Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:8526

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
C/02/245906 / HA ZA 12-132
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Sigaretten verdwenen tijdens vervoer vanuit Nederland naar Ierland. Ladingschade en accijnsschade. CMR. Parallelle gerechtelijke procedure in Ierland van onder meer sigarettenfabrikant tegen de Nederlandse vervoerder en de Nederlandse onderneming die de sigaretten had opgeslagen en afgegeven voor het vervoer. In Nederlandse gerechtelijke procedure heeft de vervoerder die Nederlandse onderneming gedagvaard. Verscheidene gevorderde verklaringen van recht afgewezen omdat onvoldoende onderbouwd is dat er sprake is van voldoende procesbelang. Vordering tot vrijwaring van hetgeen waartoe de vervoerder in de Ierse procedure wordt veroordeeld, afgewezen omdat de vervoerder niet erin wordt gevolgd dat artikel 23 CMR de juridische grondslag kan bieden voor de vordering. Artikel 23 CMR ziet op (beperkingen van) de verplichting tot schadevergoeding; het houdt geen schadeverdelingsbepaling in.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2015, afl. 2, p. 110
S&S 2015/95
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/245906 / HA ZA 12-132

Vonnis van 3 december 2014

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

J.A.M. DE RIJK BV,

gevestigd te Roosendaal,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JAN DE RIJK WAREHOUSING BV,

gevestigd te Roosendaal,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JAN DE RIJK SERVICE BV,

gevestigd te Roosendaal,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JAN DE RIJK FORWARDING BV,

gevestigd te Roosendaal,

5. de rechtspersoon naar het recht van de plaats van haar vestiging

JAN DE RIJK TRANSPORT LIMITED,

gevestigd te Bedfont, Feltham, Middlesex, Groot-Brittannië,

eiseressen,

advocaat mr. H.G.A.M. Spoormans,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DSV SOLUTIONS (DORDRECHT) BV,

gevestigd te Moerdijk,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DSV SOLUTIONS (MOERDIJK) BV,

gevestigd te Zevenbergen,

gedaagden,

advocaat mr. M. van Tuijl.

Partijen zullen hierna De Rijk en DSV genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 12 maart 2013 met de daarin genoemde processtukken;

  • -

    de akte tot overleggen en toelichting van nadere stukken, tevens inhoudende aanvulling van eis;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 12 september 2013;

  • -

    de conclusie van repliek, tevens houdende akte tot aanvulling van eis;

  • -

    de conclusie van dupliek;

  • -

    het extract uit het audiëntieblad van de pleitzitting van 30 september 2014 en de pleitaantekeningen van de raadslieden van partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

De Rijk vordert – na eiswijzigingen – dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:

  1. primair, ten aanzien van de ladingschadeclaim, voor recht wordt verklaard dat de vordering van DSV als gevolg van de diefstal van de sigaretten jegens De Rijk is verjaard;

  2. subsidiair, ten aanzien van de ladingschadeclaim, voor recht wordt verklaard dat De Rijk niet althans niet verder aansprakelijk is jegens DSV dan tot het bedrag van de CMR-beperking ex artikel 23 CMR;

  3. ten aanzien van de fiscaleschadeclaim,

  1. voor recht wordt verklaard dat de vordering van DSV ten aanzien van accijnzen en/of belastingen die betaalbaar zijn of zullen worden of inmiddels zijn betaald aan de autoriteiten wegens het niet kunnen zuiveren van de documenten als gevolg van de diefstal van de sigaretten is verjaard;

  2. voor recht wordt verklaard dat De Rijk niet aansprakelijk is, althans niet gehouden is in de verhouding met DSV te dragen, enige accijnzen en/of belastingen die betaalbaar zijn of zullen worden of inmiddels zijn betaald aan de autoriteiten wegens het niet kunnen zuiveren van de documenten als gevolg van de diefstal van de sigaretten;

  3. DSV wordt veroordeeld aan De Rijk te vergoeden al die accijnzen en belastingen waartoe De Rijk in de Ierse procedures zouden worden veroordeeld wegens het niet kunnen zuiveren van de documenten als gevolg van de diefstal van de sigaretten;

- DSV wordt veroordeeld in de proceskosten.

De vorderingen zullen hierna ook worden aangehaald als vordering 1, vordering 2, vordering 3a, vordering 3b respectievelijk vordering 3c.

