Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:8723

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-12-2014
Datum publicatie
23-01-2015
Zaaknummer
AWB - 13 _ 7231
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:990, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

1 van 25 Van Lanschot:

Belanghebbende is door de inspecteur geïdentificeerd als houder van rekeningen bij Van Lanschot Luxemburg. De rechtbank oordeelt dat:

- alle stukken door de inspecteur zijn overgelegd en het niet overleggen van enkele onderdelen gerechtvaardigd is,

- de renseignementen authentiek zijn en gebruikt mogen worden ter onderbouwing van de navorderingsaanslagen,

- belanghebbende (samen met haar echtgenoot) rechthebbenden waren tot de rekening,

- de navorderingsaanslagen voortvarend en tot het juiste bedrag zijn opgelegd,

- er geen sprake is van gelijke gevallen zodat het beroep op het gelijkheidsbeginsel ongegrond is,

- de overschrijding van de redelijke termijn geheel aan de inspecteur dient te worden toegerekend. Schadevergoeding € 1.500 gedeeld door belanghebbende en echtgenoot.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummers AWB 13/7231, 13/7233, 13/7234, 13/7236 en 13/7238

uitspraak van 22 december 2014

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[Y] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende navorderingsaanslagen opgelegd:

Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV)

Procedure

Jaar

[aanslagnummer]

Dagtekening

13/7231

2001

H17

30-01-2009

13/7233

2002

H27

28-12-2007

13/7234

2003

H37

03-02-2009

13/7236

2004

H47

03-02-2009

13/7238

2005

H57

30-01-2009

1.2.

Bij de voormelde navorderingsaanslagen zijn boeten opgelegd. Tevens zijn voor alle jaren bedragen aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.3.

De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 12 december 2012 de navorderingsaanslagen IB/PVV 2001 tot en met 2005 alsmede de beschikkingen heffingsrente gehandhaafd. De boeten zijn vanwege undue delay verminderd met 20%.

1.4.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 18 december 2013, ontvangen bij de rechtbank op 20 december 2013, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 44.

1.5.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2014 te Breda. Daar zijn gezamenlijk behandeld de zaken met de rolnummers AWB 13/3276, 13/3277, 13/6443, 13/6444, 13/2865 tot en met 13/2868, 13/6445, 13/6446, 13/1682, 13/6333, 13/1659, 13/1740, 13/1741, 13/1193, 13/1683 tot en met 13/1686, 13/1145, 13/5337 tot en met 13/5342, 13/5344 tot en met 13/5352, 13/5354, 13/5822, 13/5823, 13/1148, 13/1146, 13/1192, 13/1194, 13/1747, 13/1748, 13/1750, 13/7207 tot en met 13/7211, 13/7213 tot en met 13/7215, 13/7217, 13/7219, 13/7220, 13/7221, 13/7223 tot en met 13/7226, 13/1744 tot en met 13/1746, 13/7231, 13/7233, 13/7234, 13/7236, 13/7238, 13/3430 tot en met 13/3443, 13/1739, 13/5924, 13/7031, 13/1687, 13/3360, 13/6158, 13/6441, 13/5853, 13/3258, 13/762 tot en met 13/766 en 13/184 tot en met 13/195 van verschillende belanghebbenden. Voor het verhandelde ter zitting en de daar aanwezige personen verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting waarvan een afschrift op dezelfde dag als de uitspraak aan partijen is verzonden. De pleitnota’s van partijen behoren tot de gedingstukken.

1.7.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. De rechtbank heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld nadere stukken te overleggen.

1.8.

Belanghebbende heeft bij brief van 22 april 2014 aangegeven geen nadere stukken in te dienen. Deze brief is in afschrift verstrekt aan de inspecteur. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten en bij brief van 24 april 2014 een schriftelijke uitspraak binnen twaalf weken aangekondigd. Bij brief van 14 juli 2014 heeft de rechtbank deze termijn verlengd en aangekondigd dat zo spoedig mogelijk schriftelijk uitspraak wordt gedaan.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende, geboren op [datum] 1931, is gehuwd met [X] (hierna: de echtgenoot), geboren op [datum] 1928.

2.2.

Op 18 februari 2005 hebben de Belgische belastingautoriteiten aan het Hoofd van Belastingdienst/FIOD/ECD/Team Internationaal (hierna; FIOD-ECD) een Nota met bijlagen verstrekt. De bijlagen B.1., B.2. en B.6. bevatten gegevens over rekeningstanden per 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996, bij, volgens de aanhef “F. van Lanschot (Bankiers) Luxembourg S.A.” (verder ook: de renseignementen). De bijlage B.9. betreft een adressenlijst. Voorzover te dezen van belang bevatten de bijlagen B.1., B.2. en B.6. respectievelijk de volgende gegevens:

Van Lanschot Bankiers (Luxembourg) SA Boulevard Prince Henri, 3 L-2016 Luxembourg, date: 9/05/96 prog: FVLR102J page: 13, portfolio evaluation

Racine

Name

CCY

Current

Accounts

Deposits

Bonds

Shares/

options

Inv. Funds

Total

Account manager: 0000005

(...)

[rekeningnummer]

[X - Y]

NLG

118.69

.00

872,810.00

.00

182,197.36

1,055,126.05

Van Lanschot Bankiers (Luxembourg) SA Boulevard Prince Henri, 3 L-2016 Luxembourg, date: 11/28/96 prog: FVLR102J page: 14, portfolio evaluation

Racine

Name

CCY

Current

Accounts

Deposits

Bonds

Shares/

Options

Inv. Funds

Total

Account manager: 0000005

(...)

