Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:7690

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-11-2014
Datum publicatie
17-11-2014
Zaaknummer
02/820780-14
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2016:5167, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens brandstichtingen in Vlissingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/820780-14

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 november 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedag] te [geboorteplaats] ([geboorteland])

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Zuid West, ‘De Dordtse Poorten’, Dordrecht,

raadsman mr. A.J. Sol, advocaat te Terneuzen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 november 2014. Verdachte is niet verschenen. Hij heeft afstand gedaan van zijn recht ter terechtzitting aanwezig te zijn. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie mr. Suijkerbuijk en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, terzake dat:

1.

hij op of omstreeks 02 juni 2014 te Vlissingen

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht aan/in een parasol, immers heeft/hebben

verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk open vuur in

aanraking gebracht met een parasol, althans met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan die parasol geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk

geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die parasol en/of

de in de omgeving van die parasol bevindende goederen, in elk geval gemeen

gevaar voor goederen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 02 juni 2014 te Vlissingen

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht aan/in een vuilcontainer, immers

heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk open

vuur in aanraking gebracht met de inhoud van een vuilcontainer, althans de

vuilcontainer, althans met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan die vuilcontainer geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand,

in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die

vuilcontainer en/of de zich in de omgeving van die vuilcontainer bevindende

goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 02 juni 2014 te Vlissingen tezamen en in vereniging met

een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan

een personenauto (Alfa Romeo), immers hebben/heeft verdachte en/of zijn

mededader(s) toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met die

personenauto (Alfa Romeo), althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge

waarvan drie personenauto's (Alfa Romeo en Skoda en Citroen) en/of de in die

personenauto's aanwezige goederen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in

elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor bovengenoemde

personenauto's en/of de overige op de parkeerplaats geparkeerde personenauto's

en/of de belendende woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen aanwezig

in de belendende woningen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 02 juni 2014 te Vlissingen

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht aan/in fietstassen en/of een fiets, immers

heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk open

vuur in aanraking gebracht met die fietstassen en/of fiets en/of die fiets

tegen een voorgevel van een woning (gelegen aan de Molenstraat [nummer]) heeft

geplaatst, in elk geval opzettelijk open vuur in aanraking heeft gebracht met

die fietstassen en/of fiets, althans met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan die fietstassen en/of fiets en/of een luchtrooster (in de

voorgevel van de woning gelegen aan de Molenstraat [nummer]) en/of de voorgevel van

de woning (gelegen aan de Molenstraat [nummer]) geheel of gedeeltelijk is/zijn

verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor

die fiets en/of de woning (gelegen aan de Molenstraat [nummer]), in elk geval gemeen

gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel voor de personen aanwezig in de woning gelegen aan de Molenstraat [nummer],

in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een

ander of anderen en/of te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

Feiten 1, 2, 3 en 4

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle vier de ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de verschillende aangiften en in het bijzonder op de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] die op belangrijke punten worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Zijn verklaringen moeten betrouwbaar worden geacht, terwijl de verklaring van verdachte als kennelijk leugenachtig moet worden aangemerkt. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij in de nacht van 1 op 2 juni 2014 samen met verdachte was en dat verdachte de ten laste gelegde branden heeft aangestoken. [medeverdachte] heeft zichzelf herkend op de camerabeelden van slagerij [aangever 1] (feit 2) en stelt dat de andere persoon op die beelden verdachte is. Door verschillende politiemensen is verdachte ook herkend op die beelden. Nu deze beelden vrijwillig door aangever [aangever 1] ter beschikking zijn gesteld, kunnen deze bijdragen aan het bewijs van het ten laste gelegde. De door verdachte en [medeverdachte] gedragen kleding, die te zien is op genoemde beelden, is bij een doorzoeking in de woning van verdachte aangetroffen. Nu verdachte zelf de feiten heeft ontkend, zijn de verklaringen van [medeverdachte] cruciaal voor het bewijs. Nu deze verklaringen op belangrijke punten worden ondersteund door andere bewijsmiddelen is er voldoende wettig en overtuigend bewijs voor de strafrechtelijke betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde feiten.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Feiten 1, 2, 3 en 4

