Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:8358

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-11-2014
Datum publicatie
16-01-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 847
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inlenersaansprakelijkheid (Artikel 34 Invorderingswet)

De rechtbank is van oordeel dat belanghebbendes administratie onvoldoende is om vast te stellen hoeveel loon de individuele werknemer heeft genoten. De berekening van de ontvanger is dan juist. De rechtbank acht de berekening van de ontvanger ook niet onzorgvuldig. Verder oordeelt de rechtbank dat belanghebbende geen vertrouwen kan ontlenen aan de door de ontvanger afgegeven verklaringen ‘Betalingsgedrag loonheffingen’. De aansprakelijkheid blijft in stand.

Wetsverwijzingen
Invorderingswet 1990 34
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-0203
V-N Vandaag 2015/112
V-N 2015/12.17.27
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummer AWB 14/847

uitspraak van 21 november 2014

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de ontvanger van de Belastingdienst,

de ontvanger.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De ontvanger heeft met dagtekening 11 september 2013 bij beschikking, met het kenmerk [kenmerk], belanghebbende aansprakelijk gesteld voor door [A BV] niet betaalde belastingschulden voor een bedrag van € 21.975.

1.2.

Belanghebbende heeft bij brief van 10 oktober 2013, door de ontvanger ontvangen op 11 oktober 2013, bezwaar gemaakt tegen voormelde beschikking. De ontvanger heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 januari 2014 het bedrag van de aansprakelijkstelling gematigd tot € 18.402.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 11 februari 2014, ontvangen bij de rechtbank op 13 februari 2014, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 165.

1.4.

De ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de ontvanger. Naar aanleiding van het telefonisch verzoek van de griffier van de rechtbank heeft de ontvanger op 9 oktober 2014 stukken overgelegd.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2014 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, zijn gemachtigde [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Heerlen en ter bijstand vergezeld van [B]. De ontvanger is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Ter zitting zijn de door de ontvanger op 9 oktober 2014 overgelegde stukken in afschrift aan belanghebbende verstrekt. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift tegelijk met deze uitspraak is verzonden.

1.7.

De ontvanger is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 18 september 2014 aan de Belastingdienst op het postadres: postbus 4486, 6401 CZ te Heerlen, onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Nu uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 19 september 2014 aan de ontvanger van de Belastingdienst op genoemd postadres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste postadres is aangeboden. De zittingsdatum moet de ontvanger ook reeds uit andere hoofde bekend zijn geweest. De griffier heeft namelijk verklaard dat zij de zittingsdatum heeft genoemd toen zij het in 1.5 bedoelde telefonische verzoek deed.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, stelt de rechtbank als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast:

2.1.

In de jaren 2007 en 2008 hebben enkele werknemers, die in dienstbetrekking waren bij [A BV] (hierna: [A BV]), onder toezicht of leiding van belanghebbende voor belanghebbende werkzaamheden verricht.

2.2.

Bij [A BV] is in mei 2009 door de FIOD-ECD een onderzoek ingesteld. Volgens dat onderzoek bedroegen de totale omzetten van [A BV] over de jaren 2007 en 2008 respectievelijk € 8.038.574 en € 7.939.302 exclusief omzetbelasting.

2.3.

De omzet die [A BV] heeft behaald met het aan belanghebbende uitgeleende personeel bedroeg voor de jaren 2007 en 2008 respectievelijk € 56.220 en € 133.432 exclusief omzetbelasting.

2.4.

[A BV] is op [datum] 2009 failliet verklaard.

2.5.

Belanghebbende heeft geen bedragen op de G‑rekening van [A BV] gestort.

2.6.

Als resultaat van het onder 2.2 vermelde onderzoek zijn diverse naheffingsaanslagen loonheffingen aan [A BV] opgelegd in verband met de constatering dat niet alle betaalde lonen in de administratie zijn verwerkt en daarover geen loonheffingen zijn ingehouden en afgedragen. Met dagtekening 12 oktober 2010 zijn de naheffingsaanslagen loonheffingen over de jaren 2007 en 2008 aan [A BV] opgelegd van respectievelijk € 656.179 en € 1.203.664. De curator heeft op 17 december 2012 de bezwaren tegen voormelde naheffingsaanslagen ingetrokken. [A BV] heeft deze naheffingsaanslagen niet betaald.

2.7.

Bij belanghebbende is op 15 maart 2011 een boekenonderzoek ingesteld in het kader van de inleners- en ketenaansprakelijkheid voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen van [A BV].

2.8.

Belanghebbende heeft ter zake van de door hem van [A BV] ingeleende werknemers onder meer de volgende gegevens aan de ontvanger overgelegd:

̴ de kopieën van de facturen van [A BV];

̴ de kopieën van de urenverantwoordingslijsten van de door [A BV] aan belanghebbende uitgeleende werknemers;

̴ de kopieën van identiteitsbewijzen van in ieder geval twee ingeleende werknemers;

̴ kopieën van vier door de ontvanger aan [A BV] verstrekte verklaringen ‘Betalingsgedrag loonheffingen’, gedagtekend 18 juli 2008, 2 oktober 2008, 13 januari 2009 en 22 april 2009, waarin telkens het volgende, voor zover hier van belang, staat vermeld:

“Bij deze verklaring zijn de volgende punten van belang:

- Deze verklaring heeft alleen betrekking op gegevens die op (datum dagtekening verklaring) [toevoeging rechtbank] bij de Belastingdienst Limburg/Kantoor Maastricht bekend waren.

