Achmea gevorderde bedrag van

€ 28.982,-- voor toewijzing in aanmerking komt. Bij gebreke van betwisting komt de gevorderde wettelijke rente als weergegeven in alinea 49 van de dagvaarding eveneens voor toewijzing in aanmerking als vermeld in het dictum.

3.15.

Ten behoeve van Equipe wordt een bedrag gevorderd van € 5.753,34 vermeerderd

met de wettelijke rente vanaf de in par. 51 van de dagvaarding vermelde data. Dit bedrag bestaat uit een bedrag van € 1.928,34 ter zake ziektekosten voor het paard en een bedrag van € 3.825,-- in verband met het laten inslapen van het paard. Voormelde ziektekosten zijn door [gedaagde] niet inhoudelijk weersproken zodat deze voor toewijzing in aanmerking komen.

3.15.1.

Ter zake de kosten voor het inslapen van het paard betoogt [gedaagde] - verkort weergegeven - dat de noodzaak voor het inslapen van het paard niet is gegeven, gelet op het feit dat het paard nog anderhalf jaar na het ongeval is blijven leven. Volgens [gedaagde] is niet aangetoond dat het paard als gevolg van het ongeval heeft moeten inslapen. Vast staat - zo volgt uit de in het geding gebrachte prod. 38 en 39 - dat het paard aan het ongeval beschadigingen heeft overgehouden en dat alle schade aan het paard gerelateerd was aan het bewuste ongeval. Uit prod. 23 bij dagvaarding blijkt bovendien dat het paard na het betref-fende incident als wedstrijdpaard was afgekeurd. Gelet hierop, mede bezien in onderling samenhang en verband met de aard en ernst van de onrechtmatigheid van [gedaagde] jegens [eiser] acht de rechtbank het onbegrijpelijk en onredelijk om aan [eiser] tegen te werpen dat hij ervoor had kunnen kiezen om het paard te behouden. Gelet op de verklaring-en van [eiser] gedaan ter comparitiezitting en mede gezien het feit dat [eiser] het paard nog anderhalf jaar na het ongeval heeft verzorgd, neemt de rechtbank aan dat [eiser] in het belang en welzijn van het paard heeft gehandeld en aldus met die belangen in ogenschouw genomen ervoor heeft gekozen om het paard op humane wijze te laten inslapen. Voor zover [gedaagde] met zijn opmerking dat [eiser] ervoor had kunnen kiezen om het paard te behouden - maar dat hij in dat geval een lagere schade-uitkering zou hebben ontvangen - suggereert dat de keuze van [eiser] om het paard te laten inslapen uit financieel oogpunt is ingegeven, volstaat de rechtbank met de overweging dat de keuze van [eiser], gegeven de blijvende ongeschiktheid van het paard voor het doel waarvoor [eiser] haar placht te gebruiken, alleszins redelijk en begrijpelijk is.

3.15.2.

De conclusie uit het vorenstaande luidt dat het ten behoeve van Equipe gevorderde bedrag van € 5.753,34 wordt toegewezen. Bij gebreke van betwisting wordt de gevorderde wettelijke rente toegewezen als vermeld in het dictum.

3.16.

[eiser] vordert ten slotte betaling van een bedrag van € 11.769,78 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de in par. 52 van de dagvaarding vermelde data. Voormeld bedrag bestaat uit:

- de kosten voor het paard (niet vergoede ziektekosten ad € 642,78 en materiële schade van [eiser] ter zake het overlijden van het paard ad € 6.175,--);

- kosten van de marathonwagen ad € 4.952,--.

3.16.1

[gedaagde] heeft ter zake de kosten voor het paard en de kosten van de marathonwagen - behoudens de hierna te bespreken wettelijke rente over de kosten van de marathonwagen - geen inhoudelijk verweer gevoerd, zodat voormelde bedragen worden toegewezen.

3.16.2.

[eiser] vordert wettelijke rente over de ziektekosten voor het paard vanaf de data waarop hij deze heeft betaald. Deze post is door [gedaagde] niet weersproken en als gevorderd toewijsbaar.

3.16.3.

De gevorderde wettelijke rente ter zake de kosten van het overlijden van het paard is toewijsbaar met ingang van de overlijdensdatum van het paard, te weten 13 december 2011, nu deze kosten eerst dan zijn gemaakt.

3.16.4.