De verdediging is van mening dat de rechtbank voor geen van de ten laste gelegde feiten tot een bewezenverklaring kan komen. Voor de aanwezige camerabeelden van slagerij [aangever 1] is geen vordering verstrekking historische gegevens gedaan als bedoeld in artikel 126nd van het wetboek van strafvordering (Sv), zodat deze beelden van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Indien de rechtbank van oordeel is dat deze beelden wel rechtmatig zijn verkregen, stelt de verdediging zich op het standpunt dat deze beelden allerminst duidelijk zijn en dat deze niet overtuigend verdachte als dader van de brandstichting van de vuilcontainer aanwijzen. Daarnaast is door de verdediging de verklaringen van [medeverdachte] betwist. In de door de verdediging overgelegde pleitnota is uiteengezet waarom deze verklaringen van het bewijs dienen te worden uitgesloten en verdachte niet alleen van de brandstichting van de vuilcontainer, maar dan ook van de ander feiten dient te worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De verklaringen van medeverdachte [medeverdachte]

De rechtbank overweegt naar aanleiding van het verweer dat de verklaringen van [medeverdachte] van het bewijs moeten worden uitgesloten het volgende.

De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte] omdat deze afwijken van de verklaringen van verdachte. [medeverdachte] heeft naar het oordeel van de rechtbank consistent, genuanceerd en gedetailleerd en daarmee authentiek verklaard over de brandstichtingen in de nacht van 2 juni 2014. Bovendien worden de verklaringen van [medeverdachte] ondersteund door andere bewijsmiddelen. Daar tegenover staat dat verdachte in veel mindere mate consistent heeft verklaard en zijn verklaringen bovendien op diverse onderdelen worden tegengesproken door de overige bewijsmiddelen.

De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte] kunnen bijdragen aan het bewijs van de ten laste gelegde feiten.

Feit 1

vrijspraak

In de nacht van 2 juni 2014 is één van de parasols van lunchroom [naam] in Vlissingen helemaal verbrand. Volgens aangever heeft hij geluk gehad dat de parasol acht meter van zijn lunchroom was verwijderd. Over de – voor brandstichting vereiste – gevaarzetting is door de officier van dienst van de brandweer, vermeld dat de parasolbrand een kleine brand betrof en dat deze door de politie zelf is geblust.

Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank geen wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor het feit dat bij deze brand gemeen gevaar voor goederen is ontstaan. Het gemene gevaar dient zich immers uit te strekken tot andere roerende en/of onroerende goederen dan het goed waaraan brand is gesticht. Nu niet blijkt dat zich in de directe nabijheid van genoemde parasol goederen bevonden, blijkt evenmin dat sprake was van gemeen gevaar voor goederen en zal verdachte om die reden van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 2

Door [aangever 1] is aangifte gedaan van brandstichting in zijn afvalcontainer. Op camerabeelden afkomstig van een camera aan de achterzijde van slagerij [aangever 1] is door [aangever 1] gezien dat in de afvalcontainer brand is gesticht. Op deze beelden zijn twee mensen te zien. Na de brand heeft aangever gezien dat deze container zwarte randen had en ook dat de binnenkant was uitgebrand.1 De politie heeft deze beelden bekeken en gezien dat in eerste instantie een persoon bij de container bleef staan toen (1.11.30 uur) en er iets oplichtte bovenop de container. Toen de tweede persoon erbij kwam staan, is nogmaals gezien dat er wat oplichtte bij de personen en de container.2 [medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte bij een vuilcontainer dingen in brand heeft gestoken.3 Er stonden meer containers en tegen die containers stonden vuilniszakken.4 Tijdens het verhoor van [medeverdachte] door de rechter-commissaris zijn de beelden5 aan hem getoond en heeft hij hierover verklaard dat hij zichzelf en verdachte op de beelden heeft herkend. Verdachte was degene die als eerste naar de container is gelopen.6 Ook verbalisant De Leeuw heeft genoemde camerabeelden bekeken en hierop blijkens zijn verklaring gezien dat hij één van de twee personen herkende als verdachte.7 Verdachte zelf heeft ontkend betrokken te zijn geweest bij de brandstichting bij de vuilcontainer. Hij heeft, naar hij verklaarde, zichzelf ook niet herkend op de camerabeelden.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank de ontkennende verklaringen van verdachte ter zijde en acht zij wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich als dader heeft schuldig gemaakt aan de ten laste gelegde opzettelijke brandstichting in de vuilcontainer.

