Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:8122

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-11-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
AWB - 14 _ 2750
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank kent een integrale proceskostenvergoeding toe met betrekking tot de navorderingsaanslag die tegen de wet in is opgelegd en om die reden wordt vernietigd. Met betrekking tot de andere navorderingsaanslag - naar een te betalen bedrag van circa € 200.000 - kent de rechtbank geen integrale maar wel een boven forfaitaire proceskostenvergoeding plus een immateriële schadevergoeding toe vanwege de proceshouding van de inspecteur in bezwaar en beroep. Het niet beslissen op het verzoek om een kostenvergoeding voor een ingebrekestelling kan geen grond zijn voor het toekennen van een dwangsom. Dat geldt ook voor het niet bij uitspraak op bezwaar beslissen op het verzoek om een vergoeding voor de kosten van de bezwaarfase van een ongegrond verklaard bezwaar.

Wetsverwijzingen
Zorgverzekeringswet, geldigheid: 2014-12-11
Wet inkomstenbelasting 2001, geldigheid: 2014-12-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-0035

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummers AWB 14/2748 en 14/2750

uitspraak van 21 november 2014

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

Betreft

Met betrekking tot de procedure 14/2748

  1. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem over het jaar 2009 opgelegde navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (verder: ZVW) naar het maximum bijdrage-inkomen van € 32.369 en de daarbij tegelijkertijd bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente (aanslagnummer [aanslagnummer].W.97; deze navorderingsaanslag wordt verder aangeduid als W.97);

  2. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek om een kostenvergoeding in het kader van voormeld bezwaar;

  3. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek om een kostenvergoeding voor de schriftelijke ingebrekestelling met betrekking tot het hiervoor onder 1. genoemde bezwaar;

  4. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek om een kostenvergoeding voor de schriftelijke ingebrekestelling met betrekking tot het hiervoor onder 2. genoemde verzoek;

Met betrekking tot de procedure 14/2750:

5. De uitspraak van de inspecteur van 25 maart 2014 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem over het jaar 2009 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (verder: IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 377.127 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 813 en de daarbij tegelijkertijd bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente (aanslagnummer [aanslagnummer].H.97; deze navorderingsaanslag wordt verder aangeduid als H.97);

6. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek om een kostenvergoeding met betrekking tot het onder 5. genoemde bezwaar;

7. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek om een kostenvergoeding voor de schriftelijke ingebrekestelling met betrekking tot het hiervoor onder 6. genoemde verzoek.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2014 te Eindhoven.

Aldaar zijn tegelijkertijd de zaken van belanghebbende met procedurenummers 14/2748 en 14/2750 behandeld. Ter zitting zijn verschenen en gehoord, belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde], ter bijstand vergezeld van [A], beiden verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Sittard-Geleen, en namens de inspecteur, [verweerder].

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag H.97;

  • -

    vernietigt de navorderingsaanslagen W.97 en H.97 en de beschikkingen heffingsrente;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 9.521,50;

  • -

    stelt de op grond van artikel 4:17 van de Awb verbeurde dwangsom vast op € 2.520;

  • -

    veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade, vastgesteld op € 5.000;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 aan deze vergoedt.

2 Gronden

2.1.1.

Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV en ZVW gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.374 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 813. Het in de aangifte vermelde looninkomen is hoger dan het voor het jaar 2009 geldende bedrag aan maximum bijdrage-inkomen voor de ZVW. De ingediende aangifte heeft geleid tot een voorlopige aanslag IB/PVV met aanslagnummer eindigend op H.91.

2.1.2.

Naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek zijn op 27 augustus 2010 een nadere voorlopige aanslag IB/PVV, de H.92, en een voorlopige aanslag ZVW, de W.90, opgelegd. Hierbij is uitgegaan van een vermeend genoten opbrengst uit hennepteelt van € 353.753. Bij de W.90 is geen rekening gehouden met de door de werkgever van belanghebbende ingehouden en afgedragen ZVW. Tegen beide voorlopige aanslagen heeft belanghebbende tijdig bezwaar aangetekend.

2.1.3.