[rekeningnummer]

[X - Y]

NLG

667.52

.00

878,940.00

99,500.00

51,674.40

1,030,781.92

5

[rekeningnummer]

[X - Y]

941221

NLG

1032797,36

1782,08

662253,18

0

138380

0 A

18 364

2.3.

De inspecteur heeft belanghebbende en de echtgenoot (hierna: belanghebbenden) geïdentificeerd als rekeninghouders van bovengenoemde rekeningen bij de Van Lanschot bank in Luxemburg (hierna: Van Lanschot). De inspecteur heeft belanghebbenden op 16 maart 2007 een vragenbrief gestuurd. In deze brief is gewezen op de omkering van de bewijslast en heeft de inspecteur belanghebbende verzocht om vóór 23 maart 2007, respectievelijk 15 april 2007, nadere informatie te verstrekken. Met dagtekening 29 maart 2007 heeft de inspecteur aan belanghebbende een rappel vragenbrief gezonden.

2.4.

Bij brief van 2 april 2007 heeft de gemachtigde zich als zodanig gepresenteerd. De gemachtigde heeft de inspecteur verzocht om nadere informatie te verstrekken. Dit verzoek is aangemerkt als een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: WOB). De inspecteur heeft het WOB-verzoek van belanghebbenden bij brief van 2 juli 2007 gedeeltelijk afgewezen.

2.5.

Op 15 oktober 2007 heeft de inspecteur aan belanghebbenden (met een kopie naar de gemachtigde) een laatste herinnering gezonden, waarin hij hen voor de laatste maal in de gelegenheid stelt de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. De gemachtigde noch belanghebbenden hebben op deze brief gereageerd.

2.6.

Met dagtekening 23 november 2007 heeft de inspecteur belanghebbenden in kennis gesteld van zijn voornemen om aan hen navorderingsaanslagen IB/PVV over 1995 en 2002 en VB over 1996, met boeten, op te leggen. Over de jaren na 1995 schrijft hij: “Voor de jaren na 1995 die in deze kennisgeving niet zijn opgenomen zal ik op een later moment aanslagen en navorderingsaanslagen opleggen indien de mij bekende feiten niet wijzigen.” De inspecteur heeft belanghebbenden in deze brief in de gelegenheid gesteld om vóór 7 december 2007 schriftelijk te reageren en – indien gewenst – vóór genoemde termijn een afspraak te maken voor een mondelinge toelichting. De gemachtigde heeft namens de echtgenoot bij brief van 5 december 2007 hierop gereageerd met de mededeling dat de echtgenoot vooralsnog niet in staat is op het voornemen tot het opleggen van een navorderingsaanslag te reageren. Hij heeft daarin zijn verzoek om informatie herhaald. Door of namens belanghebbende is niet op de brief van de inspecteur gereageerd.

De navorderingsaanslag IB/PVV 2002, boete en beschikking heffingsrente van belanghebbende zijn opgelegd met dagtekening 28 december 2007.

2.7.

Bij brief van 8 januari 2008 heeft de gemachtigde pro-forma bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag en beschikkingen.

2.8.

Bij brief van 23 april 2008 heeft de gemachtigde de bezwaren gemotiveerd. In deze brief is vermeld dat de belanghebbende ontkent in het buitenland een bankrekening te hebben dan wel te hebben aangehouden. De gemachtigde heeft de inspecteur daarbij verzocht om de bezwaren wat betreft het onderdeel of de twaalfjaarstermijn in strijd is met Europees recht, aan te houden in verband met de door de Hoge Raad gestelde prejudiciële vragen hierover.

2.9.

De inspecteur heeft, bij brief van 26 juni 2008 aan de gemachtigde, zijn voornemen om de ingediende bezwaarschriften van belanghebbenden af te wijzen kenbaar gemaakt. Bij brief van 30 juni 2008 heeft de gemachtigde aangegeven dat belanghebbenden gehoord willen worden. Hierop is voor verschillende belastingplichtigen, waaronder belanghebbenden, afgesproken dat het hoorgesprek zal plaatsvinden op 16 september 2008. Op 2 oktober 2008 heeft de gemachtigde aan de inspecteur meegedeeld dat hij afziet van het houden van de hoorgesprekken. De inspecteur heeft dit bij brief van 2 oktober 2008 aan de gemachtigde bevestigd. In deze brief heeft de inspecteur eveneens bevestigd dat hij met instemming van de gemachtigde de Awb-termijn voor het doen van uitspraak verlengt tot 1 januari 2009.

2.10.

Met dagtekening 21 oktober 2008 heeft de inspecteur aan belanghebbenden een “Kennisgeving navordering en boete” betreffende de navorderingsaanslagen IB/PVV 1996 tot en met 2001, IB/PVV 2003 tot en met 2005 en VB 1997 tot en met 2000 gezonden. De navorderingsaanslagen en beschikkingen heffingsrente en boete zijn opgelegd met dagtekening 29 november 2008 aan de echtgenoot, en met de dagtekeningen 30 januari 2009 en 3 februari 2009 aan belanghebbende. Bij brief van 16 februari 2009 heeft de gemachtigde tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 2001, 2003 tot en met 2005 pro-forma bezwaar gemaakt. Hij heeft daarbij de inspecteur verzocht om uitstel voor het indienen van de gronden van het bezwaar totdat onherroepelijk uitspraak is gedaan “in het hoogste resort in het Rekeningenproject Bank Zonder Naam“.

