Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:8173

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
08-12-2014
Zaaknummer
2857798 CV EXPL 14-2092
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vernietiging bindend advies ? Een pas na het bindend advies uitgebracht partij-deskundigenrapport (waarvan overigens 2 versies blijken te bestaan) blijft in dit geval bij de beoordeling buiten beschouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Tilburg

zaaknummer 2857798 CV EXPL 14-2092

vonnis van 26 november 2014

inzake

1 de heer[naam 2] [eisers],

2. mevrouw [eiseres 2],
beiden wonende [adres],
eisers,
gemachtigde: mr. M. Valdink, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Breda,

tegen


de [gedaagde]
[gedaagde],

statutair gevestigd[adres],

gedaagde,
procederend in de persoon van haar directeur[naam 1].

Partijen zullen hierna door de kantonrechter [eisers] (in mannelijk enkelvoud) en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

- de dagvaarding van 10 december 2013, met 10 producties;

- de brief van 6 maart 2014 van mr. Valdink, met productie 11;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek, tevens vermeerdering van eis, met 3 producties;

- de conclusie van dupliek.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten, die vaststaan omdat ze niet of niet voldoende zijn betwist en/of blijken uit de in zoverre onweersproken gelaten inhoud van de overgelegde producties.

a. [eisers] is op 27 mei 2011 met [gedaagde] een overeenkomst aangegaan tot levering en aanleg van een tegelvloer voor de prijs van € 2.385,70.

b. De werkzaamheden zijn op 22 en 23 november 2011 uitgevoerd en vervolgens is de vloer opgeleverd.

c. [eisers] heeft op 20 januari 2012 bij [gedaagde] over de vloer geklaagd. Enkele tegels klinken hol en zitten ook niet goed vast. Daarnaast zijn de voegen niet goed gevuld en zitten op diverse plaatsen kleine gaatjes in de voegen.

d. Na tussentijds e-mail verkeer, heeft [gedaagde] bij brief van 17 juli 2012 [eisers] het volgende bericht: “(…) In reactie op uw schrijven van 27-6 j.l. en mijn bezoek aan u bericht ik u als volgt: U geeft in uw mail van 27 juni aan dat er steeds meer tegels los aan het raken zijn. Echter heb ik geen loszittende tegels bij u kunnen ontdekken. Het is wel zo dat er tegels zijn die plaatselijk hol klinken maar dit is dusdanig minimaal dat het niet aannemelijk is dat deze tegels los zullen gaan laten. Ook de door u aangegeven hoogteverschillen tussen de tegels onderling zijn niet dusdanig groot dat deze honorering van uw klacht rechtvaardigen. Wel heb ik kleurverschil geconstateerd in uw voegsel en een beschadiging aan een tegel. Ter compensatie van de afwijkende kleur voegsel en de beschadiging op de tegel stel u een eenmalige vergoeding voor van € 250,-”.

e. [eisers] heeft het aanbod van [gedaagde] niet geaccepteerd en mr. Valdink heeft namens [eisers] in februari 2013 de zaak voorgelegd aan de Geschillencommissie Wonen (verder: de Commissie).

f. De Commissie heeft beslist dat een deskundige zal worden benoemd om de klacht van [eisers] te beoordelen.

g. De door de Commissie ingeschakelde deskundige, ing. P.J. de Vries, heeft op 14 juni 2013 in zijn rapport blijkens de Commissie het volgende vastgesteld: “De tegellijm, die is toegepast, is geschikt voor deze vloer. Voorts zijn de tegels op een correcte wijze verlijmd. Bovendien is het hol klinken van tegels, gelet op de aard en omvang ervan, geen reden voor een klacht. In technische zin zijn er dan ook geen gebreken geconstateerd.”