In verband met de gegrondverklaring van het bezwaar tegen de W.90 is op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (verder: het Besluit) aan belanghebbende een forfaitaire kostenvergoeding toegekend, waarbij het gewicht van de zaak is aangemerkt als “zeer zwaar”.

2.1.4.

Op 20 juli 2011 schrijft de inspecteur dat belanghebbende in het kader van het strafrechtelijk onderzoek nog verdachte is en dat na de uitspraak van de strafrechter zal kunnen blijken in hoeverre de H.92 in stand kan blijven.

2.1.5.

Tijdens een gesprek tussen partijen op 2 oktober 2011 geeft de inspecteur aan dat de definitieve aanslag IB/PVV, de H.96, “waarschijnlijk” conform de ingediende aangifte is opgelegd en dat dit dan een fout van het geautomatiseerde computersysteem betreft. Op 5 oktober 2012 schrijft de inspecteur dat de H.96 inderdaad conform de aangifte is opgelegd, maar dat zolang partijen aan het onderzoeken zijn of een compromis mogelijk is, geen navorderingsaanslag IB/PVV zal worden opgelegd. Met dagtekening 17 oktober 2012 is aan belanghebbende de H.96 opgelegd.

2.1.6.

Bij brief van 6 december 2012 kondigt de inspecteur aan dat hij overgaat tot het opleggen van een navorderingsaanslag IB/PVV en een navorderingsaanslag ZVW over het jaar 2009. In de brief is onder meer vermeld dat belanghebbende de overeengekomen reactietermijn ongebruikt heeft laten verstrijken en dat daarom wordt nagevorderd. Met dagtekening 27 december 2012 is aan belanghebbende de W.97 opgelegd, berekend naar het maximum bijdrage-inkomen van € 32.369. Met dagtekening 19 januari 2013 is de H.97 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 377.127 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 813.

2.1.7.

Belanghebbende tekent tegen beide navorderingsaanslagen bezwaar aan en verzoekt daarbij om een kostenvergoeding op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit. Op 25 maart 2014 heeft de inspecteur uitspraak gedaan op het bezwaar tegen de H.97. De daarin vermelde beslissing luidt: “De navorderingsaanslag wordt gehandhaafd.”. In de uitspraak op bezwaar staat niets vermeld over het verzoek om een kostenvergoeding.

2.1.8.

In verband met het uitblijven van een beslissing inzake het verzoek om een kostenvergoeding voor het indienen van het bezwaar tegen de H.97 stelt belanghebbende de inspecteur bij brief van 4 april 2014 in gebreke. Belanghebbende verzoekt daarin tevens om een vergoeding van de werkelijke kosten voor het schrijven en indienen van de ingebrekestelling.

2.1.9.

Op 4 april 2014 stelt belanghebbende de inspecteur eveneens in gebreke wegens het uitblijven van een beslissing inzake het bezwaar tegen de W.97. Tegelijkertijd stelt belanghebbende de inspecteur in gebreke wegens het uitblijven van een beslissing inzake het verzoek om een kostenvergoeding voor het indienen van het bezwaar tegen de W.97 en verzoekt daarbij wederom om een vergoeding van de werkelijke kosten voor het schrijven en indienen van de ingebrekestelling.

2.1.10.

Wegens het uitblijven van enige reactie tekent belanghebbende vervolgens op 2 mei 2010 beroep aan. Tevens stelt belanghebbende beroep in tegen de uitspraak op bezwaar inzake de H.97.

2.1.11.

Op 21 december 2012 heeft de strafkamer van de Rechtbank Maastricht uitspraak gedaan. Belanghebbende is veroordeeld voor medeplichtigheid aan het telen van 1185 hennepplanten op 24 februari 2010 en de diefstal van stroom in de periode 26 september 2008 tot en met 24 februari 2010. Aan dit oordeel ligt onder meer ten grondslag dat belanghebbende eigenaar is van het pand waarin een hennepplantage is aangetroffen en de verklaring van belanghebbende ter zitting dat hij in het kader van de verhuur van het pand maandelijks € 950 kreeg voor de vaste lasten en € 500 voor het gedogen van de hennepplantage. De rechtbank heeft tevens geoordeeld dat het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel € 7.000 bedraagt en dat daarop de vordering van Enexis van € 16.432,91 in mindering moet worden gebracht. De rechtbank Maastricht heeft vervolgens het wederrechtelijk voordeel vastgesteld op nihil.