[eiser] vordert de wettelijke rente over de waardevermindering van de marathonwagen ad € 4.952,-- met ingang van 8 juli 2010. Met [gedaagde] is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde wettelijke rente is verschuldigd over een bedrag van
€ 3.400,-- omdat uit het rapport van CED Bergweg blijkt dat de waardevermindering van de marathonwagen op dit bedrag is begroot. De wettelijke rente over voormeld bedrag wordt toegewezen met ingang van 8 juli 2010. De wettelijke rente over de overige kosten ter zake de marathonwagen, zijnde de herstelkosten, transportkosten en kosten voor vervangend materiaal van in totaal € 1.552,-- is toewijsbaar met ingang van de dag der dagvaarding.

3.16.5.

Het door [eiser] gevorderde bedrag van € 137,45 van de door DAS aan hem betaalde expertisekosten, vermeerderd met de wettelijke rente is niet weersproken en als gevorderd toewijsbaar. Daarnaast wordt betaling aan DAS gevorderd van een bedrag van
€ 5.848,23 ter zake buitengerechtelijke kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid van [gedaagde]. Hoewel [gedaagde] in de conclusie van antwoord verweer voert tegen deze kosten heeft hij bij antwoordakte erkend dat DAS deze expertisekosten aan [naam deskundige] Ongevallenanalyse heeft voldaan, zodat dit bedrag eveneens toewijsbaar is. De gevorderde wettelijke rente over deze kosten is niet weersproken en toewijsbaar met ingang van
4 september 2014.

Proceskosten

3.17.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- griffierecht € 868,00

- salaris advocaat € 2.235,00 (2,5 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 3.103,00

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf veertien dagen na de dag van betekening van dit vonnis. De gevorderde nakosten zijn niet weer-sproken en zullen als vermeld in het dictum worden toegewezen. De (proces)kosten-veroordeling wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar onrechtmatig heeft

gehandeld door op 8 juli 2010 het paard van [eiser] klem te rijden en daarna

zodanig op te jutten dat het paard op hol sloeg;

4.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Achmea Schadeverzekeringen N.V. van
een bedrag van € 28.982,-- (zegge: achtentwintigduizend negenhonderdtweeëntachtig euro) vermeerderd met de wettelijke rente:

a. over een bedrag van € 9.039,-- vanaf 20 september 2010;

b. over een bedrag van € 5.602,-- vanaf 27 december 2010;

c. over een bedrag van € 14.341,-- vanaf 27 december 2010;

4.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Equipe Verzekeringen B.V. van een bedrag van € 5.753,34 (zegge: vijfduizend zevenhonderddrieënvijftig euro en vierendertig eurocent vermeerderd met de wettelijke rente:

a. over een bedrag van € 636,88 vanaf 17 september 2010;

b. over een bedrag van € 685,80 vanaf 24 januari 2011;

c. over een bedrag van € 261,93 vanaf 26 april 2011;

d. over een bedrag van € 343,73 vanaf 8 november 2011;

e. over een bedrag van € 3.825,-- vanaf 11 januari 2012;

4.4.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van
€ 11.769,78 (zegge: elfduizend zevenhonderdnegenenzestig euro en achtenzeventig eurocent vermeerderd met de wettelijke rente:

ter zake ziektekosten voor het paard:

a. over een bedrag van € 212,29 vanaf 17 september 2010;

b. over een bedrag van € 228,60 vanaf 24 januari 2011;

c. over een bedrag van € 87,31 vanaf 26 april 2011;

d. over een bedrag van € 114,58 vanaf 8 november 2011;

e. over een bedrag van € 3.825,-- vanaf 11 januari 2012;

ter zake het overlijden van het paard:

f. over een bedrag van € 6.175,-- vanaf 13 december 2011;

ter zake de waardevermindering van de marathonwagen:

g. over een bedrag van € 3.400,-- vanaf 8 juli 2010 en over een bedrag van € 1.552,-- met ingang van de dag der dagvaarding;

4.5.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan DAS van een bedrag van € 137,45 ter zake buitengerechtelijke kosten ter vaststelling van de schadeomvang van [eiser] vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 augustus 2010;

4.6.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan DAS van een bedrag van € 5.848,23 ter zake buitengerechtelijke kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid van [gedaagde] vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 4 september 2014;

4.7.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 3.103,00, te voldoen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

4.8.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen - onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen
14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden - met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

4.9.

verklaart voormelde veroordelingen – behoudens de verklaring voor recht – uitvoerbaar bij voorraad;

4.10.

wijst het anders of meer gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Poerink en in het openbaar uitgesproken op
17 december 2014.