Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:747

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
31-01-2014
Datum publicatie
21-02-2014
Zaaknummer
AWB-13_2158
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:1287, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting

Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar uitkeringen ontvangen uit een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule en uit een lijfrenteverzekering. Hij stelt dat hij de premies in het verleden niet in aftrek heeft gebracht en dat de uitkeringen daarom, met toepassing van de saldomethode, onbelast dienen te blijven. In de uitspraak op bezwaar is het belastbaar inkomen verlaagd met € 15.523, zijnde het bedrag van de in de jaren 1999 tot en met 2010 betaalde premies. Uit de systemen van de belastingdienst bleek dat belanghebbende in die periode geen premies had afgetrokken. De inspecteur beschikt niet over gegevens van vóór 1999.

De rechtbank oordeelt dat het pre-Brede-Herwaarderingsregime op de uitkeringen van toepassing is en daarmee de door belanghebbende bedoelde saldomethode. De premies mogen op de uitkeringen in mindering worden gebracht tenzij de premies als persoonlijke verplichting in aftrek konden worden gebracht. Dat dit kon is niet in geschil, zodat de premies wettelijk niet in aftrek mochten worden gebracht op de uitkeringen. Ook de resolutie van de staatssecretaris uit 1990, met begunstigend beleid, biedt geen uitkomst nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de jaren vóór 1999 premieaftrek achterwege is gebleven.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/403
V-N 2014/19.2.4
Vp-bulletin 2014/22
FutD 2014-0492
NTFR 2015/1415 met annotatie van mr. M.E. Kastelein
NTFR 2014/1292 met annotatie van Mr. C.A.H. Luijken
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummer AWB 13/2158,

uitspraak van 31 januari 2014

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 5 maart 2013 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem over 2011 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.954 (aanslagnummer [aanslagnummer].H.16.01).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2014 te Roermond. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, tot bijstand vergezeld van zijn echtgenote, [echtgenote] en zijn gemachtigde, [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Beegden en namens de inspecteur, [verweerder].

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende heeft op 22 december 1990 een bedrag van ƒ 11.156 gestort als premie ten behoeve van een koopsompolis bij [A], polisnummer [polis 1] (hierna: polis 1). Verder heeft hij in de periode van 1987 tot en met 2010 in totaal een bedrag van € 39.860,70 aan premies betaald ten behoeve van een lijfrentepolis bij [B], polisnummer [polis 2] (hierna: polis 2).

2.2.

In het onderhavige jaar heeft belanghebbende een uitkering van € 5.743 ontvangen op polis 1 en een uitkering van € 50.000 op polis 2.

2.3.

In belanghebbendes aangifte IB over 2011 zijn de in 2.2 genoemde uitkeringen verantwoord als belastbaar inkomen uit werk en woning. De inspecteur heeft de aanslag conform de aangifte vastgesteld.

In bezwaar heeft belanghebbende gesteld dat de premies ten behoeve van polis 1 en polis 2 in het verleden niet op zijn belastbare inkomen in mindering zijn gebracht en dat de in 2.2 bedoelde uitkeringen, met toepassing van de saldomethode, onbelast dienen te blijven.

In de uitspraak op bezwaar is de inspecteur ervan uitgegaan dat in de jaren 1999 tot en met 2010 inderdaad geen premieaftrek heeft plaatsgevonden ten aanzien van de premies van polis 2, tot een bedrag van in totaal € 15.523, met welk bedrag belanghebbendes belastbare inkomen uit werk en woning is verlaagd.

2.4.

In geschil is de vraag of de inspecteur de uitkering op polis 1 van € 5.743 en het restant van de uitkering op polis 2 van € 34.477 (€ 50.000 minus € 15.523) terecht heeft begrepen in belanghebbendes belastbare inkomen uit werk en woning over 2011.

2.5.

Op grond van hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, eerste lid van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, blijven bij het bepalen van het inkomen uit aanspraken op periodieke uitkeringen of verstrekkingen (waaronder lijfrenten en kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausule), indien de aanspraken de tegenwaarde van een prestatie vormen, de regels van toepassing die op 31 december 2000 golden op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964). Tot die op 31 december 2000 geldende regels behoort ook de overgangsregeling van artikel 75 van de Wet IB 1964 (zie Kamerstukken II, 1999/2000, 26 728, nr. 7, blz. 27).

2.6.

Onder het regime dat gold op 31 december 1991 werden aanspraken op grond van een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule aangemerkt als een lijfrente (artikel 25, derde lid, aanhef en letter a van de Wet IB 1964). Dit regime gold direct voorafgaande aan de inwerkingtreding op 1 januari 1992 van de Wet van 12 december 1991, Stb. 697 (Brede herwaardering 1) en wordt ook aangeduid als het pre-Brede Herwaarderingsregime (hierna: pre-BH-regime). Op grond van de overgangsregeling in artikel 75 van de Wet IB 1964 bleef het pre-BH-regime na 1991 – onder voorwaarden – van toepassing met betrekking tot eind 1991 bestaande aanspraken op periodieke uitkeringen of verstrekkingen.

2.7.

Op grond van artikel 25, eerste lid, onderdeel g van de Wet IB 1964 worden periodieke uitkeringen uit lijfrenten en (gelet op 2.6) kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausule belast als inkomsten uit vermogen voor zover de uitkeringen de tegenprestatie overtreffen (de zogenoemde saldomethode) waarbij premies die in aftrek konden worden gebracht op het belastbaar inkomen niet als tegenprestatie in aanmerking mogen worden genomen. Dit houdt in dat de betaalde verzekeringspremies op de ontvangen uitkeringen in mindering mogen worden gebracht, tenzij de premies als persoonlijke verplichting in aftrek konden (cursivering rechtbank) worden gebracht.

