Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:8360

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-11-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
AWB - 14 _ 649
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:1379, Bekrachtiging/bevestiging
Herziening: ECLI:NL:HR:2016:2937, Afwijzing
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De inspecteur weigert de brief van belanghebbende betreffende de mededeling aan hem dat de oldtimerregeling zal veranderen, als een bezwaarschrift aan te merken. De rechtbank acht die weigering een schriftelijke weigering van de inspecteur om uitspraak op bezwaar te doen. Die moet dan gelijkgesteld worden met een uitspraak op bezwaar waartegen beroep mogelijk is. Verder oordeelt de rechtbank dat de inspecteur het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De enkele mededeling dat een regeling gaat veranderen is immers geen voor bezwaar vatbare beslissing.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 2, geldigheid: 2014-12-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-3020
V-N Vandaag 2014/2610
V-N 2015/8.3.1

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummer AWB 14/649

uitspraak van 21 november 2014

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft in december 2013 schriftelijk aan belanghebbende medegedeeld dat de vrijstelling voor motorrijtuigenbelasting voor oldtimers wordt gewijzigd. Daartegen heeft belanghebbende bij brief van 13 januari 2014 bezwaar gemaakt.

1.2.

De inspecteur heeft bij brief van 24 januari 2014 aangegeven dat hij voormelde brief van belanghebbende niet als een bezwaarschrift aanmerkt. Belanghebbende heeft daartegen op 30 januari 2014 digitaal beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45.

1.3.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd, waarna de inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.4.

Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Bij brief van 21 oktober 2014 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat de rechtbank het onderzoek heeft gesloten en dat schriftelijk uitspraak wordt gedaan binnen zes weken na dagtekening van de brief.

2 Feiten

2.1.

In de brief, voorzien van de dagtekening ‘December 2013’ (zie 1.1) staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Onder voorbehoud van goedkeuring door de Eerste Kamer van de Staten-Generaal wijzigt per 1 januari 2014 de vrijstelling motorrijtuigenbelasting voor oldtimers. (…)

Wat betekent dit voor u?

U bent eigenaar/houder van het motorrijtuig met kenteken [kenteken]. (…) Vanaf 1 januari 2014 is er voor dit motorrijtuig weer motorrijtuigenbelasting verschuldigd.”

2.2.

Belanghebbende heeft bij brief van 13 januari 2014 tegen voornoemde mededeling bezwaar gemaakt. Daarop heeft de inspecteur bij brief van 24 januari 2014 gereageerd. In deze reactie staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

Regelgeving

U maakt bezwaar tegen de nieuwe regelgeving voor oldtimers. Op grond van artikel 8:2 van de Algemene wet bestuursrecht is het niet mogelijk bezwaar te maken tegen een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel. Ik merk uw brief dan ook niet als een bezwaarschrift aan.”

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of de brief van december 2013 een ingevolge de belastingwet genomen besluit is als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet rijksbelastingen (hierna: AWR).

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf en ambtshalve

4.1.

Artikel 6:2, aanhef en onderdeel a, van de Awb bepaalt dat "de schriftelijke weigering een besluit te nemen" voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep wordt gelijkgesteld met een besluit. De onder 2.2 geciteerde passage uit de brief van de inspecteur moet worden aangemerkt als een schriftelijke weigering van de inspecteur om uitspraak op bezwaar te doen. Deze schriftelijke weigering moet op grond van artikel 6:2, aanhef en onderdeel a, van de Awb worden gelijkgesteld met een voor beroep vatbaar besluit, zodat het beroep ontvankelijk is.

Het gesloten stelsel van rechtsbescherming

4.2.

Ingevolge artikel 26 van de AWR staat tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit, in afwijking van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, slechts beroep bij de bestuursrechter open indien sprake is van een belastingaanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking.

4.3.

De brief van december 2013 betreft geen belastingaanslag en is ook niet op grond van enige wettelijke bepaling aan te merken als een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 26 van de AWR of een daarmee gelet op het hiervoor in 4.1 overwogene, gelijk te stellen besluit. De brief heeft slechts een informatief karakter met betrekking tot de wijziging van de vrijstelling voor oldtimers ter zake van de motorrijtuigenbelasting die de wetgever wenst in te voeren. Uit het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2013, nr. 12/02872, ECLI:NL:HR:2013:1797 volgt dat ook in een geval als het onderhavige, waarin geen bezwaar openstaat tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit, en daartegen niettemin bezwaar wordt gemaakt, de inspecteur dat bezwaar bij zijn uitspraak niet-ontvankelijk dient te verklaren.

4.4.

Het beroep van belanghebbende tegen de schriftelijke weigering een besluit te nemen, kan tot niets anders leiden dan tot een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Overeenkomstig de Hoge Raad in zijn arrest van 21 april 2006, nr. 41 033, ECLI:NL:HR:2006:AT3051, zal de rechtbank - om redenen van proceseconomie - het beroep gegrond verklaren en, doende wat de inspecteur had behoren te doen, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.

4.5.

Nu het bezwaar niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, komt de rechtbank aan een inhoudelijke behandeling niet toe.

5 Proceskosten

5.1.

Vanwege de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar, ziet de rechtbank geen aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken.

5.2.

Gelet op hetgeen in 4.4 is overwogen, is het beroep gegrond. Belanghebbende heeft zich ook in beroep laten bijstaan door [gemachtigde]. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende en de vennootschap onzakelijk hebben gehandeld ter zake van de rechtsbijstand door de vennootschap. De rechtbank vindt daarom aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 365,25 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een conclusie van repliek met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 0,5 voor het gewicht van de zaak). De rechtbank hanteert een wegingsfactor 0,5 nu vanwege de eenvoud van de zaak het gewicht van de zaak als licht is bepaald.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 365,25;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 21 november 2014 door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter, mr. W.A.P. van Roij en prof.mr. I.J.F.A. van Vijfeijken rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.