Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:7996

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
28-11-2014
Datum publicatie
26-12-2014
Zaaknummer
AWB - 13 _ 3563
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:4891, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft de voor een werkgever vastgestelde gedifferentieerde premiepercentages Werkhervattingsregeling Gedeeltelijk Arbeidsongeschikten (WGA)

De rechtbank is van oordeel dat bij het vaststellen van dat percentage terecht rekening is gehouden met een aanvankelijk toegekende WGA uitkering aan een voormalige werknemer. Dat die uitkering na een aantal jaar met terugwerkende kracht wordt omgezet in een IVA uitkering maakt die percentages niet onjuist. De regeling van artikel 2.11, eerste lid van het Besluit Wfsv, waarbij een tegemoetkoming wordt verleend voor die wijziging maar die geen terugwerkende kracht kent, acht de rechtbank niet onverbindend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/2694
V-N 2015/7.17.9

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummers AWB 13/3563 tot en met 13/3565

Uitspraak van 28 november 2014

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser] B.V., gevestigd te [plaats X],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende bij beschikking van 21 november 2010 het gedifferentieerde premiepercentage Werkhervattingsregeling Gedeeltelijk Arbeidsongeschikten (hierna: WGA) voor het jaar 2011 vastgesteld op 0,3 (hierna: de beschikking WGA 2011). Bij beschikking is op 23 november 2011 het gedifferentieerde premiepercentage WGA voor het jaar 2012 vastgesteld op 1,48 (hierna: de beschikking WGA 2012).

1.2.

Belanghebbende heeft per brief met dagtekening 6 december 2011 bezwaar gemaakt tegen de beschikking WGA 2012.

1.3.

Belanghebbende heeft per brief met dagtekening 26 juni 2012 de belastingdienst verzocht de beschikkingen WGA 2011 en 2012 te herzien. De inspecteur heeft het herzieningsverzoek aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de beschikking WGA 2011.

1.4.

Bij beschikking is op 26 november 2012 het gedifferentieerde premiepercentage WGA voor het jaar 2013 vastgesteld op 1,32 (hierna: de beschikking WGA 2013).

1.5.

Belanghebbende heeft per brief met dagtekening 27 november 2012 tegen de beschikking WGA 2013 bezwaar gemaakt.

1.6.

De inspecteur heeft bij de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 22 mei 2013 de bezwaren van belanghebbende tegen de beschikkingen WGA 2011, 2012 en 2013 ongegrond verklaard.

1.7.

Belanghebbende heeft daartegen per faxbericht van 28 juni 2013 beroep ingesteld. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 318.

1.8.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.9.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.10.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2014 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, [A], vergezeld van [B], alsmede de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Waalre, en namens de inspecteur, [verweerder].

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende oefent een aannemersbedrijf uit. Belanghebbende is bij de berekening van de gedifferentieerde premies WGA voor de jaren 2011, 2012 en 2013 ingedeeld als zijnde een ‘grote werkgever’.

2.2.

Het UWV heeft op 6 november 2009 ten aanzien van [C], een ex-werknemer van belanghebbende (hierna: de ex-werknemer), beslist dat deze vanaf 18 september 2009 tot 18 maart 2012 recht heeft op een WGA-uitkering. Tegen deze beslissing heeft belanghebbende geen bezwaar gemaakt.

2.3.

Bij het vaststellen van de beschikking WGA 2011 is de inspecteur bij het berekenen van de (premie)korting onder meer uitgegaan van een individueel werkgeversrisicopercentage van 0,12. Bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage is onder meer uitgegaan van de in 2009 aan de ex-werknemer uitbetaalde WGA-uitkering van € 2.662,35.

2.4.

Bij het vaststellen van de beschikking WGA 2012 is de inspecteur bij het berekenen van de (premie)opslag onder meer uitgegaan van een individueel werkgeversrisicopercentage van 0,71. Bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage is onder meer uitgegaan van de in 2010 aan de ex-werknemer uitbetaalde WGA-uitkering van € 16.955,30.

2.5.

Belanghebbende heeft per brief met dagtekening 6 december 2011 bezwaar gemaakt tegen de beschikking WGA 2012.

2.6.