2.8.

Tussen partijen is – naar het oordeel van de rechtbank terecht – niet in geschil dat belanghebbende de op polis 1 en polis 2 betaalde premies in aftrek kon (cursivering rechtbank) brengen in het jaar van betaling. Volgens de wettelijk regels kan belanghebbende de betaalde premies dan ook niet in mindering brengen op de in 2.2. bedoelde uitkeringen.

2.9.

Op de hiervoor genoemde regeling heeft de staatssecretaris van Financiën een versoepeling aangebracht. In zijn resolutie van 29 juni 1990, nr. DB90/3579, gepubliceerd in onder meer BNB 1990/341, welke in het kader van de hardheidsclausule is uitgevaardigd, is, als tegemoetkoming voor gevallen waarin in het verleden verzuimd is de premies voor een lijfrente in aftrek te brengen, een verruiming opgenomen van de saldomethode. Deze verruiming van de saldomethode wordt uitsluitend toegepast indien en voorzover de belastingplichtige aantoont dat de (lijfrente)premies in het verleden niet op diens belastbare inkomen in mindering zijn gebracht. Als voorwaarde voor toepassing van de verruiming van de saldomethode geldt verder dat de belastingplichtige tegenover de inspecteur aannemelijk maakt dat het niet aftrekken van de premies niet is te wijten aan opzet of grove schuld (met andere woorden dat er daadwerkelijk sprake is van “verzuim” en bijvoorbeeld niet van welbewust afzien van aftrek).

2.10.

De rechtbank overweegt dat belanghebbende dus moet aantonen, dat is aannemelijk maken (vergelijk: Hoge Raad 26 mei 1999, nr. 34 230, onder meer gepubliceerd in BNB 1999/272) dat hij de premies in het verleden niet in aftrek heeft gebracht. Belanghebbende wijst er op dat uit de gegevens van de inspecteur is gebleken dat in de jaren 1999 tot en met 2010 geen premieaftrek heeft plaatsgevonden en dat het dan logisch is om te veronderstellen dat ook in de jaren vóór 1999 geen premies zijn afgetrokken. De rechtbank overweegt dat deze redenering, hoewel logisch, onvoldoende is om te concluderen dat belanghebbende aan de bewijslast heeft voldaan. Voor een verruiming van de in 2.9 bedoelde tegemoetkoming is geen plaats, nu de resolutie is vastgesteld op basis van artikel 63 van de AWR (hardheidsclausule) en toepassing van deze bepaling niet ter beoordeling van de belastingrechter staat. De rechtbank kan dus slechts toetsen of de inspecteur zijn bevoegdheid heeft gebruikt zoals neergelegd in de resolutie.

2.11.

Verder stelt belanghebbende dat degene die over relevante informatie beschikt de bewijslast heeft en dat de inspecteur de aangifte- en aanslaggegevens over de jaren 1987 tot en met 1998 kan raadplegen om vast te stelen dat de in 2.1 bedoelde premies ook in die jaren niet zijn afgetrokken. In dat verband wijst hij mede op de archiefverplichting van de belastingdienst. Tot slot heeft hij ter zitting afschriften overgelegd van een aantal van zijn jaaropgaven en aan hem opgelegde (voorlopige) aanslagen IB en gesteld dat het, nu er een gering verschil bestaat tussen de belastbare inkomens op die aanslagen en het inkomen dat volgens de jaaropgaven is genoten, aannemelijk is dat de premies in de onderhavige jaren niet zijn afgetrokken.

De rechtbank stelt voorop dat er in de belastingwetten en de Awb geen specifieke bepalingen zijn opgenomen inzake het verplicht bewaren door de inspecteur van gegevens over lijfrentepolissen. De rechtbank overweegt dat de inspecteur ter zitting geloofwaardig heeft verklaard dat de belastingdienst niet beschikt over relevante gegevens van belanghebbende (digitaal of op papier) over de jaren 1987 tot en met 1998 en ook niet weet of hij ooit heeft beschikt over gegevens met betrekking tot de lijfrenteverzekeringen.

Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur ingevolge de Archiefwet verplicht is om gegevens te bewaren. Tegen het al dan niet door de inspecteur nakomen van verplichtingen op grond van de Archiefwet staat naar het oordeel van de rechtbank geen beroep open bij de belastingrechter. De omstandigheid dat de inspecteur op grond van de Archiefwet mogelijk verplicht is om bepaalde gegevens te bewaren brengt, bij niet voldoen aan deze verplichting, niet mee dat belanghebbende van zijn bewijslast wordt ontheven en dat de inspecteur de bewijslast krijgt. Dat kan anders zijn indien de inspecteur met opzet of door nalatigheid de gegevens heeft doen verdwijnen. Daarvan is de rechtbank niets gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de door belanghebbende ter zitting overgelegde stukken niet worden geconcludeerd dat hij de premies in de onderhavige jaren niet in aftrek heeft gebracht.

Tot het belastbare inkomen uit werk en woning kunnen immers andere (positieve en negatieve) inkomensbestanddelen hebben behoord dan alleen het inkomen volgens de jaaropgaven en de in 2.1 bedoelde premies.

2.12.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.13.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 31 januari 2014 door mr. drs. M.M. de Werd, rechter en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.