gemeen gevaar voor goederen

Uit de aangifte en de verklaringen van [medeverdachte] blijkt genoegzaam dat ten tijde van de brandstichting in de vuilcontainer andere goederen aanwezig waren dan die in brand zijn gestoken (de inhoud van de container en in de directe omgeving van die container staande andere containers). De rechtbank is daarmee van oordeel dat er gemeen gevaar voor de in en nabij die vuilcontainer aanwezige andere goederen te duchten was.

camerabeelden

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat de camerabeelden van het bewijs dienen te worden uitgesloten, nu niet is gebleken dat er een vordering ex artikel 126nd Sv is gedaan. De rechtbank stelt vast dat de camerabeelden vrijwillig zijn afgestaan en dat onder die omstandigheden genoemde vordering niet is vereist. De camerabeelden zijn rechtmatig verkregen.

Feit 3

Door [aangever 2] is aangifte gedaan van het in brand steken van zijn auto, een Alfa Romeo. Hij had zijn auto op 1 juni 2014 rond 18:30 uur geparkeerd op het parkeerterrein tussen de Vlamingstraat en de Walstraat in Vlissingen. In zijn auto lagen onder meer 22 reddingsvesten.8 Toen hij op 2 juni 2014 rond 7:30 uur op de parkeerplaats kwam, zag hij dat zijn auto daar niet meer aanwezig was. De auto die naast zijn auto geparkeerd stond (een Citroën) had brandschade.9

Door [aangever 3] is aangifte gedaan van brandstichting aan haar auto. Zij had haar auto, een Citroën C3 op 30 mei 2014 geparkeerd op de parkeerplaats aan de Walstraat in Vlissingen. Toen zij op 3 juni 2014 bij haar auto kwam, zag zij dat de linkerkant van haar auto geblakerd was en dat delen van haar auto gesmolten waren.1011

[aangever 4] heeft op 2 juni 2014 aangifte gedaan van brandstichting. Zij had haar auto, een Skoda Octavia,, op 31 mei 2014 geparkeerd op een parkeerterrein aan de openbare weg van Kleine Markt en Vlamingstraat in Vlissingen. Toen zij op 2 juni 2014 omstreeks 7:55 uur op het parkeerterrein kwam, kon zij haar auto niet vinden. Zij hoorde van omstanders dat er die nacht daar een auto was uitgebrand.12

In de nacht van 2 juni 2014 rond 1:00 uur kwam bij de politie een melding binnen dat een auto in brand zou staan. De politie heeft vervolgens gezien dat op de parkeerplaats tussen de Vlamingstraat en de Walstraat een tweetal personenauto’s in brand stond. Het betrof een Alfa Romeo en een Skoda Octavia. Uit onderzoek is de politie gebleken dat de brand waarschijnlijk is ontstaan bij de Alfa Romeo. Deze is geheel uitgebrand. De Skoda Octavia stond, gezien vanaf de Vlamingstraat, links naast de genoemde Alfa Romeo. Een derde auto, een Citroën C3 is door de brand beschadigd. Deze auto stond, gezien vanaf de Vlamingstraat, aan de rechterzijde van de Alfa Romeo.1314

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij in de nacht van 2 juni 2014 samen met verdachte in Vlissingen was. Nadat verdachte een parasol en vuilcontainer had aangestoken, is verdachte naar een parkeerplaats gegaan. Verdachte wilde daar auto’s slopen. [medeverdachte] is doorgelopen en hoorde achter zich een klap alsof er een autoruit was ingeslagen.15 Verdachte is op die parkeerplaats tussen auto’s doorgelopen. Toen hij weer bij [medeverdachte] kwam lopen, zei verdachte 'Dat is toch zonde van die Alfa Romeo’.16 Door bewoners van de Vlamingstraat zijn die nacht knallen of klappen gehoord. Getuige [getuige 1] schrok rond 00:30 uur wakker van een harde knal. Hij heeft vervolgens op het parkeerplein hoge vlammen boven een auto vandaan zien komen en ook heeft hij gezien dat zeker één auto in brand stond.17 Getuige [getuige 2] is die nacht wakker geworden van harde klappen en zag vanuit zijn raam dat op het parkeerterrein een auto in brand staan.18 Verdachte heeft ontkend betrokken te zijn geweest bij de genoemde brandstichting aan de auto(’s) op het parkeerterrein.