Het UWV heeft per brief met dagtekening 1 juni 2012 aan de ex-werknemer medegedeeld dat de ex-werknemer met terugwerkende kracht per 18 september 2009 recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (hierna: IVA) en dat de eerder toegekende WGA-uitkering komt te vervallen.

2.7.

Naar aanleiding hiervan heeft belanghebbende per brief met dagtekening 26 juni 2012 de belastingdienst verzocht de beschikkingen WGA 2011 en 2012 te herzien.

2.8.

Bij het vaststellen van de beschikking WGA 2013 is de inspecteur bij het berekenen van de (premie)opslag onder meer uitgegaan van een individueel werkgeversrisicopercentage van 0,67. Bij de berekening van het individuele werkgeversrisico is onder meer uitgegaan van de in 2011 aan de ex-werknemer uitbetaalde WGA-uitkering van € 18.200,86.

2.9.

Belanghebbende heeft per brief met dagtekening 27 november 2012 tegen de beschikking WGA 2013 bezwaar gemaakt.

2.10.

Op 13 december 2012 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of:

1) het bezwaar tegen de beschikking WGA 2011 ontvankelijk is;

2) de inspecteur de discretionaire bevoegdheid heeft om toepassing van het bepaalde in artikel 2.11, eerste lid van het Besluit Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: het Besluit Wfsv) in het onderhavige geval achterwege te laten;

3) artikel 2.11, eerste lid van het Besluit Wfsv onverbindend dient te worden verklaard.

Belanghebbende beantwoordt de in geschil zijnde vragen bevestigend. De inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd ter zitting en in de van hen afkomstige stukken.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de beschikkingen WGA 2011, 2012 en 2013 tot bedragen van € 2.327,92, respectievelijk € 4.288,77 en € 3.790,69.

De inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het beroep tegen de uitspraak op het bezwaar ten aanzien van de beschikking WGA 2011, vernietiging van de uitspraak op dit bezwaar en tot niet-ontvankelijkheidverklaring van dit bezwaar. Voor de jaren 2012 en 2013 concludeert de inspecteur tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4 Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de beschikking WGA 2011

4.1.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 22j van de AWR aan op de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of van het afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

4.2.

De dagtekening van de in bezwaar bestreden beschikking is (zondag) 21 november 2010. Gesteld noch gebleken is dat de beschikking pas na die datum is verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift, met inachtneming van artikel 1, eerste lid, van de Algemene termijnenwet, is geëindigd op (maandag) 3 januari 2011.

4.3.

Belanghebbende heeft per brief met dagtekening 26 juni 2012 een herzieningsverzoek ingediend voor de beschikking WGA 2011. De inspecteur heeft dit herzieningsverzoek aangemerkt als een bezwaarschrift. Vaststaat dat dit bezwaarschrift op 27 juni 2012 bij de belastingdienst is binnengekomen. Gelet op het bepaalde in artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is het bezwaarschrift niet tijdig ingediend.

4.4.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, nu pas na het ontvangen van de brief van het UWV van 1 juni 2012 duidelijk is geworden dat de beschikking WGA 2011 onjuist was vastgesteld en pas toen aanleiding bestond bezwaar tegen deze beschikking te maken.

4.5.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 11 juni 2004, nr. 39009, ECLI:NL:HR:2004:AP1368 geoordeeld dat artikel 6:11 van de Awb ziet op gevallen waarin belanghebbende redelijkerwijs niet in staat was tegen een besluit tijdig een rechtsmiddel aan te wenden. Ingeval een belanghebbende wel in staat is geweest om binnen de wettelijke bezwaartermijn bezwaar te maken, maar dat niet heeft gedaan omdat hij daartoe destijds geen reden had, kan een nadien opgekomen reden niet bewerkstelligen dat een inmiddels niet-verschoonbare termijnoverschrijving alsnog verschoonbaar wordt (vgl. HR 28 april 2006, nr. 40 956, ECLI:NL:HR:2006:AW4062). Ook een wijziging in juridisch inzicht na het verstrijken van de bezwaartermijn brengt niet mee dat de bezwaartermijn verschoonbaar is overschreden (vgl. HR 8 februari 2002, nr. 36 659, ECLI: NL:HR:2002:AD9094).

4.6.

