Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:8534

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
05-01-2015
Zaaknummer
C/02/278282 / HA ZA 14-182
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige opzegging toelatingsovereenkomst medisch specialist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2015-0063 met annotatie van C.W.M. Verberne
GJ 2015/45 met annotatie van prof. mr. J.G. Sijmons

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/278282 / HA ZA 14-182

Vonnis van 10 december 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. H.J. Hulsbergen,

tegen

1. de vereniging

VERENIGING MEDISCHE STAF AMPHIA ZIEKENHUIS,

gevestigd te Breda,

2. de stichting

STICHTING AMPHIA,

gevestigd te Breda,

gedaagden,

advocaat mr. W.K. Bischot.

Eiser zal hierna ‘[eiser]’ worden genoemd. Gedaagden zullen gezamenlijk worden aangeduid als ‘Amphia c.s.’ en afzonderlijk als ‘VMS’ en ‘Stichting Amphia’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 augustus 2014 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de brief van mr. Hulsbergen van 18 augustus 2014, met de producties 97 tot en met 127;

  • -

    de brief van mr. Hulsbergen van 18 augustus 2014, met aanvullende productie 98;

  • -

    de brief van mr. Hulsbergen van 29 augustus 2014, met akte wijziging van eis (in hoofdzaak en voorlopige voorziening);

  • -

    de pleitnota voorlopige voorziening ex art. 223 Rv van mr. Hulsbergen;

  • -

    de aantekeningen ten behoeve van pleidooi in de voorlopige voorziening en comparitie van partijen in de hoofdzaak van mr. Bischot;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie, tevens pleidooi in het incident, van 4 september 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in zowel de voorlopige voorziening als in de hoofdzaak.

2 Het geschil in de voorlopige voorziening en in de hoofdzaak

2.1.

In de voorlopige voorziening vordert [eiser], na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorlopige voorziening en voor de duur van het geding:

a. Amphia c.s. hoofdelijk veroordeelt, des dat de een betalende de ander voor dat bedrag zal zijn gekweten, om aan [eiser] een voorschot op de aan hem toekomende schadevergoeding te betalen ad € 1.043.181,- dan wel een ander door de rechtbank in goede justitie te bepalen voorschot;

b. Amphia c.s. hoofdelijk veroordeelt, des dat de een betalende de ander voor dat bedrag zal zijn gekweten, om - voor zover [eiser] gehouden is om een bedrag aan waarnemingshonorarium aan zijn maatschap CTC te voldoen - binnen 3 dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis in de voorlopige voorziening, dit bedrag aan [eiser] te vergoeden;

c. een of meerdere andere voorzieningen treft die de rechtbank in goede justitie geraden voorkomt;

d. een en ander met veroordeling van Amphia c.s. in de kosten van deze voorziening, des dat de een betalende de ander voor dat bedrag zal zijn gekweten.

2.2.

[eiser] vordert in de hoofdzaak, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. voor recht verklaart dat het door VMS, althans het Stafbestuur gedane onderzoek en de daarop door haar gebaseerde conclusies, adviezen en besluiten onrechtmatig zijn;

b. voor recht verklaart dat VMS jegens [eiser] aansprakelijk is voor de door [eiser] reeds geleden en nog te lijden schade, waaronder in ieder geval dient te worden verstaan de inkomensschade, pensioenschade, kosten voor waarneming, immateriële schade waaronder reputatieschade en buitengerechtelijke kosten;

c. voor recht verklaart dat de opzegging door Stichting Amphia van de “toelatingsovereenkomst” onrechtmatig is;

d. voor recht verklaart dat de Stichting Amphia jegens [eiser] aansprakelijk is voor de door [eiser] reeds geleden en nog te lijden schade, waaronder in ieder geval dient te worden verstaan de inkomensschade, pensioenschade, kosten voor waarneming, immateriële schade waaronder reputatieschade en buitengerechtelijke kosten;

e. Amphia c.s. hoofdelijk veroordeelt, des dat de een betalende de ander voor dat bedrag zal zijn gekweten, om aan [eiser] te betalen een bedrag ad € 1.043.181,-, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van de datum van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;

f. Amphia c.s. hoofdelijk veroordeelt, des dat de een betalende de ander voor dat bedrag zal zijn gekweten, om aan [eiser] te betalen het door hem aan zijn voormalige maatschap te vergoeden waarnemingshonorarium, de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten en eventueel andere nog te lijden schade, een en ander nader op te maken bij staat;

g. een en ander met veroordeling van Amphia c.s. in de kosten van dit geding, des dat de een betalende de ander voor dat bedrag zal zijn gekweten.

2.3.

Amphia c.s. voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling in voorlopige voorziening en in de hoofdzaak

3.1.

Tussen partijen staan de volgende feiten vast.

3.1.1.

[eiser] is sinds 1 april 1998 werkzaam als cardiothoracaal chirurg; eerst in Medisch Centrum de Klokkenberg te Breda en na overname hiervan door Stichting Amphia in het Amphia Ziekenhuis. [eiser] verricht zijn werkzaamheden binnen de maatschap Cardio-Thoracale Chirurgie Amphia Ziekenhuis (hierna: ‘maatschap CTC’).

3.1.2.

[eiser] heeft sinds 1 april 1998 met medeweten en goedkeuring van de Raad van Bestuur van Stichting Amphia binnen het ziekenhuis gewerkt zonder dat hieraan een schriftelijke toelatingsovereenkomst ten grondslag heeft gelegen. Stichting Amphia heeft [eiser] in 2012 een schriftelijke toelatingsovereenkomst ter ondertekening voorgelegd; [eiser] heeft deze niet ondertekend.

3.1.3.

Op 30 augustus 2012 is [eiser] betrokken geweest bij een incident. In het door [eiser] overgelegde ‘Verslag crisis beraad maatschap CTC dd 7 september 2012’ (prod. 11 bij dagvaarding) is dit incident als volgt beschreven:

“Collega [eiser] heeft bij een woordenwisseling, over zaken die zijn blijven liggen binnen de maatschap, met collega [naam X] het ziekenhuis verlaten, terwijl hij kort hierna moest opereren. Zijn patiënt lag onder narcose en de ‘sur-pass’ was door hem al gedaan. Kort hierna is hij terug gekomen, maar was gezien zijn emotionele toestand niet meer in staat om te opereren. [naam X] heeft zijn operatie overgenomen, dit na overleg met hem.”

3.1.4.

In verband met het incident van 30 augustus 2012 heeft op 20 september 2012 een gesprek plaatsgevonden tussen een afvaardiging van de maatschappen CTC en anesthesiologie. Het verslag van die bespreking (prod. 16 bij dagvaarding) luidt onder andere als volgt:

“[naam Y], [naam Z] en [naam A] zijn naar de RvB ([naam B]) gegaan naar aanleiding van het niet komen naar de OK van [eiser] nadat de Surpass was verricht (op 30 augustus). Dit incident was voor hen de druppel die de emmer deed overlopen.

Vraag van [naam X]: Kunnen de anesthesisten door met [eiser]?

(…)

Concluderend zegt de groep anesthesisten vooralsnog niet het vertrouwen op in [eiser] maar hij is hen tenminste wel uitleg verschuldigd over het wegblijven op de OK na de Surpass op 30/8 en moet er een nieuw blijk van vertrouwen getoond worden. Dit kan gebeuren in een gesprek tussen [eiser] en de anesthesisten-groep.”

3.1.5.