2.1.12.

Bij brieven van 6 mei 2014, 26 mei 2014 en 25 september 2014 heeft de rechtbank de inspecteur verzocht de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift in te dienen. De inspecteur heeft voor het eerst hierop gereageerd op 14 oktober 2014 toen hij de griffie telefonisch heeft laten weten dat het verweerschrift alsnog zal volgen. Dit is echter niet gebeurd. Door de inspecteur zijn geen stukken ingediend.

De navorderingsaanslag ZVW (W.97)

2.2.

Belanghebbende heeft ter zitting een financieel overzicht van de gemaakte kosten van rechtsbijstand, dwangsommen en immateriële schade overgelegd. Daaruit blijkt dat de kosten voor rechtsbijstand ter zake van de W.97 € 7.471,75 inclusief omzetbelasting bedragen. De ter zake van de W.97 verbeurde dwangsommen zijn in het overzicht becijferd op viermaal € 1.260, in totaal € 5.040 en de verzochte immateriële schadevergoeding op € 5.000. In reactie hierop heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de navorderingsaanslag W.97 tegen de wet in is opgelegd en dat de navorderingsaanslag om die reden vernietigd moet worden, dat belanghebbende om die reden recht heeft op een proceskostenvergoeding van € 2.000 en tweemaal een dwangsom van € 1.260 wegens het niet tijdig beslissen.

2.3.

Voor wat betreft de navorderingsaanslag heeft de inspecteur ter zitting verklaard dat de vernietiging van de navorderingsaanslag inmiddels in het systeem is verwerkt. Nu belanghebbende nog geen bericht hiervan heeft kunnen ontvangen, heeft de rechtbank aanleiding gezien om te beslissen dat de navorderingsaanslag W.97 moet worden vernietigd. Ter zitting hebben beide partijen verklaard dat zij met een dergelijke beslissing instemmen.

2.4.

Tussen partijen is met betrekking tot de W.97 dan nog in geschil:

  1. de hoogte van de proceskostenvergoeding;

  2. de hoogte van de verbeurde dwangsommen;

  3. de vraag of en voor welk bedrag belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding.

Proceskostenvergoeding

2.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende de omzetbelasting niet in aftrek kan brengen. Partijen zijn het voorts erover eens dat als werkelijke kosten kunnen worden aangemerkt de bedragen zoals die blijken uit de door belanghebbende bij de pleitnota overgelegde staat van verrichte werkzaamheden en de daarvoor in rekening gebrachte en te brengen kosten.

2.6.

De rechtbank stelt voorop dat zij het ter zitting ingenomen standpunt van de inspecteur onderschrijft dat de navorderingsaanslag W.97 in strijd met het wettelijk systeem is opgelegd en dat belanghebbende om die reden recht heeft op een bovenforfaitaire vergoeding. Gelet op de hiervoor geschetste verloop van de aanslagoplegging en op de proceshouding van de inspecteur is de rechtbank van oordeel dat de door belanghebbende gemaakte kosten voor het indienen van het bezwaar en beroep te wijten zijn aan het handelen van de inspecteur en dat deze kosten (grotendeels) hadden kunnen worden voorkomen. Een vergoeding van slechts € 2.000 is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet reëel.

2.7.

Uit de door belanghebbende overgelegde specificatie van de gemaakte kosten van rechtsbijstand blijkt dat belanghebbende ook kosten heeft gemaakt voor het redigeren en indienen van bezwaarschriften tegen de voortzetting van invorderingsmaatregelen door de ontvanger, het veelvuldig telefonisch overleg met de ontvanger en het verstrekken van stukken aan de ontvanger (3 x € 544,50). De rechtbank is van oordeel dat deze kosten in de onderhavige procedure niet voor vergoeding in aanmerking komen. Hetzelfde heeft te gelden voor een deel van de kosten die zien op het opstellen van het nader stuk van belanghebbende van 24 oktober 2014 dat deels gaat over de door de ontvanger ingestelde invorderingsmaatregelen en de daarover bij het nader stuk gevoegde correspondentie. De kosten van het nader stuk van € 816,75 zal de rechtbank tot een bedrag van € 500 in aanmerking nemen als kosten in verband met de W.97. Gelet hierop stelt de rechtbank de vergoeding van de proceskosten ter zake van de W.97 vast op in totaal € 5.521,50 inclusief btw.

