Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:7982

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
22-12-2014
Zaaknummer
AWB - 14 _ 60
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2016:2730, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende met het verstrekken van de lening aan een gelieerde vennootschap een debiteurenrisico heeft aanvaard dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen. Derhalve is geen sprake van een onzakelijke lening. Doordat bij belanghebbende ondanks de negatieve resultaten en stand van het vermogen de hoop en de verwachting is blijven bestaan dat het geleende geld inclusief rente volledig zou worden terugbetaald, heeft belanghebbende de vordering ten onrechte afgewaardeerd.

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969, geldigheid: 2014-12-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-0011
V-N Vandaag 2014/2714
V-N 2015/7.3.3

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummers AWB 14/60 en 14/61

uitspraak van 26 november 2014

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats X],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 28 november 2013 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar voor het jaar 2008 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting naar een belastbaar bedrag van € 249.250 (aanslagnummer [aanslagnummer].V.860112) en de voor het jaar 2009 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting naar een belastbaar bedrag van € 95.540 ([aanslagnummer].V960112).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2014 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Barendrecht, en namens de inspecteur, [verweerder].

1 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende heeft als activiteit het deelnemen in ondernemingen die zich bezighouden met zakelijke dienstverlening. Enig aandeelhouder en tevens directeur van belanghebbende is [A]. Belanghebbende bezit 25% van de aandelen in [B BV](hierna: [B BV]), welke is opgericht op [datum] 1997.

2.2.

Vanaf 1997 heeft belanghebbende een geldlening verstrekt aan [B BV]. Ultimo 2008 bedroeg het uitgeleende bedrag € 310.883 en ultimo 2009 € 338.624 (inclusief rente). Door de drie andere aandeelhouders zijn vergelijkbare leningen verstrekt. In de akte van geldlening die door belanghebbende en [B BV] is ondertekend, is onder meer het volgende opgenomen:

“De ondergetekende:

I [B BV] (…)

II [belanghebbende] B.V. (…)

Verklaren met elkander de volgende geldlening te zijn aangegaan:

De schuldeiser verstrekt ter leen aan de schuldenaar, die zulks erkent een som van ƒ 90.000,-- per 4 juni 1997, vermeerderd met een storting van ƒ 20.000,-- per 22 oktober 1997, vermeerderd met de rente over 1997, overeenkomstig artikel 1 ad. ƒ 2.764,--, vermeerderd met een storting van ƒ 15.000,--. Per 13 mei 1998, zulks tezamen ƒ 127.764,--. (…) waaromtrent de volgende bedingen zijn gemaakt.

1. Over de hoofdsom zal een rente worden betaald met een rentehoogte als volgt te bepalen: een rente van 5% per jaar, ingaande 4 juni 1997 welke halfjaarlijks zal worden bijgeboekt op de vordering.

2. Jaarlijks op 1 februari zal worden bekeken of er aanleiding bestaat om de rente voor de komende periode te herzien.

3. Van de zijde van de schuldenaar kan de hoofdsom te allen tijde, zowel in zijn geheel als in gedeelten worden afgelost, zonder extra rentevergoeding; de sub 1 overeengekomen rente wordt dan naar tijdsgelang gerekend.

4. De schuldenaar behoeft voor de nakoming van zijn verplichtingen geen zekerheid te stellen.

5. De hoofdsom of het restant daarvan is met rente en kosten zonder voorafgaande opzegging dadelijk opeisbaar, bij niet nakoming van enige andere verplichting tegenover de schuldeiser, bij ontbinding van de vennootschap-schuldenaar, bij verklaring in staat van faillissement van de schuldenaar of bij diens aanvraag om surséance van betaling. De schuldenaar is in gebreke door het enkel verloop van de bepaalde termijn, zonder dat daartoe een bevel of andere akte van inverzuimstelling vereist wordt.

6. De uit deze geldlening voortvloeiende verbintenissen voor de schuldenaar zijn ondeelbaar.

7. Alle kosten welke de schuldenaar naar zijn oordeel moet maken tot uitoefening van zijn rechten en alle verdere kosten waartoe deze geldlening nu of in de toekomst aanleiding mocht geven, alsmede de kosten verbonden aan het opmaken van deze akte komen voor rekening van de schuldenaar.”

Op 3 juni 1997 is door de FGH-bank een lening verstrekt aan [B BV] van ƒ 1.000.000. Deze lening is in 2004 vervangen door een lening van de Rabobank van € 360.000. Deze lening was gesloten onder vergelijkbare voorwaarden en tegen een vergelijkbaar rentepercentage. Het vermogen van [B BV] was in 2008 en 2009 negatief.

2.3.