Eveneens op 20 september 2012 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen een afvaardiging van de maatschappen CTC en BMC (Bredase Maatschap Cardiologen). Het verslag van die bespreking (prod. 17 bij dagvaarding) geeft onder andere de volgende weergave:

“De BMC vindt dat een niet goed functionerende chirurg tot problemen kan leiden (…) Zij voelen zich daar ook aansprakelijk voor en uiten hun zorgen over de chirurgische kwaliteit van [eiser] gedurende de laatste tijd. Zij hebben 4 à 5 casussen verzameld waarbij zij twijfels hebben over de kwaliteit van opereren. Dit betreft geen mortaliteit maar complicaties/kwaliteit.

(…)

Concluderend heeft de BMC een gebrek aan vertrouwen in het functioneren van [eiser], er is geen weg terug. Dit alles is doorgegeven aan de RvB en het Stafbestuur. De BMC vraagt de thoraxchirurgen hier iets aan te doen (aan het kwaliteitsverlies) want het gaat primair om de kwaliteit van de patiëntenzorg. De BMC vraagt cijfers en resultaten. Het vertrouwen kan dan mogelijk hersteld worden indien de data dit aantonen, maar zij zullen [eiser] in ieder geval scherp blijven vervolgen.”

3.1.6.

Op 26 september 2012 is [eiser] aanwezig geweest bij een vergadering van zijn maatschap CTC. Het verslag van die vergadering (prod. 18 bij dagvaarding) vermeldt onder andere het volgende:

“[naam X] meldt dat de maatschap een beetje gerustgesteld is door de verklaring van de overleden patiënten van [eiser] zoals afgelopen maandag gepresenteerd door [eiser]. De cijfers laten zien dat er een aantal ‘zeer slechte’/ ‘hoog risico’ patiënten (direct van de cath-kamer) tussen zaten.

(…)

[eiser] wil met de cardiologen gaan praten over de casussen. [naam X] is daartegen, de cardiologen hebben de weg gekozen via de RvB en de Staf.

Na enig heen en weer gepraat besluiten we dan dat [eiser] morgen met de anesthesisten gaat praten en weer kan komen werken. (…)

Verder meldt [naam X] dat niet alleen de cardiologen en anesthesisten een probleem hebben met [eiser] maar dat de maatschap ook vindt dat [eiser] tekort schiet in een aantal taken die hij voor de maatschap doet, zoals de administratieve taken, afspraken niet na komen, te laat komen ed.”

3.1.7.

Op 27 september 2012 heeft [eiser] een gesprek gevoerd met de heren [naam Y] en [naam Z] van de maatschap Anesthesiologie.

3.1.8.

Op 19 oktober 2012 heeft[naam X] namens de maatschap CTC een brief aan (in elk geval) de Raad van Bestuur van Stichting Amphia gestuurd. De inhoud hiervan luidt als volgt (prod. 21 bij dagvaarding):

“Na aanleiding van de melding van de maatschappen cardiologie en anesthesiologie aan het stafbestuur en aan de raad van bestuur betreffende de zorgen die bestaan over het functioneren van collega [eiser] kan ik u het volgende mede delen. De maatschap cardiothoracale chirurgie heeft in meerdere vergaderingen uitvoerig met collega [eiser] gesproken en er is een status onderzoek gedaan naar de overleden patiënten, die door collega [eiser] zijn geopereerd. Uit deze gesprekken en uit de genoemde status onderzoek kunnen we concluderen dat er vooralsnog geen zorgen bij ons zijn gerezen over zijn chirurgisch handelen.

De overleden patiënten waren allen van een zeer zware cardiochirurgisch risico, waar geen chirurgische verwijtbaar handelen aangetroffen kan worden. Hierom is door de maatschap besloten om collega [eiser] zijn werk te laten hervatten. Wel is een uitgebreider onderzoek naar de zwaarte van de ingrepen van andere cardiothoracale chirurgen gaande om te vergelijken hoe de resultaten zijn van de andere cardiothoracale chirurgen bij deze categorie patiënten. Als dit onderzoek afgerond is zullen we u hierover nader berichten.”

3.1.9.

Op 25 oktober 2012 heeft de maatschap CTC vergaderd en volgens de notulen (prod. 22 bij dagvaarding) is hierin onder andere het volgende besproken:

“(…) [naam X] voegt zich bij de vergadering. Hij presenteert jaarcijfers.

  • -

    Mort. per risicogroep (…)

  • -

    Mort. per chirurg

  • -

    Mort. per chirurg per risicogroep

  • -

    Aantal per risicogroep per chirurg

Getallen laten geen uitbuiters zien. Sommige chirurgen opereren wel meer hoog-risico dan anderen. (…)

Conclusie naar buiten: We hebben diepgaand onderzoek over 2011 en 2012 gedaan. De verschillen in operatieresultaten tussen de CTC’s is niet zodanig dat hieraan consequenties verbonden moeten worden.”

3.1.10.

Bij brief van 29 november 2012 aan de heer [naam X] van CTC, in kopie aan [naam voorzitter] (voorzitter VMS) en [naam B] (voorzitter Raad van Bestuur) heeft de heer [naam C], voorzitter van de maatschap Cardiologie, melding gemaakt van twee ‘accidenten’ in november 2012 waarbij [eiser] was betrokken (prod. 23 bij dagvaarding).

3.1.11.

Op 3 december 2012 heeft [naam X] aan [eiser] overhandigd een lijst, getiteld ‘Patiënten met re-interventie postoperatief i.v.m. technische problemen’ (prod. 25 bij dagvaarding). De lijst bevat een opsomming van 8 door [eiser] geopereerde patiënten waarbij een probleem zou zijn ontstaan. De lijst is opgesteld door niet met name genoemde cardiologen. [naam X] heeft de lijst op 11 december 2012 per e-mail (prod. 26 bij dagvaarding) toegezonden aan [naam B].

3.1.12.

Eveneens op 3 december 2012 is [eiser] door [naam B] uitgenodigd voor een bespreking, waarbij ook de heren [naam voorzitter] en [naam D] (hoofd juridische zaken) aanwezig waren. Aanleiding voor het gesprek was de hiervoor genoemde brief van [naam C] van 29 november 2012. Volgens de notulen (prod. 24 bij dagvaarding) is de conclusie van de bespreking de volgende:

“De heer [naam B] concludeert dat er rond de heer [eiser] een proces gaande lijkt. Er zijn twee mogelijkheden na het te plegen onderzoek: Op grond van de feiten eindigt zijn carrière in het Amphia of hij wordt gerehabiliteerd. (…)”

3.1.13.

Op 17 december 2012 heeft een bespreking plaatsgevonden op initiatief van [naam B], waarbij daarnaast aanwezig waren: [eiser], [naam X], [naam voorzitter] en [naam D]. Aanleiding voor dit gesprek was de hiervoor genoemde e-mail van 11 december 2012 van [naam X], waarbij de lijst met 8 casus was gevoegd. Volgens de notulen is de conclusie van die bespreking de volgende (prod. 10 cva):

“Eerst zal op woensdagavond 19 december 2012 in de maatschap CTC deze situatie worden besproken, onder voorzitterschap van de heer [naam X]. Afhankelijk van de uitkomst zal de heer [eiser] zijn werkzaamheden kunnen hervatten. Tot die tijd geldt voor hem bijzonder verlof.”

3.1.14.

Bij e-mail van 10 januari 2013 heeft [eiser] aan [naam B] een reactie op de notulen gestuurd waarin hij onder andere het volgende schrijft (prod. 33 bij dagvaarding):

“(…) Alvorens te mogen stellen dat ik niet veilig zou kunnen opereren, zou dit eerst door een objectieve deskundige moeten worden vastgesteld. (…) Mijn voorstel is om spoedig een deskundige te benoemen, teneinde duidelijkheid te verschaffen over de kwaliteit van mijn werk. (…)

Hier bovenop blijf ik hameren op de noodzaak van een mediation met als doel om alle persoonlijke wrijvingen, zowel binnen de eigen maatschap als tussen de maatschappen onderling, voor eens en voor altijd de wereld uit te helpen en te komen tot gezonde werkverhoudingen en een respectvolle sfeer. (…)”

3.1.15.

