Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:8476

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-12-2014
Datum publicatie
15-01-2015
Zaaknummer
AWB 14_3749
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Disciplinaire maatregel van verplaatsing, senior transportgeleider DV&O, ontvluchting jeugdige gedetineerde, wel of niet afbreken sociaal transport, oogcontact bij toiletbezoek, gebruik veiligheidsvest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 14/3749 AW

uitspraak van 11 december 2014 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. [naam gemachtigde1],

en

de minister van Veiligheid en Justitie, (Dienst Justitiële Inrichtingen, DJI), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 24 april 2014 (bestreden besluit) van de minister inzake het opleggen van een disciplinaire straf.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 20 november 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. [naam gemachtigde2], divisiemanager [naam divisiemanager] en afdelingshoofd [naam afdelingshoofd].

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is sinds 22 oktober 2001 werkzaam bij de DJI, laatstelijk als senior transportgeleider/LBB bij de Dienst Vervoer & Ondersteuning (DV&O).

Op 26 juni 2013 heeft zich een incident voorgedaan waar eiser op 27 juni 2013 rapport van heeft opgemaakt. EHij hen jeugdige gedetineerde, die door onder meer eiser werd begeleid bij een huisbezoek, is bij die gelegenheid, tijdens toiletbezoek, door het wc-raam ontvlucht.

Op 2 juli 2013 is eiser door drie afdelingshoofden DV&O/LBB gehoord over de feiten.

Bij brief van 16 juli 2013 heeft de minister eiser het vermoeden voorgehouden dat hij zich aan ernstig plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Ook heeft de minister het voornemen voorgehouden eiser disciplinair te straffen.

Eiser heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid zich te verantwoorden.

Bij besluit van 9 september 2013 (primair besluit) heeft de minister vastgesteld dat sprake is van ernstig plichtsverzuim, dat het volgende omvat:

- eiser heeft zich niet gehouden aan afspraken zoals vermeld op het zogenoemde IBT-formulier en geen overleg gevoerd met het afdelingshoofd LBB;

- eiser heeft geen visueel contact gehouden met de gedetineerde tijdens toiletbezoek;

- niet eiser of zijn collega, maar de pedagogisch medewerker nam initiatief om contact te houden met de gedetineerde en actie te nemen naar het toilet;

- eiser heeft geen veiligheidsvest aangetrokken;

- eiser heeft niet naar aanleiding van het telefoongesprek van de pedagogisch medewerker met de broer van de gedetineerde, waarin de gedetineerde in het Arabisch met zijn broer sprak, besloten om het bezoek af te breken.

De minister heeft met toepassing van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder j, van het ARAR aan eiser de disciplinaire straf van verplaatsing naar de functie van medior transportgeleider opgelegd, met behoud van de huidige bezoldiging.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

De Adviescommissie bewaarschriften Algemene wet bestuursrecht inzake personele aangelegenheden ministerie van Veiligheid en Justitie (Commissie) heeft de minister geadviseerd het primaire besluit te herroepen en een lichtere straf op te leggen. Naar het oordeel van de Commissie is sprake van plichtsverzuim, maar niet van ernstig plichtsverzuim. De straf van verplaatsing acht de Commissie niet evenredig.

Bij het bestreden besluit heeft de minister, in afwijking van het advies van de Commissie, het primaire besluit gehandhaafd.

2. Eiser heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat de minister ten onrechte het advies van de Commissie niet heeft overgenomen.

Over het zich niet houden aan afspraken zoals vermeld op het IBT-formulier heeft eiser aangevoerd dat hij niet zelfstandig kan besluiten tot het afbreken van het bezoek. Als hij dat wel had gedaan was hem dat achteraf verweten en zou dat tot klachten van de gedetineerde hebben geleid. De aanwezigheid van het broertje en de tante gaven geen aanleiding het bezoek af te breken. Er was ook geen verband tussen hun aanwezigheid en de ontsnapping.

Over het niet houden van visueel contact heeft eiser aangevoerd dat hij een inschattingsfout heeft gemaakt die niet kan leiden tot plichtsverzuim. “Zoveel mogelijk oogcontact” houden impliceert dat eiser beoordelingsruimte had.

Over het ontbreken van initiatief om contact te houden met de gedetineerde en het niet ondernemen van actie heeft eiser aangevoerd dat slechts is vastgesteld dat de pedagogisch medewerker als eerste naar het toilet liep. Dit zegt echter niets over wie het initiatief neemt. Er was sprake van een gezamenlijk bewust handelen waarbij eiser zijn verantwoordelijkheid heeft genomen.

Over het niet dragen van een veiligheidsvest heeft eiser aangevoerd dat een kogelvrij vest de ontsnapping niet had voorkomen. Aan eiser was niet gemeld dat de gedetineerde vlucht- en vuurwapengevaarlijk was.

Over het niet afbreken van het bezoek na het telefoongesprek met de broer heeft eiser aangevoerd dat hij niet kon weten met wie de pedagogisch medewerker belde en dat hij niet hoefde te vermoeden dat het de broer van de gedetineerde was. Bovendien greep de pedagogisch medewerker in toen het gesprek overging in het Arabisch en maakte een einde aan het gesprek. In het licht hiervan kon eiser besluiten de rit niet af te breken.

Eiser heeft voorts aangevoerd dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij van het advies van de Commissie is afgeweken. Eiser is niet eerder op zijn gedrag aangesproken en hij heeft zijn werk altijd goed gedaan.

3. In artikel 80, eerste lid, van het ARAR is bepaald dat de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair kan worden gestraft.