Gelet op het vorenstaande vormt de enkele omstandigheid dat het UWV op een later moment heeft geconstateerd dat zij aan de ex-werknemer ten onrechte een WGA-uitkering heeft uitgekeerd en dat aan de ex-werknemer met terugwerkende kracht een IVA-uitkering is toegekend, naar het oordeel van de rechtbank, geen omstandigheid die maakt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

4.7.

Nu vaststaat dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De inspecteur heeft dat echter niet gedaan. De rechtbank zal doen wat de inspecteur had moeten doen. Het beroep ten aanzien van de beschikking WGA 2011 is daarom gegrond.

4.8.

Nu het bezwaar niet-ontvankelijk moet worden verklaard, komt de rechtbank niet meer toe aan een inhoudelijke behandeling van het beroep ten aanzien van de beschikking WGA 2011.

Beschikkingen WGA 2012 en 2013

4.9.

Artikel 2.11, eerste lid van het Besluit Wfsv (tekst 2012, 2013) bepaalt:

“Indien blijkt dat een arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, onderdeel a, of een WGA-uitkering als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, onderdeel b, geheel of ten dele ten onrechte is toegekend, wordt bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage in het kalenderjaar waarin het besluit tot toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of de WGA-uitkering wordt ingetrokken of herzien, het totaalbedrag, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van de te veel betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering of WGA-uitkering.”.

4.10.

Tussen partijen is niet in geschil dat de inspecteur artikel 2.11, eerste lid van het Besluit Wfsv juist heeft toegepast.

Discretionaire bevoegdheid inspecteur.

4.11.

Belanghebbende heeft zich echter op het standpunt gesteld dat de inspecteur de discretionaire bevoegdheid heeft om geen uitvoering te geven aan artikel 2.11, eerste lid van het Besluit Wfsv. Ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat zij uitsluitend ter onderbouwing van dit standpunt heeft verwezen naar twee vergelijkbare situaties, waarbij de inspecteur wel aan artikel 2.11, eerste lid van het Besluit Wfsv is voorbij gegaan. In het onderhavige geval, waar toepassing van artikel 2.11, eerste lid van het Besluit Wfsv slechts gedeeltelijke compensatie biedt aan belanghebbende voor de, naar nu blijkt, ten onrechte van belanghebbende geheven premies WGA, had de inspecteur zijn discretionaire bevoegdheid moeten aanwenden door geen uitvoering aan artikel 2.11, eerste lid van het Besluit Wfsv te geven, aldus belanghebbende.

4.12.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur niet de discretionaire bevoegdheid om de toepassing van artikel 2.11, eerste lid van het Besluit Wfsv achterwege te laten. Zoals de inspecteur terecht in de brief van 19 september 2014 heeft opgemerkt staat in de tekst van vorengenoemd artikellid het woord ‘wordt’ in plaats van ‘kan’, waaruit volgt dat aan de inspecteur geen discretionaire bevoegdheid toekomt aangaande de wijze van berekening van het werkgeversrisicopercentage. Ook de omstandigheid dat in twee met belanghebbende vergelijkbare gevallen, de inspecteur aan toepassing van artikel 2.11, eerste lid van het Besluit Wfsv is voorbij gegaan kan naar het oordeel van de rechtbank niet tot een ander oordeel leiden. De inspecteur heeft immers aangegeven dat het in deze twee gevallen ging om incidentele fouten. De inspecteur heeft voorts enkele uitspraken op bezwaar overgelegd van andere belastingplichtigen die in een met belanghebbende vergelijkbare situatie verkeren, waaruit blijkt dat in al die gevallen artikel 2.11, eerste lid van het Besluit Wfsv wordt toegepast.

4.13.

Gelet op het vorenstaande heeft de inspecteur, naar het oordeel van de rechtbank, niet de discretionaire bevoegdheid om toepassing van artikel 2.11, eerste lid van het Besluit Wfsv achterwege te laten. Deze beroepsgrond van belanghebbende faalt derhalve.

(On)verbindendheid artikel 2.11, eerste lid van het Besluit Wfsv.

4.14.

Belanghebbende heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat artikel 2.11, eerste lid van het Besluit Wfsv onverbindend moet worden verklaard, nu met de tekst van dit artikellid buiten de door de wetgever in artikel 38, vierde lid van de Wfsv gedelegeerde bevoegdheid wordt getreden.

4.15.