Op 18 december 2012 schrijft [naam E] als voorzitter van de maatschap Bredase en Oosterhoutse Anesthesiologen aan [naam voorzitter] een brief. Hierin wordt medegedeeld dat de situatie rondom [eiser] niet is verbeterd, van hem uitleg wordt verwacht over zijn functioneren en hem tot die tijd geen verdere ondersteuning voor operaties wordt geboden.

3.1.16.

Bij brief van 8 januari 2013 aan [naam X] en [naam C] wijst [naam voorzitter] op de mogelijkheid van het doen van een melding op grond van het “Reglement mogelijk disfunctioneren lid Medische Staf” (hierna: Reglement). Op dezelfde datum schrijft [naam voorzitter] een brief met gelijke strekking aan Voets en [naam Z] van de maatschap Anesthesiologie (prod. 12 bij cva).

3.1.17.

Op 17 januari 2013 heeft de maatschap Cardiologie aan [naam voorzitter] verzocht het Reglement toe te passen als op korte termijn door de maatschap CTC geen adequate oplossing wordt gevonden (prod. 35 bij dagvaarding).

3.1.18.

Bij brief van 23 januari 2013 aan [naam voorzitter] heeft de maatschap Anesthesiologie gewezen op mogelijke toepassing van het Reglement, zonder te stellen dat sprake is van disfunctioneren bij [eiser] (prod. 38 bij dagvaarding).

3.1.19.

Op 31 januari 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam X], [naam voorzitter], [naam B] en [naam G]. Uit het hiervan opgemaakte verslag (prod. 41 bij dagvaarding) wordt het volgende geciteerd:

“De heer [naam B] vat nog kort samen:

  • -

    Er zijn signalen over niet adequaat technisch functioneren van de heer [eiser]; de cardiologen en cardio-anesthesiologen achten het functioneren van de heer [eiser] zelfs mogelijk een risico voor de patiëntenzorg;

  • -

    Er zijn signalen over het gedrag van de heer [eiser] jegens cardiologen;

  • -

    De maatschap CTC is van mening dat de heer [eiser] in de afgelopen periode in een korte tijd te veel complicaties heeft veroorzaakt.

(…)

Conclusie

Er wordt nu opgeschaald naar het stafbestuur, door middel van een formele melding vanuit de maatschap CTC ‘mogelijk disfunctioneren lid medische staf’ over het functioneren van de heer [eiser] (volgt als bijlage).”

3.1.20.

Op 4 februari 2013 heeft [naam X] namens CTC aan [naam voorzitter] verzocht de procedure uit het Reglement in gang te zetten (prod. 44 bij dagvaarding).

3.1.21.

Op 22 februari 2013 hebben de maatschappen CTC, Anesthesiologie en Cardiologie een document opgesteld met de titel ‘Procedure Mogelijk Disfunctioneren inzake [voorl.] [eiser]’ (prod. 50 bij dagvaarding). Het document bevat een plan van aanpak. Kern hiervan is dat [eiser] gedurende 3 maanden onder supervisie zal opereren. Ook zal de samenwerking met de cardiologen en anesthesisten moeten verbeteren.

Dit document is op 28 februari 2013 aan [eiser] uitgereikt (prod. 51 bij dagvaarding). [eiser] heeft hierop gereageerd bij brief van 5 maart 2013 aan de heer [naam F] van VMS. Kort gezegd ontkent [eiser] niet dat er problemen zijn, maar hebben die problemen met name betrekking op de samenwerking binnen en tussen de maatschappen CTC, Anesthesie en Cardiologie in zijn algemeenheid.

3.1.22.

Bij brief van 14 maart 2013 heeft [naam F] namens VMS aan [eiser] medegedeeld dat zijn reactie een weigering van het verbetertraject oplevert en dat VMS de zaak overdraagt aan de Raad van Bestuur van Stichting Amphia. Daaraan is uitvoering gegeven bij brief van 26 maart 2013 van [naam F] aan [naam B] (producties 56 en 58 bij dagvaarding).

3.1.23.

Op 12 april 2013 heeft [eiser] gesproken met [naam B]. Hiervan is een verslag opgemaakt (prod. 60 bij dagvaarding). Kort weergegeven is besproken:

- dat [eiser] formeel niet langer te handhaven is en dat een formele opzegging van zijn toelating moet volgen;

- dat [eiser] formeel nooit een toelatingsovereenkomst heeft getekend en wordt verzocht de laatste versie van de toelatingsovereenkomst te ondertekenen;

- dat [eiser] wordt geadviseerd alsnog onvoorwaardelijk in te stemmen met het door het stafbestuur geformuleerde voorstel.

3.1.24.

De notulen van de vergadering van de stafraad van VMS van 13 mei 2013 maken melding van het volgende (prod. 67 bij dagvaarding):

“De heren [eiser], cardiothoracaal chirurg en [naam kinderarts], kinderarts zijn afgetreden.”

Na protest van de raadsman van [eiser] op 30 mei 2013 (prod. 66 bij dagvaarding), stuurt [naam F] aan de raadsman een brief van 3 juni 2013, waarin het volgende is geschreven (prod. 68 bij dagvaarding):

“Inderdaad is het zo dat te voorbarig in de Stafraadvergadering en de notulen ervan is genoemd dat de heer [eiser] is afgetreden. Wel is het zo dat het Stafbestuur het opzeggen van het lidmaatschap heeft overwogen, maar intussen wachten wij het lopende overleg met de Raad van Bestuur af. In de Stafraadvergadering van heden, 3 juni 2013, zal ik deze correctie noemen.”

3.1.25.

Op 11 juni 2013 stuurt de raadsvrouw van Amphia c.s. aan de raadsman van [eiser] per e-mail een brief met zes bijlagen, bestaande uit zes casus. In de brief worden voorbereidingen voor de opzegging van de toelatingsovereenkomst aangekondigd.

3.1.26.

Bij brief van 26 juni 2013 heeft [naam B] aan [eiser] bericht dat het voornemen bestaat de toelatingsovereenkomst op te zeggen. [eiser] wordt in de gelegenheid gesteld te worden gehoord over de voorgenomen opzegging (prod. 72 bij dagvaarding).

3.1.27.

Bij brief van 2 juli 2013 deelt de raadsman van [eiser] aan [naam B] onder andere het volgende mede (prod. 73 bij dagvaarding):

“Wederom stel ik vast dat u veel te kort door de bocht gaat en conclusies trekt zonder een deugdelijk en objectief feitenonderzoek en zonder acht te slaan op de kern van de problematiek, zoals herhaaldelijk door cliënt omschreven.

De volgorde van besluitvorming dient dan ook als volgt te zijn:

1. Eerst een objectief onderzoek door deskundigen (van buiten het eigen ziekenhuis), die de casus en de onderliggende dossiers beoordelen;

2. Deze deskundigen dienen zich uit te laten over de vraag of inderdaad sprake is van technisch disfunctioneren;

3. Als het antwoord op vraag 2 bevestigend beantwoord moet worden, dient een plan te worden opgesteld, dat is gericht op het wegnemen van de oorzaak van de functioneringsproblemen (indien daarvan sprake zou blijken te zijn);

4. Daar bovenop dient de problematiek rond de persoonlijke verhoudingen te worden opgepakt en opgelost.

Iedere handeling die u jegens cliënt onderneemt, zonder een dergelijk zorgvuldig traject in acht te nemen, is onzorgvuldig en derhalve onrechtmatig.