2.11.

Bij brief van 10 maart 2009 heeft de inspecteur aan de gemachtigde geschreven dat hij het verzoek om uitstel voor het indienen van de gronden afwijst. Voorts heeft hij de gemachtigde in deze brief verzocht de bezwaarschriften binnen vier weken te motiveren en vermeld dat de termijn voor de afhandeling van de bezwaren wordt opgeschort tot de dag waarop het vormverzuim is hersteld.

2.12.

Bij brief van 17 maart 2009 heeft de gemachtigde aan de inspecteur verzocht om uitstel in verband met een te voeren kortgedingprocedure om de belastingdienst te gelasten alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan verschillende belastingplichtigen ter hand te stellen.

2.13.

Bij brief van 30 mei 2011 heeft de inspecteur aan de gemachtigde geschreven dat hij voornemens is alle bezwaren van belanghebbende af te werken. Hij heeft daarbij opgemerkt dat nog niet alle bezwaren zijn gemotiveerd. Tevens heeft hij de gemachtigde gevraagd om aan te geven of hij wil worden gehoord en of hij de bezwaren nader wenst te motiveren.

2.14.

Bij brief van 7 juni 2011 heeft de gemachtigde aan de inspecteur meegedeeld dat belanghebbende de bezwaarschriften nader wenst te motiveren. Daartoe zijn de door de gemachtigde op 23 april 2008 ingediende gronden nogmaals aan de inspecteur verstrekt en is verzocht deze gronden voor alle bezwaren van belanghebbende in aanmerking te nemen.

2.15.

Op 27 september 2011 heeft de inspecteur een brief met als onderwerp “informatie met betrekking tot de uitspraak op bezwaar” betreffende belanghebbende gezonden aan de gemachtigde. Daarin bevestigt de inspecteur dat de gemachtigde op 19 september 2011 telefonisch heeft aangegeven op dat moment geen aanleiding te zien om gehoord te willen worden.

2.16.

Op 26 oktober 2011 heeft de inspecteur aan de gemachtigde een algemene brief gezonden waarin hij de gemachtigde heeft gevraagd welke bescheiden hij nog wenst te ontvangen. Vervolgens is tot aan 15 oktober 2012 tussen partijen gecorrespondeerd over de te voeren hoorgesprekken van de diverse cliënten van de gemachtigde. Op verzoek van de gemachtigde zijn de data van de hoorgesprekken acht keer uitgesteld. Tijdens telefonisch contact tussen partijen op 15 oktober 2012 heeft de gemachtigde aan de inspecteur meegedeeld dat hij afziet van het houden van de hoorgesprekken. De inspecteur heeft dit bij brief van 15 oktober 2012 aan de gemachtigde bevestigd.

2.17.

Bij brief van 12 december 2013 heeft de inspecteur de gemachtigde een “Kennisgeving uitspraak en uitspraak op de bezwaarschriften” gezonden. De brief is voorzien van een rechtsmiddelverwijzing. De verminderingsbeschikkingen zijn gedagtekend 15 januari 2014.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de navorderingsaanslagen, de boetebeschikkingen en de beschikkingen heffingsrente terecht zijn vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de volgende vragen:

1. Heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

2. Is het gebruik van de door de inspecteur verkregen inlichtingen rechtmatig?

3. Is de door de inspecteur verkregen Nota met bijlagen authentiek?

4. Is belanghebbende terecht als rekeninghouder geïdentificeerd?

5. Heeft de inspecteur voldoende voortvarend gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslagen?

6. Is sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel?

7. Is de bewijslast terecht omgekeerd en verzwaard?

8. Zijn de boeten terecht en tot juiste bedragen vastgesteld?

9. Is bij de berekening van de heffingsrente rekening gehouden met de correcte periode?

10. Bestaat recht op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn?

3.2.

Voor een uiteenzetting van de standpunten van partijen en hun conclusies verwijst de rechtbank naar de van hen afkomstige stukken en het verhandelde ter zitting.

4 Beoordeling van het geschil

Op de zaak betrekking hebbende stukken

4.1.

Naar aanleiding van ambtsedige verklaringen van de ambtenaren betrokken bij het project Bank Zonder Naam, afgelegd bij rechtbank Leeuwarden, heeft belanghebbende de rechtbank verzocht om de inspecteur op te dragen de volgende stukken in te brengen:

1. de agendapunten en bijbehorende verslagen in het kader van het Project Bank Zonder Naam;

2. de agendapunten en bijbehorende verslagen betrekking hebbende op de kick-off bijeenkomsten gehouden op 16 en 17 november 2006;

3. de e-mail van 20 november 2006 waarin verzocht wordt de verzending van de vragenbrief aan belanghebbende[n] op te schorten;

4. het verslag van 21 november 2006 inzake de wijze van identificatie;

5. de brief van 5 december 2006 waarin de belastingregio’s worden geïnformeerd over het verzenden van de vragenbrief aan belanghebbende[n];

6. de agendapunten en bijbehorende verslagen van alle bijeenkomsten gehouden door de betrokken belastingregio’s in het kader van de afpersingskwestie;

7. het verslag van de positieve uitkomsten van de extra identificatiecheck en chi-kwadraattoets;

8. de stukken inzake de vermeende afpersing van de onderhavige bankinstelling.