2.2.

DSV voert verweer.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Tussen partijen staat het volgende vast:

  1. De Rijk is één van de vaste vervoerders van zendingen sigaretten van British American Tobacco International Ltd, althans B.A.T. (UK and Export) Ltd, (hierna: BAT).

  2. (Een rechtsvoorganger van) DSV heeft met BAT een “Warehousing and Forwarding Services Agreement” (hierna: de DSV/BAT-overeenkomst) gesloten. Op grond daarvan slaat DSV onder meer sigaretten voor BAT op.

  3. Op 11 november 2011 heeft DSV vanaf het e-mailadres bat.cs@nl.dsv.com een e-mail gestuurd aan De Rijk met onder meer het volgende bericht inzake een lading sigaretten (hierna: de lading sigaretten):

“Deze svp maandag 14/11 laden bij ons en graag security-escort zoals gebruikelijk regelen. Bedankt”

Bij deze e-mail is gehecht een document ‘Loading instructions’. Deze instructies hebben de strekking dat de lading sigaretten bij DSV in Moerdijk dient te worden opgehaald en bij TDL Distributors Ltd T/A Ampersand (hierna: TDL) in Dublin, Ierland dient te worden afgeleverd.

De Rijk heeft de lading sigaretten op 14 november 2011 opgehaald bij DSV. Voor het vervoer is een CMR-vrachtbrief opgemaakt. Verder is een Administratief Geleidedocument (hierna: AGD) opgesteld door DSV in verband met het vervoer van de lading sigaretten onder schorsing van accijns.

In de ochtend van 16 november 2011 heeft de chauffeur van de ondervervoerder die in opdracht van De Rijk de lading sigaretten vervoerde, ontdekt dat de lading sigaretten niet meer aanwezig was in de trailer waarin de lading sigaretten werd vervoerd. Deze ontdekking werd gedaan in Engeland.

BAT en TDL hebben voor de Ierse rechter procedures aanhangig gemaakt tegen De Rijk en tegen DSV in verband met de verdwijning van de lading sigaretten.

De Engelse HM Revenu & Customs (hierna: HMRC) heeft zowel De Rijk als DSV aangesproken voor een bedrag van ₤ 511.961,00 aan accijnzen in verband met de verdwijning van de lading sigaretten. DSV heeft dit bedrag aan HMRC betaald. DSV heeft vervolgens dit bedrag bij BAT in rekening gebracht, die het bedrag aan DSV heeft voldaan.

De standpunten van partijen

3.2.

De Rijk legt aan haar vorderingen in de kern het volgende ten grondslag. Aan elk van de vorderingen wordt ten grondslag gelegd dat er sprake is van een vervoersovereenkomst tussen DSV en De Rijk waarbij DSV de opdrachtgever/afzender is, alsmede dat het CMR-verdrag van toepassing is in de verhouding tussen DSV en De Rijk.

Aan de vorderingen 1 en 3a legt De Rijk verder ten grondslag dat aangezien de diefstal dateert van 15 of 16 november 2011, de vordering van DSV met betrekking tot de ladingschadeclaim en die met betrekking tot de fiscaleschadeclaim zijn verjaard ingevolge artikel 32 lid 1 sub b CMR.

Aan de (subsidiaire) vordering 2 legt De Rijk verder ten grondslag (a) artikel 17 CMR en dat het verlies van de sigaretten is veroorzaakt door schuld van DSV althans (b) artikel 23 lid 3 CMR.

Aan de vorderingen 3b en 3c, legt De Rijk verder ten grondslag (a) artikel 17 CMR en dat het verlies van de sigaretten is veroorzaakt door schuld van DSV althans (b) artikel 23 lid 4 CMR zoals de bepaling is uitgelegd door de Hoge Raad.

3.3.

DSV voert in de kern het volgende verweer. Met betrekking tot de gevorderde verklaringen van recht (vorderingen 1, 2, 3a en 3b) voert DSV aan dat De Rijk geen belang heeft bij deze vorderingen. Overigens betwist DSV dat er sprake is van een vervoersovereenkomst tussen haar en De Rijk waarbij zij opdrachtgever/afzender is, dat het CMR-verdrag van toepassing is, en dat het verlies van de sigaretten is veroorzaakt door schuld van DSV. Met betrekking tot vordering 3c voert DSV voorts aan dat er geen grondslag bestaat voor de gevorderde vrijwaring. Subsidiair voert DSV aan dat de procedure dient te worden aangehouden gelet op artikel 28 EEX-verordening.

