Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:845

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-02-2014
Datum publicatie
14-02-2014
Zaaknummer
02-811265-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van gewapende overval op Texaco te Tilburg wegens gebrek aan overtuiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/811265-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 februari 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

raadsman mr. Woodrow, advocaat te Tilburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 4 oktober 2012, 4 december 2012 en 24 januari 2014 waarbij de officier van justitie mr. Koning, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, terzake dat:

hij op of omstreeks 05 maart 2012 te Tilburg met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag en/of een

plastic zak (met daarin enig geldbedrag), in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan tankstation Texaco (Tobias Asserlaan) en/of

[slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke

diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping

op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit

van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

hierin bestond(en) dat voornoemde verdachte

- plotseling voor voornoemde [slachtoffer 2] ging staan en/of

- een geweer/vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op/in

de richting van de onderbuik, althans het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft

gericht/gehouden en/of

- dreigend voornoemde [slachtoffer 2] heeft toegevoegd - zakelijk weergegeven -

dat zij haar handen omhoog moest doen en/of naar achteren moest lopen en/of

geld in een plastic zakje moest doen en/of sneller moest werken, althans

woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 05 maart 2012 te Tilburg met het oogmerk om zich en/of een

ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld

[slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag en/of een

plastic zak (met daarin enig geldbedrag), in elk geval van enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan tankstation Texaco/[slachtoffer 1], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met

geweld hierin bestond(en) dat verdachte

- plotseling voor voornoemde [slachtoffer 2] ging staan en/of

- een geweer/vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp,

op/in de richting van de onderbuik, althans het lichaam van die [slachtoffer 2]

heeft gericht/gehouden en/of

- dreigend voornoemde [slachtoffer 2] heeft toegevoegd - zakelijk weergegeven -

dat zij haar handen omhoog moest doen en/of naar achteren moest lopen en/of

geld in een plastic zakje moest doen en/of sneller moest werken, althans

woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert integrale vrijspraak van het ten laste gelegde. Volgens hem is er wel wettig bewijs in het dossier aanwezig maar ontbreekt de overtuiging.

De herkenningen van verdachte zijn afkomstig van de ex-schoonfamilie van verdachte en daarbij is enige argwaan dan ook op zijn plaats. Zo zouden zij verdachte herkend hebben aan zijn gouden tand en het feit dat hij altijd een lachende uitdrukking heeft. De officier van justitie heeft de camerabeelden destijds bekeken en door hem is de gouden tand niet waargenomen en evenmin een lachende uitdrukking. Verder is er in de woning van verdachte tijdens de doorzoeking niets aangetroffen dat te herleiden is tot de overval. De aangetroffen fiets past in de verklaring van de getuige die de dader op een fiets voorafgaand aan de overval heeft gezien, maar de opgegeven kenmerken zijn van te algemene aard, waardoor geen specifieke koppeling te maken valt naar verdachte. Ook van belang is dat de wijkagent verdachte niet herkende als de dader. De herkenning door twee verbalisanten heeft later in een andere zaak plaatsgevonden.

De rechtbank heeft op 4 oktober 2012 vanwege de reeds aanwezige twijfel een gezichtsvergelijkend onderzoek gelast. De twijfel die er reeds was, kan op grond van de uitkomst van dit onderzoek niet worden weggenomen. Daarom dient verdachte vrijgesproken te worden. Dat de camerabeelden ter zitting niet bekeken kunnen worden doet daaraan volgens de officier van justitie niet af.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit eveneens integrale vrijspraak van verdachte van het ten laste gelegde. Dit allereerst vanwege het feit dat de positieve herkenningen onbetrouwbaar zijn, nu deze afkomstig zijn van personen uit de sfeer van de ex-partner van verdachte en van wie gebleken is dat zij vervelende ervaringen hebben gehad met verdachte. Een tweede punt is dat er ook negatieve herkenningen zijn, zoals die van de wijkagent, die bovendien als objectief en neutraal kan worden aangemerkt. Daarbij komt dat de andere twee verbalisanten niet tot een volledige herkenning komen. Verder blijkt uit het dossier dat er meer tips zijn binnengekomen bij de politie dan enkel die van de personen die verdachte positief hebben herkend. Deze tip(gever)s zijn niet uitgenodigd voor een verhoor of verder onderzocht. Verdachte heeft gouden tanden gehad maar heeft deze moeten verwijderen wegens een ontsteking. Tot slot zijn de opvallende jas, de opvallende (maffe) zonnebril, de muts en de opvallende handschoenen niet bij verdachte aangetroffen; kan het wapen niet met hem in verband worden gebracht en blijkt de aangetroffen fiets niet enkel over een kinderzitje aan de voorzijde te beschikken maar ook aan de achterzijde, hetgeen zeer zeker opgemerkt had moeten worden door de getuige. Op grond van de partijdige getuigenverklaringen en het gebrek aan hard en technisch bewijs dient verdachte volgens de verdediging vrijgesproken te worden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Op 5 maart 2012 heeft er op het tankstation Texaco aan de Tobias Asserlaan te Tilburg een gewapende overval plaatsgevonden waarbij een geldbedrag is weggenomen. Getuige [slachtoffer 2] was op dat moment bij de Texaco aan het werk en heeft hierover verklaard dat zij de dader eerder al aan de overkant van de straat had zien staan. Zij heeft als specifieke kenmerken van de dader opgegeven dat hij donkergetint was en vermoedelijk van Antilliaanse afkomst en een paar gouden of zilveren tanden had aan de voorzijde van zijn gebit. Volgens [slachtoffer 2] droeg de dader een muts, grijze handschoenen met witte sneeuwvlokken en een witte zonnebril.

