Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:8359

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-11-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
AWB - 14 _ 3571
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:1378, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Herziening: ECLI:NL:HR:2016:2829, Afwijzing
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bijstelling leeftijdsgrens oldtimerregeling (Artikel 72 Wet op de motorrijtuigenbelasting)

Op 1 januari 2014 is de leeftijdsgrens van de ‘oldtimerregeling’ verhoogd van 30 naar 40 jaar. De rechtbank is van oordeel dat de aanscherping van de leeftijdsgrens geen individuele en buitensporige last oplevert. Dit omdat het financiële gevolg van de wetswijziging een te betalen bedrag van € 120 is. Daarom is er geen schending van het Eerste Protocol van het EVRM.

Wetsverwijzingen
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966 72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-3018
V-N Vandaag 2014/2613
V-N 2015/7.3.4
Rolleman annotatie in NTFR 2015/709
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummer AWB 14/3571

uitspraak van 21 november 2014

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 29 maart 2014 de rekening motorrijtuigenbelasting (MRB) voor het jaar 2014 van € 120 (nummer: [aanslagnummer].M.4.70001, hierna: de rekening MRB) naar belanghebbende gestuurd.

1.2.

Belanghebbende heeft het bedrag van € 120 op 14 april 2014 voldaan. Daartegen heeft belanghebbende bij brief van 14 april 2014, ontvangen door de inspecteur op 16 april 2014 bezwaar gemaakt.

1.3.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 juni 2014 het bezwaar afgewezen.

1.4.

Belanghebbende heeft daartegen per fax van 7 juni 2014, op dezelfde dag ontvangen bij de rechtbank, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45.

1.5.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft daarop bij fax van 11 september 2014 gereageerd waarna de inspecteur bij brief van 25 september 2014 schriftelijk heeft gereageerd.

1.6.

Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Bij brief van 21 oktober 2014 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat de rechtbank het onderzoek heeft gesloten en dat schriftelijk uitspraak wordt gedaan binnen zes weken na dagtekening van de brief.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is volgens het kentekenregister houder van de personenauto met het kenteken [kenteken] (hierna: het motorrijtuig). De datum van eerste toelating is 27 oktober 1978. Het motorrijtuig rijdt op benzine.

2.2.

Met dagtekening 29 oktober 2009 is aan belanghebbende ter zake van het motorrijtuig een ‘Vrijstellingsbeschikking motorrijtuigenbelasting vrijstelling 25 jaar en ouder’ (hierna: de vrijstellingsbeschikking) afgegeven.

2.3.

De inspecteur heeft in een brief van “December 2013” aan belanghebbende medegedeeld dat, onder voorbehoud van goedkeuring door de Eerste Kamer van de Staten-Generaal, belanghebbende per 1 januari 2014 voor het motorrijtuig weer motorrijtuigenbelasting is verschuldigd.

2.4.

Op 1 januari 2014 is de leeftijdsgrens in artikel 72, eerste lid, onderdeel b van de Wet MRB verhoogd van 30 naar 40 jaar. Als gevolg daarvan geldt, onder voorwaarden, een vrijstelling voor motorrijtuigen die ten minste 40 jaar eerder in gebruik zijn genomen. In de artikelen 84a en 84b van de Wet MRB is voorzien in overgangsrecht dat onder meer openstaat voor personenauto’s rijdend op benzine die vóór 1 januari 1988 voor het eerst in gebruik zijn genomen. Het eerste lid van eerdergenoemd artikel 84a bepaalt dat het tijdvak voor de overgangsregeling, in afwijking van artikel 10 van de Wet MRB, geen drie maanden is maar een kalenderjaar. Het tweede lid van dat artikel 84a regelt dat op verzoek van de belastingplichtige de belasting wordt berekend op basis van het driemaandstarief, toegepast over het kalenderjaar (kwarttarief). Het derde lid, onderdeel c, regelt de beperking dat met het motorrijtuig waarvoor het overgangsrecht van toepassing is geen gebruik van de weg mag worden gemaakt in de maanden januari, februari en december. Ingevolge het vijfde lid van artikel 84a van de Wet MRB bestaat het verzoek om toepassing van de overgangsregeling uit het betalen van de belasting onder vermelding van het betalingskenmerk zoals aangegeven door de inspecteur.