Toepasselijk recht

3.4.

Aangezien eiser sub 5) in Groot-Brittanië is gevestigd, heeft de rechtbank zich gebogen over de vraag naar welk recht het geschil dient te worden beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat het gehele geschil naar Nederlands recht dient te worden beoordeeld, omdat er onvoldoende aanknopingspunten zijn gebleken voor de beoordeling van (een deel van) het geschil naar ander recht. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen. Bij de door De Rijk gestelde vervoersovereenkomst met DSV is – naar de stelling van De Rijk (zie bijvoorbeeld conclusie van antwoord, punt 2.1) – eiser sub 1) de contractspartij. Ook overigens heeft De Rijk de rechtsbetrekking van eiser sub 5) met DSV niet gespecificeerd. Tot slot, uit de stellingnames van beide partijen blijkt dat beide partijen van de toepasselijkheid van het Nederlands recht uitgaan.

Procesbelang bij de gevorderde verklaringen van recht

3.5.

Artikel 3:303 BW bepaalt dat zonder voldoende belang (hierna: procesbelang) niemand een rechtsvordering toekomt. Dit geldt ook voor een rechtsvordering tot het uitspreken van een verklaring van recht.

3.6.

DSV baseert haar standpunt dat De Rijk geen procesbelang heeft bij de gevorderde verklaringen van recht, in de kern op de volgende mededelingen van haar zijde tijdens de onderhavige procedure.

a. Ter comparitie van 12 september 2013 is namens DSV het volgende medegedeeld:

“DSV zegt bij deze toe geen vordering te zullen instellen jegens De Rijk ter zake bovenstaande accijnzen en de ladingvordering”

De conclusie van dupliek in de onderhavige procedure vermeldt onder meer het volgende:

“11. (…) DSV heeft al ter comparitie benadrukt dat zij (in verband met het onderhavige vervoer) geen enkele vordering jegens De Rijk heeft ingesteld of zal instellen; niet ter zake van de Ladingschadeclaim en evenmin ter zake van de Fiscale Schadeclaim.”

De tijdens de zitting van 30 september 2014 voorgedragen pleitnota van de zijde van DSV (hierna: de pleitnota van DSV) vermeldt onder meer het volgende:

“16. (…) na de comparitie van partijen waar ter zitting van de zijde van DSV werd bevestigd dat zij geen vordering jegens De Rijk zou instellen, niet voor de fiscale schade en evenmin voor de ladingschade.

17. (…) Waarom zou DSV nog een vordering kunnen of willen instellen nadat zij bij comparitie al nadrukkelijk verklaarde geen vordering te pretenderen en dat ook niet in de toekomst te zullen doen. Ook het standpunt van De Rijk dat DSV geen afstand heeft gedaan van de ladingschadeclaim is onbegrijpelijk (zie het p-v van de comparitie).

18. Bij CvD heeft DSV al herhaald dat zij geen vordering op De Rijk pretendeert en ook niet zal pretenderen. Ik herhaal dat hier.

19. Het feit dat DSV door het opstellen van een AGD zelf debiteur worden van de autoriteiten, betekent niet (…) dat DSV daarmee ter zake van de fiscale claim vorderingsgerechtigd wordt ten opzichte van De Rijk (…). Bovendien heeft DSV toegezegd geen vorderingen op De Rijk te hebben en ook niet te zullen instellen (…).”

Tijdens de zitting van 30 september 2014 is namens DSV medegedeeld dat:

“- DSV geen vordering heeft op De Rijk,

- DSV niet aan BAT een vordering op De Rijk heeft overgedragen, en

- DSV over verjaring van de door De Rijk gestelde vordering van DSV niets kan zeggen, aangezien er geen vordering van DSV is.”

3.7.

De rechtbank is van oordeel dat De Rijk onvoldoende heeft onderbouwd waarin het vereiste procesbelang is gelegen bij de gevorderde verklaringen van recht met betrekking tot wat partijen de ‘fiscale schade’ noemen.

3.7.1.