h. Bij brief van 26 juni 2013 (met 6 foto’s als producties) aan de Commissie heeft
mr. Valdink op het deskundigenrapport gereageerd. Mr. Valdink heeft daarbij aangegeven dat volgens [eisers] een aantal zaken in het rapport niet correct is weergegeven dan wel onjuist is omschreven. [eisers] is nog steeds in de volle overtuiging dat de oorzaak gezocht moet worden in de lijm. Deze hecht niet of onvoldoende aan de tegelvloer. Mr. Valdink verzoekt de Commissie het oordeel van haar deskundige niet één op één over te nemen omdat deze niet op correcte wijze dan wel op basis van onjuiste informatie tot stand is gekomen .

i. De Commissie heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juli 2013. [gedaagde] is daarbij verschenen in de persoon van Janssen, terwijl [eisers] geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om ter zitting zijn standpunt toe te lichten.

j. Bij op 31 juli 2013 aan partijen verzonden tussenadvies van 12 juli 2013 heeft de Commissie onder meer het volgende overwogen: ”In verband met de aard van de onderwerpelijke klacht heeft de commissie een deskundige benoemd. Deze deskundige heeft een onderzoek ingesteld en vervolgens aan de commissie gerapporteerd. Namens de consument is bij brief van 26 juni 2013 met redenen omkleed aangegeven, dat het rapport van de deskundige op een aantal punten onjuist is. Hoewel de commissie wil benadrukken, dat zij op geen enkel onderdeel van het uitgebrachte rapport de deskundigheid van haar deskundige in twijfel trekt, zal zij, nu van de zijde van de consument schriftelijk gefundeerd commentaar is geleverd op het deskundigenrapport, de deskundige dit schrijven ter hand stellen met de vraag of de inhoud van deze brief voor de deskundige nog aanleiding is om zijn gegeven technisch oordeel te herzien. Dit nu temeer, daar naar het oordeel van de commissie een weloverwogen en gefundeerd oordeel slechts tot stand kan komen, indien alle aspecten van een geschil bij de uiteindelijke oordeelsvorming betrokken zijn. De commissie bepaalt, gelet op het vorenstaande, dat nader commentaar zal worden gegeven door de deskundige, waarbij in het bijzonder de brief van de consument d.d. 26 juni 2013 aan de orde zal worden gesteld. De deskundige zal aan de hand van zijn bevindingen nader schriftelijk rapport aan de commissie uitbrengen. Het rapport zal in afschrift aan partijen worden gezonden. Partijen worden in de gelegenheid gesteld daarop binnen twee weken schriftelijk hun op- en aanmerkingen aan de commissie kenbaar te maken. Tenzij (één der) partijen uitdrukkelijk te kennen geven (geeft) een nadere mondelinge behandeling op prijs te stellen, zal de commissie vervolgens op basis van de stukken bindend adviseren.”

k. Op 2 augustus 2013 heeft de deskundige De Vries zijn aanvullend rapport uitgebracht. De conclusie van het aanvullend rapport luidt als volgt: “Het tegelwerk voldoet op dit moment aan de daaraan te stellen eisen. Het hol klinken van tegels is gelet op de omvang en het aantal geen reden voor afkeuring.”

l. De Commissie heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 8 oktober 2013. [gedaagde] is daarbij opnieuw verschenen in de persoon van Janssen, terwijl [eisers] ook op 8 oktober 2013 niet is verschenen.

m. Bij op 23 oktober 2013 aan partijen verzonden bindend advies van 8 oktober 2013 heeft de Commissie onder meer het volgende overwogen: “In het door de deskundige op 2 augus-tus 2013 uitgebrachte vervolgrapport is deze, na ampele beschouwing, tot de conclusie gekomen, dat het tegelwerk op dit moment voldoet aan de daaraan te stellen eisen en voorts, dat het hol klinken van de tegels, gelet op de omvang en aantal ervan, geen reden tot afkeuring is. Voor het volledige overzicht van de bevindingen van de deskundige wordt verwezen naar diens vervolgrapportage. Met betrekking tot de inhoud van het geschil heeft de commissie nog het volgende overwogen. De commissie onderschrijft de technische bevindingen van de deskundige en maakt deze tot de hare. Dit betekent, dat ook de commissie van oordeel is, dat de door de ondernemer gelegde tegels voldoen aan de daaraan in objectieve zin te stellen eisen en dat anders dan de consument meent er geen aanleiding is te veronderstellen, dat de ondernemer onzorgvuldig heeft gewerkt dan wel anderszins een onvoldoende prestatie heeft geleverd. De consument heeft derhalve geleverd gekregen, hetgeen hij op grond van de gesloten overeenkomst mocht verwachten. Het feit, dat het uiteindelijke resultaat de consument tegenvalt kan dit niet anders maken. Het hier te voren overwogene leidt de commissie tot de volgende conclusie. De commissie is van oordeel dat de klacht ongegrond is.”