Bij de politie zijn over deze overval diverse tips binnengekomen. Op 2 april 2012 is er CIE-informatie bij de politie binnengekomen dat de dader van de overval op de Texaco, die werd gezocht en waarvan een foto op www.politiezoekt.nl stond, de Antilliaan [verdachte] uit Tilburg betrof. Op 22 maart 2012, 17 april 2012, 19 april 2012 en 10 mei 2012 zijn er MMA-meldingen binnengekomen. In alle vier de meldingen wordt als dader [verdachte] uit Tilburg genoemd. Tot slot zijn de vastgelegde camerabeelden van de overval uitgezonden in de televisieprogramma’s Opsporing Verzocht en Bureau Brabant. Naar aanleiding van het eerste programma zijn zeven tips binnengekomen, waarbij in één van deze tips de naam [verdachte] werd genoemd. Dit betrof een tip van [naam 1] en zij is hierop door de politie gehoord. Zij blijkt de zus van ex-partner van verdachte te zijn. Uit haar verklaring blijkt dat haar zus [naam 2] verdachte ook naar aanleiding van dit televisieprogramma zou hebben herkend. Ook [naam 2] is vervolgens gehoord door de politie. Naar aanleiding van het programma Bureau Brabant is één melding met betrekking tot verdachte binnengekomen van [naam 3]. Ook hij is door de politie als getuige gehoord. Uit het getuigenverhoor blijkt dat [naam 3] verdachte kent via een ex-partner van hem. Nu uit het voornoemde blijkt dat het hier gaat om verklaringen van de ex-partner, de zus van een ex-partner en de ex-partner van familie van de ex-vriendin van verdachte, van wie is gebleken dat zij ten tijde van het afleggen van de verklaringen niet meer in een goede verhouding stonden tot verdachte, en aldus een motief zouden kunnen hebben bij het afleggen van een belastende verklaring voor verdachte, is de rechtbank van oordeel dat voorzichtigheid dient te worden betracht bij het bezigen van deze verklaringen als bewijsmiddelen. Daarvoor is ondersteunend bewijs van voldoende kaliber vereist.

Het bij de overval gebruikte wapen is aangetroffen onder een auto en vervolgens onderzocht op DNA maar dat heeft geen resultaten opgeleverd. Ook in de woning van verdachte is tijdens de doorzoeking niets aangetroffen dat te herleiden is tot de overval. De aangetroffen fiets is weliswaar zwart van kleur en beschikt over een kinderzitje aan de voorzijde maar deze door de getuigen opgegeven kenmerken zijn zo algemeen van aard dat zij niet specifiek naar deze fiets en aldus naar verdachte te herleiden zijn. Bovendien beschikt de aangetroffen fiets ook over een kinderzitje aan de achterzijde dat zodanig van formaat is dat dit zeker door de getuige opgemerkt had moet worden. Daarnaast is de wijkagent bij verdachte op bezoek geweest in verband met het feit dat hij mogelijk voldeed aan het signalement van de overvaller. De bevindingen van de wijkagent leiden evenmin tot ondersteuning van de verklaringen, nu hij goed onderbouwd tot een negatieve herkenning is gekomen. De signalering van de twee verbalisanten tijdens een verhoor van verdachte in verband met twee andere berovingen dat zijn gezicht en gelaatsuitdrukkingen sterke overeenkomsten vertoonden met de vastgelegde beelden van de overval op de Texaco, acht de rechtbank van onvoldoende kaliber om van doorslaggevend belang te kunnen zijn.

Wat de rechtbank wel opmerkelijk acht is dat verdachte zijn gouden tanden heeft laten verwijderen.

Ook het resultaat van het gezichtsvergelijkend onderzoek dat de rechtbank op de zitting van 4 oktober 2012, in verband met de op dat moment bestaande twijfel of verdachte de persoon is die op de betwiste beelden voorkomt, heeft gelast, levert geen overtuigend bewijs op dat de persoon afgebeeld op de betwiste beelden dezelfde is als de verdachte [verdachte]. De uitkomst daarvan is immers dat het met name wat betreft de vorm en kenmerken van de afzonderlijke gezichtsdelen op de afbeeldingen, ongeveer even waarschijnlijk is, dat de persoon afgebeeld in de betwiste beelden dezelfde is als de verdachte [verdachte] als dat dit niet zo is.

Gelet op het voorgaande, dient de rechtbank bij gebrek aan overtuiging verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde.

5 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 835,60 wegens materiele schade ter zake van het ten laste gelegde feit.

Nu verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

6 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair en subsidiair tenlastegelegde feit;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Veldhuizen en mr. Kouwenhoven, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 februari 2014.