De rechtbank begrijpt het betoog van De Rijk in pleitnota, punten 3.3-3.7, aldus dat De Rijk stelt dat DSV en De Rijk hoofdelijk aansprakelijk jegens HMRC waren voor de accijnzen, en dat doordat DSV de schuld aan HMRC heeft betaald DSV een vordering op De Rijk heeft op grond van de internebijdrageplicht (artikel 6:10 BW) “al dan niet tezamen met een onrechtmatige daad vordering”.

Dit betoog leidt evenwel, gelet op hetgeen DSV heeft aangevoerd, niet tot het vereiste procesbelang. Zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat DSV een regresvordering op grond van artikel 6:10 BW of een vordering op grond van onrechtmatige daad op De Rijk had gekregen, is dat onvoldoende om een procesbelang aan te nemen. Ter comparitie heeft DSV namelijk medegedeeld geen vordering in verband met de fiscale claim te zullen instellen. Deze toezegging kan De Rijk met vrucht tegenwerpen aan DSV in het geval DSV toch een rechtsvordering zou instellen in verband met de fiscale claim. Daarbij komt nog dat uit onderdeel 17 van de pleitnota van DSV volgt dat volgens DSV de voornoemde mededeling van haar ter comparitie de strekking had dat afstand werd gedaan van het vorderingsrecht. De voornoemde mededeling ter comparitie in samenhang met onderdeel 17 van de pleitnota moeten worden opgevat als een aanbod tot afstand om niet van haar vorderingsrecht (als bedoeld in artikel 6:160 lid 2 BW). Aangezien voorts De Rijk heeft kennisgenomen hiervan en het aanbod niet onverwijld heeft afgewezen, is het vorderingsrecht ingevolge artikel 6:160 lid 1 BW tenietgegaan.

3.7.2.

De rechtbank begrijpt het betoog van De Rijk in haar pleitnota, punten 3.7-3.11, aldus dat De Rijk stelt een procesbelang te hebben omdat indien de door De Rijk gestelde vordering van DSV op De Rijk in verband met de fiscale schade, is overgedragen aan of overgegaan op BAT, BAT in de Ierse procedure een verjaringsverweer of de ‘nemo plus’-regel tegen zich moet laten gelden.

De rechtbank volgt De Rijk niet in haar betoog. Indien de door De Rijk gestelde vordering van DSV op De Rijk naar BAT is overgegaan of overgedragen, impliceert dat immers dat DSV die door De Rijk gestelde vordering niet meer heeft. Een rechtsverhouding – waarop een gevorderde verklaring van recht betrekking dient te hebben (vgl. art. 3:302 BW) – tussen DSV en De Rijk is op dat punt dan niet meer aanwezig. Hierin kan dan het procesbelang niet gelegen zijn, althans zijn de gevorderde verklaringen van recht op grond van artikel 3:302 BW niet toewijsbaar. Het belang bij een verjaringsverweer of toepassing van de ‘nemo plus’-regel in de Ierse procedure, heeft betrekking op de rechtsverhouding tussen enerzijds BAT en TDL en anderzijds De Rijk en niet op die tussen onderhavige partijen.

3.8.

De rechtbank is van oordeel dat De Rijk evenmin voldoende heeft onderbouwd waarin het vereiste procesbelang is gelegen bij de gevorderde verklaringen van recht met betrekking tot wat De Rijk ‘ladingschade’ noemt.

3.8.1.

In punt 3.13 van haar pleitnota heeft De Rijk aangevoerd dat DSV als afzender van de lading sigaretten een vordering op De Rijk heeft in verband met de ‘ladingschade’. Naar aanleiding van het verweer van DSV heeft De Rijk vervolgens aangevoerd (hierna: de passage):

“Dat DSV in deze procedure heeft gesteld geen vordering tegen De Rijk te zullen instellen, wil uiteraard niet zeggen dat zij die vordering niet heeft gehad en mogelijk heeft overgedragen of zal overdragen aan DSV [de rechtbank neemt aan dat bedoeld is: BAT]. Expliciet daarnaar gevraagd ter CvP heeft DSV daar geen opheldering over willen verschaffen, terwijl in de Ierse procedure BAT haar vorderingen jegens DSV niet heeft ingetrokken. Kennelijk meent BAT wel een vordering op DSV te hebben of te hebben gehad, hetgeen eens te meer aantoont dat De Rijk belang heeft om haar rechtsverhouding jegens DSV ten aanzien van de lading claim in deze verklaring voor recht procedure ter beoordeling aan de Nederlandse rechtbank voor te leggen”

3.8.2.