3.De vordering en het verweer

3.1

[eisers] vordert, na vermeerdering van eis:

a.vernietiging van het op 23 oktober 2013 aan partijen verzonden bindend advies van de geschillencommissie Vloeren (opmerking kantonrechter: bedoeld zal zijn Wonen”);
b. veroordeling van [gedaagde] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 7.042,20;


c. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 42,37 aan buitengerechtelijke kosten;

d. veroordeling van [gedaagde] om over de hierboven onder b. en c. genoemde bedragen wettelijke rente te betalen vanaf 25 juni 2012;

e. veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en de nakosten.

3.2

[eisers] stelt daartoe, samengevat, dat het rapport waar de Commissie haar uitspraak op gebaseerd heeft, ondeugdelijk is. De conclusie die de Commissie op basis van het aanvul-lende rapport van 2 augustus 2013 heeft getrokken is naar de mening van [eisers] apert onjuist. Daarom kan [eisers] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aan het bindend advies worden gehouden. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [eisers] een in opdracht d.d. 13 februari 2014 van mr. Valdink uitgebracht rapport van het IACT (Informa-tie-Adviescentrum Tegelwerken) in het geding gebracht.

3.3

[gedaagde] heeft verweer gevoerd. Daartoe stelt [gedaagde], samengevat, dat er geen gebreken aan het rapport kleven. Hetzelfde geldt voor het bindend advies. De Commissie is op goede gronden tot haar gemotiveerde oordeel gekomen. [gedaagde] is dan ook van mening dat er geen redenen zijn om tot vernietiging van het vonnis over te gaan. Met betrekking tot het door [eisers] ingebrachte rapport van IACT maakt [gedaagde] bezwaar. Er is meer dan voldoende gelegenheid voor [eisers] geweest om zijn zaak bij de Commissie voor het voetlicht te brengen. Inschakeling van een partijdeskundige is niet gerechtvaardigd, aldus [gedaagde].

4 De beoordeling

4.1

De kantonrechter stelt voorop dat vernietiging van een bindend advies (zoals bedoeld in artikel 7:900 BW) van de Commissie slechts kan plaatsvinden indien gebondenheid aan die beslissing in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dit criterium vraagt terughoudendheid van de rechter, in die zin dat de vernietigingsprocedure niet kan worden benut als een vorm van (verkapt) hoger beroep. Het gaat er niet om dat de rechter zijn oordeel in de plaats stelt van het oordeel van de Commissie. Beoordeeld wordt slechts of de uitspraak van de Commissie ernstig gebrekkig is gemotiveerd, dan wel of bij de totstandkoming daarvan fundamentele beginselen van behoorlijk procesrecht zijn geschonden en/of de Commissie niet in redelijkheid tot de door haar genomen beslissing heeft kunnen komen. Er vindt een marginale toets plaats. Een inhoudelijke toetsing is in beginsel niet aan de orde. Gebondenheid is regel en strijd met de redelijkheid en billijkheid vormt een uitzondering.

4.2

Voor wat betreft de wijze van totstandkoming van het bindend advies is de kantonrechter van oordeel dat feiten en/of omstandigheden, die de conclusie kunnen dragen dat fundamentele beginselen van behoorlijk procesrecht zijn geschonden, in dit geval gesteld noch gebleken zijn.