4.2.

De rechtbank verwerpt het verzoek van belanghebbende om de inspecteur op te dragen genoemde stukken in te brengen. Het is aan belanghebbende om voldoende gemotiveerd te stellen dat een stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in haar zaak (zie HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1775 met verwijzing naar HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA3823). Belanghebbende heeft enkel gewezen op het belang dat het fair-play beginsel niet wordt geschonden en niet aangegeven waarom zij de onder 4.1 genoemde stukken van belang acht voor de onderhavige zaken. Ook anderszins is niet aannemelijk geworden dat deze stukken van belang kunnen zijn voor de beoordeling van deze zaken of dat zij van enig belang kunnen zijn geweest bij de besluitvorming over de navorderingsaanslagen. De rechtbank ziet evenmin reden voor een procedure als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb.

4.3.

Ter zitting heeft de inspecteur bevestigd dat hij de stukken heeft overgelegd conform de uitspraken van de geheimhoudingskamer van de rechtbank Breda van 18 maart 2011, onder meer gepubliceerd onder ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ5762. Belanghebbende heeft dit niet weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aldus alle op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding gebracht en is het niet overleggen van enkele onderdelen daarvan gerechtvaardigd. De stelling van belanghebbende dat de inspecteur op onjuiste wijze gevolg heeft gegeven aan de tussenuitspraak van rechtbank ’s-Gravenhage van 15 juni 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM8231, acht de rechtbank in zoverre irrelevant.

Rechtmatigheid en authenticiteit van de Nota met bijlagen

4.4.

De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de authenticiteit van de gegevens van Van Lanschot. Belanghebbende stelt enkel dat deze niet juist zijn en onderbouwt dat niet. De inspecteur voert daartegenover aan dat in de gevallen van de zogenaamde meewerkers die gegevens juist blijken te zijn. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van deze informatie.

4.5.

Vaststaat dat de nota met bijlagen afkomstig is van de Belgische overheid. In zoverre is de situatie vergelijkbaar met die waarbij de Belgische overheid gegevens verstrekte die betrekking hadden op rekeningen aangehouden bij de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (KB-Lux). De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 21 maart 2008 (nr. 43 050, ECLI:NL:HR:2008:BA8179) overwogen dat daarbij geen sprake was van door de Nederlandse autoriteiten onrechtmatig verkregen bewijs. De rechtbank is van oordeel dat dit ook voor het onderhavige geval geldt. Indien al moet worden aangenomen dat het renseignement op strafrechtelijk onrechtmatige wijze door de Belgische autoriteiten is verkregen, dan neemt dat niet weg dat die gegevens door de Nederlandse overheid naar het oordeel van de rechtbank niet zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar is. Daarbij acht de rechtbank van belang dat er geen enkele aanwijzing is dat de Belgische overheid de hand heeft gehad in de ontvreemding van gegevens van Van Lanschot en dat ook anderszins voor de Nederlandse belastingautoriteiten geen redenen bestonden om aan te nemen dat bij de verkrijging van de gegevens een zo fundamenteel recht van de daarin vermelde personen was geschonden dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van die gegevens ontoelaatbaar moest worden geoordeeld. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de inspecteur het renseignement mag gebruiken ter onderbouwing van de in geding zijnde navorderingsaanslagen.

4.6.1.

Belanghebbende heeft voorts nog gesteld dat de inlichtingen zijn verkregen in strijd met de Richtlijn 77/779 EEG (hierna: de Richtlijn). De rechtbank stelt voorop dat de Richtlijn uitsluitend is gericht tot de lidstaten. Belastingplichtigen, zoals belanghebbende, kunnen daaraan dus geen rechten ontlenen. Reeds hierom faalt belanghebbendes stelling. Belanghebbendes stelling faalt ook om de volgende reden. In de onderhavige zaken is geen sprake geweest van informatie-uitwisseling tussen Luxemburg en Nederland of tussen Luxemburg en België, maar van het (spontaan) overdragen van gegevens door de Belgische fiscale autoriteiten aan de Nederlandse fiscale autoriteiten. Daarom is geen sprake van gevallen zoals bedoeld in de artikelen 7, vierde lid, en artikel 8, derde lid, van de Richtlijn, waar belanghebbende, naar de rechtbank begrijpt, op doelt. De Richtlijn mist derhalve in zoverre toepassing (vergelijk Hoge Raad 4 juni 2010, nr. 09/00212, ECLI:NL:HR:2010:BM0137). In het midden kan dan blijven of de bepalingen van de Richtlijn van openbare orde zijn.

4.6.2.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank met betrekking tot de uitleg van de Richtlijn niet overgaan, zoals belanghebbende heeft verzocht, tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie.

Identificatie

4.7.

Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet heeft bewezen dat belanghebbende in het onderhavige jaar gerechtigd was tot een rekening bij Van Lanschot met rekeningnummer [rekeningnummer]. Belanghebbende betwist dat de identificatie op juiste wijze heeft plaatsgevonden.

4.8.