Dwangsommen

2.8.

Ter zitting heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat hij ter zake van de W.97 twee dwangsommen verbeurt. Hij heeft daaraan toegevoegd dat hij geen dwangsommen verbeurt ter zake van het niet beslissen op de verzoeken om een kostenvergoeding voor de ingebrekestellingen. Naar de rechtbank begrijpt, bedoelt de inspecteur hiermee dat hij van mening is dat hij een dwangsom verbeurt wegens het niet beslissen op het bezwaar tegen de W.97, alsmede wegens het niet beslissen op het verzoek om een kostenvergoeding.

2.9.

Gelet op het voorstaande zal de rechtbank ervan uitgaan dat de inspecteur in ieder geval aan dwangsommen een bedrag van twee maal € 1.260 of € 2.520 is verschuldigd.

2.10.

Met betrekking tot de vraag of een dwangsom is verschuldigd wegens het niet beslissen op de verzoeken op een kostenvergoeding ter zake van de ingebrekestellingen overweegt de rechtbank als volgt.
Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan op grond van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Het derde lid van artikel 4:17 Awb bepaalt dat de eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvragen een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

2.11.

Ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat naar zijn mening voor deze verzoeken geen aanvullende ingebrekestelling is vereist. De rechtbank volgt belanghebbende niet in die opvatting, nu artikel 4:17, derde lid, van de Awb uitdrukkelijk bepaalt dat een ingebrekestelling is vereist, voordat een dwangsom verschuldigd kan zijn. Zelfs als dat anders zou zijn, leidt het uitblijven van een beslissing op het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de ingebrekestelling naar het oordeel van de rechtbank niet tot verschuldigdheid van een dwangsom. De rechtbank merkt in dit verband op dat blijkens de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 2004-2005, 29 934, nr. 6, pagina 12 een ingebrekestelling niet een aanvraag in de zin van de Awb is. Ook is een ingebrekestelling geen voor bezwaar vatbare beschikking. Naar het oordeel van de rechtbank is de bepaling van artikel 4:17, van de Awb niet van toepassing op de ingebrekestelling, noch op een accessoire kwestie, zoals de onderhavige verzoeken om een kostenvergoeding voor de ingebrekestellingen. Gelet hierop verbeurt de inspecteur voor deze twee verzoeken geen dwangsom.

Immateriële schadevergoeding

2.12.

Het verzoek van belanghebbende om toekenning van een immateriële schadevergoeding is niet gelegen in de verstreken termijn voor het afhandelen van het bezwaar en beroep. Belanghebbende heeft zijn verzoek gemotiveerd door te stellen dat het dossier volstrekt onnodig langdurig en niet-professioneel door de Belastingdienst is behandeld, waardoor hij niet verder kan met zijn leven. Zijn huwelijk is daardoor stukgelopen en hij heeft voortdurend slapeloze nachten door de hoogte van de navorderingsaanslagen en de door de ontvanger genomen invorderingsmaatregelen.

2.13.

Vaststaat dat bij de vaststelling van de W.97 het bijdrage-inkomen is vastgesteld op het maximum bijdrage-inkomen van € 32.369. In verband daarmee bedraagt het te betalen bedrag, inclusief heffingsrente, € 1.692. Gelet op de hoogte van het te betalen bedrag, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de W.97 een zodanige rol heeft gespeeld dat deze navorderingsaanslag heeft geleid tot de hiervoor geschetste omstandigheden. Met betrekking tot de W.97 wijst de rechtbank derhalve het verzoek om een immateriële schadevergoeding af.

De navorderingsaanslag H.97

2.14.