Cliënt stelt u dan ook op voorhand aansprakelijk voor alle gevolgen van uw handelen, daaronder mede begrepen de voorgenomen onrechtmatige opzegging en de wel zeer ernstige inkomens- en reputatieschade die cliënt als gevolg hiervan dreigt te lijden.”

3.1.28.

Op 26 augustus 2013 is [eiser] gehoord over de voorgenomen opzegging.

3.1.29.

Bij brief van 4 september 2013 heeft [naam B] namens de Raad van Bestuur van Stichting Amphia de toelatingsovereenkomst met [eiser] opgezegd per 6 maart 2014. Dit op grond van omstandigheden die van dien aard zijn, dat redelijkerwijs niet van Stichting Amphia kan worden verlangd de toelatingsovereenkomst met [eiser] in stand te houden. Het gaat hierbij om kritiek op het inhoudelijk functioneren van [eiser], waaronder de genoemde casus, en de omstandigheid dat – kort gezegd – volgens de betrokken maatschappen sprake is van een gebrek aan samenwerking.

3.1.30.

Op 16 oktober 2013 heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) [naam B] verzocht antwoord te geven op vragen bij de casus. Het gaat hierbij om zes casus, namelijk de casus 3 tot en met 8 die zich bevonden bij de brief van 11 juni 2013 van de raadsvrouw van Amphia c.s. Op 4 november 2013 heeft [naam B] de vragen beantwoord. Bij elke casus is door IGZ de vraag gesteld of Stichting Amphia heeft overwogen de casus als calamiteit te melden. Uit de beantwoording van die vraag blijkt dat bij geen van de casus sprake is van een calamiteit, dat sprake is van complicaties en bij één casus van een niet gekende operatietechniek (prod. 90 bij dagvaarding).

3.1.31.

De maatschap CTC heeft de maatschapsovereenkomst met [eiser] bij brief van 29 november 2013 beëindigd per 6 maart 2014 (prod. 91 bij dagvaarding).

3.1.32.

De IGZ schrijft bij brief van 18 december 2013 aan [naam B] (prod. 99 bij dagvaarding) onder andere het volgende:

“Het beeld dat u in eerdere correspondentie schetste, was dat de heer [eiser] weliswaar een hoog complicatiecijfer had maar dat zijn patiëntpopulatie ook aanmerkelijk zwaarder was dan die van zijn maten. De door u gepresenteerde casus zijn echter alle als laag (Euroscore 3 tot 9) gekwalificeerd.

Hoewel er kritiek bestond op de gehanteerde operatietechniek en deze niet overeenkwam met de in het hartteam afgesproken strategie, is er weinig vastgelegd over de uitkomst van de besprekingen naderhand. De uitkomsten van de operaties door de heer [eiser] worden benoemd als complicaties, terwijl men zich aan de andere kant grote zorgen maakte over zijn operatietechnische vaardigheden, dat rijmt niet met elkaar. (…)

Al met al constateert de inspectie belangrijke tegenstrijdigheden en kan zij niet concluderen of het werk van de heer [eiser] kwalitatief voldoende was (…) Ik verzoek u daarom om de NVT te benaderen met het verzoek om een deskundige aan te wijzen voor analyse van deze volledige patiëntendossiers en de inspectie te informeren over de uitkomst daarvan. (…)”

3.1.33.

Bij brief van 12 februari 2014 heeft [naam B] het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Thoraxchirurgie (NVT) verzocht een deskundige aan te wijzen die op grond van de volledige dossiers kan beoordelen of [eiser] in de aangevoerde casus heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam cardiothoracaal chirurg mocht worden verwacht, gebaseerd op de stand der wetenschap van dat moment.

3.1.34.

Bij brief van 16 april 2014 heeft NVT aan [naam B] medegedeeld dat op basis van het reglement van de Commissie Professionaliteit, dat gebaseerd is op de richtlijn van de Orde van Medisch Specialisten voor een dergelijke commissie, het onderzoek kan worden uitgevoerd door twee leden hart-long chirurgen, bijgestaan door een jurist.

3.1.35.

Per e-mail van 6 mei 2014 heeft [naam G] aan de NVT bericht dat de voorgestelde aanpak niet overeenkomt met de wens van IGZ en Stichting Amphia. Op 19 mei 2014 heeft de NVT daarop aan [naam B] bericht dat het bestuur blijft bij het eerder gedane voorstel en niet bereid is om medewerking te verlenen aan een minder onafhankelijk en daarmee ontoereikend onderzoek. Stichting Amphia heeft bij brief van 27 mei 2014 medegedeeld in beginsel in te stemmen met de door de NVT voorgestelde werkwijze.

3.1.36.

Bij brief van 1 juli 2014 aan Stichting Amphia heeft de IGZ aangedrongen op bespoediging van de voortgang van het onderzoek.

3.1.37.

Als bevriende partijdeskundige heeft de heer [naam thoraxchirurg], thoraxchirurg n.p., op verzoek van [eiser] op 12 juli 2014 een rapport opgesteld (prod. 122). Dit betreft de beoordeling van het medisch handelen van [eiser] als thoraxchirurg inzake de 6 casus, genummerd 3 tot en met 8, aangehaald in de brief van mr. Bischot aan mr. Hulsbergen van 11 juni 2013. Per casus heeft [naam thoraxchirurg] een gemotiveerde conclusie geformuleerd. De algemene conclusie is door [naam thoraxchirurg] onder andere als volgt verwoord:

“Op de vraag of naar mijn deskundig oordeel de heer [eiser] de betreffende medische handelingen vakkundig heeft uitgevoerd naar maatstaven van hetgeen van een redelijk bekwaam cardiothoracaal chirurg mocht worden verwacht, gebaseerd op de stand der wetenschap van dat moment, antwoord ik: Ja, dat heeft hij. (…)”

3.1.38.

Bij brieven van zijn advocaat van 30 januari 2014 heeft [eiser] Amphia c.s. aansprakelijk gesteld, gesommeerd om de opzegging in te trekken, [eiser] te rehabiliteren en zijn schade te vergoeden. Amphia c.s. zijn hiertoe niet bereid.

De grondslag van de vorderingen

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag.

3.2.1.

Ten aanzien van VMS stelt [eiser] dat VMS de belangen van haar leden dient te behartigen, waaronder die van [eiser]. Bovendien zijn VMS en haar organen krachtens artikel 2:8 BW jegens [eiser] gehouden zich te gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. VMS heeft dat ten opzichte van [eiser] niet gedaan en onzorgvuldig jegens [eiser] gehandeld. Het Stafbestuur van VMS treft de volgende verwijten:

a. het ten onrechte in behandeling nemen van de meldingen inzake mogelijk disfunctioneren van [eiser], althans de meldingen van de cardiologen;

b. het weigeren althans nalaten van zorgvuldig onderzoek naar de feiten;

c. het schenden van het beginsel van hoor en wederhoor;

d. het niet afwachten of faciliteren van gesprekken tussen [eiser] en de overige maatschappen over het door [eiser] voorgestelde alternatieve plan d.d. 5 maart 2013;

e. het schenden van diverse procedureregels van het Reglement;

f. het ten onrechte concluderen en adviseren aan de Raad van Bestuur dat een beëindiging van de toelatingsovereenkomst de enige weg was.

Dit vormt een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van haar verplichtingen jegens [eiser]. Bovendien is dit handelen en nalaten ten opzichte van [eiser] onrechtmatig. Het handelen van het Stafbestuur van VMS heeft geleid tot een opzegging van de toelatingsovereenkomst door Amphia. VMS is jegens [eiser] aansprakelijk voor de volledige schade die [eiser] door de opzegging heeft geleden.

