Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:8474

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
14-01-2015
Zaaknummer
AWB 14 _4714
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Benoeming in passende functie van ambtenaar wiens taken zijn overgegaan naar regionale uitvoeringsdienst. Ten onrechte niet gehoord door plaatsingscommissie, maar eiser is niet dusdanig in zijn belangen geschaad dat dit dient te leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 14/4714 AW

uitspraak van 9 december 2014 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats], eiser,

en

het dagelijks bestuur regionale uitvoeringsdienst Zeeland (dagelijks bestuur), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 19 juni 2014 (bestreden besluit) van het dagelijks bestuur inzake zijn benoeming als beleidsmedewerker handhaving per 1 januari 2014.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 28 oktober 2014. Eiser is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door[naam vertegenwoordiger1] en [naam vertegenwoordiger2].

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser was sinds 1993 werkzaam bij de gemeente Reimerswaal. Van 1 januari 2003 tot

1 maart 2013 was eiser aangesteld in de functie van senior beleidsmedewerker bij de afdeling Bouwen, Milieu & Handhaving. Op 7 maart 2013 is aan eiser meegedeeld dat zijn aanstelling per 1 maart 2013 wordt gewijzigd in een aanstelling in algemene dienst bij de gemeente Reimerswaal.

Op 28 mei 2013 heeft de raad van de gemeente Reimerswaal onder meer de beslissing genomen om samen met de overige Zeeuwse gemeenten, de provincie Zeeland en waterschap Scheldestromen de regionale uitvoeringsdienst Zeeland (RUD) op te richten. Daarbij is besloten om de RUD vanaf 1 september 2013 de taken te laten uitvoeren op het gebied van het omgevingsrecht in het algemeen en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in het bijzonder, evenals de taken op het terrein van vergunningverlening, toezicht en handhaving op grond van de in artikel 5.1 van de Wabo genoemde wetten. Verder is ingestemd met de voorlopig becijferde begroting, waarbij het aandeel voor de gemeente Reimerswaal is bepaald op 3,0 fte.

Bij brief van 15 augustus 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reimerswaal (college) eiser laten weten dat hij tot de doelgroep behoort die in aanmerking komt voor overgang naar de RUD.

Bij besluit van 5 september 2013 heeft het college eiser aangewezen als ambtenaar die in het kader van ‘mens volgt taak’ in aanmerking komt voor een aanstelling binnen de RUD. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 september 2013. Bij besluit van 12 december 2013 is het bezwaar tegen het besluit van 5 september 2013 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van deze rechtbank van 27 mei 2014 is eisers beroep ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBZWB:2014:3828). Eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.

Op 31 oktober 2013 is door de directeur van de RUD aan eiser meegedeeld dat zijn functie van senior beleidsmedewerker wordt gekenmerkt als een gewijzigde functie. Eiser is in de gelegenheid gesteld om zijn voorkeur voor bepaalde functies bij de RUD kenbaar te maken. Daarnaast kan eiser op het belangstellingsregistratieformulier aangeven dat hij zijn voorkeur in een persoonlijk gesprek met de plaatsingscommissie wil toelichten. In de brief staat verder vermeld dat als eiser geen belangstelling toont, de plaatsingscommissie op basis van de beschikbare gegevens een advies zal uitbrengen over eisers plaatsing in de nieuwe organisatie.

Bij brief van 7 november 2013 heeft eiser aangegeven dat hij zijn belangstelling voor functies bij de RUD nog niet kan tonen, omdat het aanwijzen van ambtenaren door het college nog niet is uitgevoerd. Volgens eiser heeft hij op 2 december 2013 hierover een hoorzitting, waardoor de uitkomst nog ongewis is. Eiser heeft wel aangegeven dat hij een gesprek wenst met de plaatsingscommissie.

Eiser heeft vervolgens een e-mail ontvangen van de heer [naam directeur] (directeur van de RUD), waaruit blijkt dat de gesprekken met de plaatsingscommissie plaatsvinden op 18 november 2013. Daarnaast kunnen kandidaat afdelingshoofden worden uitgenodigd voor een assessment op 19 november 2013. Eiser heeft laten weten dat hij (in verband met werkzaamheden voor het college) op beide dagen verhinderd is. In een reactie op eisers

e-mail heeft [naam directeur] laten weten dat de planning niet kan worden aangepast.

Bij brief van 29 november 2013 heeft het dagelijks bestuur aan eiser laten weten dat zij van plan is om eiser te plaatsen in de functie van beleidsmedewerker handhaving. Eiser heeft een zienswijze ingediend op dit voornemen.