Ingevolge artikel 80, tweede lid, van het ARAR omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Volgens artikel 81, eerste lid, aanhef en onder j, van het ARAR behoort verplaatsing, al dan niet met verlening van een tegemoetkoming in mogelijke verplaatsingskosten, tot de disciplinaire straffen die kunnen worden opgelegd.

4. De rechtbank overweegt dat voor de vaststelling of iemand zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim volgens vaste rechtspraak (zoals de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 5 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1663) allereerst vereist is dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

5.1

Met betrekking tot het zich niet houden aan afspraken zoals vermeld op het zogenoemde IBT-formulier overweegt de rechtbank dat eiser ter zitting impliciet heeft erkend dat hij bevoegd was het bezoek af te breken bij onregelmatigheden. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er onregelmatigheden waren, nu zich in de te bezoeken woning andere personen bevonden dan degenen die op het verlofcontract waren vermeld. Uit de rapportage die eiser van het voorval heeft opgemaakt blijkt dat hij voor aanvang van het transport met de gedetineerde heeft besproken dat de aanwezigheid van andere personen aanleiding zou zijn om het bezoek af te breken. Eiser heeft geen contact met zijn leidinggevende opgenomen toen bleek dat in de woning een aantal personen aanwezig waren die niet op het IBT-formulier stonden vermeld.

De rechtbank concludeert dat eiser de beschreven gedraging heeft verricht en dat die gedraging terecht is aangemerkt als plichtsverzuim.

5.2

Met betrekking tot het niet houden van visueel contact tijdens toiletbezoek overweegt de rechtbank dat eiser in het hoorgesprek op 2 juli 2013 heeft erkend dat hij de situatie rond het toiletbezoek verkeerd heeft ingeschat.

De rechtbank concludeert dat eiser de beschreven gedraging heeft verricht. Niet valt in te zien dat de kwalificatie ‘inschattingsfout’ er aan in de weg staat de gedraging aan te merken als plichtsverzuim.

5.3

Met betrekking tot het ontbreken van initiatief om contact te houden met de gedetineerde overweegt de rechtbank dat op basis van de verklaringen van eiser, zijn collega en de pedagogisch medewerker niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld of de pedagogisch medewerker het initiatief nam, of dat hij tegelijkertijd met eiser het initiatief nam, of dat eiser en zijn collega de pedagogisch medewerker volgden en, als dat het geval is, of zij hem volgden doordat hij het dichtst bij het toilet zat of doordat hij het initiatief nam.

De rechtbank concludeert dat op basis van de beschikbare gegevens niet is komen vast te staan dat eiser de hem verweten gedraging heeft begaan.

5.4

Met betrekking tot het niet dragen van een veiligheidsvest overweegt de rechtbank dat eiser heeft erkend dat hij geen veiligheidsvest droeg. Daarmee heeft hij gehandeld in strijd met de instructies, met name met het Protocol Kogel- en Steekwerend Vest van 10 april 2008. De rechtbank concludeert dat eiser de beschreven gedraging heeft verricht.

De vraag of verband bestaat tussen die gedraging en de ontsnapping speelt geen rol bij de beoordeling of sprake is van plichtsverzuim. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet dragen van een veiligheidsvest terecht aangemerkt als plichtsverzuim.

5.5

Met betrekking tot het niet afbreken van het bezoek naar aanleiding van het telefoongesprek overweegt de rechtbank dat vaststaat dat de gedetineerde een telefoongesprek heeft gevoerd, gedeeltelijk in het Arabisch. In het hoorgesprek op 2 juli 2013 heeft eiser erkend dat hij toen het bezoek had moeten afbreken. Daarmee staat dit nalaten vast. Naar het oordeel van de rechtbank is dit nalaten terecht aangemerkt als plichtsverzuim.

6. Niet gebleken is dat de gedragingen zoals genoemd onder 5.1, 5.2, 5.4 en 5.5 geen toerekenbaar plichtsverzuim opleveren. Dat betekent dat de minister bevoegd was eiser terzake disciplinair te straffen.

7. Met betrekking tot de vraag of de opgelegde straf van verplaatsing niet onevenredig is aan het plichtsverzuim kent de rechtbank, evenals de minister, betekenis toe aan het feit dat eiser wagencommandant was en dat hij een voorbeeldfunctie diende te vervullen ten opzichte van zijn collega.

Eiser heeft zijn bezoldiging behouden, zodat uit de bij het bestreden besluit gehandhaafde maatregel niet rechtstreeks een financieel nadeel voortvloeit. Dat eiser met ingang van 1 januari 2015 wél financieel nadeel zal ervaren door een wijziging in de functiewaardering is een omstandigheid die geen verband houdt met de bestraffing en die de rechtbank niet bij de beoordeling van de evenredigheid betrekt. Daar komt bij dat ter zitting is gebleken dat eiser, na sollicitatie en bij goed functioneren, twee jaar na de disciplinaire bestraffing weer in zijn oude functie kan worden benoemd. Het door eiser te ervaren financiële nadeel hoeft zich dan ook slechts over een periode van betrekkelijk korte duur voor te doen.

Eiser heeft geen concrete, andere dan financiële gevolgen van de disciplinaire maatregel beschreven die aanleiding geven de maatregel onevenredig te achten.

De rechtbank concludeert dat de disciplinaire maatregel van verplaatsing, met behoud van bezoldiging, niet onevenredig is.

8. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat de minister bij het bestreden besluit wel - summier - de reden heeft vermeld waarom van het advies van de Commissie wordt afgeweken.

9. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

10. Voor een proceskostenveroordeling of een veroordeling tot schadevergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.