De rechtbank stelt voorop dat als DSV al een ‘ladingvordering’ op De Rijk heeft (hetgeen DSV betwist), die omstandigheid op zichzelf nog niet meebrengt dat er het vereiste procesbelang is bij de gevorderde verklaringen van recht gelet op de in rechtsoverweging 3.6 vermelde mededelingen van DSV over het niet instellen van een vordering en het afstand doen van de ‘ladingschadeclaim’ (vgl. ook rechtsoverweging 3.7.1).

3.8.3.

Uit de eerste zin van de passage leidt de rechtbank af dat De Rijk bedoelt dat zij procesbelang heeft gelet op de mogelijkheid dat DSV de gestelde vordering op De Rijk heeft overgedragen of zal overdragen aan BAT.

Voor zover dit standpunt uitgaat van de mogelijkheid dat DSV de gestelde vordering op De Rijk eerder heeft overgedragen aan BAT, geldt hetzelfde als in rechtsoverweging 3.7.2 is overwogen met betrekking tot de ‘fiscale schade’ en wordt het standpunt dus niet gevolgd. Daarbij is nog buiten beschouwing gelaten de mededeling van DSV tijdens de zitting van 30 september 2014 dat zij niet aan BAT een vordering op De Rijk heeft overgedragen.

Voor zover het standpunt uitgaat van de mogelijkheid dat DSV de gestelde vordering op De Rijk zal overdragen aan BAT, geldt dat in die mogelijkheid onvoldoende procesbelang is gelegen, nu dat uitgaat van een hypothetische situatie en De Rijk geen onderbouwing heeft gegeven dat er een reële mogelijkheid is dat die situatie zich zal voordoen. Het had temeer op de weg van De Rijk gelegen die nadere onderbouwing te geven, aangezien zij zelf juist ook aanvoert dat BAT meent een vordering op DSV te hebben of te hebben gehad (derde zin van de passage). Nog los van het voorgaande stuit het hebben van procesbelang in verband met een mogelijke overdracht van de vordering door DSV aan BAT in de toekomst erop af dat, als er al sprake zou geweest van een vordering van DSV op De Rijk, de vordering teniet is gegaan. De in 3.6 vermelde mededeling van DSV ter comparitie moet, mede in het licht van onderdeel 17 van de pleitnota van DSV, worden opgevat als een aanbod tot afstand om niet van haar vorderingsrecht (als bedoeld in artikel 6:160 lid 2 BW). Aangezien voorts De Rijk heeft kennisgenomen hiervan en het aanbod niet onverwijld heeft afgewezen, is het vorderingsrecht ingevolge artikel 6:160 lid 1 BW tenietgegaan.

3.8.4.

De tweede en derde zin van de passage komen erop neer dat volgens De Rijk de omstandigheid dat BAT een vordering jegens DSV heeft ingesteld in een Ierse procedure, meebrengt dat er het vereiste procesbelang in de onderhavige procedure is. De rechtbank kan De Rijk in deze redenering niet volgen. De omstandigheid dat BAT een vordering jegens DSV heeft ingesteld, raakt op zichzelf de rechtsverhouding tussen DSV en De Rijk niet.

Zo De Rijk met de tweede en derde zin van de passage eigenlijk bedoelt te betogen dat indien DSV in de Ierse procedure van BAT tegen haar wordt veroordeeld tot vergoeding van de ladingschade, DSV de schade zal willen verhalen op De Rijk en dat hierin het procesbelang gelegen is, is dit betoog onvoldoende uitgewerkt. Daarbij komt dat DSV ter comparitie heeft toegezegd geen vordering jegens De Rijk te zullen instellen in verband met de ladingschade, welke toezegging is herhaald bij conclusie van dupliek.

3.9.

Conclusie is dat de vorderingen 1, 2, 3a en 3b zullen worden afgewezen omdat De Rijk onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van voldoende belang bij deze vorderingen.

Vrijwaringsvordering

3.10.

De Rijk vordert in vordering 3c in de kern vrijwaring door DSV voor het geval De Rijk in de Ierse procedure van BAT tegen De Rijk wordt veroordeeld tot vergoeding van de accijnzenschade. Naar de rechtbank begrijpt voert De Rijk als juridische grondslag voor deze vordering aan artikel 23 CMR, en mogelijk ook artikel 17 lid 2 CMR. DSV betwist – behalve de door De Rijk aangevoerde feitelijke grondslag – dat er een juridische grondslag is voor de vordering.

