Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:8121

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-11-2014
Datum publicatie
11-12-2014
Zaaknummer
AWB - 13 _ 5977
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2016:4311, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De aangifte voor de inkomstenbelasting was verkeerd geadresseerd; de herinnering en aanmaning niet. Belanghebbende heeft de ontvangst van alleen de aangifte ontkend. De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende door de herinneringsbrief op de hoogte was dat hij aangifte moest doen en voor welke datum. Belanghebbende heeft niet tijdig de aangifte ingediend. Daardoor heeft hij naar het oordeel van de rechtbank niet de vereiste aangifte gedaan. Gevolg: omkering en verzwaring van de bewijslast.

De rechtbank komt vervolgens tot het oordeel dat gelet op alle feiten en omstandigheden in onderling samenhang bezien, belanghebbende niet heeft doen blijken dat zijn woonplaats niet in Nederland is gelegen. Als gevolg hiervan is hij premieplichtig voor de volksverzekeringen en wordt hij belast voor zijn wereldinkomen. De beoordeling van de redelijke schatting van het wereldinkomen ziet op inkomenscorrecties wegens door de BV betaalde privé-uitgaven, privégebruik van een auto die door een ander dan de werkgever ter beschikking is gesteld, de gebruikelijk loonregeling en onbenoemde inkomensbestanddelen.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001, geldigheid: 2014-12-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2938
V-N Vandaag 2014/2607
V-N 2015/8.3.2
Mr. M.H.W.N. Lammers annotatie in NTFR 2015/518

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummer AWB 13/5977

uitspraak van 21 november 2014

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 12 september 2013 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2010 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.234 en de daarbij tegelijkertijd bij beschikking opgelegde verzuimboete van € 226 en in rekening gebrachte heffingsrente van € 477 (aanslagnummer [aanslagnummer].H.06).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2014 te Eindhoven.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, en namens de inspecteur, [verweerder].

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover het de aanslag en de beschikking heffingsrente betreft;

  • -

    vermindert de aanslag tot een te betalen bedrag aan IB/PVV van € 9.440;

  • -

    vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 44 aan deze vergoedt.

2 Gronden

2.1.1.

Uit de gemeentelijke basisadministratie blijken de volgende woonadressen van belanghebbende:

Tot 4 december 1995

[adres 1] te [plaats A]

Van 4 december 1995 tot 18 maart 2005

Verenigde Arabische Emiraten

Van 18 maart 2005 tot 3 juni 2005

[adres 2] te [plaats A]

Vanaf 3 juni 2005

[adres 3] te [plaats B] (Hongarije)

2.1.2.

Belanghebbende is enig aandeelhouder en directeur van [C BV]. Deze vennootschap houdt zich bezig met het geven van adviezen met betrekking tot de voedingsmiddelenindustrie en de daaraan gerelateerde industrieën en het indienen van subsidieaanvragen met betrekking tot de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (verder: WBSO).

2.1.3.

[C BV] is gevestigd in een woning aan de [adres 1] te [plaats A]. Deze woning staat sinds 1986 aan belanghebbende als huurder ter beschikking. Tot augustus 2011 heeft het huurcontract tevens op naam van [D] gestaan. Vanaf augustus 2011 is belanghebbende de enige huurder. De volledige huurkosten van de woning zijn als kosten verantwoord in de aangifte Vpb van [C BV].

Vanaf april 2012 staat volgens de gemeentelijke basisadministratie [E] op het adres [adres 1] te [plaats A] ingeschreven. Zij betaalt geen huur. Tevens is op dit adres de vennootschap van [E], [F BV], gevestigd. Op 18 december 2012 heeft belanghebbende bij de verhuurder een aanvraag tot inwoning van [E] ingediend.

2.1.4.