De inspecteur heeft belanghebbende en de echtgenoot geïdentificeerd als rekeninghouders bij Van Lanschot. Op de inspecteur rust de last om de juistheid daarvan aannemelijk te maken. De inspecteur heeft de gegevens van de rekeninghouders zoals vermeld op de rekeningstandenlijsten - in dit geval: “[X - Y]” - vergeleken met de gegevens in het systeem Beheer van Relaties (hierna: BVR), waarin gegevens zijn opgenomen die afkomstig zijn van de gemeentelijke basisadministratie. Uit de door de inspecteur overgelegde schermprints van de in het BVR-systeem opgenomen personen blijkt dat er slechts één echtpaar voorkomt met de achternamencombinatie “[X]” en “[Y]”; deze unieke ‘hit’ betreft belanghebbende en haar echtgenoot.

4.9.

De rechtbank is van oordeel dat de genoemde combinatie van de namen zo specifiek is, dat er geen reden is om aan te nemen dat de vermelding in het renseignement op andere personen dan belanghebbende en de echtgenoot kan slaan. Met voormeld onderzoek heeft de inspecteur dan ook naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat belanghebbende en de echtgenoot rechthebbenden waren tot de rekening bij Van Lanschot met rekeningnummer [rekeningnummer], op de op de renseignementen genoemde data.

4.10

Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat belanghebbende rekeninghouder was bij Van Lanschot (in Luxemburg) op de op de renseignementen genoemde data. Gelet op de hoogte van het saldo per 28 november 1996, het gegeven dat de saldi op de renseignementen vrij stabiel zijn en de beleggingsvorm (voornamelijk bonds) die wijst op belegging voor lange termijn, acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende en de echtgenoot ook in latere jaren deze bankrekening (in ieder geval tot en met 2005) hebben aangehouden in Luxemburg.

Voortvarendheid

4.11.

Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen niet voortvarend genoeg heeft gehandeld. De rechtbank oordeelt daarover als volgt.

4.12.

De navorderingsaanslagen IB/PVV 2001 en IB/PVV 2003 zijn opgelegd met toepassing van de verlengde navorderingstermijn.

4.13.

De door de inspecteur gebruikte tijd bij het opleggen van de navorderingsaanslagen in het kader van het ‘Van Lanschot-Project’, waarvan de onderhavige navorderingsaanslagen deel uit maken, is onder te verdelen in grofweg vier periodes. De eerste periode heeft betrekking op de tijd die is verstreken tussen het moment van ontvangst van de gegevens van de Belgische autoriteiten op 18 februari 2005 en het moment waarop voor het eerst een vragenbrief is verzonden naar belanghebbenden op 16 maart 2007 (onder 2.3). De tweede periode heeft betrekking op de tijd die is verstreken tussen 16 maart 2007 en het opleggen van de eerste serie navorderingsaanslagen eind 2007 (onder 2.6). De derde periode heeft betrekking op de tijd die daarna is verstreken tot het opleggen van de tweede serie navorderingsaanslagen eind 2008 aan de echtgenoot (onder 2.10). De vierde periode heeft betrekking op de tijd die is verstrekken tot het opleggen van de derde serie navorderingsaanslagen begin 2009 (onder 2.10).

4.14.

Ter zake van de eerste periode heeft het volgende te gelden. Tussen het moment waarop de FIOD-ECD de gegevens van de Belgische autoriteiten heeft ontvangen (18 februari 2005) en het versturen door de inspecteur van de vragenbrief aan belanghebbende (16 maart 2007), is een periode van ruim twee jaar verstreken. De inspecteur heeft aangegeven, dat de inlichtingen in maart 2005 van de FIOD-ECD zijn ontvangen en dat besloten is om tot een projectmatige aanpak over te gaan in verband met de grote hoeveelheid gegevens en de in acht te nemen zorgvuldigheid. De inspecteur heeft voorts aangegeven, dat de projectmatige werkzaamheden in drie fases kunnen worden onderscheiden, te weten de onderzoeksfase, de besluit- en inrichtingsfase en de projectfase. Per periode heeft de inspecteur aangegeven welke soort van activiteiten in de desbetreffende periode is verricht. Gezien de complexiteit en de omvang van het project is de rechtbank van oordeel dat de periode van ruim twee jaar om de belastingplichtige te identificeren en vervolgens te benaderen met een vragenbrief niet onredelijk lang is.

4.15.

De inspecteur heeft in de (tweede) periode vanaf het sturen van de vragenbrief tot het opleggen van de eerste navorderingsaanslag IB/PVV 2002 eind 2007 belanghebbende meermalen verzocht om informatie over de in het buitenland aangehouden bankrekening. Belanghebbende heeft daarop geen informatie over een buitenlandse bankrekening verstrekt, maar zelf om nadere informatie gevraagd. Gezien de contacten tussen de inspecteur en belanghebbende met het doel om inlichtingen te verkrijgen die nodig waren voor het bepalen van de verschuldigde belasting acht de rechtbank de periode van ongeveer tien maanden tot de dagtekening van de navorderingsaanslag IB/PVV 2002 niet onevenredig lang. Met betrekking tot het opleggen van deze navorderingsaanslag is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur voortvarend genoeg heeft gehandeld.

4.16.