- De Belastingdienst is niet aansprakelijk voor eventuele nadelige gevolgen die voortvloeien uit het gebruik van deze verklaring.

- De aannemer die, op grond van artikel 35 van de Invorderingswet 1990, aansprakelijk is voor de betaling van de loonheffingen van [A BV] wordt door deze verklaring niet vrijgesteld van zijn aansprakelijkheid.

- Deze verklaring is alleen geldig voor de loonheffingen vanaf 1 januari 2006.”

2.9.

Bij beschikking van 11 september 2013 is belanghebbende met toepassing van artikel 34 en 35 van de Invorderingswet (hierna: de IW) en artikel 60 van de Wet financiering sociale verzekeringen en premiebesluiten aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 21.975.

2.10.

Belanghebbende heeft bij brief van 10 oktober 2013 bezwaar gemaakt tegen bovengenoemde beschikking. De ontvanger heeft bij uitspraak op bezwaar het bedrag van de aansprakelijkstelling gematigd tot € 18.402.

3 Geschil

3.1.

Niet in geschil is dat aan de wettelijke vereisten van artikel 34, eerste lid, van de IW is voldaan. In het geschil is het antwoord op de volgende vragen:

  1. Heeft de ontvanger voldoende voortvarend al dan niet voorspoedig gehandeld richting de curator van [A BV]?

  2. Heeft de ontvanger de nodige zorgvuldigheid in acht genomen bij de berekening van het bedrag van de aansprakelijkstelling?

  3. Is bij belanghebbende het vertrouwen gewekt dat hij niet aansprakelijk kon worden gesteld voor de verschuldigde loonheffingen door [A BV]?

  4. Leidt de houding van de overheid eind jaren negentig van de vorige eeuw ten opzichte van de exploitant van [A BV] tot verdere matiging van het bedrag van de aansprakelijkstelling?

Belanghebbende beantwoordt de eerste twee vragen ontkennend en de laatste twee vragen bevestigend. De ontvanger heeft de eerste drie vragen in tegengestelde zin beantwoord en de vierde vraag onbeantwoord gelaten.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd ter zitting en in de van hen afkomstige stukken.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, primair tot vernietiging van de beschikking aansprakelijkstelling en subsidiair tot verdere matiging van het bedrag van de aansprakelijkstelling tot 25% van € 18.402. De ontvanger concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

Vraag 1

4.1.

Belanghebbende heeft gesteld dat de ontvanger te lang heeft gewacht met de melding van de openstaande loonbelastingschulden van [A BV] aan de curator. Daardoor heeft de curator volgens belanghebbende niet tijdig op de belastingschulden van [A BV] kunnen reageren en heeft de curator andere schuldeisers van [A BV] wel kunnen betalen. Die betalingen hadden volgens belanghebbende in mindering kunnen strekken op de openstaande belastingschulden van [A BV] waarvoor belanghebbende nu aansprakelijk wordt gesteld.

4.2.

Niet aannemelijk is geworden dat de boedel van [A BV] is aangewend ter voldoening van concurrente schuldeisers. Aan hetgeen belanghebbende heeft gesteld verbindt de rechtbank daarom geen gevolgen voor de beschikking aansprakelijkstelling.

Vraag 2

4.3.

Belanghebbende stelt dat nu hij de facturen van [A BV] en de urenstaten van de ingeleende werknemers aan de ontvanger heeft verstrekt, de ontvanger had moeten onderzoeken of [A BV] van de door belanghebbende ingeleende werknemers niet reeds alle loonheffingen heeft afgedragen.

4.4.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.4.1.

Het deel voor de loonheffingen waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld, is berekend door van de door [A BV] verschuldigde loonheffingen een gedeelte aan belanghebbende toe te rekenen dat evenredig is aan de door [A BV] bij belanghebbende gerealiseerde omzet ten opzichte van de totale omzet van [A BV]. De ontvanger heeft hiervoor als reden aangevoerd dat uit de administratie van [A BV] noch uit die van belanghebbende achterhaald kan worden welke werknemers bij welke opdrachtgever tewerk zijn gesteld en evenmin in hoeverre voor elk van die werknemers loonheffingen zijn afgedragen

4.4.2.

Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat het op de weg van belanghebbende ligt om de onjuistheid van de door de ontvanger toegepaste berekening aannemelijk te maken. De rechtbank wijst in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2013, nr. 12/02987, ECLI:NL:HR:2013:1775. De rechtbank acht belanghebbende niet in de op haar rustende bewijslast geslaagd. De administratie zoals door belanghebbende aan de ontvanger overgelegd (zie 2.8), is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om een volledig geïndividualiseerde aansluiting van iedere werknemer met de administratie van [A BV] te kunnen maken. Zo staat de identiteit van alle bij belanghebbende gewerkte personen niet vast. Weliswaar heeft belanghebbende de urenverantwoordingslijsten van alle werknemers overgelegd, maar belanghebbende heeft niet alle identiteitsbewijzen van de door hem ingeleende werknemers aan de ontvanger kunnen overleggen. Tevens is door de ontvanger onweersproken gesteld dat [A BV] loonbetalingen aan haar werknemers heeft gedaan die buiten de administratie van [A BV] zijn gebleven. Het ontbreekt dan aan gegevens die het mogelijk maken te beoordelen in hoeverre voor de door belanghebbende ingeleende werknemers loonheffingen zijn afgedragen. Gelet op het voorgaande is het maken van een sluitende geïndividualiseerde berekening waaruit blijkt dat de voor door belanghebbende ingeleende werknemers alle loonheffingen door [A BV] zijn afgedragen niet mogelijk. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de ontvanger terecht is uitgegaan van een evenredige toedeling van de door [A BV] verschuldigde loonheffingen aan alle werknemers die in de jaren 2007 en 2008 in dienst zijn geweest van [A BV]. Het is de rechtbank verder niet gebleken dat de berekening van de ontvanger onzorgvuldig is gebeurd.

Vraag 3

4.5.

Belanghebbende stelt dat hij door de afgegeven verklaringen (zie 2.8) erop had mogen vertrouwen dat [A BV] alle verschuldigde loonheffingen, in ieder geval tot de laatste verklaring van 22 april 2009, zou hebben voldaan en dat hij daarvoor niet meer aansprakelijk kan worden gesteld. Tevens is belanghebbende van mening dat voormelde verklaringen alleen aansprakelijkstelling toelaat bij onderaanneming waarvan hier geen sprake is. Verder stelt belanghebbende dat [A BV] voorzien was van een keurmerk voor uitzendbureau’ s (certificering) en dat hij daaraan het vertrouwen mocht ontlenen dat hij te maken had met een betrouwbare uitlener.

4.6.

De rechtbank overweegt als volgt. De verklaringen die door de ontvanger aan [A BV] zijn verstrekt, hebben slechts betrekking op de loonbelastingschulden van [A BV] die bij de ontvanger bekend zijn op het moment van afgifte van de betreffende verklaring. Deze loonbelastingschulden omvatten alleen de loonheffingen waarvoor [A BV] aangifte heeft gedaan. De naheffingsaanslagen loonheffingen over de jaren 2007 en 2008 ten name van [A BV] zien op loonbetalingen waarvan [A BV] geen aangifte loonheffingen heeft gedaan. Het gegeven dat [A BV] loonbetalingen, buiten haar administratie om, aan haar werknemers heeft gedaan, is pas na een onderzoek van de FIOD in mei 2009 aan het licht gekomen. De laatste verklaring is van 22 april 2009. Nu de loonbelastingschulden als gevolg van het onderzoek na mei 2009 en dus na voormelde verklaring zijn geformaliseerd, faalt belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel. Ook de omstandigheid dat de verklaringen niet vermelden dat bij inlening hetzelfde geldt als bij onderaanneming beperkt de ontvanger niet in de mogelijkheid belanghebbende aansprakelijk te stellen. Dat [A BV] gecertificeerd was maakt dit oordeel niet anders. Immers die certificering van de uitlener is niet relevant voor het wel of niet aansprakelijk zijn van de inlener.

4.7.

Belanghebbende heeft voorts een beroep gedaan op de uitspraak van deze rechtbank van 30 mei 2006, nr. AWB 05/1560, ECLI:RBBRE:2006:AX8972. In die zaak had de ontvanger een verklaring van goed betalingsgedrag afgegeven, terwijl de uitlener geen aangiften of nihil-aangiften had gedaan en een inlener wel depotstortingen had gedaan, zodat de ontvanger wist of kon weten dat de uitlener loonheffingen verschuldigd was. Van zo’n situatie is in het onderhavige geval geen sprake.

4.8.

Belanghebbende stelt voorts dat het bedrag van de aansprakelijkstelling verder moet worden gematigd op grond van de artikelen 34.6.1 en 34.6.2 van de Leidraad Invordering 2008 zoals deze vanaf 1 juli 2012 gelden. Vaststaat dat belanghebbende geen stortingen op de G-rekening van [A BV] heeft gedaan. Daargelaten dat die regeling in de onderhavige periode nog niet gold, kan belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank geen beroep op voormelde bepalingen doen omdat er geen stortingen op een G-rekening hebben plaatsgevonden.

Vraag 4

4.9.

Al hetgeen door belanghebbende is gesteld over de nalatige houding van de overheid jegens de exploitant van [A BV], wat daar ook van zij, kan hem niet baten. Immers indien en voor zover al sprake zou kunnen zijn van enig nalatig handelen van de overheid jegens de exploitant van [A BV], betekent dit niet dat de beschikking aansprakelijkstelling verder dient te worden gematigd. Hiervoor ontbreekt een juridische grondslag.

4.10.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 21 november 2014 door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter, mr. W.A.P. van Roij, en prof.mr. I.J.F.A. van Vijfeijken rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.