In november 2012 is een boekenonderzoek bij [C BV] gestart. Uit de boekhouding is het volgende naar voren gekomen:

  • -

    Belanghebbende heeft een Nederlandse zorgverzekering. De premies zijn door [C BV] betaald;

  • -

    De op naam van belanghebbende staande privéauto is sinds 2005 geschorst en staat in een door belanghebbende gehuurde garage aan de [adres 4] te [plaats A]. Dit adres grenst aan de [adres 1]. De huurkosten worden door [C BV] betaald;

  • -

    Met de firma [G] is een contract aangegaan op grond waarvan aan belanghebbende door de firma [G] een bedrag van € 400 per werkdag wordt betaald, met een minimum van € 40.000 per jaar. Het contract is door belanghebbende ondertekend namens [H] te [plaats I], gevestigd in de Verenigde Arabische Emiraten (verder: [H]);

  • -

    De in de jaarrekening verantwoorde omzet bestaat in 2010 en 2011 nagenoeg geheel uit facturen aan de firma [G]. Over 2010 betreft dit 3 facturen met een totale omzet van € 6.737,50 wegens verrichte werkzaamheden die zien op het aanvragen van WBSO-afdrachtverminderingen.

  • -

    Daarnaast heeft belanghebbende bij de firma [G] declaraties ingediend voor gemaakte onkosten. Naast gemaakte autokosten zijn daarbij uitsluitend kosten van eten en drinken gedeclareerd.

  • -

    Op de aangetroffen overzichten van gemaakte reiskosten zijn geen omschrijvingen vermeld die wijzen op reizen van of naar Griekenland, de Verenigde Arabische Emiraten, Frankrijk of Groot-Brittannië.

  • -

    Er zijn telefoonkosten voor een telefoonaansluiting van KPN en voor mobiele telefoons van de providers Simyo en Simpel gemaakt.

2.1.5.

Uit het uitgevoerde derdenonderzoek bij de firma [G] is gebleken dat belanghebbende in 2010 ongeveer 10 keer in Nederland is geweest. De firma [G] heeft gedurende 1 mei 2010 tot medio 2013 permanent een personenauto ter beschikking gesteld aan belanghebbende. De auto had een cataloguswaarde van € 61.489. De APK-keuring van deze auto is in de omgeving van Tilburg gedaan.

2.1.6.

Belanghebbende is begunstigde van een lijfrenteverzekering bij Aegon waarvan de afkoopwaarde per 27 december 2010 van € 45.441 onder inhouding van loonheffing van € 19.085 aan belanghebbende is uitgekeerd.

2.1.7.

Belanghebbende heeft voor de jaren vóór 2010 als buitenlands belastingplichtige aangiften inkomstenbelasting gedaan. Deze aangiften zijn door de inspecteur gevolgd. Voor het jaar 2010 is belanghebbende uitgenodigd, herinnerd en aangemaand voor het doen van aangifte. De uitnodiging tot het doen van aangifte is verzonden naar het in 2.1.1 vermelde adres in [plaats B]. De herinnering en aanmaning zijn verzonden naar het adres [adres 2], [plaats A]. Blijkens het ter zitting door de inspecteur overgelegde rapport is de aangifte op 18 februari 2011 door de Belastingdienst aangeboden aan PostNL. Voor belanghebbende was een “verplicht toezendadres” in de administratie van de Belastingdienst opgenomen, te weten:

Van 9 april 1996 tot 21 januari 2011 [adres 5], [plaats A]

Van 21 januari 2011 tot 8 maart 2012 [adres 2], [plaats A]

2.1.8.

Wegens het uitblijven van een aangifte is met dagtekening 27 juni 2012 ambtshalve een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (verder: IB/PVV) opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.234. Het vastgestelde verzamelinkomen bedraagt € 43.234. Tevens is een verzuimboete van € 226 opgelegd en is € 477 heffingsrente in rekening gebracht. Blijkens de aanslag is belanghebbende € 12.461 aan IB/PVV verschuldigd. Bij het opleggen van de aanslag is geen rekening gehouden met de in 2.1.6 genoemde uitkering van Aegon.

2.2.

In geschil is de hoogte van de aanslag.