3.2.2.

Grondslag voor de vorderingen tegen Stichting Amphia is het volgende. Er is geen sprake geweest van gewichtige redenen van zodanig klemmende aard dat redelijkerwijs van Stichting Amphia niet gevergd kon worden de toelating te continueren. De Raad van Bestuur van Stichting Amphia heeft klakkeloos het advies van het Stafbestuur van VMS overgenomen, zonder nader onderzoek te doen. De Raad van Bestuur had zich een eigen oordeel moeten vormen over het ingrijpende advies van het Stafbestuur en het in dat kader aangehaalde onderzoeksrapport. De Raad van Bestuur heeft dit nagelaten, waardoor Stichting Amphia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. De opzegging is bovendien onaanvaardbaar omdat is opgezegd zonder [eiser] een passende schadevergoeding of tegemoetkoming in het wegvallen van zijn inkomen aan te bieden.

3.2.3.

De schade bestaat uit inkomensderving wegens het wegvallen van het maatschapsinkomen tot en met 31 december 2016 en wordt gemotiveerd begroot op een bedrag van € 800.281,-. Bovendien lijdt [eiser] pensioenschade die gemotiveerd is berekend op een bedrag van € 42.900,-. Voorts dreigt [eiser] schade te lijden als gevolg van het feit dat zijn maatschap aangeeft dat jegens hem de maatschap eindigt. In dat kader zullen er afrekeningen moeten plaatsvinden, waaronder mogelijk nog bij hem in rekening te brengen waarnemingsbijdragen en andere kosten. Dit zal nader bij staat moeten worden vastgesteld.

3.2.4.

Verder heeft [eiser] ernstige reputatieschade en overige immateriële schade geleden. De aangebrachte smet op zijn reputatie verhindert dat hij, ook na zijn pensioen, nog wordt gevraagd voor waarnemingen, spreekbeurten en het nemen van zitting in professionele colleges. De gebeurtenissen hebben voor [eiser] bovendien een ernstige derving van levensvreugde tot gevolg en hebben ervoor gezorgd dat hij zijn onbevangenheid heeft verloren. [eiser] begroot deze schade in redelijkheid op € 200.000,- en vordert dat deze schade naar billijkheid wordt vastgesteld.

De bevoegdheid

3.3.

Bij tussenvonnis in het bevoegdheidsincident van 4 juni 2014 heeft de rechtbank het beroep van Amphia c.s. op een arbitraal beding verworpen en zich bevoegd verklaard om van het geschil tussen [eiser] en Amphia c.s. kennis te nemen.

Beslissingen door de rechter gegeven in een bevoegdheidsincident over punten die ook in de hoofdzaak een rol spelen, binden de rechter in de hoofdzaak niet (vgl. HR 30 juni 1989, NJ 1990, 382). De rechtbank constateert dat in de hoofdzaak, evenals in het incident, tussen partijen in geschil is of tussen hen sprake is van een contractuele verhouding en zo ja, of deze wordt beheerst door de inhoud van de door [eiser] niet ondertekende toelatingsovereenkomsten.

De rechtbank houdt vast aan de beslissingen en overwegingen die zij in het tussenvonnis van 4 juni 2014 heeft gegeven. Zij ziet geen doorslaggevende reden om thans anders te oordelen en te beslissen. Dit betekent dat tussen [eiser] en Stichting Amphia weliswaar sprake is van een contractuele relatie die kenmerken heeft van een toelatingsovereenkomst, maar niet dat hun rechtsverhouding inhoudelijk overeenstemt met de toelatingsovereenkomst die [eiser] op 8 september 1999 of later is toegezonden. Stichting Amphia mocht er niet van uitgaan, dat [eiser] de bepalingen van de toelatingsovereenkomst heeft aanvaard door niet te reageren op het verzoek tot ondertekening van die overeenkomst. Hetzelfde geldt voor de op 2 februari 2001 en in 2012 aan [eiser] ter ondertekening aangeboden toelatingsovereenkomsten. Er is om die reden geen (schriftelijk) arbitraal beding tussen partijen overeengekomen zodat de rechtbank bevoegd is. Om dezelfde reden bestaat geen wilsovereenstemming over artikel 23 lid 5 van de toelatingsovereenkomst 2012. Het beroep van Stichting Amphia op de vervaltermijn van 30 dagen in artikel 23 lid 5 van de toelatingsovereenkomst 2012 gaat dan ook niet op. Bovendien heeft die vervaltermijn alleen betrekking op het tijdig instellen van beroep bij het Scheidsgerecht Gezondheidszorg. Omdat geen arbitrage is overeengekomen komt aan de vervaltermijn voor het instellen van arbitrage geen betekenis toe. Het primaire verweer van Stichting Amphia wordt daarom verworpen. De conclusie is dat de rechtbank bevoegd is en dat [eiser] ontvankelijk is in zijn vorderingen. In het hierna volgende zal de hiervoor genoemde contractuele relatie tussen partijen om praktische redenen worden aangeduid als een ‘toelatingsovereenkomst’.

De opzegging van de toelatingsovereenkomst

3.4.

Stichting Amphia stelt subsidiair dat zij de toelatingsovereenkomst rechtmatig heeft opgezegd met een opzegtermijn van zes maanden. De enkele vertrouwensbreuk tussen een medisch specialist en de andere leden van zijn maatschap levert in beginsel al een gewichtige reden op voor opzegging van de toelatingsovereenkomst. Stichting Amphia wijst ter onderbouwing van dit standpunt naar een uitspraak van het Scheidsgerecht voor de Gezondheidszorg van 14 september 2012, 11/22. In deze zaak heeft niet alleen de eigen maatschap van [eiser] het vertrouwen in hem opgezegd, maar ook de twee vakgroepen waarmee hij het nauwste samenwerkt. Dit levert volgens Stichting Amphia dan ook een gegronde reden op voor opzegging van de toelatingsovereenkomst. Dat is alleen anders als Stichting Amphia het in haar macht heeft gehad de situatie die als gevolg van het weggevallen vertrouwen ten goede had kunnen keren en dat ten onrechte heeft nagelaten.

3.5.

Zoals hiervoor overwogen bestaat tussen partijen geen schriftelijk ondertekende toelatingsovereenkomst, hoewel hun rechtsverhouding daar wel kenmerken van heeft. Partijen hebben niet gesteld dat zij mondeling opzeggingsgronden overeengekomen zijn. Omdat wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging van de voor onbepaalde tijd gesloten mondelinge toelatingsovereenkomst, geldt dat deze in beginsel opzegbaar is. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en de inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is als een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat. Uit diezelfde eisen kan voortvloeien dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding (HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854 en 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013: BZ4163).

De toelatingsovereenkomst geeft de medisch specialist het recht om zijn specialisme in volle omvang voor eigen rekening en risico uit te oefenen. Eindigt de toelatingsovereenkomst dan betekent dit doorgaans ook het einde van de samenwerkingsovereenkomst met andere specialisten, zoals de overeenkomst van maatschap. De aard van de onderhavige mondelinge toelatingsovereenkomst rechtvaardigt dan ook dat opzegging hiervan slechts mogelijk is als een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat.

Stichting Amphia heeft de opzegging gebaseerd op omstandigheden die van dien aard zijn dat van haar redelijkerwijs niet kan worden verlangd de overeenkomst met de medisch specialist ongewijzigd in stand te houden. Deze grond voor opzegging is verenigbaar met de hiervoor genoemde maatstaf als sprake is van voldoende zwaarwegende omstandigheden. De rechtbank moet beoordelen of daaraan in dit geval is voldaan.