Belanghebbende is van mening dat de inspecteur geen navorderingsgrond heeft en voor zover de inspecteur die wel heeft, dat hij geen inkomsten in verband met de hennepteelt heeft genoten, dat hij recht heeft op een proceskostenvergoeding van € 6.564,25 en dat de inspecteur € 2.520 aan dwangsommen en € 5.000 aan immateriële schadevergoeding is verschuldigd. Voorts heeft belanghebbende aangegeven dat de inspecteur heeft toegezegd de H.97 te vernietigen. Ter zitting heeft de inspecteur dit laatste ontkent en gesteld dat de navorderingsaanslag terecht is opgelegd, maar dat de correctie resultaat uit overige werkzaamheden van € 353.753 verminderd moet worden tot € 30.000 en dat belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding van € 2.000.

2.15.

In geschil is het antwoord op de vragen:

  1. Heeft de inspecteur toegezegd de H.97 te vernietigen?

  2. Heeft de inspecteur een navorderingsgrond?

  3. Indien kan worden nagevorderd, hoe hoog bedragen de belastbare inkomsten in verband met de hennepteelt?

  4. Hoe hoog bedraagt de proceskostenvergoeding?

  5. Is de inspecteur een dwangsom verschuldigd wegens het niet beslissen op:

a. Het verzoek om een integrale kostenvergoeding ter zake van de H.97;

b. Het verzoek om een integrale kostenvergoeding voor de ingebrekestelling met betrekking tot het niet tijdig beslissen op het verzoek om een integrale kostenvergoeding ter zake van de H.97.

6. Of en voor welk bedrag heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding?

De navorderingsaanslag

2.16.

De rechtbank ziet aanleiding om allereerst te beoordelen of belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. De rechtbank stelt voorop dat op de inspecteur de bewijslast rust om dit aannemelijk te maken. De inspecteur heeft in de uitspraak op bezwaar gesteld dat het netto besteedbaar inkomen van belanghebbende en zijn toenmalige partner in 2009 zodanig laag was dat zij hiervan niet in hun levensonderhoud hebben kunnen voorzien. Daarbij is tevens vermeld dat de aankoop van de Audi A4 met kenteken [kenteken] niet in de berekening is meegenomen. De inspecteur heeft geen berekening overgelegd.

2.17.

Belanghebbende heeft ter zitting, door de inspecteur niet betwist, geloofwaardig verklaard dat hij en zijn toenmalige partner in 2009 een netto inkomen van € 55.277 hebben genoten, bestaande uit onder meer looninkomsten, ontvangen huurpenningen en toeslagen. Daarnaast heeft belanghebbende geloofwaardig verklaard dat hij zijn oude auto heeft verkocht, dat hij vervolgens de Audi A4 in Duitsland heeft gekocht en heeft ingevoerd, dat deze auto op dat moment al 4 à 5 jaar oud was en dat hij de Audi A4 heeft gekocht met de opbrengst van de oude auto aangevuld met een kleine financiering. De rechtbank is van oordeel dat, als er al sprake zou zijn van een navorderingsgrond en het ontbreken van een toezegging de H.97 te vernietigen, de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende een positief voordeel in verband met de hennepteelt heeft genoten zodat niet aannemelijk is gemaakt dat belanghebbende aangifte IB/PVV tot een te laag bedrag heeft gedaan. De rechtbank ziet om die reden ook geen aanleiding tot omkering van de bewijslast. Gelet hierop moet naar het oordeel van de rechtbank de navorderingsaanslag H.97 worden vernietigd.

Proceskostenvergoeding

2.18.

Belanghebbende heeft verzocht om een integrale proceskostenvergoeding van € 6.564,25. De inspecteur is van mening dat de proceskostenvergoeding op € 2.000 gesteld moet worden.

2.19.

De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding. De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank niet het verwijt treft dat hij tegen beter weten in een navorderingsaanslag IB/PVV heeft opgelegd en gehandhaafd. Hiertoe acht de rechtbank het volgende van belang:

- de aanschaf van de Audi A4 door belanghebbende, zonder dat op dat moment duidelijk was waar deze auto van was betaald;

- dat de inspecteur beschikte over verklaringen van bewoners dat zij de Audi A4 van belanghebbende regelmatig bij de woning hebben zien staan;

- dat de woning waarin een hennepplantage is aangetroffen van belanghebbende is;

- dat de huurder van de woning onvindbaar was voor de politie.

