Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:8361

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-12-2014
Datum publicatie
19-01-2015
Zaaknummer
AWB 13_3094
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen wijziging van de bedongen arbeid. Enkel tijdsverloop is onvoldoende; feitelijke situatie is leidend. Geen nieuwe loondoorbetalingsverplichting voor werkgever, dus inkomsten werknemer ten onrechte gekort op zijn IVA-uitkering. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 13/3094 WIA

uitspraak van 1 december 2014 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] B.V., te [vestigingsplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. [naam gemachtigde],

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Arnhem), verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 15 april 2013 (bestreden besluit) van het UWV inzake de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) aan haar werknemer [naam werknemer] te [plaats].

[naam werknemer] heeft toestemming verleend voor kennisneming door eiseres van stukken die medische gegevens bevatten.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 20 oktober 2014. Eiseres werd vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Het UWV werd vertegenwoordigd door mr. [naam vertegenwoordiger].

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

[naam werknemer] is sinds 1983 in loondienst geweest van (rechtsvoorgangers van) eiseres als vrachtwagenchauffeur. Op 5 augustus 2008 is hij voor dit werk uitgevallen wegens neurologische klachten (een "wegraking"). Vanwege deze klachten heeft het CBR zijn vrachtwagenrijbewijs voor vijf jaar ongeldig verklaard. Eiseres heeft het loon van [naam werknemer] gedurende 104 weken doorbetaald. Per 3 augustus 2010 wordt [naam werknemer] voor minder dan 35% arbeidsongeschikt beschouwd voor de WIA.

[naam werknemer] heeft bij eiseres hervat in de functie van belader/magazijnmedewerker.

Op 16 juni 2011 is hij voor dit werk uitgevallen.

Bij besluit van 30 augustus 2012 (primair besluit I) heeft het UWV aan [naam werknemer] per 16 juni 2011 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Deze uitkering komt per die datum echter niet tot uitbetaling, omdat de inkomsten die [naam werknemer] bij eiseres heeft, daarop in mindering worden gebracht.

Bij besluit van 15 oktober 2012 heeft het UWV primair besluit I ingetrokken.

Bij besluit van eveneens 15 oktober 2012 (primair besluit II) heeft het UWV aan [naam werknemer] per 16 juni 2011 een IVA-uitkering toegekend. Deze uitkering bedraagt bruto € 119,61 per maand inclusief vakantiegeld. Dit komt omdat de inkomsten die [naam werknemer] nog bij eiseres heeft, op de uitkering in mindering worden gebracht.

Bij het bestreden besluit heeft het UWV de bezwaren van eiseres tegen primair besluit I gegrond verklaard. De bezwaren van eiseres tegen primair besluit II zijn ongegrond verklaard.

2. De rechtbank overweegt allereerst dat primair besluit I op 15 oktober 2012 is ingetrokken. Daarom konden de bezwaren daartegen niet meer gegrond worden verklaard bij het bestreden besluit. Deze bezwaren hadden niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

Nu niet is gesteld of gebleken dat eiseres hierdoor in haar belangen is geschaad, kan dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht worden gepasseerd.

3. Eiseres voert in beroep aan dat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in de uitspraak van 21 mei 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1757) heeft geoordeeld dat voor beantwoording van de vraag of het loon op de uitkering van een werknemer moet worden gekort, beoordeeld moet worden of sprake is van een wijziging van de bedongen arbeid. Zowel eiseres als [naam werknemer] blijven van mening dat de vervangende arbeid niet de bedongen arbeid is geworden. Voor zover eiseres al een nieuwe loondoorbetalingsverplichting heeft, kan deze overigens niet op de IVA-uitkering van [naam werknemer] worden gekort. Ten tijde van de datum in geding, 16 juni 2011, gold namelijk nog het “oude” Inkomensbesluit Wet WIA. Uit dat besluit vloeide voort dat een loondoorbetalingsverplichting een loondervingsuitkering is, en dat loondervingsuitkeringen niet als inkomen uit arbeid worden beschouwd.

4. Ingevolge artikel 7:629, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, voor zover hier van belang, behoudt de werknemer voor een tijdvak van 104 weken recht op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte daartoe verhinderd was.

Ingevolge artikel 52, eerste lid, van de WIA – zoals dat gold ten tijde in geding – wordt op de arbeidsongeschiktheidsuitkering per kalendermaand in mindering gebracht:

0,7 x A x B/C waarbij:

A staat voor het in die kalendermaand verworven inkomen;

B staat voor het dagloon waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is berekend;

C staat voor het dagloon waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering zou zijn berekend indien dat niet gemaximeerd zou zijn op het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel – zoals dat gold ten tijde in geding – wordt onder inkomen verstaan het inkomen uit arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven.

5. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of het UWV terecht de inkomsten van [naam werknemer] op diens uitkering in mindering heeft gebracht. Kern van het geschil is of er sprake is van een wijziging van de bedongen arbeid, waardoor een nieuwe loondoorbetalingsverplichting voor eiseres is ontstaan na de uitval op 16 juni 2011.