3.6.

De brief van de Raad van Bestuur van 4 september 2013, waarbij Stichting Amphia de toelatingsovereenkomst met [eiser] heeft opgezegd, moet worden gelezen in samenhang met de brief van 26 juni 2013 waarin Stichting Amphia het voornemen tot opzegging kenbaar heeft gemaakt. Daaruit volgt dat volgens Stichting Amphia de volgende omstandigheden aanleiding zijn voor de opzegging:

a. vanaf medio 2012 hebben de maatschap cardiologie en anesthesiologie kritiek geuit op het medisch-technisch functioneren van en de samenwerking met [eiser];

b. de maatschap CTC heeft deze kritiek onderzocht aan de hand van de opgegeven voorbeelden en casuïstiek en de kritiek grotendeels onderschreven;

c. er zijn verschillende gesprekken gevoerd met de maatschappen om het vertrouwen te herstellen;

d. de drie maatschappen hebben een verbetervoorstel opgesteld; het Stafbestuur heeft van [eiser] instemming met dit voorstel gevraagd maar dit heeft [eiser] geweigerd;

e. het Stafbestuur is van mening dat het, gezien de feiten en de weigerachtige houding van [eiser], niet aannemelijk is dat [eiser] in het Amphia Ziekenhuis nog als cardiothoracaal chirurg kan functioneren en heeft de zaak overgedragen aan de Raad van Bestuur;

f. de Raad van Bestuur constateert dat [eiser] naar het oordeel van collega-medisch specialisten medisch inhoudelijk niet naar behoren functioneert, dat [eiser] dit ontkent en dat hierdoor een onwerkbare situatie is ontstaan;

g. de Raad van Bestuur constateert dat [eiser] volgens zijn maatschap CTC ondermaats medisch-technisch functioneert en een verbetertraject weigert, waardoor terugkeer als cardiothoracaal chirurg ongewenst is;

h. de Raad van Bestuur kan niet accepteren dat een cardiothoracaal chirurg die het vertrouwen mist van collega medisch-specialisten en een verbetervoorstel weigert, werkzaam blijft in het ziekenhuis;

i. voor voortzetting van de toelating is nodig dat [eiser] erkent dat de kritiek die is ontstaan op zijn inhoudelijk functioneren een kern van waarheid bevat en in elk geval een plan gericht op herstel van het vertrouwen in zijn medisch functioneren onvermijdelijk maakt;

j. dit laatste zonder dat de casuïstiek die daaraan ten grondslag ligt eerst extern wordt beoordeeld omdat een dergelijke externe beoordeling zonder verbeterplan niet tot een herstel van vertrouwen kan leiden; ook los van de casuïstiek bestaat te veel gemotiveerde twijfel.

Samengevat wordt [eiser] dus verweten medisch-technisch niet te functioneren, niet goed samen te werken en geen verbetervoorstel te accepteren teneinde een herstel van vertrouwen te bewerkstelligen.

3.7.

De rechtbank zal eerst ingaan op het verwijt dat [eiser] medisch-technisch niet goed zou hebben gefunctioneerd. Bij gelegenheid van het pleidooi in de voorlopige voorziening en comparitie van partijen in de hoofdzaak hebben Amphia c.s. gesteld, dat het in dit geschil niet gaat om de vraag of [eiser] in 2012 calamiteiten heeft veroorzaakt. Ook is niet inzet van dit geding of [eiser] in de betreffende casus beroepsfouten heeft gemaakt. Volgens Amphia c.s. is kern van de zaak dat cardiologen en anesthesiologen – mede naar aanleiding van deze casuïstiek in relatie tot de hoge mortaliteit en het overige gedrag van [eiser] – in verband met de patiëntveiligheid hebben geweigerd patiënten naar hem te verwijzen; in die weigering hebben Amphia c.s. aanleiding mogen zien te handelen zoals zij hebben gedaan.

De rechtbank begrijpt deze stellingen aldus, dat Amphia c.s. bij nader inzien van mening zijn dat op grond van de casuïstiek niet kan worden geconcludeerd dat sprake is geweest van een medisch-technisch disfunctioneren van [eiser]. Amphia c.s. komen daarmee terug op een omstandigheid die een prominente rol heeft gespeeld in deze procedure en ook mede aan de opzegging van de toelatingsovereenkomst ten grondslag is gelegd. Het op grond van de casus veronderstelde medisch-technisch disfunctioneren van [eiser] heeft immers een belangrijke rol gespeeld bij het van toepassing verklaren van het Reglement en het op basis daarvan opgestelde verbetervoorstel. Aangenomen moet worden dat Stichting Amphia vóór de opzegging van de toelatingsovereenkomst tot dezelfde conclusie had kunnen komen als nu. Stichting Amphia heeft immers vóór de opzegging IGZ ingelicht maar vrij kort na de opzegging aan IGZ medegedeeld dat bij geen van de casus sprake is van een calamiteit, dat sprake is van complicaties en bij een casus van een niet gekende operatietechniek. De rechtbank wijst er in dat verband nog op, dat [eiser] al in een vroeg stadium heeft betwist dat hij medisch-technisch zou disfunctioneren en het verzoek heeft gedaan de casus te laten onderzoeken door een externe deskundige. Amphia c.s. hebben dat verzoek ten onrechte niet gehonoreerd. De stelling dat bij [eiser] sprake is geweest van een hoge mortaliteit en daarmee de patiëntveiligheid op het spel stond, is niet verenigbaar met de conclusie die de maatschap CTC op 25 oktober 2012 heeft geformuleerd (rov. 3.1.9), namelijk dat de mortaliteitscijfers binnen de specialisten van de maatschap CTC niet zodanig verschillen dat daaraan consequenties moeten worden verbonden. Bij de onderzochte casus speelde de mortaliteit bovendien geen rol. De rechtbank gaat er daarom van uit, dat al ten tijde van de opzegging van de toelatingsovereenkomst door Stichting Amphia geen sprake was van medisch-technisch disfunctioneren van [eiser].

3.8.

Wat betreft het verwijt aan [eiser] dat de samenwerking moet worden verbeterd, heeft de rechtbank in de stellingen en processtukken van Amphia c.s. niets aangetroffen waaruit blijkt waarin [eiser] zich concreet diende te verbeteren. Integendeel is in de notulen van de vergadering van het Stafbestuur van 12 februari 2013 (prod. 48 bij dagvaarding, p. 2) opgemerkt dat [eiser] ‘een plezierige collega is en dat ze hem graag zo snel mogelijk op de rails willen hebben’. Bij gelegenheid van het pleidooi en de comparitie heeft de rechtbank gevraagd waarin [eiser] zich concreet diende te verbeteren maar op die vraag hebben Amphia c.s. geen overtuigend antwoord gegeven. Amphia c.s. hebben medegedeeld dat [eiser] regelmatig mompelde en zich bij operaties controlerend opstelde. Amphia c.s. hebben niet gesteld dat dit een disfunctioneren in de zin van het Reglement oplevert, waarvoor immers is vereist dat het moet gaan om structureel tekortschietende zorg met het oog op risico’s voor patiënten. Die gedragingen vormen dan ook geen aanleiding het Reglement toe te passen, nog daargelaten dat evenmin is gesteld dat [eiser] daarop eerder concreet is aangesproken. Voor het overige is niet duidelijk welke concrete problemen de collega medisch-specialisten hadden in de samenwerking met [eiser]. De enkele stelling dat het ontbrak aan vertrouwen is niet voldoende. Het ontbreken van vertrouwen zal immers doorgaans een gevolg zijn van concrete feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan. Wel heeft op 30 augustus 2012 het in ro. 3.1.3 genoemde incident plaatsgevonden, maar dat incident vormde voor de maatschap Anesthesiologie op 20 september 2012 (zie ro. 3.1.4) geen aanleiding het vertrouwen in [eiser] op te zeggen en is ook niet aan de opzegging ten grondslag gelegd. Aangenomen kan worden dat er een probleem was in de samenwerking en dat dit op de een of andere wijze was gerelateerd aan [eiser], maar er kan niet worden geconcludeerd dat de oorzaak hiervan bij [eiser] lag, dan wel bij [eiser] alleen. Hiernaar hebben Amphia c.s. onvoldoende onderzoek verricht.

