Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:8009

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-11-2014
Datum publicatie
12-01-2015
Zaaknummer
AWB-14_4711
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen verschoonbare termijnoverschrijding. Deugdelijke verzendadministratie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 14/4711 WOB

uitspraak van 17 november 2014 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

Autoverhuurbedrijf [naam bedrijf], te [vestigingsplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. [naam gemachtigde],

en

de Minister van Veiligheid en Justitie (Centrale Verwerking Openbaar Ministerie; CVOM), verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 4 juli 2014 (bestreden besluit) van de CVOM, waarbij het bezwaar van eiseres gericht tegen de weigering om een dwangsom wegens niet tijdig beslissen toe te kennen, niet ontvankelijk is verklaard.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 7 oktober 2014. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De CVOM heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.[naam vertegenwoordiger].

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij beschikking met CJIB-nummer [CJIB-nummer] is aan eiseres vanwege een verkeersovertreding een sanctie opgelegd. Eiseres heeft hiertegen op 3 december 2013 administratief beroep aangetekend en gelijktijdig een verzoek gedaan op grond van de Wet openbaarheid van bestuur.

Bij faxbericht van 3 april 2014 heeft eiseres een vordering tot het toekennen van een dwangsom ingediend. Bij besluit van 28 april 2014 (primair besluit) heeft de CVOM besloten dat zij eiseres geen dwangsom wegens niet tijdig beslissen verschuldigd is.

Op 13 juni 2014 heeft eiseres de CVOM erop gewezen dat zij nog geen besluit ten aanzien van de dwangsom heeft ontvangen. Bij brief van 17 juni 2014 is aan eiseres medegedeeld dat reeds op 28 april 2014 een beslissing is genomen en een kopie van de besluit is nogmaals toegezonden.

Eiseres heeft op 1 juli 2014 bezwaar aangetekend tegen het besluit om geen dwangsom toe te kennen.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

2. Eiseres voert - samengevat - in beroep aan dat het primaire besluit van 28 april 2014 door haar pas op 19 juni 2014 is ontvangen. De CVOM heeft verzending van het besluit op 28 april 2014 niet aannemelijk gemaakt en ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

3. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepsschrift zes weken.

Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaar- of beroepsschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is geweest.

4. Aan de rechtbank ligt de vraag voor of de CVOM terecht het bezwaar van eiseres niet ontvankelijk heeft verklaard. Tussen partijen is niet in geschil dat het bezwaarschrift van eiseres buiten de termijn van zes weken is ingediend. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

4.1

Eiseres stelt zich op het standpunt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding nu het CVOM naar haar mening niet heeft aangetoond dat het besluit op 28 april 2014 daadwerkelijk verzonden is. De CVOM voert aan dat uit de door haar overgelegde verzendadministratie blijkt dat het besluit op 28 april 2014 naar eiseres is verzonden.

4.2

De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, in geval van niet aangetekende verzending van besluiten of andere rechtens van belang zijnde documenten, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Indien het bestuursorgaan de verzending van het besluit aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Voor het aannemelijk maken door het bestuursorgaan is een deugdelijke verzendadministratie onmisbaar.

4.3

Aan de hand van de verzendadministratie heeft de CVOM in het verweerschrift en ter zitting uitgelegd hoe de verzending wordt geregistreerd. Uit deze administratie blijkt volgens de CVOM dat op 28 april 2014 drie brieven zijn verzonden naar eiseres. Op het overzicht is te zien dat drie brieven zijn verzonden met hetzelfde kenmerk naar dezelfde postcode. De medewerker van de postkamer heeft de brieven ontvangen en ter post bezorgd, blijkens diens handtekening. Hoewel eiseres een aantal argumenten heeft aangedragen ter ondersteuning van haar stelling dat de verzendadministratie van de CVOM niet deugdelijk is, is de rechtbank van oordeel dat deze verzendadministratie wel als deugdelijk moet worden beschouwd. Allereerst heeft eiseres aangevoerd dat de verzendadministratie zoals die door de CVOM wordt gehanteerd, manipuleerbaar is. De rechtbank is het daar mee eens, maar stelt tegelijkertijd vast dat er altijd een mogelijkheid van manipulatie van de verzendadministratie bestaat. Ten aanzien van het argument dat in de verzendadministratie geen huisnummers zijn opgenomen, merkt de rechtbank op dat het enkele feit dat geen huisnummers zijn opgenomen niet maakt dat sprake is van een ondeugdelijke verzendadministratie. Overigens blijkt uit het dossier dat alle brieven uit het dossier naar het juiste huisnummer zijn verzonden.

Voor wat betreft het argument dat de brieven geen uniek kenmerk hebben, stelt dat de rechtbank stelt vast dat dit klopt. Echter, de CVOM maakt in de verzendadministratie wel een combinatie van het kenmerk van de brief met de postcode van het adres waar de brief heen wordt gezonden. Hierdoor kan in voldoende mate worden vastgesteld welke brief naar welk adres is verzonden. Als vierde argument heeft eiseres aangevoerd dat door de CVOM niet is gehandeld volgens de eigen werkinstructie. De CVOM heeft ter zitting beaamd dat een werkinstructie bestaat. Hoewel eiseres ter zitting een deel van deze werkinstructie heeft geciteerd, heeft zij ervoor gekozen deze niet als procedurestuk onderdeel van het procesdossier te laten uitmaken. Dit maakt het voor de rechtbank niet mogelijk om kennis te nemen van de inhoud van de werkinstructie. Desalniettemin blijkt uit de verzendadministratie dat drie brieven verzonden zijn. De rechtbank vindt dat aannemelijk en het feit dat geen doornummering met a, b, c etc. heeft plaatsgevonden maakt dat niet anders.

Tot slot voert eiseres aan dat de datumstempel op de verzendadministratie aangeeft wanneer de brieven bij de postkamer zijn binnengekomen, én niet wanneer ze voor verzending aan TNT zijn aangeboden. De rechtbank overweegt dat ter zitting de CVOM heeft aangegeven dat de datum op de verzendadministratie de datum is waarop het stuk ter post is aangeboden. Dit blijkt ook uit het formulier zelf waarop staat “de medewerker van de postkamer verklaart”.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat door eiseres geen feiten zijn aangedragen die het vermoeden dat het besluit is verzonden, ontzenuwen.

4.5

Nu verweerder de verzending aannemelijk heeft gemaakt , volgt daaruit dat het primaire besluit op 28 april 2014 bekend is gemaakt. Dit betekent dat de bezwarentermijn is gaan lopen met ingang van de dag na 28 april 2014 en het bezwaar van eiseres te laat is. De rechtbank stelt voorts vast dat eiseres voor de mogelijke verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding geen andere gronden dan de hierboven besproken deugdelijkheid van de verzendadministratie heeft aangedragen.

Dit leidt het rechtbank tot het oordeel dat de CVOM terecht het op 1 juli 2014 ingediende bezwaarschrift van eiseres als niet tijdig heeft beoordeeld en als gevolg daarvan kennelijk niet ontvankelijk heeft verklaard.

5. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, rechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 november 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.