[B BV] gebruikt de geleende gelden voor projectontwikkeling. In dat kader is het recreatiecomplex [recreatiecomplex] gekocht. In eerste instantie is binnen [B BV] een project gestart om op deze plaats een hotelresort te ontwikkelen. Het heeft jaren geduurd voordat de vereiste vergunningen werden verkregen. Pas in 2011 is het vastgoedproject onder de naam [vastgoedproject] in de verkoop gegaan. Door tegenvallende verkopen is in 2012 besloten om het project te wijzigen in de ontwikkeling van vrijstaande recreatiewoningen. De gemeente heeft daarvoor echter geen vergunning verleend. Daarna is besloten om tien landhuizen te bouwen. Daarvoor moet nog een vergunning worden aangevraagd.

2.4.

Belanghebbende heeft in haar aangifte vennootschapsbelasting over 2008 € 67.500 en in haar aangifte vennootschapsbelasting over 2009 € 52.250 ten laste van de winst gebracht wegens gedeeltelijke afwaardering van de geldvorderingen op [B BV]. De inspecteur heeft voormelde afwaarderingen gecorrigeerd en de onderhavige aanslagen opgelegd. De bezwaren van belanghebbende daartegen zijn door de inspecteur afgewezen.

2.5.

In geschil is of belanghebbende terecht de vordering op [B BV] ten laste van haar winst heeft afgewaardeerd. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een lening, die niet is aan te merken als een schijnlening, een deelnemerschapslening of een bodemloze-putlening. Meer specifiek is in geschil of sprake is van een onzakelijke lening en indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord of afwaardering van de vordering in overeenstemming is met goed koopmansgebruik. De inspecteur beantwoordt de eerste vraag bevestigend en de tweede ontkennend; belanghebbende is de tegenovergestelde mening toegedaan.

2.6.

Indien een geldverstrekking door een vennootschap aan een gelieerde vennootschap plaatsvindt onder zodanige voorwaarden en omstandigheden dat daarbij door de geldverstrekkende vennootschap een debiteurenrisico wordt gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen, ook niet tegen een hogere niet winstdelende rente, moet – behoudens bijzondere omstandigheden – ervan worden uitgegaan dat die vennootschap dat debiteurenrisico heeft aanvaard met de bedoeling het belang van de met haar gelieerde vennootschap als aandeelhouder dan wel dochtervennootschap te dienen. Dit brengt mee dat een eventueel verlies op de geldlening niet in mindering op winst van de vennootschap kan worden gebracht (HR 25 november 2011, nr. 08/05323, LJN BN3442, BNB 2012/37)

2.7.

De omstandigheden dat geen formele zekerheden zijn gesteld, dat geen aflossingsschema is overeengekomen en dat de rente wordt bijgeschreven, brengt niet zonder meer mee dat sprake is van een onzakelijke lening (vgl. Hoge Raad 13 januari 2012, nr. 10/03654, ECLI: NL:HR:2012:BP8608, BNB 2012/79). Of sprake is van een onzakelijke lening dient te worden beoordeeld naar het moment van het aangaan van de lening, met dien verstande dat een zakelijke lening gedurende haar looptijd ten gevolge van onzakelijk handelen van de crediteur alsnog een onzakelijke lening kan worden (vgl. Hoge Raad 25 november 2011, nr. 08/05323, ECLI: NL:HR:2011:BN3442 en Hoge Raad 1 maart 2013, nr. 12/03088, ECLI: NL:HR:2013:BZ2735, BNB 2013/148).

2.8.

De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende met het verstrekken van de lening in 1997 een debiteurenrisico heeft aanvaard dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen. De bewijslast van deze stelling rust op de inspecteur. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur zijn standpunt niet voldoende onderbouwd en daarmee niet aan zijn bewijslast voldaan. Meer in het bijzonder heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank, tegenover de gemotiveerde betwisting van belanghebbende, niet aannemelijk gemaakt dat derden in die tijd onder de destijds geldende marktomstandigheden niet bereid waren om vergelijkbare leningen te verstrekken. Derhalve acht de rechtbank de lening zakelijk. Partijen hebben ter zitting aangegeven dat voor dat geval niet in geschil is dat de lening gedurende de looptijd niet alsnog onzakelijk is geworden.

2.9.

Met betrekking tot de vraag of de lening in de onderhavige jaren voor een gedeelte kon worden afgewaardeerd overweegt de rechtbank als volgt. De reden voor afwaardering was volgens belanghebbende gelegen in de economische crisis en in de omstandigheid dat door de gemeente geen vergunning werd verstrekt. Desondanks is bij belanghebbende, naar zij op zitting heeft verklaard, de hoop en de verwachting blijven bestaan dat het geleende geld inclusief de bijgeschreven rente volledig zou kunnen worden terugbetaald. De rechtbank acht het in dat geval niet in overeenstemming met goed koopmansgebruik om in de onderhavige jaren tot afwaardering over te gaan.

2.10.

Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen ongegrond verklaard.

2.11.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 26 november 2014 door mr.dr. M.L.M. van Kempen, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en mr.drs. M.M. de Werd, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. L. Arts, griffier.

De voorzitter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. De uitspraak is daarom ondertekend door mr. C.A.F.M. Stassen.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.