3.9.

Op grond van artikel 3.6 van het Reglement is voor het vaststellen van een verbetertraject vereist dat sprake is van een gegronde melding. Uit het voorgaande vloeit voort, dat geen sprake was van disfunctioneren van [eiser] in de zin van het Reglement zodat de melding ongegrond was. Er kan [eiser] dan ook niet worden verweten niet te hebben ingestemd met het voor hem vastgestelde verbetertraject.

3.10.

De conclusie van het voorgaande is dat de opzeggingsgronden geen stand houden, zodat Stichting Amphia toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld door de toelatingsovereenkomst met [eiser] op te zeggen. Stichting Amphia is daarom verplicht de door [eiser] geleden schade te vergoeden.

Het handelen van VMS

3.11.

Volgens artikel 3.4 sub c van het Reglement dient het Stafbestuur – dit is volgens de in het Reglement gehanteerde begrippen het bestuur van VMS – zodanige informatie in te winnen dat het naar zijn oordeel over voldoende informatie beschikt om te kunnen besluiten over de gegrondverklaring van een melding. Uit het voorgaande vloeit voort dat VMS niet over voldoende informatie heeft beschikt en daarom op onzorgvuldige wijze (impliciet) heeft geconcludeerd dat de melding gegrond is. Dit is jegens [eiser] onrechtmatig.

3.12.

VMS betwist het causaal verband tussen haar handelen en de opzegging van de toelatingsovereenkomst door Stichting Amphia. Volgens VMS heeft Stichting Amphia een eigen verantwoordelijkheid bij het nemen van een besluit tot opzegging van de toelatingsovereenkomst. De Raad van Bestuur dient na te gaan of het onderzoek voldoende zorgvuldig is uitgevoerd.

Het verweer van VMS wordt verworpen. VMS heeft op grond van het Reglement de bevoegdheid een melding over mogelijk disfunctioneren in ontvangst te nemen en in beginsel de plicht naar de (on)gegrondheid van de melding onderzoek te verrichten. In het geval van [eiser] heeft VMS (impliciet) geconcludeerd tot gegrondverklaring van de melding en op grond daarvan een verbetervoorstel aan [eiser] gepresenteerd. Nadat [eiser] dit had geweigerd, heeft VMS het dossier bij brief van 26 maart 2013 toegezonden aan [naam B] met het verzoek ‘vanaf dit punt’ de casus over te nemen. VMS had moeten beseffen dat Stichting Amphia ook zonder formeel advies grote betekenis zou toekennen aan de bevindingen van VMS. Vooral omdat materieel wel degelijk sprake was van een advies: bij de overhandiging van het verbeterplan aan [eiser] op 28 februari 2013 heeft de voorzitter van VMS medegedeeld dat hij het een ‘goed en netjes uitgewerkt voorstel’ vindt (prod. 51 dagvaarding). Omdat de notulen zich in het dossier bevonden heeft Stichting Amphia van die mededeling kennis kunnen nemen.

De Raad van Bestuur heeft het verbetervoorstel van VMS feitelijk ook als advies overgenomen. Uit het op 12 april 2013 gevoerde gesprek met [eiser] (prod. 60 bij dagvaarding) blijkt immers dat de Raad van Bestuur op grond van het verbetervoorstel heeft medegedeeld dat [eiser] niet langer te handhaven is en een formele opzegging van zijn toelating tot het ziekenhuis moet volgen. Als enige andere mogelijkheid voor [eiser] wordt genoemd om onvoorwaardelijk in te gaan op het door het Stafbestuur van VMS geformuleerde voorstel.

Daar komt bij dat VMS desgevraagd – en dus ook formeel – de Raad van Bestuur van Stichting Amphia heeft geadviseerd over het voornemen de toelatingsovereenkomst te beëindigen (prod. 82, p. 3, laatste alinea). Het Stafbestuur heeft volgens de tekst van de opzeggingsbrief op 11 juli 2013 geconcludeerd dat werkhervatting zonder het naleven van het verbeterplan niet verantwoord is.

Dit betekent dat VMS heeft bijgedragen tot de beslissing van Stichting Amphia om de toelatingsovereenkomst op te zeggen. Worden het door VMS goed bevonden verbetervoorstel en advies weggedacht, dan is niet aannemelijk dat Stichting Amphia de toelatingsovereenkomst met [eiser] zou hebben opgezegd. Aan het vereiste van causaal verband tussen het handelen van VMS en de opzegging door Stichting Amphia is daarom voldaan (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 juli 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:5833). Ook VMS dient daarom de door [eiser] geleden schade door de onrechtmatige opzegging te vergoeden. Stichting Amphia c.s. en VMS zijn daarvoor hoofdelijk aansprakelijk.

3.13.

Voorts is onrechtmatig, want in strijd met de jegens [eiser] in acht te nemen zorgvuldigheid, dat VMS op 13 mei 2013 voorbarig heeft medegedeeld dat [eiser] is afgetreden als cardiothoracaal chirurg. Dit is door de opvolgend voorzitter van VMS, [naam F], ook met zoveel woorden erkend in zijn brief van 3 juni 2013. De rechtbank voegt hier echter meteen aan toe, dat deze onrechtmatige gedraging niet heeft geleid tot (immateriële) schade. VMS heeft immers meteen na melding hiervan de fout op 3 juni 2013 hersteld.

Schade

3.14.

Amphia c.s. stellen dat op grond van jurisprudentie bij een onrechtmatige opzegging van de toelatingsovereenkomst een billijke schadevergoeding wordt toegekend ter hoogte van een jaaromzet van de medisch specialist en niet een vergoeding tot aan de pensioengerechtigde leeftijd.

De rechtbank overweegt dat de omvang van de schade moet worden bepaald door een vergelijking te maken van de toestand zoals deze in werkelijkheid is, met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest als de schadeveroorzakende gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden (vgl. HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0539).

Tussen partijen staat vast dat de maatschap CTC de maatschapsovereenkomst met [eiser] per 6 maart 2014 heeft beëindigd. Dit is het aanvangsmoment voor de berekening van de gevorderde inkomensschade.

3.15.

Zou de toelatingsovereenkomst niet zijn beëindigd, dan zou de met [eiser] gesloten maatschapsovereenkomst volgens artikel 11 sub h eindigen aan het eind van het kwartaal waarin [eiser] de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, dit is 30 juni 2016. Amphia c.s. hebben geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit moet volgen dat [eiser] vóór zijn 65ste zou stoppen met werken. Aannemelijk is daarom dat ook de toelatingsovereenkomst – in de zin zoals die volgens ro. 3.3 daaraan moet worden gegeven – op die datum zou eindigen. Weliswaar kan de toelatingsovereenkomst ook na die datum nog worden verlengd, maar Stichting Amphia heeft gemotiveerd gesteld dat een verlenging in het algemeen niet wordt verleend en dit is door [eiser] niet gemotiveerd betwist. De door [eiser] gevorderde inkomensderving moet daarom worden berekend van 6 maart 2014 tot 30 juni 2016 en niet, zoals gevorderd, tot 31 december 2016.