Ook heeft de inspecteur een zelfstandig recht voor het opleggen van de navorderingsaanslag en is niet vereist dat hij de beslissing van de strafrechter – die pas is genomen nadat op het bezwaar is beslist – zou moeten afwachten en eventueel zou moeten volgen. In het strafrecht draait het om wettig en overtuigend bewijs van het tenlastegelegde. In deze procedure volstaat het aannemelijk maken van de belaste inkomsten in verband met de hennepteelt. Naar het oordeel van de rechtbank kan de inspecteur niet worden verweten dat hij in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslag of ter zake van zijn beslissing deze in bezwaar te handhaven.

2.20.

Aan het bovenstaande doet evenwel niet af, dat de rechtbank wel van oordeel is dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van het Besluit waardoor recht bestaat op een bovenforfaitaire vergoeding. Gelet op de proceshouding van de inspecteur in bezwaar en beroep ziet de rechtbank aanleiding om de vergoeding ter zake van de H.97 vast te stellen op € 4.000.

Dwangsommen

2.21.

Met betrekking tot het verzoek van belanghebbende om een dwangsom vast te stellen wegens het niet tijdig beslissen op het verzoek om een integrale kostenvergoeding in de uitspraak op bezwaar betreffende de H.97 is de rechtbank van oordeel dat nu het bezwaar tegen de navorderingsaanslag H.97 is afgewezen daarmee (impliciet) ook het verzoek om een (integrale) kostenvergoeding is afgewezen. Hierbij acht de rechtbank van belang dat het ontbreekt aan een verplichting of discretionaire bevoegdheid van de inspecteur om een proceskostenvergoeding toe te kennen indien, zoals hier, geen sprake is van een in bezwaar herroepen besluit. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om een dwangsom vast te stellen.

2.22.

Voor wat betreft het verzoek van belanghebbende om een dwangsom vast te stellen wegens het in het kader van de ingebrekestelling niet tijdig beslissen op het verzoek om een integrale kostenvergoeding verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hierover in 2.11 heeft overwogen.

2.23.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur met betrekking tot de navorderingaanslag H.97 geen dwangsom(men) verbeurt.

Immateriële schadevergoeding

2.24.

Belanghebbende heeft ook voor de navorderingsaanslag H.97 verzocht om een immateriële schadevergoeding van € 5.000 en dit beargumenteerd zoals verwoord in 2.12. De rechtbank komt aan het verzoek van belanghebbende geheel tegemoet. Gelet op de hoogte van de navorderingsaanslag H.97, de proceshouding van de inspecteur in bezwaar en beroep door niet op brieven van belanghebbende en de rechtbank te reageren, de door de ontvanger ingenomen invorderingsmaatregelen – door onder meer het stopzetten van het uitbetalen van toeslagen en voorlopige aanslag IB/PVV over 2014 – acht de rechtbank het aannemelijk dat dit alles een behoorlijke impact heeft (gehad) op het leven van belanghebbende en belanghebbende als gevolg van voormelde handelwijze financieel klem is komen te zitten.

2.25.

Belanghebbende heeft de rechtbank nog verzocht te beslissen dat de ontvanger de aan belanghebbende toe te kennen bedragen niet mag verrekenen met openstaande bedragen. De rechtbank ziet hiertoe geen aanleiding. Volledigheidshalve wijst de rechtbank erop dat belanghebbende zich voor een geschil over een verrekening door de ontvanger dient te richten tot de civiele rechter.

Conclusie

2.26.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, moeten de navorderingsaanslagen W.97 en H.97 vernietigd worden, heeft belanghebbende recht op een proceskostenvergoeding van in totaal € 9.521,50, verbeurt de inspecteur dwangsommen ter grootte van € 2.520 en heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 5.000. De beroepen zijn daarom gegrond verklaard.

Deze uitspraak is gedaan op 21 november 2014 door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. van Es-Hinnen, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.