Gelet op de genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, en in het bijzonder de verklaringen van [medeverdachte] over de route die verdachte en hij in de binnenstad van Vlissingen hebben gelopen en de volgorde van de die nacht achtereenvolgens ontstane branden acht de rechtbank wettig en ook overtuigend bewezen dat verdachte de dader is geweest van het opzettelijk in brand steken van genoemde Alfa Romeo, ten gevolge waarvan de Alfa Romeo, de Skoda en de Citroën geheel of gedeeltelijk zijn verbrand. Bij dit oordeel heeft de rechtbank betrokken dat verdachte, ondanks het bestaan van genoemde redengevende bewijsmiddelen, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven voor de in brand gestoken Alfa Romeo.

Gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen.

Dat door de brandstichting gemeen gevaar voor goederen is ontstaan, leidt naar het oordeel van de rechtbank geen twijfel. Immers, er was gevaar voor de goederen in de genoemde Alfa Romeo en ook voor de overige auto’s op het genoemde parkeerterrein en de zich daarin bevindende goederen, welk gevaar zich blijkens de aangiften van [aangever 4] en [aangever 3] ook heeft verwezenlijkt. De officier van dienst van de brandweer, heeft hierover verklaard dat van gevaarzetting sprake was, nu niet bekend was welke brandstof zich in die drie auto’s bevond.19 Om in rechte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te kunnen aannemen, is vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dit gevaar inderdaad te duchten was. De officier van dienst heeft verklaard dat de auto’s in de nabijheid van woningen stonden, waardoor een evacuatie van bewoners tot de mogelijkheid behoorde.20 De rechtbank wijst in dit verband voorts op de verklaring van getuige [getuige 3]. Hij is woonachtig aan de Walstraat en heeft vanaf zijn balkon op het parkeerterrein een brandende auto gezien. Hij heeft daar ook een groepje mensen zien staan.21 Ook getuige [getuige 2] heeft gezien dat er een aantal personen vlakbij de brandende auto stond.22 Gelet op deze getuigenverklaringen was naar algemene ervaringsregels levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten. Daarbij komt voorts dat de brand in de nacht is gesticht en dat zich in de nabijheid van het genoemde parkeerterrein woningen bevonden.

Feit 4

Door [aangever 5] is aangifte gedaan van brandstichting. Met zijn vrouw woont [aangever 5] in Vlissingen aan Molenstraat [nummer]. Omstreeks 2:10 uur werd zijn vrouw wakker, omdat zij mensen hoorde praten voor hun woning. Zij keek uit het raam en zag dat er vuur was in de straat voor de woning. [aangever 5] werd hierop wakker gemaakt en hij zag dat zijn fiets, die normaal voor zijn woning stond, in brand stond.23 Toen hij naar beneden liep, zag hij dat er in de woning rook stond. Hij liep hoestend naar beneden en had tranende/prikkende ogen. Er was veel rookontwikkeling in de woning. De achterzijde van zijn fiets stond in brand. Bij het luchtrooster in de voorgevel is de voorgevel tot aan de eerste verdieping zwart geblakerd. Het luchtrooster is door de brand weggesmolten. Het isolatiemateriaal achter het rooster is aangetast door de brand. Hij verklaarde daarover: "Ik zag dat mijn slaapkamer helemaal blauw stond van de rook. Ik zag dat de dubbele fietstassen op de fiets helemaal verbrand waren. Verder is de hele achterkant van de fiets verbrand."24

[medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte tijdens de betreffende nacht nog een fiets in brand heeft gestoken. [medeverdachte] heeft hem nog gezegd dat het gevaarlijk was, omdat het gebouw in de fik kon gaan.25 Verdachte stak de fietstassen aan, waardoor later de fiets brandde.26

De officier van dienst van de brandweer heeft verklaard dat in de nacht van 2 juni 2014 – na de brand op het parkeerterrein en een kleine brand in de Vlamingstraat – een melding binnenkwam van een brand in de Molenstraat. Daar stond een fiets in brand tegen de gevel. De fiets had achter-fietstassen. In de gevel van de woning zat een luchtrooster dat geheel verbrand was. In de woning was reeds rook aanwezig. De gevaarzetting was hier wel degelijk aanwezig. De bewoners hadden rook kunnen inademen. Door de aanwezigheid van rook in de woning was er een verhoogd koolmonoxidegehalte.27

Gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en ook overtuigend bewezen dat verdachte ook de dader is geweest van de opzettelijke brandstichting aan de fietstassen bij de woning in de Molenstraat in Vlissingen ten gevolge waarvan de fietstassen, de fiets, een luchtrooster in de voorgevel van de woning en de voorgevel geheel of gedeeltelijk zijn verbrand.

Gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen.

Gelet op de inhoud van de aangifte en de verklaring van de officier van dienst van de brandweer was naar algemene ervaringsregels levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten. Immers stond de brandende fiets tegen de woning waarin [aangever 5] en zijn vrouw lagen te slapen. Ook was sprake van gemeen gevaar voor de fiets zelf en – als blijkt uit de eerder genoemde bewijsmiddelen – ook voor de genoemde woning, aan de Molenstraat in Vlissingen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.

hij op of omstreeks 02 juni 2014 te Vlissingen

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht aan/in een vuilcontainer, immers

heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk open

vuur in aanraking gebracht met de inhoud van een vuilcontainer, althans de

vuilcontainer, althans met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan die vuilcontainer geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand,

in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die

vuilcontainer en/of de zich in de omgeving van die vuilcontainer bevindende

goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

3.

hij op of omstreeks 02 juni 2014 te Vlissingen tezamen en in vereniging met

een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan

een personenauto (Alfa Romeo), immers hebben/heeft verdachte en/of zijn

mededader(s) toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met die

personenauto (Alfa Romeo), althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge

waarvan drie personenauto's (Alfa Romeo en Skoda en Citroen) en/of de in die

personenauto's aanwezige goederen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in

elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor bovengenoemde

personenauto's en/of de overige op de parkeerplaats geparkeerde personenauto's

en/of de belendende woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen aanwezig

in de belendende woningen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

4.

hij op of omstreeks 02 juni 2014 te Vlissingen

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht aan/in fietstassen en/of een fiets, immers

heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk open

vuur in aanraking gebracht met die fietstassen en/of fiets en/of die fiets

tegen een voorgevel van een woning (gelegen aan de Molenstraat [nummer]) heeft

geplaatst, in elk geval opzettelijk open vuur in aanraking heeft gebracht met

die fietstassen en/of fiets, althans met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan die fietstassen en/of fiets en/of een luchtrooster (in de

voorgevel van de woning gelegen aan de Molenstraat [nummer]) en/of de voorgevel van

de woning (gelegen aan de Molenstraat [nummer]) geheel of gedeeltelijk is/zijn

verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor

die fiets en/of de woning (gelegen aan de Molenstraat [nummer]), in elk geval gemeen

gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel voor de personen aanwezig in de woning gelegen aan de Molenstraat [nummer],

in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een

ander of anderen en/of te duchten was.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde dat hij zich houdt aan de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de reclassering.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over een aan verdachte op te leggen straf.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beantwoording van de vraag welke straf of maatregel aan verdachte moet worden opgelegd, houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder het is begaan, en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een drietal brandstichtingen. Hij heeft in de nacht van 1 op 2 juni 2014 een container, een auto en fietstassen in brand gestoken, waarbij aanmerkelijke schade is toegebracht. Door de brandstichting aan de auto is een tweede auto gedeeltelijk uitgebrand en is aan een derde auto ernstige schade ontstaan. Die brandstichting had zeer gevaarlijke consequenties kunnen hebben. Getuige [getuige 2] heeft in dit verband verklaard dat hij zijn huis heeft moeten verlaten vanwege explosiegevaar. Slachtoffer [aangever 5] heeft in zijn voegingsformulier geschreven dat zijn vrouw en hij die nacht gelukkig wakker zijn geworden en dat de gevolgen anders niet te overzien zouden zijn geweest. Na de brand zijn zij beiden zeer bang geweest.

De rechtbank acht het zeer ernstige feiten. De rechtbank wijst er in dit verband op dat de maximumstraf voor brandstichting waarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is (vijftien jaren gevangenisstraf) gelijk is aan de maximumstraf voor doodslag. Door het plegen van deze delicten heeft verdachte niet alleen grote financiële schade toegebracht aan de benadeelden, maar heeft hij bij hen en ook in de maatschappij gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat hij niet eerder voor brandstichtingen is veroordeeld.