2.5.

Belanghebbende heeft de uit hoofde van de overgangsregeling verschuldigde MRB van € 120 (kwarttarief) op 14 april 2014 voldaan. Daartegen heeft hij bij brief van 14 april 2014 bezwaar gemaakt. In die brief heeft belanghebbende zijn gronden van bezwaar aangevoerd. Tevens heeft belanghebbende aan de inspecteur verzocht om in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter (artikel 7:1a van de Awb).

2.6.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 juni 2014 het verzoek van belanghebbende om rechtstreeks beroep niet gehonoreerd en het bezwaar van belanghebbende afgewezen. Daartegen is belanghebbende bij fax van 7 juni 2014 in beroep gekomen.

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

  1. Heeft de inspecteur het hoorrecht van belanghebbende geschonden?

  2. Heeft belanghebbende ondanks de wetswijziging op 1 januari 2014 nog recht op een vrijstelling voor de motorrijtuigenbelasting?

  3. Indien vraag b ontkennend moet worden beantwoord: is artikel 72, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de Wet MRB (tekst 2014) in strijd met enig beginsel van behoorlijke wetgeving?

  4. Is de aanscherping van artikel 72, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet MRB in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM?

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Belanghebbende heeft – kort zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

  • -

    de inspecteur heeft mijn verzoek om instemming met rechtstreeks beroep onterecht afgewezen;

  • -

    de inspecteur had niet van het horen mogen afzien;

  • -

    een beschikking vervalt niet van rechtswege als gevolg van een wetswijziging;

  • -

    ik doe een beroep op de beginselen van behoorlijke wetgeving;

  • -

    de beëindiging van de vrijstelling is in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Immers belastingplichtigen mogen “een redelijke mate van zekerheid van de overheid […] verwachten waar het zijn eigendommen betreft”;

  • -

    artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM kan slechts terzijde worden geschoven indien dat op een adequaat gemotiveerde wijze gebeurt;

  • -

    hier is sprake van onrechtmatig handelen van de Belastingdienst en derhalve bestaat recht op toekenning van een schadevergoeding.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de in rekening gebrachte MRB tot nihil. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

Vraag a

4.1.

Op grond van artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb kan de indiener van het bezwaarschrift het bestuursorgaan verzoeken in te stemmen met rechtstreeks beroep (prorogatie) bij de bestuursrechter. In het derde lid is bepaald dat het bestuursorgaan kan instemmen met het verzoek indien de zaak daarvoor geschikt is.

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat in belanghebbendes verzoek aan de inspecteur om de bezwaarschriftprocedure buiten toepassing te laten, besloten ligt dat belanghebbende niet op zijn bezwaar wenst te worden gehoord. Nu de inspecteur bij de uitspraak op bezwaar tevens het verzoek om prorogatie heeft afgewezen, is voor belanghebbende een vergelijkbare situatie ontstaan als wanneer de inspecteur dat verzoek had toegewezen. Hij kan immers meteen in beroep. Dat belanghebbende niet op zijn bezwaar is gehoord, is naar het oordeel van de rechtbank geen schending van het hoorrecht.

Vraag b

4.3.

Vrijstelling van belasting voor personenauto’s wordt op grond van artikel 72, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet MRB (tekst 2009), onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, verleend voor motorrijtuigen die 25 jaar en ouder zijn.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit MRB 1994 (tekst 2009) wordt vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die 25 jaar en ouder zijn verleend indien uit het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens blijkt dat het desbetreffende motorrijtuig ten minste 25 jaar oud is, dan wel aan de hand van bescheiden zulks wordt aangetoond.

4.4.

Op grond van artikel 72, eerste lid, onderdeel b van de Wet MRB (tekst 2014) wordt vrijstelling van belasting voor personenauto’s, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, verleend voor motorrijtuigen die ten minste 40 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, Uitvoeringsbesluit MRB 1994 (tekst 2014) wordt de vrijstelling van belasting, bedoeld in artikel 72, eerste lid, onderdeel b, van de wet verleend, respectievelijk het overgangsrecht oudere motorrijtuigen, bedoeld in hoofdstuk XA van de wet, wordt toegepast, indien de ingevolge die bepaling respectievelijk dat hoofdstuk vereiste ouderdom, respectievelijk het tijdstip van eerste ingebruikneming, blijkt uit het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens, dan wel deze ouderdom of dit tijdstip aan de hand van bescheiden wordt aangetoond.