Tussen het moment waarop de eerste navorderingsaanslag is opgelegd (dagtekening 28 december 2007) en de tweede serie navorderingsaanslagen, dit zijn navorderingsaanslagen met dagtekening 28 november 2008 die zijn opgelegd aan de echtgenoot, is een periode van 11 maanden verstreken. Bij de derde serie navorderingsaanslagen, zijnde navorderingsaanslagen die in januari en februari 2009 met gebruikmaking van de twaalfjaarstermijn zijn opgelegd aan belanghebbende en de echtgenoot (dagtekeningen 30 januari 2009 (IB/PVV 2001) en 3 februari 2009 (IB/PVV 2003), was één jaar en 2 maanden verstreken. In de aankondigingsbrief van de eerste serie navorderingsaanslagen (23 november 2007, onder 2.6) was al aangekondigd dat bij een ongewijzigd feitencomplex ook navorderingsaanslagen voor de jaren ná 1995 zouden worden opgelegd. De inspecteur heeft dienaangaande gesteld dat, na het opleggen van de eerste serie navorderingsaanslagen eind 2007, uit zorgvuldigheidsoverwegingen is gewacht met het opleggen van de overige navorderingsaanslagen en dat in de zomer van 2008 een extra controle op de identificatie is uitgevoerd in verband met huwelijksontbindingen vóór het moment van identificatie waardoor er mogelijk destijds meer personen een zelfde namencombinatie hadden, dan was vastgesteld aan de hand van de huwelijkse relaties ten tijde van de identificatie. De rechtbank heeft geen reden om daaraan te twijfelen. Gelet op de arresten van de Hoge Raad van 2 mei 2014, onder meer ECLI:NL:HR:2014:1032, oordeelt de rechtbank dat voor de vertraging in verband met de extra controle op de identificatie een aanvaardbare verklaring bestaat. De aanslagen zijn voldoende voortvarend opgelegd. Aan de derde serie navorderingsaanslagen liggen geen andere gegevens ten grondslag dan aan de navorderingsaanslagen die aan de echtgenoot zijn opgelegd met dagtekening in november 2008. De inspecteur heeft de aanslagen aangekondigd op 21 oktober 2008; na de hercheck van de identificatie, en belanghebbende in de gelegenheid gesteld op dat voornemen te reageren. Omdat niet is gereageerd zijn de navorderingen bij brief van 10 november 2008 bevestigd. Dat alles acht de rechtbank redelijk voortvarend. Nu de aanslagen zijn opgelegd binnen 6 maanden na deze aankondiging, is voldoende voortvarend gehandeld.

Gelijkheidsbeginsel

4.17.

Belanghebbende stelt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden ten aanzien van de navorderingsaanslagen die in 2009 zijn opgelegd. Belanghebbende heeft hiertoe geciteerd uit een brief waarin de inspecteur in de beroepsprocedure betreffende een Van Lanschot-zaak van een andere cliënt van gemachtigde, het volgende heeft meegedeeld:

“Nadere bestudering van het dossier heeft mij tot de conclusie gebracht dat slechts de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en 1996 van de heer en mevrouw […] alsmede de navorderingsaanslagen IB/PVV 2002 en 2003 van de heer en mevrouw […] in geschil zijn.”

4.18.

Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat in de door haar aangedragen situatie sprake was van eenzelfde situatie als bij belanghebbende zelf. In het aangedragen geval was blijkbaar sprake van inkeer zodat de werkelijke inkomsten uit de Van Lanschotrekening bekend waren. Dat is bij belanghebbende niet het geval. Van gelijke gevallen is dan geen sprake. Overigens is ook niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van begunstiging of begunstigend beleid.

Omkering van de bewijslast

4.19.

De inspecteur heeft belanghebbenden aangeschreven met het verzoek om informatie te verstrekken met betrekking tot alle in het buitenland aangehouden bankrekeningen. De inspecteur heeft daarbij meerdere keren gewezen op artikel 47 van de AWR en de mogelijke omkering en verzwaring van de bewijslast. In het onderhavige geval staat de bankrekening op naam van zowel belanghebbende als de echtgenoot. Belanghebbende heeft ontkend dat zij rekeninghouder was.

4.20.

Nu de rechtbank, zoals hiervoor is overwogen, aannemelijk acht dat belanghebbende en de echtgenoot een bankrekening hebben aangehouden bij Van Lanschot (in Luxemburg), heeft belanghebbende door geen inlichtingen te verstrekken de inlichtingenplicht van artikel 47 van de AWR geschonden. Het niet voldoen aan de vereisten van artikel 47 van de AWR leidt tot verzwaring en omkering van de bewijslast (artikel 25, lid 3 en artikel 27e van de AWR, tekst tot en met 2011). De rechtbank verklaart het beroep dan ongegrond, tenzij belanghebbende bewijst dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Belanghebbende heeft daar geen bewijs voor geleverd. Tussen partijen is niet meer in geschil dat de navorderingsaanslagen berusten op een redelijke schatting. De rechtbank sluit zich daarbij aan.

Boeten

4.21.

Ter zake van de onderhavige navorderingsaanslagen heeft de inspecteur aan belanghebbende boeten opgelegd.

4.22.

De rechtbank stelt voorop dat op de inspecteur de bewijslast rust dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat over de saldi op de bankrekening en de inkomsten daaruit in elk van de jaren 2001 tot en met 2005 te weinig inkomstenbelasting is geheven.

4.23.

De rechtbank heeft, zoals hiervoor onder 4.4 is overwogen, geen aanleiding om aan de authenticiteit en de betrouwbaarheid van de renseignementen te twijfelen. Daarnaast moet het naar het oordeel van de rechtbank, gelet ook op hetgeen hiervoor onder 4.9 is overwogen, er voor worden gehouden dat belanghebbende houder was van de in de renseignementen vermelde bankrekening met nummer [rekeningnummer]. Uit de renseignementen valt naar het oordeel van de rechtbank voorts op te maken dat op die rekening, op 21 december 1994, 5 september 1996 en op 28 november 1996 een aanzienlijk vermogen, van uiteindelijk (afgerond) ƒ 1.030.781 stond (onder 2.2).