Over de persoon van verdachte is een rapport opgemaakt door de reclassering. Hieruit blijkt dat verdachte een jeugd met affectieve verwaarlozing heeft gehad. Vele jaren heeft hij in een kindertehuis en in een onveilig en instabiel gezin doorgebracht. Zijn moeizame hechting weerspiegelt zich in zijn loopbaan, zijn partnerrelaties die geen van alle stand hielden en de verbroken contacten met zijn kinderen, familie en vrienden. Hij heeft niemand om op terug te vallen en raakt steeds verder geïsoleerd. Vanwege somberheid en suïcide gedachten voert hij gesprekken met een psycholoog. Met hulp van Stichting Mozaïek probeert hij zijn financiën weer op orde te krijgen. Het lijkt van belang dat verdachte daarnaast ambulante psychische hulp krijgt vanuit de GGZ en op indicatie medicatie blijft gebruiken voor zijn fysieke en psychische gezondheid. Omdat verdachte het ten laste gelegde heeft ontkend, wordt het niet opportuun geacht in dit stadium een concreet plan van aanpak op te stellen en een advies voor de zitting uit te brengen.

De rechtbank acht het noodzakelijk en passend verdachte een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de door de officier van justitie gevorderde straf. Nu verdachte wordt vrijgesproken van de brandstichting in de parasol, terwijl de officier van justitie is uitgegaan van een bewezenverklaring van dat feit, wordt een zwaardere straf opgelegd dan is gevorderd. De rechtbank heeft hiertoe besloten, omdat de ernst van de feiten – en dan in het bijzonder de brandstichtingen waarbij levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is geweest – die straf rechtvaardigen.

In het reclasseringsrapport ziet de rechtbank aanleiding een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen, en vooral om daarnaast een verplichte begeleiding door de reclassering mogelijk te maken en door de reclassering te laten beoordelen of daarbij ambulante behandeling van verdachte nodig is.

7 De benadeelde partijen

Feit 3

De benadeelde partij [aangever 4] heeft een voegingsformulier ingediend en hierop vermeld dat de schade reeds is vergoed door de verzekering.

De benadeelde partij [aangever 2] vordert een schadevergoeding van € 6.737, 80 aan materiële schade.

Feit 4

De benadeelde partij [aangever 5] vordert een schadevergoeding van € 385,00 aan materiële schade.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

Feit 3

De officier van justitie vordert de benadeelde partij [aangever 4] niet ontvankelijk te verklaren, omdat door haar geen concrete schadevergoeding is gevorderd.

De vordering van de benadeelde partij [aangever 2] kan toegewezen worden tot het gevorderde schadebedrag van € 150,00 aan eigen risico. Het bedrag van € 5.800,00 voor de aanschaf van een andere auto kan niet worden gezien als directe schade. Met betrekking tot de gevorderde schade van de zwemvesten en de gereedschappen is niet duidelijk of, en zo ja hoeveel, van deze schade de benadeelde partij in persoon heeft vergoed.

Feit 4

De officier van justitie vordert de vordering van de benadeelde partij [aangever 5] toe te wijzen tot een bedrag van € 350,00. Hierbij is in aanmerking genomen enige oud-voor-nieuw correctie.

Voor zover de rechtbank enige bedragen toewijst, verzoekt de officier van justitie hierbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en zich niet uitgelaten over de ingediende vorderingen van de benadeelde partijen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 3

[aangever 4]

De benadeelde partij [aangever 4] heeft een voegingsformulier ingediend, maar hierop geen schadebedrag ingevuld. Hierop is vermeld dat de schade reeds door de verzekeraar is vergoed. De vordering zal daarom worden afgewezen.

[aangever 2]

De rechtbank overweegt ten aanzien van het voor de 22 verbrande zwemvesten gevorderde bedrag van € 1.331,00 als volgt: Nu deze zwemvesten een jaar oud waren, is het op zijn plaats om op de gevorderde totale schade 10% in mindering brengen. De rechtbank is van oordeel dat de schade van de zwemvesten tot een bedrag van € 1.197,90 voldoende aannemelijk is gemaakt en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Daarnaast zal de rechtbank toewijzen het gevorderde bedrag van € 150,00 aan eigen risico.

