Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:8727

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-12-2014
Datum publicatie
23-01-2015
Zaaknummer
AWB - 13 _ 1318
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

1 van 26 KBL

Belanghebbende is geïdentificeerd als houder van rekeningen bij KBL Luxemburg. Nadat belanghebbende in de beroepsfase informatie over de rekening heeft overgelegd heeft de inspecteur ambtshalve de aanslag vernietigd. De rechtbank oordeelt dat:

de schadevergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn van 100 maanden aan de echtgenoot wordt toegekend.

de proceskostenvergoeding aan de man wordt toegekend.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001, geldigheid: 2015-01-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummer AWB 13/1318

uitspraak van 22 december 2014

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[Y], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2008 met dagtekening 4 maart 2011 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.733 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.275. Tevens is een boete van € 8.088 en een bedrag van € 242 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 27 februari 2013 de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.733 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.258. De boete en heffingsrente zijn verminderd tot respectievelijk € 4.344 en € 161.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 27 februari 2013, ontvangen bij de rechtbank op 28 februari 2013, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 44.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2014 te Breda. Voor de behandelde procedurenummers, het verhandelde ter zitting en de daar aanwezige personen verwijst de rechtbank naar de processen-verbaal van de zitting die op 25 februari 2014 naar partijen zijn gezonden. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en de wederpartij. De rechtbank rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.6.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.7.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. De rechtbank heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld te reageren op de nieuwe berekeningen van de inspecteur.

1.8.

Partijen hebben nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.9.

Op verzoek van belanghebbende heeft op 23 mei 2014 te Breda een tweede onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Tijdens deze zitting is de getuige [getuige] gehoord. De inspecteur heeft ter zitting verminderingsbeschikkingen overgelegd aan de rechtbank en de wederpartij. De rechtbank rekent deze tot de stukken van het geding. Voor de behandelde procedurenummers, het verhandelde ter zitting en de daar aanwezige personen verwijst de rechtbank naar de processen-verbaal, waarvan afschriften aan deze uitspraak zijn gehecht.

1.10.

De rechtbank heeft ter zitting het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak binnen twaalf weken aangekondigd. Bij brieven van 15 juli 2014 en 30 september 2014 heeft de rechtbank deze termijn verlengd en aangekondigd dat zo spoedig mogelijk uitspraak wordt gedaan.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende, geboren op [datum] 1942, is gehuwd met [X] (hierna: de echtgenoot), geboren op [datum] 1937.

2.2.

Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV gedaan voor 2008. In de aangifte is geen inkomen uit sparen en beleggen vermeld.

2.3.

Bij brief van 27 oktober 2000 heeft de Belgische Bijzondere belastinginspectie (hierna: BBI) spontaan inlichtingen verstrekt die betrekking hebben op afdrukken van microfiches (hierna: de microfiches) van de KREDIETBANK LUXEMBOURG (hierna: KBL).

2.4.

Op basis van de gegevens, verstrekt bij de brief van 27 oktober 2000 door de BBI, is een onderzoek ingesteld door de FIOD-ECD en de Belastingdienst, later bekend geworden als het Rekeningenproject.

2.5.

Op de microfiches stonden onder andere de volgende regels:

"JUSTIFICATIF DES SOLDES PAR RUBRIQUES IML AU 31/01/1994

(...)

54-[rekeningnummer]-44-0000 00 0040 TER LDO [X - Y] 272.651,31

(…)

55-[rekeningnummer]-71-0000 00 0060 TER LDO [X - Y] 65.530,94

(…)

52-[rekeningnummer]-87-0000 00 0040 VUE [X - Y] -8,28

2.6.

Door [medewerker], medewerker van de FIOD-ECD, is op 23 september 2002 een proces-verbaal van ambtshandeling opgemaakt betreffende het onderzoek naar de identiteit van de rekeninghouder van de rekening bij de KBL. Uit de match van rekeninghouders komen slechts belanghebbende en de echtgenoot als rekeninghouders van de KBL-rekening [rekeningnummer] in aanmerking.

2.7.

Nadat de inspecteur in kort geding gegevens over de buitenlandse bankrekening heeft gevorderd heeft belanghebbende in 2013 gegevens overgelegd. Naar aanleiding van de door belanghebbende overgelegde gegevens heeft de inspecteur de aanslag ambtshalve verminderd op 19 en 26 februari 2014. Volgens de ambtshalve verminderingen is het inkomen uit sparen en beleggen nihil. De boete en heffingsrente zijn verminderd tot nihil.

3 Geschil

3.1.

Nu de inspecteur in de ambtshalve verminderingen het inkomen uit sparen en beleggen, de boete en de heffingsrente verminderd heeft tot nihil spitst het geschil zich slechts nog toe tot de volgende vragen:

  1. Tot welk bedrag heeft belanghebbende recht op een vergoeding voor immateriële schade?

  2. Tot welk bedrag heeft belanghebbende recht op een (proces)kostenvergoeding?

3.2.

Voor een uiteenzetting van de standpunten van partijen en hun conclusies verwijst de rechtbank naar de van hen afkomstige stukken en de processen-verbaal van het verhandelde ter zitting.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade als gevolg van de lange behandelingsduur van het bezwaar en beroep.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat voor belanghebbende de spanning en frustratie reeds is geëindigd met het vaststellen van de ambtshalve vermindering van 26 februari 2014. De rechtbank heeft in de uitspraak ten name van de echtgenoot van belanghebbende (procedurenummers AWB 13/1812 tot en met 13/1938 en 13/1565 en 13/1568) gemotiveerd hoe hoog de vergoeding is en waarom deze geheel aan de echtgenoot wordt toegekend. De rechtbank verwijst naar deze overwegingen.

5 Proceskosten

5.1.

De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding voor de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank beschouwt daarbij deze zaak van belanghebbende en de zaken van de echtgenoot als samenhangend. De rechtbank heeft in de uitspraak ten name van de echtgenoot van belanghebbende (procedurenummers AWB 13/1812 tot en met 13/1938 en 13/1565 en 13/1568) gemotiveerd hoe hoog de vergoeding in beroep is. De rechtbank verwijst naar deze overwegingen.

Nu bij belanghebbende alleen een aanslagen is opgelegd over 2008 zal de rechtbank het hele bedrag toekennen aan de echtgenoot van belanghebbende.

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat in de bezwaarfase een kostenvergoeding van € 940 is toegekend. Niet gesteld of gebleken is dat dit bedrag onjuist is.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar, met uitzondering van de beslissing omtrent de proceskosten;

  • -

    handhaaft de aanslag, beschikkingen heffingsrente en boete zoals deze bij de ambtshalve verleende verminderingen van 26 februari 2014 luiden;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 44 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 22 december 2014 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en mr. W.A.P. van Roij, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.S.J. Pijnenburg-Braspenning, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.