4.3

Ook als de inhoud van het bindend advies in ogenschouw wordt genomen kan niet worden aangenomen dat gebondenheid van [eisers] aan de beslissing in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.

4.3.1

De stelling van [eisers] komt erop neer dat het bindend advies vernietigd dient te worden omdat de conclusie die de Commissie op basis van het aanvullende rapport van
2 augustus 2013 heeft getrokken apert onjuist is. In die conclusie kan de kantonrechter [eisers] niet volgen. In het aanvullende rapport van 2 augustus 2013 is de deskundige uitgebreid ingegaan op het in de brief van 26 juni 2013 neergelegde commentaar van [eisers] naar aanleiding van het rapport van de deskundige van 14 juni 2013. Vervolgens heeft de deskundige geconcludeerd zoals hierboven in rechtsoverweging 2 onder k. is vermeld.
Gesteld noch gebleken is dat [eisers] deze conclusie van de deskundige vervolgens (opnieuw) ter discussie heeft gesteld voor de Commissie. Tijdens de zitting van de Commissie op
8 okober 2013 is [eisers] niet verschenen en ook heeft hij vóór die tijd kennelijk geen contra-expertise laten verrichten. Bij die stand van zaken heeft de Commissie op 8 oktober 2013 in redelijkheid op de door haar hierboven (rechtsoverweging 2 sub m.) vermelde, voldoende gemotiveerde, gronden de bevindingen van de deskundige kunnen overnemen.

4.4

De vordering tot vernietiging van het bindend advies zal dan ook worden afgewezen en partijen blijven daaraan gebonden. Dit betekent dat de vorderingen van [eisers] worden afgewezen.

4.5

Het door [eisers] in het geding gebrachte rapport van het IACT leidt de kantonrechter niet tot een ander oordeel. Nu dat rapport pas is uitgebracht na de procedure bij de Commissie en bij de Commissie onbekend was op het moment dat zij haar bindend advies uitbracht, kan dat rapport in deze procedure reeds daarom verder buiten beschouwing blijven. Een andere opvatting zou immers leiden tot een verkapt hoger beroep.
Ten overvloede merkt de kantonrechter met betrekking tot dat rapport van IACT nog wel het volgende op. Bij brief van 6 maart 2014 heeft mr. Valdink de kantonrechter bericht: “(…) Bijgaand treft u ter aanvulling op de door mij ingediende dagvaarding, productie 11 aan welke onderdeel uitmaakt van het door eisers te leveren bewijs. Ik wil u vriendelijk verzoeken deze productie tevens in behandeling te nemen op de rol van 12 maart 2014 (…).” Productie 11 is vervolgens een uit 8 bladzijden en 4 bijlagen bestaande e-mail van IACT van 3 maart 2014 aan mr. Valdink, kennelijk inhoudende het rapport van IACT. Vervolgens wordt, zonder nadere toelichting, als productie 1 bij de conclusie van repliek, een brief van 13 mei 2014 van IACT aan mr. Valdink in het geding gebracht, kennelijk inhoudende (opnieuw) het rapport van IACT, met dien verstande dat het nieuwe rapport inmiddels uit 10 bladzijden bestaat (bladzijden 9 en 10 zijn nieuw toegevoegd) en dat bladzijde 8 gewijzigd is. De kantonrechter acht dit een merkwaardige gang van zaken die bovendien in strijd is met een goede procesorde.