4.24.

Het is inmiddels van algemene bekendheid dat zogenoemde zwartspaarders met een bankrekening in een land met een bankgeheim gedurende een lange periode deze rekening hebben aangehouden met als doel aanzienlijke vermogens buiten het zicht van de fiscus te houden. Voormelde ervaringsregel vindt ook steun in de door de zogenoemde meewerkers verstrekte gegevens. In aanmerking nemende dat het er voor moet worden gehouden dat belanghebbende in 1996 houder was van voormelde bankrekening en er op 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996 een aanzienlijk vermogen stond op die rekening, is het, gelet op eerdergenoemde ervaringsregel, meer dan waarschijnlijk dat deze rekening ook ná 1996 gedurende een reeks van jaren heeft bestaan. Gelet op het vorenstaande en de omstandigheid dat belanghebbende tot op heden geen enkele openheid van zaken heeft gegeven en zij op geen enkele wijze heeft meegewerkt om tot een juiste belastingheffing met betrekking tot die rekening te komen, acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat het in 1994 en 1996 bestaande saldo op belanghebbendes bankrekening, zoals dat uit de renseignementen naar voren komt, in de daarop volgende jaren (tot en met in ieder geval 2005) niet alleen in stand is gebleven, maar ook rentedragend is gebleven en/of dividendinkomsten bevat. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende wist dat zij vermogen en inkomsten uit vermogen, ook van buitenlandse bankrekeningen, moest aangeven. Nu belanghebbende het saldo van de bankrekening en de daarop ontvangen rente dan wel dividenden niet in haar aangiften IB/PVV over de jaren 2001 tot en met 2005 heeft opgenomen, heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat van haar in elk van die jaren te weinig belasting is geheven (vgl. Hoge Raad 15 april 2011, nr. 09/05192, ECLI:NL:HR:2011:BN6350).

4.25.

De rechtbank acht bewezen dat belanghebbende omvangrijke bedragen heeft gestort op een rekening in een land met een bankgeheim en dit geld en de daaruit ontvangen inkomsten gedurende een lange reeks van jaren bewust aan het zicht van de fiscus heeft onttrokken. Deze omstandigheden maken dat sprake is van omstandigheden die in beginsel in elk van de in geding zijnde jaren verhogingen en vergrijpboeten van 100% van de verschuldigde belastingbedragen rechtvaardigen.

4.26.

Met betrekking tot de vraag of de boete passend en geboden is, neemt de rechtbank in aanmerking de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belastingbedragen is komen vast te staan, waaronder ook valt de omstandigheid dat de zogenoemde omkering van de bewijslast is toegepast (vgl. Hoge Raad 18 januari 2008, nr. 41 832, ECLI:NL:HR:2008:BC1962 en Hoge Raad 24 oktober 2008, nr. 07/12139, ECLI:NL:HR:2008:BG1239). In het onderhavige geval is de hoogte van de verschuldigde belastingbedragen komen vast te staan met toepassing van de omkering van de bewijslast. Daarbij heeft de inspecteur de saldi van belanghebbendes bankrekening en de daaruit genoten inkomsten geschat. Zoals onder 4.20 is overwogen acht de rechtbank deze schatting, in navolging van partijen, redelijk. Het schatten van de saldi en inkomsten brengt naar zijn aard de mogelijkheid mee dat de in werkelijkheid aanwezige saldi en daaruit genoten inkomsten lager zijn. Belanghebbende verkeerde echter als rekeninghouder in de positie om duidelijkheid te verschaffen omtrent de daadwerkelijk aanwezige saldi en de daaruit genoten inkomsten. Als gevolg van belanghebbendes keuze om die informatie niet te verstrekken, was de inspecteur genoodzaakt om schattingen van de saldi en inkomsten te maken. De rechtbank acht de door de inspecteur opgelegde vergrijpboeten onder die omstandigheden, ook rekening houdend met de omstandigheid dat de verschuldigde belastingbedragen zijn komen vast te staan met omkering van de bewijslast, passend en vanuit een oogpunt van normhandhaving geboden.

4.27.

Tussen partijen is niet in geschil dat met betrekking tot de boeten de redelijke termijn is overschreden. Bij de uitspraken op bezwaar zijn in verband hiermee de boeten met 20% verminderd. Voor een verdere vermindering van de boeten op deze grond ziet de rechtbank geen aanleiding.

Heffingsrente

4.28.

Belanghebbende heeft onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 25 september 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BJ8524) en van 28 maart 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AB0764), betoogd dat het zorgvuldigheidsbeginsel meebrengt dat de periode waarover heffingsrente wordt berekend met betrekking tot alle navorderingsaanslagen moet worden beperkt tot de dagtekening van de eerste serie opgelegde navorderingsaanslagen eind 2007. Deze grief heeft derhalve, naar de rechtbank begrijpt, geen betrekking op de navorderingsaanslagen IB/PVV 2002, die eind 2007 zijn opgelegd.

4.29.