Eiser is vervolgens uitgenodigd voor een gesprek met de plaatsingscommissie op 30 december 2013. Eiser heeft de plaatsingscommissie laten weten dat hij die dag verhinderd is, omdat hij op die dag al een gesprek heeft bij de gemeente Reimerswaal over een plan van aanpak in verband met zijn arbeidsongeschiktheid.

De plaatsingscommissie heeft het dagelijks bestuur geadviseerd om eiser te plaatsen in de functie van beleidsmedewerker handhaving.

Bij besluit van 31 december 2013 (primair besluit) is eiser per 1 januari 2014 benoemd in de functie van beleidsmedewerker handhaving.

Bij het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur de bezwaren van eiser tegen het besluit van 31 december 2013 ongegrond verklaard.

2. Het dagelijks bestuur stelt zich in het bestreden besluit, samengevat, op het volgende standpunt. Eiser heeft ervoor gekozen om geen belangstelling te tonen voor een functie bij de RUD. Daarnaast is eiser bepaalde gesprekken uit het plaatsingstraject niet aangegaan. Dit komt voor rekening en risico van eiser. Er is niet gebleken van dusdanige onregelmatigheden op grond waarvan geoordeeld moet worden dat de plaatsingsprocedure onjuist zou zijn gevolgd. De stellingname dat de functie van eiser als een gewijzigde functie is aangemerkt, is niet onjuist. De functie beleidsmedewerker handhaving is een passende functie voor eiser, aangezien het een functie betreft van hetzelfde werk- en denkniveau (HBO), het inschalingsniveau hetzelfde is (11) en eiser in het vakgebied handhaving eerder gedeeltelijk werkzaam is geweest. Om de rechtmatigheid van de gekozen plaatsing aan te tasten, is het in dat geval onvoldoende dat door eiser wordt gewezen op andere mogelijke aanvaardbare oplossingen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gemaakte keuze redelijke gronden ontbeert.

3. Eiser voert in beroep, kort samengevat, het volgende aan. Bij het plaatsingstraject zijn de artikelen uit het Sociaal Statuut niet gevolgd. Daarnaast is ten onrechte de informatie van eisers leidinggevende bij het college niet betrokken bij de plaatsingsprocedure. Volgens eiser is de functie van specialist A gelijkwaardig aan de functie van senior beleidsmedewerker.

4. Artikel 1 van het Sociaal Statuut RUD luidt - voor zover van belang - als volgt:

In dit Sociaal Statuut wordt verstaan onder:

h. ongewijzigde functie: een functie waarbij de functie-inhoud en functie-eisen grotendeels in overeenstemming zijn met de functie die de ambtenaar vervulde bij de latende organisatie;

i. passende functie: een functie waarvan het werk- en denkniveau overeenkomt met de huidige functie welke aan de ambtenaar redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen. Een passende functie is doorgaans van hetzelfde functieniveau als de voorheen vervulde functie, maar kan maximaal twee niveau’s hoger of lager zijn. Mocht de ambtenaar bij een eerdere reorganisatie al met dit nadelige gevolg zijn geconfronteerd dan zal dit niet nogmaals plaatsvinden;

j. geschikte functie: een functie, die niet valt onder het begrip “passend” maar die de ambtenaar wel bereid is te vervullen en waarvoor hij in potentie de capaciteiten bezit of bereid is zich deze eigen te maken.

Artikel 15 van het Sociaal Statuut RUD luidt als volgt:

1. Bij een ongewijzigde functie geldt als regel: mens volgt functie/taak.

2. De ambtenaar wordt geacht geschikt te zijn voor de functie als sprake is van een ongewijzigde functie.

3. Indien er voor ambtenaren met een ongewijzigde functie te weinig formatieruimte op de ongewijzigde functie beschikbaar is, kan de ambtenaar worden geplaatst in een passende functie. Indien plaatsing in een passende functie niet mogelijk is, kan de ambtenaar worden geplaatst in een geschikte functie.

4. De ambtenaar met een ongewijzigde functie waarop voldoende formatieruimte beschikbaar is, en die niet kan worden geplaatst op een andere functie waarvoor hij belangstelling heeft aangegeven, behoudt het 1e recht van plaatsing in zijn ongewijzigde functie.

5. De ambtenaar met een gewijzigde of vervallen functie kan worden geplaatst in een passende functie. Indien plaatsing in een passende functie niet mogelijk is, kan de ambtenaar worden geplaatst in een geschikte functie.

(On)gewijzigde functie

6. De rechtbank staat allereerst voor de vraag of eisers (oude) functie van senior beleidsmedewerker bij de afdeling Bouwen, Milieu & Handhaving ongewijzigd terugkomt bij de RUD (artikel 1, aanhef en onder h, van het Sociaal Statuut RUD). Dit is van belang voor de plaatsing van eiser binnen de RUD. Als er sprake is van een ongewijzigde functie binnen de RUD, dan is eiser in beginsel functievolger (artikel 15, eerste lid, van het Sociaal Statuut RUD).

7. De rechtbank stelt vast dat in het Organisatie- en functieboek van de RUD een functieconversie (was/wordt-lijst) is opgenomen. In deze lijst is de functie van eiser aangemerkt als een gewijzigde of vervallen functie.

8. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de functie bij de RUD van Specialist A een ongewijzigde functie betreft ten opzichte van zijn oude functie als senior beleidsmedewerker bij de afdeling Bouwen, Milieu & Handhaving.

9. Het dagelijks bestuur deelt dit standpunt van eiser niet. Volgens het dagelijks bestuur keren de werkzaamheden die zijn genoemd in de functiebeschrijving van eiser bij de gemeente Reimerswaal niet grotendeels terug in één functie van de RUD. Eisers ‘oude’ functiebeschrijving bevat elementen die zijn terug te vinden in meerdere functies en op meerdere afdelingen bij de RUD, zoals de functie van Specialist A en B, maar ook in die van Beleidsmedewerker Handhaving. Eiser was bij de gemeente werkzaam in het werkveld Bouwen, Milieu en Handhaving. Eiser kon daarom belast worden met werkzaamheden die gesplitst terugkwamen in verschillende afdelingen van de RUD, namelijk zowel op de afdeling Vergunningverlening als de afdeling Toezicht en Handhaving, aldus het dagelijks bestuur.

10. De rechtbank is van oordeel dat eiser het standpunt van het dagelijks bestuur niet gemotiveerd heeft weersproken. De rechtbank ziet bovendien in de gedingstukken (waaronder de diverse functiebeschrijvingen) geen aanleiding om te twijfelen aan het standpunt van het dagelijks bestuur. Dit betekent dat het dagelijks bestuur zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de functie van eiser bij de gemeente Reimerswaal niet ongewijzigd terugkeert bij de RUD. Dit houdt vervolgens in dat artikel 15, vijfde lid, van het Sociaal Statuut RUD op eiser van toepassing is, namelijk dat eiser kan worden geplaatst in een passende functie.

Plaatsingsprocedure

11. Op grond van artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van het Sociaal Statuut RUD heeft de plaatsingscommissie de plicht om de betrokken ambtenaar te horen, indien daartoe een verzoek wordt ingediend.

12. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser heeft gevraagd om een gesprek met de plaatsingscommissie. De plaatsingscommissie was derhalve verplicht om eiser te horen. De rechtbank stelt vast dat eiser niet is gehoord, omdat de gesprekken met de plaatsingscommissie gepland stonden op 18 november 2013 en eiser heeft aangegeven op die dag verhinderd te zijn.

De rechtbank is van oordeel dat eiser ten onrechte niet is gehoord door de plaatsingscommissie. De rechtbank is evenwel van oordeel dat eiser voldoende mogelijkheden zijn geboden om anderszins zijn visie op de plaatsing kenbaar te maken, namelijk via het belangstellingsregistratieformulier, zijn schriftelijke zienswijze op de voorgenomen plaatsing en het zienswijzegesprek. Dat eiser om hem moverende redenen niet van al deze mogelijkheden gebruik heeft gemaakt, komt voor zijn rekening. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser dan ook niet dusdanig in zijn belangen geschaad, dat dit dient te leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.

Eiser heeft erop gewezen dat zijn leidinggevende bij het college op 23 september 2013 heeft aangegeven dat eiser in principe plaatsbaar is in een aantal functies bij de RUD. Reeds gelet op het feit dat eiser zelf in een brief van 7 november 2013 heeft aangegeven dat hij zijn belangstelling voor functies bij de RUD nog niet kan tonen, kan de rechtbank eiser niet volgen in zijn stelling dat de informatie van zijn leidinggevende ten onrechte niet is betrokken bij de plaatsingsprocedure.

Passende functie

13. De rechtbank staat ten slotte voor de vraag of de functie van beleidsmedewerker handhaving een voor eiser passende functie is. Op grond van artikel 1, aanhef en onder i, van het Sociaal Statuut RUD zijn daarbij van belang het werk- en denkniveau van de functie, eisers persoonlijkheid en omstandigheden, eisers vooruitzichten en het (oude) functieniveau.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het dagelijks bestuur in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd uiteengezet waarom de functie van beleidsmedewerker handhaving een voor eiser passende functie is. De omstandigheid dat eiser de functie van Specialist A méér passend vindt dan de functie van beleidsmedewerker handhaving, kan aan het vorenstaande niet afdoen.

14. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, voorzitter, en mrs. R.P. Broeders en D.H. Hamburger, leden, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.