In het rapport van 3 maart 2014 luidde de tekst:

“Het knelpunt van een mindere hechting tussen tegel en tegellijm en een te beperkte inbedding (mits wel gelijkmatig verdeeld over de tegel aangebracht) is gelegen in het feit dat bij controle middels het kloppen op de tegels hieromtrent geen afwijkende waarnemingen worden gedaan: een dergelijke tegel klinkt net zo massief als een tegel welke wel deugdelijk is aangebracht. Ten aanzien van het onderhavige geval kan uit het kloppen op tegels niet geconstateerd worden dat de applicatie van de tegels ondeugdelijk is. Het beeld dat de losgekomen tegels echter oproepen is zonder meer zorgelijk: een combinatie van én onvoldoende hechtsterkte op veel plaatsen waar de tegel wel in aanraking is geweest met de tegellijm én het zeer beperkte contactoppervlak tussen tegellijm en tegel wijzen in de richting van een onvoldoende resulterende hechting, ten gevolge waarvan in de toekomst verdere onthechting verwacht mag worden. Definitieve duidelijkheid hieromtrent zal echter pas ontstaan na uitname van meerdere tegels: pas dan zal blijken of de reeds uitgenomen, onthechte tegels representatief zijn voor de verdere tegelvloer.”
In het rapport van 13 mei 2014 luidt de betreffende tekst:

“Het knelpunt van een mindere hechting tussen tegel en tegellijm en een te beperkte inbedding (mits wel gelijkmatig verdeeld over de tegel aangebracht) is gelegen in het feit dat bij controle middels het kloppen op de tegels hieromtrent geen afwijkende waarnemingen worden gedaan: een dergelijke tegel klinkt net zo massief als een tegel welke wel deugdelijk is aangebracht. Daardoor kan in het onderhavige geval uit het kloppen op tegels niet geconstateerd worden dat de applicatie van de tegels (on-)deugdelijk is. De vraag is nu of hetgeen is geconstateerd bij de door de tegelzetter uitgenomen tegels min of meer representatief is voor de nu nog aanwezige tegels. Het volgende wordt hieromtrent opgemerkt:
- In de huidige tegelvloer vertonen 15 tegels hol klinkende delen, hetgeen erop wijst dat een ondeugdelijk inbedding op meer locaties aanwezig is dan alleen ter plaatse van de 4 reeds uitgenomen tegels.
- Een tegelzetter werkt normaliter consequent door en zal niet tijdens één werk zijn verwerkingstechniek structureel aanpassen.
Beide punten maken dat het niet onredelijk is te veronderstellen dat het beeld dat de losgekomen en uitgenomen tegels geven in meer of mindere mate representatief is voor de verdere tegels, hetgeen betekent dat op zijn minst enige verdere onthechting in de toekomst verwacht mag worden gezien de zorgelijke combinatie van én een onvoldoende hechtsterkte op veel plaatsen waar de tegel wel in aanraking is geweest met de tegellijm én het zeer beperkte contactoppervlak tussen tegellijm en tegel, welke combinatie leidt tot een onvoldoende hechting. Definitieve duidelijkheid hieromtrent zal ontstaan middels destructief onderzoek: uitname van meerdere tegels of het uitvoeren van (genormaliseerde) trekproeven.

4.6

Voor zover [eisers] er nog over klaagt dat de Commissie het hierboven (in rechtsoverweging 2 sub d.) door [gedaagde] aan [eisers] aangeboden bedrag van € 250,- niet heeft meegenomen in haar advies, geldt het volgende. Gesteld noch gebleken is -[eisers] heeft het procesdossier bij de Commissie niet in het geding gebracht- dat [eisers] bij de Commissie dit bedrag van € 250,- daadwerkelijk (eventueel subsidiair) heeft gevorderd, zodat ook daarin geen grond kan worden gevonden voor (gedeeltelijke) vernietiging van het advies op dat punt.

4.7

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eisers] worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde], met dien verstande dat deze kosten worden begroot op nihil.
[gedaagde] heeft immers geprocedeerd zonder zich te laten bijstaan door een professionele derde, terwijl verder niet (met bewijsstukken onderbouwd) gebleken is dat [gedaagde] voor het voeren van deze procedure noodzakelijke reis- verblijf- of verletkosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 238 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

5 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering van [eisers] af;

veroordeelt [eisers] tot betaling van de proceskosten van [gedaagde], vastgesteld op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.L. Sierkstra en is in het openbaar uitgesproken op
26 november 2014.