De rechtbank acht het gevorderde bedrag van schade aan de autoradio (€ 199,00) onvoldoende aannemelijk gemaakt en zal voor dat deel van de vordering de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren. De factuur van de genoemde radio dateert van 2009 en het is niet aannemelijk geworden dat die radio thans nog dat bedrag waard is. Ook is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde kosten van de geleende spullen en voorts de kosten van het autobedrijf [naam 2] onvoldoende aannemelijk zijn gemaakt en zal daarom de benadeelde partij voor dat deel van de vordering ook niet ontvankelijk verklaren.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 1.347,90 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat de behandeling van dat deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij zal daarom voor dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard in zijnvordering. Hij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Feit 4

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 350,00 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vorderingen van benadeelde partijen zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 2: Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

Feit 3: Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

Feit 4: Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht niet ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich gedurende proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt dat hij zal deelnemen aan een intake en behandeling bij forensisch psychiatrische polikliniek De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg waarbij verdachte zich dan ook zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

* dat verdachte zich binnen drie werkdagen volgend op het onherroepelijk vonnis telefonisch zal melden bij Reclassering Nederland, Vrijlandstraat 33, 4337 EA te Middelburg (076-5718666) en zich daarna gedurende de proeftijd op door de reclassering te bepalen tijdstippen zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zo lang die instelling dat noodzakelijk acht;

- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat als algemene voorwaarde wordt toegevoegd:

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken daaronder begrepen;

- bepaalt dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

Feit 3

[aangever 4]

- bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [aangever 4] wordt afgewezen;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

[aangever 2]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 2] van € 1,347,90 aan materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 2] (feit 3), € 1.347,90 te betalen, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 23 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Feit 4

[aangever 5]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 5] van € 350,00 aan materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 5] (feit 4), € 350,00, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening, te betalen, bij niet betaling te vervangen door 7 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. J.B. Smits en

mr. B.J.R.P. Verhoeven, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Paulus, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 november 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met proces-verbaalnummer PL2000-2014181765 Z van de politie Zeeland, eenheid Zeeland-West-Brabant, ZLD Divisie Recherche, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 391 (hierna te noemen eindproces-verbaal). Het proces-verbaal van verhoor van aangever [aangever 1], pagina 28 van voornoemd eindproces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 98 van voornoemd eindproces-verbaal.

3 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte], pagina 143 van voornoemd eindproces-verbaal.

4 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte], pagina 156 van voornoemd eindproces-verbaal.

5 Dvd met camerabeelden, los gevoegd bij voornoemd eindproces-verbaal.

6 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [medeverdachte] bij rechter-commissaris d.d. 21 oktober 2014.

7 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 129 van voornoemd eindproces-verbaal.

8 Het proces-verbaal van verhoor van aangever [aangever 2], pagina 15 van voornoemd eindproces-verbaal.

9 Het proces-verbaal van verhoor van aangever [aangever 2], pagina 16 van voornoemd eindproces-verbaal.

10 Het proces-verbaal van verhoor van aangeefster [aangever 3], pagina 23 van voornoemd eindproces-verbaal.

11 Geschriften, te weten foto’s van een Citroën C3, kenteken [kenteken], pagina’s 25 en 26 van voornoemd eindproces-verbaal.

12 Het proces-verbaal van verhoor van aangeefster [aangever 4], pagina 7 van voornoemd eindproces-verbaal.

13 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 77 van voornoemd eindproces-verbaal.

14 Een geschrift, te weten een foto, pagina 57 van voornoemd eindproces-verbaal.

15 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte], pagina 143 van voornoemd eindproces-verbaal.

16 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte], pagina 156 van voornoemd eindproces-verbaal.

17 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], pagina 42 van voornoemd eindproces-verbaal.

18 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], pagina 44 van voornoemd eindproces-verbaal.

19 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4], pagina 55 van voornoemd eindproces-verbaal.

20 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4], pagina 55 van voornoemd eindproces-verbaal.

21 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3], pagina 41 van voornoemd eindproces-verbaal.

22 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], pagina 44 van voornoemd eindproces-verbaal.

23 Het proces-verbaal van verhoor van aangever [aangever 5], pagina 30 van voornoemd eindproces-verbaal.

24 Het proces-verbaal van verhoor van aangever [aangever 5], pagina 31 van voornoemd eindproces-verbaal.

25 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte], pagina 157 van voornoemd eindproces-verbaal.

26 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [medeverdachte] bij de rechter-commissaris van 21 oktober 2014.

27 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4], pagina 56 van voornoemd eindproces-verbaal.