3.11.

De rechtbank is van oordeel dat zelfs indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat – zoals De Rijk aanvoert maar DSV betwist – ter zake van het vervoer van de lading sigaretten De Rijk de vervoersovereenkomst met DSV (en niet met BAT) heeft gesloten, artikel 23 CMR niet de juridisch grondslag kan bieden voor de vordering.

Artikel 23 CMR bevat kort gezegd regels – voor het geval ingevolge het CRM een schadevergoeding voor verlies van goederen ten laste van de vervoerder wordt gebracht – met betrekking tot de schadevergoedingsplicht van een vervoerder. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat accijnzen niet kunnen worden aangemerkt als “overige met betrekking tot het vervoer der goederen gemaakte kosten” als bedoeld in artikel 23 lid 4 CMR. Gelet hierop en hetgeen overigens in artikel 23 CMR is bepaald, strekt de verschuldigdheid door een vervoerder van schadevergoeding zich niet uit tot schade die betrekking heeft op accijnzen.

De Rijk staat in wezen een zodanige uitleg van artikel 23 CMR voor dat dit artikel een grondslag biedt aan een vervoerder om, indien de vervoerder aan een derde schadevergoeding dient te betalen die betrekking heeft op accijnzen, de vervoerder op zijn beurt deze schade kan verhalen op de afzender. De gedachte is kennelijk dat indien op grond van artikel 23 CMR een vervoerder niet schadevergoedingsplichtig is jegens zijn afzender voor een bepaalde schadepost (hier: accijnzenschade), hieruit volgt dat indien de vervoerder die schadepost toch heeft (bijvoorbeeld omdat de vervoerder daarvoor aangesproken is door een derde), de vervoerder die schade kan verhalen op de afzender. Dit is een uitleg die geen steun vindt in de tekst en systematiek van artikel 23 CMR. Blijkens zijn tekst en systematiek ziet artikel 23 CMR immers kort gezegd op (beperkingen van) de verplichting tot schadevergoeding van de vervoerder. In de door De Rijk voorgestane uitleg van dit artikel wordt het artikel in wezen een schadeverdelingsbepaling (de raadsman van De Rijk sprak tijdens de zitting van 30 september 2014 over een ‘systematische’ uitleg van artikel 23 CMR). Mede erop gelet dat CMR een internationaal verdrag is en dat in dat geval des te meer belang dient te worden gehecht aan de bewoordingen van een bepaling voor haar uitleg, volgt de rechtbank De Rijk niet in haar uitleg.

3.12.

In haar dagvaarding heeft De Rijk aan (een deel van) haar vorderingen mede ten grondslag gelegd artikel 17 lid 2 CMR in combinatie met de stelling dat het verlies van de lading sigaretten is veroorzaakt door schuld van DSV. Na de dagvaarding heeft De Rijk haar vorderingen gewijzigd, waarbij zij verder niet meer is ingegaan op artikel 17 lid 2 CMR en evenmin op de gemotiveerde betwisting door DSV van haar voornoemde stelling. Onduidelijk is derhalve of De Rijk aan de vrijwaringsvordering (ook) artikel 17 lid 2 CMR ten grondslag legt. Zo dat al het geval is, geldt ook ter zake van dat artikel dat het geen juridische grondslag biedt voor de vrijwaringsvordering. Artikel 17 lid 2 CMR bepaalt in welke gevallen de vervoerder ontheven is van aansprakelijkheid. Het artikel biedt geen grondslag voor schadevergoedingsplicht van de afzender jegens de vervoerder.

3.13.

De vrijwaringsvordering zal derhalve worden afgewezen.

Proceskosten

3.14.

De Rijk zal als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van DSV worden begroot op:

- griffierecht 575,00

- salaris advocaat 12.900,00 (5 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal € 13.475,00

3.15.

De nakosten, waarvan DSV hoofdelijke veroordeling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijst de vorderingen af,

4.2.

veroordeelt De Rijk hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van DSV tot op heden begroot op € 13.475,00, alsmede in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat De Rijk niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

4.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Heuvel, mr. Schoenmakers en mr. Pauwels en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2014.