Volgens de uitspraak van de CRvB van 21 mei 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1757) is beslissend de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Dit is niet anders als sprake is van afspraken over het, in situaties als hier aan de orde, gaan verrichten van passende werkzaamheden.

6. Ten aanzien van de vraag of sprake is van een wijziging van de bedongen arbeid wijst het UWV erop dat het vrachtwagenrijbewijs van [naam werknemer] voor vijf jaar was ingetrokken door het CBR. Daarnaast was het volgens het UWV gezien de medische klachten niet reëel om ervan uit te gaan dat vrachtwagenchauffeur onveranderd de bedongen arbeid kon blijven. Uit het beoordelingsformulier van 14 januari 2011 blijkt dat [naam werknemer] vijf jaar de werkzaamheden als belader zal blijven doen in verband met een afkeuring als vrachtwagenchauffeur. Ook wijst het UWV erop dat [naam werknemer] de aangepaste werkzaamheden gedurende een niet geringe periode van 2,5 jaar heeft verricht.

7. De rechtbank overweegt dat er geen formele wijziging van de arbeidsovereenkomst heeft plaatsgevonden. Daarom zal de rechtbank bezien of aan de praktijk kan worden ontleend dat sprake is geweest van een stilzwijgende wijziging van de bedongen arbeid. In dat kader zal de rechtbank de feiten vaststellen en wegen.

[naam werknemer] is na zijn oorspronkelijke uitval vanwege een “wegraking” in augustus 2008 vervangende arbeid gaan verrichten als belader tot de nieuwe uitval per 16 juni 2011.

De rechtbank is met het UWV van oordeel dat dit geen geringe periode is geweest.

Echter, uit het hele dossier komt naar voren dat zowel [naam werknemer] als eiseres in deze periode streefde naar een terugkeer in de functie van vrachtwagenchauffeur. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat er begin 2010 een herkeuring bij het CBR is aangevraagd. Dat de hoop van [naam werknemer] en eiseres op een terugkeer in de eigen functie toentertijd niet ongefundeerd was, blijkt ook uit het oordeel van de bedrijfsarts, de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige bij de WIA-beoordeling. Alle drie gaan zij ervan uit dat alleen de (tijdelijke) intrekking van het vrachtwagenrijbewijs door het CBR in de weg staat aan de terugkeer in de functie van de vrachtwagenchauffeur. Vanuit medisch oogpunt zien de bedrijfsarts en de verzekeringsarts geen belemmeringen voor die terugkeer. Zij melden dat [naam werknemer] zo’n 20 maanden aanvalsvrij is en adequaat wordt behandeld. Ook [naam werknemer] voelt zich “volledig geschikt voor het eigen werk”. Alleen het oordeel van het CBR moet worden afgewacht. De na de nieuwe uitval per 16 juni 2011 gestelde nieuwe diagnose, die helaas een terugkeer naar het eigen werk als vrachtwagenchauffeur onmogelijk heeft gemaakt, kan niet afdoen aan de feitelijke situatie tot aan die uitval.

De rechtbank is van oordeel dat het enkele tijdsverloop niet maakt dat de bedongen arbeid is gewijzigd, nu de feitelijke situatie daar geen steun voor biedt. De coulance van eiseres jegens [naam werknemer], die sinds 1983 bij haar in dienst was, kan haar niet worden tegengeworpen. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake geweest van een weloverwogen, gezamenlijke keuze van eiseres en [naam werknemer] tot wijziging van de bedongen arbeid, integendeel. Evenmin hebben zij zich bestendig gedragen naar het nieuwe werk van belader. Uit het dossier blijkt dat eiseres [naam werknemer] “soms maar wat liet schilderen of slopen of wat er maar voor handen was”.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat er geen wijziging van de bedongen arbeid heeft plaatsgevonden. Er is dus geen nieuwe loondoorbetalingsverplichting voor eiseres ontstaan per 16 juni 2011. Het UWV heeft de inkomsten dan ook ten onrechte op de IVA-uitkering van [naam werknemer] gekort.

8. Nu geen sprake is van een wijziging van de bedongen arbeid, wordt aan een bespreking van de overige beroepsgronden niet toegekomen.

9. Het beroep zal gegrond worden verklaard en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, omdat het op een onjuiste feitelijke grondslag berust. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat de bezwaren tegen primair besluit II gegrond worden verklaard en te bepalen dat de inkomsten van [naam werknemer] bij eiseres niet op zijn uitkering worden gekort.

10. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed.

De rechtbank zal het UWV veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.461,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar tegen primair besluit II ongegrond is verklaard;

  • -

    verklaart het bezwaar tegen primair besluit II gegrond en bepaalt dat de inkomsten van [naam werknemer] bij eiseres niet op zijn WIA-uitkering worden gekort;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 318,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.461,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 december 2014.

De griffier is verhinderd om

de uitspraak te tekenen. rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.