2.3.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat hij buitenlands belastingplichtige is en dat hij om die reden niet premieplichtig is voor de volksverzekeringen. Volgens belanghebbende is Nederland slechts bevoegd inkomstenbelasting te heffen over de uitkering van Aegon en dient de ingehouden loonheffing daarmee verrekend te worden. Als buitenlands belastingplichtige is hij verder op grond van de toelichting bij de aangifte geen vermogensrendementsheffing in box 3 verschuldigd, aldus belanghebbende.

2.4.

De inspecteur is van mening dat belanghebbende binnenlands belastingplichtige is, dat bij de vaststelling van de aanslag IB/PVV weliswaar het verzamelinkomen te laag is vastgesteld, omdat geen rekening is gehouden met de uitkering van Aegon en de daarop ingehouden loonheffing, maar dat per saldo het te betalen bedrag volgens de aanslag niet te hoog is vastgesteld. De inspecteur heeft daarbij een beroep op interne compensatie gedaan.

2.5.

Zoals ook tot uitdrukking komt in de hiervoor vermelde standpunten van partijen, is tussen partijen niet in geschil dat de uitkering van Aegon fiscaal gezien in 2010 is genoten, in Nederland is belast en dat de ingehouden loonheffing als voorheffing verrekend moet worden met de onderhavige aanslag.

Omkering van de bewijslast

2.6.1

De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de bewijslast moet worden omgekeerd, omdat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

2.6.2.

Op grond van artikel 27e, eerste lid van de AWR verklaart de rechter het beroep ongegrond indien de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Indien de belastingplichtige niet heeft gereageerd op een uitnodiging tot het doen van aangifte op grond van artikel 6 AWR, heeft hij de vereiste aangifte niet gedaan.

2.6.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat het aangiftebiljet naar het verkeerde toezendadres is verzonden en dat de brieven inzake de herinnering en de aanmaning tot het doen van aangifte wel naar het juiste adres zijn verzonden. Belanghebbende heeft de ontvangst van het aangiftebiljet ontkend. Over de bezorging van de herinnerings- en aanmaningsbrieven heeft belanghebbende zich niet uitgelaten. Nu belanghebbende niets heeft aangevoerd op grond waarvan ontvangst van de naar het juiste adres verzonden herinnerings- en de aanmaningsbrieven redelijkerwijs moet worden betwijfeld, acht de rechtbank aannemelijk gemaakt dat de herinnering en de aanmaning op het toezendadres van belanghebbende zijn ontvangen.

2.6.4.

Nu uit de herinneringsbrief blijkt dat belanghebbende vóór 1 juli 2011 aangifte IB/PVV over 2010 had moeten doen, acht de rechtbank het daarmee voor belanghebbende voldoende duidelijk dat de inspecteur hem uitnodigde tot het doen van aangifte in de zin van artikel 6 AWR. Belanghebbende had uiterlijk op 1 november 2011, de datum die is genoemd in de aanmaning, aangifte moeten doen. Dit heeft hij niet gedaan.

2.6.5.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat in ogenschouw moet worden genomen dat hij in mei 2011 tevergeefs heeft geprobeerd via het aangifteprogramma voor buitenlandse belastingplichtigen aangifte te doen. De aanleiding voor deze poging was dat belanghebbende reden zag voor een teruggave. De reden dat het niet lukte om op die manier aangifte te doen, was dat het programma geen teruggaaf van ingehouden loonheffing op de Aegon-uitkering accepteerde bij een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil, waarna belanghebbende het er bij heeft laten zitten, aldus nog steeds belanghebbende. Het voorgaande doet er niet aan af dat belanghebbende gehouden was gehoor te geven aan de uitnodiging tot het doen van aangifte uiterlijk op 1 november 2011. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om na ontvangst van de herinneringsbrief en de aanmaningsbrief contact op te nemen met de Belastingdienst om tot een oplossing te komen, zodat belanghebbende nog tijdig aangifte had kunnen doen. Nu belanghebbende dit heeft nagelaten, dienen de gevolgen voor zijn rekening en risico te komen.

2.6.5.

