Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:8110

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24-11-2014
Datum publicatie
11-12-2014
Zaaknummer
14_1841
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Senior groepsleider heeft zich schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim door pupil twee keer op haar bovenarm te slaan. Strafontslag niet onevenredig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 14/1841 AW

uitspraak van 24 november 2014 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. [naam gemachtigde],

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 13 februari 2014 (bestreden besluit) van de minister inzake, voor zover hier van belang, het aan eiser gegeven strafontslag.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 13 oktober 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam vertegenwoordiger1],[naam vertegenwoordiger2][naam vertegenwoordiger2] en drs.[naam vertegenwoordiger3].

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser was werkzaam als senior groepsleider op Almata. Almata is specialist in het behandelen en opleiden van jongeren tussen de 12 en 18 jaar met ernstige gedrags- en/of psychische problematiek in combinatie met licht verstandelijke beperkingen.

Bij besluit van 15 april 2009 is aan eiser een disciplinaire maatregel opgelegd omdat eiser wegens wangedrag van de opleiding SPW is verwijderd. Aan eiser is meegedeeld dat hij gedurende twee jaar wordt ingedeeld als medior groepsopvoeder. Na twee jaar zal worden bezien of eiser weer als senior groepsopvoeder ingedeeld zal worden. Hieraan is een aantal voorwaarden verbonden waaronder de voorwaarde dat eiser laat zien dat hij serieus werkt aan zijn opvliegende en agressieve gedrag. Op 22 juni 2009 is aan eiser meegedeeld dat de maatregel zal worden verkort van twee naar één jaar. Op 2 december 2009 is aan eiser meegedeeld dat de disciplinaire maatregel wordt ingetrokken en dat het bij een waarschuwing wordt gelaten.

Bij brief van 21 november 2012 is eiser aangesproken op zijn gedrag. Eiser heeft, zoals zijn leidinggevende dat duidt, ‘een kort lontje’ en is snel geneigd tot een agressieve aanpak waarbij hij collega’s voor het hoofd stoot. Omdat eiser aangegeven heeft hulp te gaan zoeken om zijn probleem op te lossen, wordt op dat moment geen officiële waarschuwing gegeven. Als eiser in zijn gedrag persisteert zal een dergelijke waarschuwing er wel komen. Op 2 september 2013 heeft zich een incident voorgedaan tussen eiser en [naam persoon1] ([naam persoon1]), een op Almata geplaatste zwakbegaafde jongedame.

Op 2 september 2013 heeft [naam persoon1] een schriftelijke verklaring omtrent het incident afgelegd.

Bij besluit van 3 september 2013 is aan eiser de toegang tot het gebouw ontzegd.

Op 4 september 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen onder andere eiser en de locatiedirecteur.

Vervolgens zijn [naam persoon1] en twee getuigen van het incident gehoord. Deze getuigen zijn [naam persoon2], een op Almata geplaatst meisje, en [naam persoon3], een collega van eiser.

Gelet op de getuigenverklaringen heeft de minister aanleiding gezien eiser met ingang van 11 september 2013 te schorsen.

Bij brief van 19 september 2013 is aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt hem de straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen. Eiser heeft zijn zienswijze op het voornemen kenbaar gemaakt.

Bij besluit van 21 oktober 2013 (primair besluit) heeft de minister aan eiser met onmiddellijke ingang strafontslag verleend wegens ernstig plichtsverzuim. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Eiser heeft tevens een voorlopige voorziening aangevraagd. Bij uitspraak van 12 december 2013 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Met het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit, in afwijking van het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften Algemene wet bestuursrecht inzake personele aangelegenheden Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Adviescommissie), ongegrond verklaard.

2. Eiser heeft in beroep, zakelijk weergegeven, het volgende gesteld. Eiser heeft erkend dat hij niet juist heeft gehandeld en dat daarmee sprake is van plichtsverzuim. Eiser is echter van mening dat zijn handelen hem niet toegerekend kan worden. Eiser voelde zich bedreigd en heeft uit noodweer gehandeld. Eiser is van mening dat de opgelegde straf niet evenredig is. Volgens eiser had de minister niet de ruimte om van het advies van de Adviescommissie af te wijken. Eiser heeft gesteld dat het in de praktijk niet altijd mogelijk is overeenkomstig de protocollen te handelen. Verder acht eiser het van belang dat het niet eerder is voorgekomen dat hij in zijn werk onjuist heeft gehandeld. Inzake het verwijt dat eiser na het incident geen aandacht heeft gehad voor [naam persoon1] heeft eiser opgemerkt dat de minister voorbijgaat aan het protocol dat personen die bij een incident zijn betrokken uit elkaar worden gehaald en geen contact mogen hebben tot het onderzoek is gedaan. Eiser heeft ontkend een gewaarschuwd man te zijn, nu de door de minister aangehaalde voorbeelden niet zien op een vergelijkbare situatie.