De rechtbank ziet geen aanleiding de gevorderde vergoeding voor inkomensschade te beperken tot een jaar of tot een eerdere datum dan 30 juni 2016 toe te kennen. De toelatingsovereenkomst met [eiser] is opgezegd op een moment dat [eiser] 62 jaar was. Het is niet waarschijnlijk dat [eiser] door de onrechtmatige opzegging tot zijn pensioengerechtigde leeftijd elders dezelfde of vergelijkbare werkzaamheden zal kunnen verrichten. Dit blijkt voldoende uit de door [eiser] in het geding gebrachte producties die door Amphia c.s. onvoldoende gemotiveerd zijn betwist.

De rechtbank stelt vast dat de inkomensschade op dit moment niet nauwkeurig begroot kan worden, omdat partijen van mening verschillen over de bruto jaarwinst van [eiser]. De rechtbank zal [eiser] in de hoofdzaak in de gelegenheid stellen bij conclusie na tussenvonnis de omvang van deze schadepost nader toe te lichten en te onderbouwen, bijvoorbeeld met jaarstukken van de maatschap en aangiften inkomstenbelasting.

3.16.

[eiser] stelt pensioenschade te lijden als gevolg van de onrechtmatige opzegging van de toelatingsovereenkomst. Het is de rechtbank niet duidelijk op welke grondslag [eiser] naast vergoeding van inkomensschade ook aanspraak maakt op pensioenschade. Doorgaans worden pensioenpremies immers betaald uit het inkomen. De rechtbank vraagt zich af of [eiser] vanaf maart 2014 de mogelijkheid heeft gehad de maandelijkse pensioenpremie te betalen en zo nee, waarom dat niet mogelijk was. Afgezien hiervan hebben Amphia c.s. de stellingen van [eiser] gemotiveerd betwist.

De rechtbank zal [eiser] de gelegenheid geven in de hoofdzaak bij conclusie na tussenvonnis grondslag en omvang van deze schadepost nader toe te lichten.

3.17.

[eiser] stelt reputatieschade en ook overigens immateriële schade te hebben geleden. Amphia c.s. hebben de gevorderde schade betwist omdat [eiser] niet heeft onderbouwd dat is voldaan aan de eisen van artikel 6:106 lid 1 sub b BW. [eiser] heeft volgens Amphia c.s. alleen algemene opmerkingen gemaakt.

Dit verweer slaagt. Dat het leven van [eiser] zowel professioneel als in privé ontwricht is geraakt in die mate, dat aanspraak bestaat op vergoeding van immateriële schade op grond van genoemde wetsbepaling is onvoldoende feitelijk gesteld. Voorts is hiervoor al overwogen dat de omstandigheid dat VMS voortijdig het aftreden van [eiser] heeft genoemd niet betekent dat [eiser] hierdoor schade heeft geleden. De gevorderde immateriële schadevergoeding wordt daarom afgewezen.

3.18.

[eiser] vordert dat Amphia c.s. het door hem aan zijn voormalige maatschap te vergoeden waarnemingshonorarium betalen. Amphia c.s. betwisten gehouden te zijn tot vergoeding van dit honorarium en stellen dat dit een zaak is tussen de maatschap CTC en [eiser]. De rechtbank zal [eiser] in de gelegenheid stellen grondslag en omvang van deze schadepost nader toe te lichten.

3.19.

Amphia c.s. hebben een beroep gedaan op eigen schuld aan de zijde van [eiser] waardoor de vergoedingsplicht moet worden verminderd. Amphia c.s. hebben daarbij gewezen op de volgende omstandigheden aan de zijde van [eiser]:

a. het stelstelmatig niet openstaan voor de kritiek die de drie maatschappen op [eiser] hebben geuit en het vasthouden aan mediation;

b. het niet ingaan op het plan van aanpak d.d. 19 december 2012;

c. het niet ingaan op het verbetertraject d.d. 22 februari 2013;

d. het niet ingaan op het voorstel tot een ‘zachte landing’ dat Amphia heeft gedaan, bestaande uit een langzame afbouw van werk tot pensioendatum;

e. het niet ingaan op de tijdens de hoorzitting aangeboden oplossing.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De omstandigheden a tot en met c zijn nauw verweven met de onrechtmatige gronden waarop de toelatingsovereenkomst is opgezegd en leveren daarom al geen eigen schuld op aan de zijde van [eiser]. De omstandigheden d en e impliceren dat [eiser] ondanks het ontbreken van een rechtmatige opzegging niettemin gehouden was anderszins het Amphia Ziekenhuis te verlaten. Amphia c.s. hebben daarvoor geen grondslag genoemd, zodat [eiser] niet kan worden verweten daaraan niet te hebben meegewerkt.

3.20.

[eiser] heeft bij eiswijziging tevens vergoeding gevorderd van buitengerechtelijke kosten. Deze vordering moet echter worden afgewezen omdat [eiser] niet heeft gesteld andere werkzaamheden te hebben verricht dan die waarvoor de proceskostenveroordeling al een vergoeding pleegt in te sluiten.

3.21.

In de hoofdzaak zal de rechtbank de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van een conclusie na tussenvonnis aan de zijde van [eiser] teneinde een nadere toelichting te geven op de hiervoor genoemde schadeposten. De rechtbank sluit niet uit dat zij na de conclusiewisseling een of meerdere onafhankelijk deskundigen zal moeten benoemen. De rechtbank geeft partijen daarom in overweging een minnelijke regeling met elkaar te sluiten.

3.22.

In afwachting van de conclusiewisseling zal iedere verdere beslissing in de hoofdzaak worden aangehouden.

3.23.

In de voorlopige voorziening geldt het volgende. Amphia c.s. hebben gesteld dat de bruto jaarwinst van [eiser] (de jaaromzet minus kosten) maximaal € 200.000 bedraagt. Op grond van die stelling en de omstandigheid dat de periode waarover inkomensschade moet worden berekend langer is dan 2 jaar (rov. 3.15), ziet de rechtbank aanleiding in de voorlopige voorziening een voorschot op de inkomensschade toe te kennen van € 400.000,-. De inkomensschade betreft een vergoeding voor de misgelopen winst uit onderneming en daarover is [eiser] inkomstenbelasting verschuldigd. Er bestaat daarom geen aanleiding in plaats van dit bruto bedrag het door Amphia c.s. genoemde lagere netto bedrag toe te wijzen.

3.24.

De vorderingen sub b en c in de voorlopige voorziening worden afgewezen. Over het waarnemingshonorarium bestaat onvoldoende duidelijkheid en voor het treffen van andere voorzieningen bestaat geen aanleiding.

3.25.

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partijen zullen Amphia c.s. in de kosten van de voorlopige voorziening worden veroordeeld. De kosten worden begroot op € 904,- voor salaris advocaat (2 punten x tarief € 452,-).

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv

4.1.

veroordeelt Amphia c.s. hoofdelijk, des dat de een betalende de ander voor dat bedrag zal zijn gekweten, om aan [eiser] als voorschot op de aan hem toekomende schadevergoeding wegens inkomensschade te betalen een bedrag ad € 400.000,-- (zegge: vierhonderdduizend euro);

4.2.

veroordeelt Amphia c.s. hoofdelijk in de proceskosten van dit incident, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 904,--;

4.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in de hoofdzaak

4.5.

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 21 januari 2015 voor conclusie na tussenvonnis aan de zijde van [eiser];

4.6.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Poerink, mr. Römers en mr. Schoenmakers en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2014.