Het door belanghebbende genoemde arrest van de Hoge Raad van 25 september 2009 ziet op de situatie dat de inspecteur niet binnen drie maanden na de ingediende aangifte dan wel een verzoek om een voorlopige aanslag, een (voorlopige) aanslag oplegt. Alsdan mag op basis van dit arrest niet meer heffingsrente in rekening worden gebracht dan verschuldigd zou zijn als wel binnen drie maanden een aanslag conform de aangifte c.q. het verzoek zou zijn opgelegd. Die situatie doet zich hier niet voor nu een navorderingsaanslag is opgelegd. Het belopen van de heffingsrente is in het onderhavige geval een gevolg van de omstandigheid dat belanghebbende onjuiste aangiften heeft gedaan en is derhalve berekend over het nagevorderde bedrag.

4.30.

De Hoge Raad heeft in meergenoemd arrest van 28 maart 2001 geoordeeld dat er aanleiding kan zijn de heffingsrente te beperken indien er omstandigheden zijn aan te wijzen die aan de inspecteur kunnen worden toegerekend. De omstandigheid dat de inspecteur niet alle navorderingsaanslagen met dezelfde dagtekening heeft opgelegd en het verloop van de bezwaarfase met betrekking tot de als eerste opgelegde navorderingsaanslagen heeft afgewacht, is naar het oordeel van de rechtbank niet een zodanige omstandigheid, maar getuigt juist van een niet overhaaste, zorgvuldige werkwijze. In casu kan dan ook niet worden gezegd dat de inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld doordat hij overeenkomstig de wettelijke bepalingen heffingsrente in rekening heeft gebracht over het verschuldigde nagevorderde bedrag.

4.31.

Belanghebbende heeft voor het overige geen concrete bezwaren tegen de beschikkingen inzake heffingsrente ingebracht. De rechtbank is ook niet gebleken dat beschikkingen onjuist zouden zijn vastgesteld. De tegen die beschikkingen gerichte grief moet dan ook worden verworpen.

Immateriële schadevergoeding

4.32.

Belanghebbenden hebben verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade als gevolg van de lange behandelingsduur van het bezwaar en beroep.

4.33.

Gezien de samenhang tussen de navorderingsaanslagen, gaat de rechtbank ervan uit dat de lange behandelingsduur één maal heeft geleid tot spanning en frustratie bij belanghebbende en de echtgenoot waarvoor een vergoeding op zijn plaats is. De rechtbank ziet hierin aanleiding voor alle onderhavige zaken tezamen eenmaal een schadevergoeding toe te kennen wegens het overschrijden van de redelijke termijn.

4.34.

Voor de berekening van de schadevergoeding wordt dan eenmaal het tarief van € 500 per halfjaar gehanteerd waarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn wordt gerekend vanaf de ontvangst van het eerst ingediende bezwaarschrift (zie ook Hoge Raad 21 maart 2014, nr. 12/04057, ECLI:NL:HR:2014:540).

4.35.

Tussen de ontvangst van het eerste bezwaarschrift door de inspecteur (8 januari 2008) en de dagtekening van de uitspraak van de rechtbank (22 december 2014) zijn (afgerond) 7 jaar of 84 maanden verstreken. De redelijke termijn die staat voor de behandeling van bezwaar en beroep is 24 maanden, waarvan 6 maanden voor bezwaar en 18 maanden voor beroep. De rechtbank ziet reden om die termijn in dit geval te verlengen:

- met 6 maanden in de bezwaarfase vanwege de gecompliceerdheid van de zaak, en

- de vertraging die is opgelopen in verband met het meerdere malen uitstellen van de hoorgesprekken, nu niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende bij de hoorgesprekken aanwezig wilde zijn. Deze duur stelt de rechtbank op de periode van 30 mei 2011 tot en met 15 oktober 2012 (1 jaar en 4 maanden of 16 maanden).

- de duur voor het met instemming aanhouden van het bezwaar (op verzoek van belanghebbende) in afwachting van het arrest van de Hoge Raad. Deze duur stelt de rechtbank op de periode die is gemoeid vanaf het indienen van de motivering van het bezwaar op 23 april 2008 (zie 2.8) tot en met 26 februari 2010, de datum waarop de Hoge Raad arrest heeft gewezen inzake de twaalfjaarstermijn (1 jaar en 10 maanden of 22 maanden);

De overschrijding van de redelijke termijn is dan 84 min 24 (normaal) min 6 (verlenging) min 16 (hoorgesprekken) min 22 maanden (Hoge Raad) = 16 maanden. Belanghebbenden hebben dus recht op een vergoeding van 16/6 = afgerond 3 x € 500 of € 1.500.

4.36

Voor de verdeling daarvan tussen de inspecteur (bezwaarfase) en de Minister van Justitie (beroepsfase) geldt het volgende:

- De beroepsfase bij de rechtbank heeft geduurd van 20 december 2013 tot 22 december 2014 of ruim 12 maanden; van overschrijding van de redelijke termijn is daarbij gene sprake.

- de overschrijding wordt dus toegerekend aan de inspecteur.

4.37.

De inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding € 1.500 waarvan de helft wordt toegekend aan belanghebbende en de helft aan de echtgenoot.

5 Proceskosten

5.1.

De inspecteur heeft bij de uitspraak op bezwaar € 352,50 aan kostenvergoeding toegekend. Niet gesteld of gebleken is dat dit bedrag onjuist is.

5.2.

De rechtbank ziet voor de beroepsfase geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt de inspecteur tot het vergoeden van de immateriële schade aan belanghebbende van € 750.

Deze uitspraak is gedaan op 22 december 2014 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en mr. W.A.P. van Roij, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.S.J. Pijnenburg-Braspenning, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.