Ingevolge artikel 38, vierde lid van de Wfsv (tekst 2012, 2013) worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld omtrent:

“a. de wijze waarop het rekenpercentage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het gemiddelde percentage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden vastgesteld;

b. de wijze waarop de in het tweede en het derde lid bedoelde opslag en korting worden berekend;

c. de percentages die op grond van dit artikel ten hoogste voor een werkgever mogen gelden en omtrent de percentages die op grond van dit artikel ten minste voor een werkgever moeten gelden.”.

4.16.

De rechtbank volgt belanghebbende niet in haar stelling dat artikel 2.11, eerste lid van het Besluit Wfsv onverbindend moet worden verklaard. Ingevolge artikel 38, vierde lid van de Wfsv kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de wijze waarop de in het tweede lid bedoelde opslag en korting worden berekend. Naar het oordeel van de rechtbank valt artikel 2.11, eerste lid van het Besluit Wfsv binnen de ingevolge artikel 38, vierde lid van de Wfsv gedelegeerde bevoegdheden. Artikel 2.11, eerste lid van het Besluit Wfsv bepaalt immers de wijze waarop de korting en de opslag worden berekend; het bevat namelijk de berekeningswijze van de korting of de opslag in de situatie waarin achteraf blijkt dat een WGA-uitkering ten onrechte is toegekend. Derhalve faalt, naar het oordeel van de rechtbank, ook deze beroepsgrond van belanghebbende.

4.17.

Gelet op het vorenstaande dienen de beroepen ten aanzien van de beschikkingen WGA 2012 en 2013 ongegrond te worden verklaard.

Verzoek immateriële schadevergoeding

4.18.

Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

4.19.

De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad in zijn arrest van 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, heeft beslist dat in belastingzaken, waar artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet van toepassing is, een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn kan worden toegekend. De Hoge Raad oordeelde dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld en dat artikel 8:73 van de Awb in die gevallen van overeenkomstige toepassing is. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Als uitgangspunt geldt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de rechtbank uitspraak doet binnen twee jaar nadat de inspecteur het bezwaar heeft ontvangen. In gevallen, waarin de bezwaar- en de beroepsfase samen zo lang hebben geduurd, dat de redelijke termijn daardoor is overschreden, dient de rechter met het oog op toekenning van een vergoeding voor immateriële schade, die door dat tijdsverloop is ontstaan, te beoordelen op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en aan de beroepsfase. In belastingzaken heeft als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt (zie Hoge Raad 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6666). Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

4.20.

Gezien de samenhang tussen de drie beschikkingen, gaat de rechtbank ervan

uit dat de lange behandelingsduur één maal heeft geleid tot spanning en frustratie bij belanghebbende waarvoor een vergoeding op zijn plaats is. De rechtbank ziet hierin aanleiding voor alle onderhavige zaken tezamen eenmaal schadevergoeding toe te kennen wegens (redelijke) termijnoverschrijding en voor het overige te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

4.21.

Tussen de ontvangst van het eerste bezwaarschrift door de inspecteur (7 december 2011 gericht tegen de beschikking WGA 2012) en de dagtekening van de uitspraak van de rechtbank op 28 november 2014 zijn 2 jaren en 11 maanden verstreken.

Nu gesteld noch aannemelijk is geworden dat die lange duur geheel of gedeeltelijk aan belanghebbende is te wijten, stelt de rechtbank de overschrijding van de redelijke termijn vast op 11 maanden. Belanghebbende heeft dus recht op een vergoeding van 2 x € 500 of € 1.000. De beroepsfase heeft geduurd van 28 juni 2013 tot 28 november 2014; van overschrijding van de redelijke termijn in beroep is daarbij geen sprake. De overschrijding wordt dus geheel toegerekend aan de inspecteur.

5 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep met procedurenummer AWB 13/3563 redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op

€ 974 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1). De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in bezwaar nu belanghebbende daar in de bezwaarfase niet om heeft verzocht.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep betreffende de beschikking WGA 2011 gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de beschikking WGA 2011;

  • -

    verklaart het bezwaar tegen de beschikking WGA 2011 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart de beroepen ten aanzien van de beschikkingen WGA 2012 en 2013 ongegrond;

- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van

€ 974;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 318 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 28 november 2014 door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter,

mr. W.A.P. van Roij en mr.drs. M.H. van Schaik, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W.A. de Paepe, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.