3. In artikel 50, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) is bepaald dat de ambtenaar gehouden is de plichten uit zijn functie voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen, zoals een goed ambtenaar betaamt.

In artikel 80, eerste lid, van het ARAR is bepaald dat de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair kan worden gestraft.

In het tweede lid is bepaald dat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen, omvat.

Ingevolge artikel 81, eerste lid, sub l, van het ARAR kan ontslag als disciplinaire straf worden opgelegd.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

Ter zitting is gebleken dat eiser inmiddels een andere baan heeft gevonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser nog wel belang bij zijn beroep, ook nu hij elders een baan heeft gevonden. Eiser heeft gesteld, hetgeen op voorhand niet onaannemelijk is te achten, dat hij door het in geding zijnde besluit schade heeft geleden. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is die omstandigheid voldoende om te oordelen dat nog steeds sprake is van een actueel procesbelang.

Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing kan leiden is volgens vaste rechtspraak (zie onder meer een uitspraak van de CRvB van 18 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3121) noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedraging heeft begaan.

Over het incident op 2 september 2013 zijn eiser, [naam persoon1], [naam persoon2] en [naam persoon3] gehoord. De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van [naam persoon1], [naam persoon2] en [naam persoon3] op hoofdlijnen met elkaar overeenkomen. Deze verklaringen komen ook grotendeels overeen met die van eiser, zij het dat eiser de aanleiding voor het incident (wel of geen bedreiging) anders ziet.

Gelet op de afgelegde verklaringen gaat de rechtbank ervan uit dat [naam persoon1] op eiser is afgekomen en hem een tik op zijn kin heeft gegeven, waarna eiser [naam persoon1] van zich af heeft geduwd. Nadat [naam persoon1] hierdoor op een stoel terecht is gekomen heeft eiser haar nog twee keer op haar bovenarm geslagen. De rechtbank stelt voorts vast dat [naam persoon1] daardoor een bloeduitstorting op haar bovenarm heeft opgelopen.

De rechtbank is van oordeel dat de reactie van eiser niet in overeenstemming is met hetgeen van een professionele groepsleider verwacht mag worden. Dat eiser [naam persoon1] van zich af heeft geduwd kan nog als een reactie worden gezien op een (mogelijke) bedreiging. Van een bedreiging was in ieder geval geen sprake meer op het moment dat [naam persoon1] in een stoel terecht was gekomen. Voor zover dat nog nodig was, had eiser op dat moment andere mogelijkheden tot zijn beschikking om het gedrag van [naam persoon1] te reguleren, zoals bijvoorbeeld het vastpakken en vasthouden van [naam persoon1]. Van eiser had verwacht mogen worden dat hij de-escalerend zou hebben opgetreden hetgeen hij heeft nagelaten.

De door eiser verrichte gedraging, te weten het slaan van [naam persoon1], levert naar het oordeel van de rechtbank ernstig plichtsverzuim op. De rechtbank is verder van oordeel dat dit plichtsverzuim aan eiser toerekenbaar moet worden geacht.

Gezien de ernst van het plichtsverzuim kan de opgelegde straf van ontslag niet als onevenredig worden beschouwd. Het langdurig dienstverband en de omstandigheid dat eiser niet eerder een disciplinaire straf is opgelegd, leggen hierbij onvoldoende gewicht in de schaal. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser eerder, in 2009 en 2012, is aangesproken op ongewenst, agressief gedrag.

De stelling van eiser dat de minister niet bevoegd was om van het advies van de Adviescommissie af te wijken volgt de rechtbank niet. Het gaat hier immers om een advies waarvan gemotiveerd afgeweken kan worden. De minister heeft in het bestreden besluit gemotiveerd aangegeven waarom hij aanleiding heeft gezien van het advies af te wijken.

5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal het beroep ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling of een veroordeling tot schadevergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst af het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, voorzitter, en mr. E.S.M. van Bergen en mr. M.Z.B. Sterk, leden, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.