Ook de andere door belanghebbende geschetste omstandigheden, te weten het overlijden van zijn adviseur, de langdurige discussie met Aegon over de uitbetaling van de uitkering, de omstandigheid dat over voorgaande jaren wel aangiften zijn gedaan en de moeilijke communicatieve omstandigheden waaronder belanghebbende in het buitenland tracht de Nederlandse export te bevorderen, doen naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de plicht van belanghebbende om tijdig aangifte te doen.

2.6.6.

De stelling van belanghebbende dat hij alsnog aan zijn aangifteverplichting heeft voldaan, omdat hij op 8 maart 2013 alsnog een aangiftebiljet heeft ingediend, faalt. Nu deze aangifte pas is ingediend nadat de aanslag ambtshalve is opgelegd, heeft belanghebbende niet de vereiste aangifte gedaan (zie het arrest HR 23 december 1959, ECLI:NL:HR:1959:AY0549).

2.6.7.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. De bewijslast komt dan bij belanghebbende te liggen.

2.7.

Met hetgeen belanghebbende ter zitting heeft gesteld en in het geding heeft gebracht, heeft belanghebbende niet doen blijken dat de uitspraak op bezwaar onjuist is. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Woonplaats

2.8.1.

Ingevolge artikel 4 van de AWR wordt naar de omstandigheden beoordeeld waar iemand woont. Een natuurlijke persoon heeft zijn woonplaats in Nederland, indien hij een duurzame betrekking van persoonlijke aard met Nederland heeft. Bepalend daarbij is of uit uiterlijke omstandigheden blijkt dat de banden van de belastingplichtige met Nederland in het betreffende jaar voldoende sterk zijn om te kunnen aannemen dat hij hier te lande het duurzame middelpunt van zijn persoonlijke levensbelangen heeft.

2.8.2.

De rechtbank stelt voorop dat geen wet of rechtsbeginsel het verbiedt om bevindingen die zijn verkregen tijdens het boekenonderzoek bij [C BV] te gebruiken voor het stellen van nadere vragen over de belastingplicht van belanghebbende voor de IB en de resultaten van het onderzoek te gebruiken voor de IB. De andersluidende opvatting van belanghebbende wordt dan ook niet door de rechtbank gevolgd.

2.8.3.

Belanghebbende heeft tijdens het inleidend gesprek in het kader van het boekenonderzoek op 15 november 2012 verklaard dat hij in [plaats I] (Verenigde Arabische Emiraten) zou wonen. Op het door hem opgegeven adres is slechts een bank gevestigd, zo heeft de inspecteur onweersproken gesteld. Belanghebbende heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt, laat staan aangetoond, dat zich op dit adres ook wooneenheden bevinden en dat hij gedurende het jaar 2010 zijn woonplaats in de Verenigde Arabische Emiraten had.

2.8.4.

In de loop van het boekenonderzoek heeft belanghebbende verklaard dat hij in Griekenland woont. Volgens belanghebbende woont hij bij ene [J] (verder: [J]) in huis zonder dat hij daarvoor huur betaalt. Belanghebbende heeft een in het Grieks opgesteld document van de Griekse Belastingdienst verstrekt waaruit volgens een medewerker van de Nederlandse Belastingdienst, die Grieks kan lezen en schrijven, blijkt dat het een bewijs van inschrijving van belanghebbende bij de Griekse Belastingdienst betreft in verband met het verkrijgen van een fiscaal nummer. In het document staat dat belanghebbende in Nederland is gevestigd [naar de rechtbank begrijpt: woonachtig is] en dat hij geen Grieks ingezetene is. Het document van de Griekse Belastingdienst is gedateerd op 9 maart 2006. Belanghebbende heeft de door de inspecteur ingebrachte vertaling van het document niet betwist. Voorts heeft belanghebbende tijdens het boekenonderzoek verklaard dat de in het jaar 2000 ontstane zakelijke relatie met [J] zich heeft ontwikkeld tot een goede vriendschap die er onder andere toe heeft geleid dat hij met de ex-schoonzuster van [J], [K], een vaste relatie is aangegaan.

2.8.5.

Belanghebbende heeft met uitzondering van het hiervoor genoemde document en een Griekse aangifte inkomstenbelasting over 2010 geen stukken overgelegd waaruit concreet blijkt dat hij in Griekenland woonachtig was gedurende het jaar 2010.

De Griekse aangifte inkomstenbelasting over 2010 is in november 2012 – kort na het starten van het boekenonderzoek – door [J] als vertegenwoordiger van belanghebbende ingediend. In de aangifte staan geen bedragen vermeld. Volgens belanghebbende kan hij alleen aangifte in Griekenland indienen indien hij als belastingplichtige in Griekenland geregistreerd staat. Er is nihil-aangifte gedaan, omdat belanghebbende naar eigen zeggen geen inkomsten in Griekenland heeft genoten. Naar het oordeel van de rechtbank kan hieruit niet worden afgeleid dat belanghebbende in Griekenland woonachtig was. De rechtbank merkt daarbij verder op dat de stelling van belanghebbende dat hij in 2010 geen inkomsten in Griekenland heeft genoten in tegenspraak lijkt met zijn stelling in de conclusie van repliek op pagina 4, punt 17. Daar verklaart belanghebbende dat hij – door onder meer het met naam en toenaam noemen van Griekse persoonlijke en zakelijke relaties – heeft aangetoond dat hij in Griekenland woont en werkt en dat het benaderen van die personen door de inspecteur zonder voorafgaande schriftelijke toestemming, belanghebbende aanzienlijke financiële en zakelijke schade kan berokkenen. Hieruit is af te leiden dat belanghebbende inkomen verwerft ter zake van zijn Griekse zakenrelaties. Belanghebbende heeft voorts niets aangevoerd op grond waarvan kan worden geoordeeld dat het duurzame middelpunt van zijn persoonlijke levensbelangen in 2010 bij de ex-schoonzuster van [J] in Griekenland lag.

2.8.6.

Daarentegen staat vast dat belanghebbende huurder is van de woning [adres 1] te [plaats A], dat hij in 2010 in Nederland een zorgverzekering had en nog steeds heeft, dat uit bankafschriften blijkt dat gedurende het gehele jaar in 2010 pinbetalingen in Nederland zijn gedaan, dat er telefoonkosten zijn gemaakt voor een telefoonaansluiting bij de KPN en voor mobiele telefoons bij de providers Simyo en Simpel, dat belanghebbende lid is van de ANWB, dat er voor de woning [adres 1] een digitenne abonnement is afgesloten en dat uit de energie- en gasnota’s en de afrekeningen van het waterleidingsbedrijf met betrekking tot de woning een normaal verbruik blijkt. De verklaring van belanghebbende dat de pinbetalingen door zijn zuster zijn gedaan, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Ook acht de rechtbank het niet geloofwaardig dat de hoge gasnota’s veroorzaakt worden door een slecht geïsoleerd huis en door het gebruik van niet-efficiënte gaskachels en gasgestookte gevelkachels. Dat belanghebbende regelmatig in Nederland was, komt tot uitdrukking in de verklaringen namens de firma [G] en [L BV]. De rechtbank ziet geen aanleiding om deze verklaringen niet te geloven.

2.8.7.

Gelet op alle feiten en omstandigheden in onderling samenhang bezien, heeft belanghebbende niet doen blijken dat zijn woonplaats niet in Nederland is gelegen. Sterker nog, indien veronderstellenderwijze wordt aangenomen dat op de inspecteur de last rust om aannemelijk te maken dat belanghebbende in 2010 in Nederland woonde, zou dit niet tot een andere uitkomst van het geschil over de woonplaats hebben geleid. Met voornoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank de inspecteur namelijk erin geslaagd aannemelijk te maken dat belanghebbende in 2010 in Nederland woonde.

2.9.

Belanghebbende heeft nog gesteld dat hij vertrouwen kan ontlenen aan de ten tijde van zijn emigratie naar Hongarije met de Belastingdienst gemaakte afspraak in 1996 dat hij als buitenlands belastingplichtige moet worden aangemerkt. Belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust, heeft naar het oordeel van de rechtbank op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat een zodanige afspraak met de Belastingdienst is gemaakt. Voor het geval er wel een dergelijke afspraak zou zijn, kan die de Belastingdienst niet binden, omdat de woonplaats van een belastingplichtige telkens weer aan de hand van de zich voordoende feiten en omstandigheden moet worden beoordeeld. Daarnaast is de situatie van belanghebbende sinds zijn emigratie naar Hongarije zoveel veranderd dat ook om die reden een dergelijke afspraak de Belastingdienst niet kan binden.

Redelijke schatting

2.10.1.

De omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de inspecteur niet van de verplichting om aannemelijk te maken dat de door hem vastgestelde aanslag op een redelijke schatting berust. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

2.10.2.

Gelet op het oordeel dat belanghebbendes woonplaats in 2010 in Nederland is gelegen, kwalificeert belanghebbende als een binnenlands belastingplichtige. Dit betekent dat hij in Nederland belastingheffing verschuldigd is over zijn wereldinkomen. Daarnaast is hij premieplichtig voor de volksverzekeringen.

2.10.3.

Tussen partijen staat vast dat de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de uitkering van Aegon van € 45.441 en de daarop ingehouden loonheffing van € 19.085. De inspecteur heeft evenwel in zijn verweerschrift gesteld dat het belastbaar inkomen uit werk en woning in 2010 minimaal € 81.862 moet hebben bedragen, hetgeen zou hebben geleid tot een te betalen bedrag aan IB/PVV van € 13.674. De ambtshalve aanslag is opgelegd tot een te betalen bedrag van € 12.461. Daaruit volgt volgens de inspecteur dat de aanslag eerder te laag dan te hoog is opgelegd.

2.10.4.

De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de door [C BV] betaalde premies zorgverzekering van € 1.231, de computerbril van € 183 en de huisvestingskosten van de woning [adres 1] van € 6.707 als loon moet worden aangemerkt. Niet in geschil is dat deze bedragen privé-uitgaven van belanghebbende betreffen die ten onrechte door [C BV] in aftrek zijn gebracht. Belanghebbende heeft gesteld dat met de Belastingdienst de afspraak is gemaakt om deze in rekening-courant te verwerken en dat dit om die reden niet tot een correctie in de IB kan leiden. Dit zou ook uit het concept controlerapport van [C BV] blijken.

2.10.5.

De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn stelling. Loonbetalingen kunnen in plaats van uitbetalen ook in rekening-courantverhouding worden verwerkt. Dat doet niet af aan de belastbaarheid in de IB. Daarnaast blijkt niet uit het controlerapport dat tussen partijen is afgesproken dat deze kosten niet als loon in de IB zullen worden aangemerkt.

2.10.6.

Met betrekking tot de huisvestingskosten staat vast dat een deel van de woning [adres 1] gebruikt wordt als kantoorruimte voor [C BV]. De controlemedewerkers hebben tijdens het boekenonderzoek aangegeven dat zij het zakelijk deel stellen op 15% van de totale huisvestingskosten. In het controlerapport en in de becijferingen van de inspecteur die in beroepsfase zijn gemaakt in verband met het beroep op interne compensatie, is het zakelijk gedeelte daarentegen op 0% gesteld. Ter zitting heeft de inspecteur zich ermee akkoord verklaard om 15% van de huisvestingskosten ter grootte van € 6.707 aan [C BV] toe te rekenen, zodat de IB-correctie uitkomt op 85% van € 6.707 of € 5.701. De rechtbank acht het redelijk om de door [C BV] betaalde huisvestigingskosten tot het bedrag van € 5.701 als loon van belanghebbende aan te merken. De rechtbank acht de door belanghebbende met [C BV] achteraf overeengekomen bedrag van € 4.800 gelet op het medegebruik van de woning door belanghebbende, [E] en [F BV], disproportioneel hoog.

2.10.7.

De inspecteur heeft zich verder op het standpunt gesteld dat rekening moet worden gehouden met een gebruikelijk loon nu [C BV] in Nederland is gevestigd. De rechtbank acht dit gelet op het bepaalde in artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 juist.

De inspecteur heeft in beroep voor het jaar 2010 gelet op de omvang van de activiteiten die belanghebbende voor [C BV] heeft verricht en het resultaat van [C BV] een gebruikelijk loon bepleit gelijk aan het netto gecorrigeerde resultaat van de BV ter grootte van € 2.928. De rechtbank acht dit een redelijk standpunt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in 2.10.6 dient 15% van de huisvestingskosten of € 1.006 aan [C BV] te worden toegerekend. Dit heeft tot gevolg dat het resultaat van [C BV] wordt verminderd met € 1.006 tot € 1.922. Het gebruikelijk loon bedraagt dan € 1.922.

2.10.8.

De inspecteur heeft daarnaast gesteld dat rekening moet worden gehouden met het privégebruik van de auto die de firma [G] aan belanghebbende ter beschikking heeft gesteld. Belanghebbende heeft betwist dat hij werkzaamheden voor [G] heeft verricht. De rechtbank acht dit niet aannemelijk gelet op het in 2.1.4 vermelde contract, de door [C BV] – mede namens [H] – verstuurde facturen, de door belanghebbende gedeclareerde onkosten, waaronder autokosten, en de verklaringen namens de firma [G]. De rechtbank ziet geen reden om de verklaring van werknemer [M] van de firma [G] dat genoemde firma belanghebbende met ingang van 1 mei 2010 de auto ter beschikking heeft gesteld niet geloofwaardig te achten. Belanghebbende heeft niet betwist dat hij de auto heeft gebruikt.

2.10.9.

Anders dan belanghebbende kennelijk meent, staat het ontbreken van een dienstbetrekking tussen hem en de firma [G] niet eraan in de weg dat belanghebbende een belast voordeel geniet ter zake van de aan hem ter beschikking gestelde auto. Ook loon dat via een derde wordt verstrekt, is belast loon. De rechtbank acht het redelijk om hier een bijtelling voor het privégebruik auto in aanmerking te nemen. Het ligt namelijk geenszins voor de hand dat de firma [G] niets terugverwacht voor de terbeschikkingstelling van de auto aan belanghebbende. Het ligt het meest voor de hand dat de auto namens [C BV] door de firma [G] aan belanghebbende ter beschikking is gesteld. Het is echter evenmin uit te sluiten dat de terbeschikkingstelling mede namens [H] heeft plaatsgevonden of verband houdt met werkzaamheden die belanghebbende buiten dienstbetrekking rechtstreeks voor de firma [G] verricht. In alle gevallen leidt dit tot belastbaarheid van het voordeel dat belanghebbende met die terbeschikkingstelling behaalt.

2.10.10.

Ter zitting heeft de inspecteur verklaard dat de bijtelling voor het privégebruik auto vanaf 1 mei 2010 moet worden berekend en niet over het gehele jaar zoals in het verweerschrift stond. De bijtelling privé-gebruik auto bedraagt dan: 8/12 maal 25% maal € 61.489 of € 10.248.

2.10.11.

Verder heeft de inspecteur gesteld dat belanghebbende € 10.000 aan onbenoemde inkomensbestanddelen heeft genoten. De rechtbank stelt voorop dat belanghebbende als binnenlands belastingplichtige in Nederland zijn wereldinkomen moet aangeven. Volgens belanghebbende werkt hij veel in het buitenland. Ter zitting heeft hij echter verklaard in 2010 geen andere inkomsten te hebben genoten. Vaststaat dat belanghebbende als senior consultant namens [H] de overeenkomst met [G] heeft ondertekend. Volgens belanghebbende had hij dit niet mogen doen. Dit wordt echter op geen enkele wijze gestaafd met enig bewijsstuk. De rechtbank acht de stelling van belanghebbende die erop neerkomt dat hij in het buitenland woont en werkt maar daarmee geen inkomen heeft behaald niet geloofwaardig. De rechtbank acht het niet onredelijk de buiten het zicht van de fiscus gehouden inkomsten te stellen op het door de inspecteur bepleite bedrag van € 10.000. Dat op grond van verdragstoepassing aanleiding bestaat voor aftrek ter voorkoming van dubbele belastingheffing is gesteld noch aannemelijk geworden. De rechtbank acht het daarom niet onredelijk dat de inspecteur niet een zodanige aftrek in aanmerking heeft genomen.

2.10.12.

Tot slot bepleit de inspecteur in beroep een lager bedrag aan heffingskortingen dan in de aanslag in aanmerking is genomen. Belanghebbende heeft daartegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Bij de ambtshalve vastgestelde aanslag is uitgegaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning bestaande uit een fictief loon van € 41.000. De arbeidsinkomsten zijn thans op een lager bedrag becijferd zodat er aanleiding bestaat ook de arbeidskorting in zoverre te verminderen. De rechtbank neemt de volgende heffingskortingen in aanmerking:

- algemene heffingskorting van € 1.987

- arbeidskorting van € 2.012 (het bij de leeftijd van belanghebbende geldende maximumbedrag).

In totaal derhalve € 3.999.

2.11.

Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat voor het geval de rechtbank tot de conclusie komt dat hij in de heffing moet worden betrokken voor de inkomsten uit sparen en beleggen, het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen door de inspecteur terecht is vastgesteld op € 2.234.

2.12.

Cijfermatig werkt hetgeen hiervoor is overwogen als volgt uit:

Box 1:

Uitkering Aegon

€ 45.441

Loon: premie zorgverzekering

€ 1.231

Loon: computerbril

€ 183

Loon: huisvestingskosten

€ 5.701

Gebruikelijk loon

€ 1.922

Privégebruik auto

€ 10.248

Onbenoemde inkomensbestanddelen

€ 10.000

Totaal belastbaar inkomen uit werk en woning

€ 74.726

Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

€ 2.234

Hierover is verschuldigd:

Box 1:

1e schijf (33,45% van € 18.218)

€ 6.094

2e schijf (41,95% van € 14.520)

€ 6.090

3e schijf (42% van € 21.629)

€ 9.084

4e schijf (52% maal € 20.359)

€ 10.586

Totaal box 1:

€ 31.854

Box 3:

€ 670

Af: heffingskortingen

-/- € 3.999

Af: loonheffing uitkering Aegon

-/- € 19.085

Totaal verschuldigde IB/PVV

€ 9.440

2.13.

Gelet hierop dient de aanslag te worden verminderd tot een te betalen bedrag van € 9.440.

Heffingsrente

2.14.

Het beroep tegen de aanslag IB/PVV wordt geacht mede betrekking te hebben op de beschikking heffingsrente. Belanghebbende heeft tegen deze beschikking geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het is de rechtbank overigens ook niet gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast. Gelet op het hiervoor gegeven oordeel dat de aanslag moet worden verminderd tot € 9.440, dient ook de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig te worden verminderd.

2.15.

Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond verklaard.

Verzuimboete

2.16.

Aan belanghebbende is tegelijk met de aanslag IB/PVV voor het jaar 2010 een verzuimboete van € 226 opgelegd wegens het niet doen van aangifte. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat belanghebbende niet tijdig aangifte heeft gedaan. Gelet hierop is aan belanghebbende terecht en tot het juiste bedrag een verzuimboete opgelegd.

Verzamelinkomen

2.17.

Het beroep tegen de aanslag IB/PVV wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Het verzamelinkomen is bij beschikking vastgesteld op € 43.234. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het verzamelinkomen te laag vastgesteld. Het beroep is daarom in zoverre ongegrond. Zoals de inspecteur ook ter zitting heeft erkend, kan het beroep van de inspecteur op interne compensatie er niet toe leiden dat het bij beschikking vastgestelde verzamelinkomen wordt verhoogd.

2.18.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld of aannemelijk is geworden dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Deze uitspraak is gedaan op 21 november 2014 door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. van Es-Hinnen, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.