4.5.

Volgens de wettelijke regelingen (4.3) geldend in 2009 zijn motorrijtuigen waarvan uit het kentekenregister blijkt dat die ten minste 25 jaar oud zijn, vrijgesteld voor de motorrijtuigenbelasting. Voormelde blijkt ook uit de inhoud van de ‘vrijstellingsbeschikking’ van 29 oktober 2009. Belanghebbende genoot de vrijstelling voor de motorrijtuigenbelasting zoals die uit de destijds geldende wet voortvloeide. De wettelijke regeling is met ingang van 1 januari 2014 gewijzigd in die zin dat de vrijstelling vanaf de wetswijziging slechts geldt voor motorrijtuigen die ten minste 40 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen. Nu vaststaat dat belanghebbendes motorrijtuig op 1 januari 2014 niet aan de dan geldende wettelijke regeling voldoet, is de vrijstelling zoals die in 2009 gold naar het oordeel van de rechtbank van rechtswege komen te vervallen met die wetswijziging. Dat de vrijstellingsbeschikking niet door de inspecteur is ingetrokken doet daar niet aan af. Immers, uit de vrijstellingsbeschikking blijkt niet dat deze eeuwigdurend en zelfs bij wijziging van de formele wetgeving, van kracht blijft.

Vraag c

4.6.

Op de vraag of hier sprake is van schending van de beginselen van behoorlijke wetgeving overweegt de rechtbank het volgende. De Wet MRB is een wet in formele zin. De Hoge Raad heeft in het Harmonisatiewet-arrest (HR 14 april 1989, nr. 13 822, NJ 1989, 469) overwogen dat de strekking van artikel 120 van de Grondwet zich er tegen verzet dat de rechter een formele wet aan fundamentele rechtsbeginselen toetst. Belanghebbende voert geen concreet beginsel van behoorlijke wetgeving aan. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de wetswijziging onbillijk is of onredelijk uitpakt, merkt de rechtbank op dat het de rechtbank niet is toegestaan de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen (artikel 11 van de Wet algemeene bepalingen). De rechtbank wijst daarom het beroep op de beginselen van behoorlijke wetgeving af.

Vraag d

4.7.

Belanghebbende heeft gesteld dat de wijziging van artikel 72, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet MRB met ingang van 1 januari 2014 in strijd is met het recht van eigendom volgens artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM omdat bij die wijziging bij hem leidt tot een individuele en buitensporige last.

4.8.

Uit vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat belastingheffing is te beschouwen als regulering van eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Volgens eveneens vaste rechtspraak van het EHRM, is inbreuk door de Staat op het ongestoorde genot van eigendom van een natuurlijk of rechtspersoon alleen dan gerechtvaardigd indien de inbreuk in overeenstemming is met het nationale recht (“lawful”), de inbreuk een legitiem doel in het algemeen belang dient en er een redelijke mate van evenredigheid is tussen de gebruikte middelen en het doel dat wordt nagestreefd. Dit laatste vereist het bestaan van een redelijke verhouding (“fair balance”) tussen voormeld algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Van een dergelijke redelijke verhouding is geen sprake indien de betrokken persoon wordt getroffen door een individuele en buitensporige last. Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keuze van de middelen om dit belang te dienen, komt de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe.

4.9.

Nu in belanghebbendes geval de financiële gevolgen van de wetswijziging een te betalen bedrag van € 120 is, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een individuele en buitensporige last in vorenstaande zin. De omstandigheid dat daartegenover staat dat slechts gedurende 9 maanden gebruik van de weg mag worden gemaakt en dat een ruimer gebruik is gesanctioneerd met de volle belastingplicht maakt dit oordeel niet anders. Reeds op deze grond moet belanghebbendes beroep op de schending van het Eerste Protocol worden verworpen.

4.10.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Nu het beroep ongegrond is verklaard, ziet de rechtbank geen reden tot het toekennen van een schadevergoeding.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 21 november 2014 door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter, mr. W.A.P. van Roij, en prof.mr. I.J.F.A. van Vijfeijken rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht