Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:7380

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-10-2014
Datum publicatie
01-05-2015
Zaaknummer
C/02/268154 / HA ZA 13-614
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2016:51
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2018:1292
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2020:180
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2020:1115
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft landbouwgrond verkocht aan de gemeente Middelburg. De koopovereenkomst hield onder andere in dat de gemeente zich zou inspannen om, indien aan de in de overeenkomst daaraan gestelde voorwaarden zou zijn voldaan, eiser de mogelijkheid te bieden woningen te realiseren op de landbouwgrond die bij eiser in eigendom bleef. Op de door eiser aan de gemeente verkochte landbouwgrond, grenzend aan zijn huiskavel, zijn en worden infrastructurele werkzaamheden uitgevoerd en (deels) woningen gerealiseerd. Eiser stelt dat de gemeente toerekenbaar tekortgekomen is in de nakoming van de overeenkomst en dat gedaagden onrechtmatig jegens eiser hebben gehandeld. Eiser vordert de gemeente te veroordelen tot nakoming en voorts gedaagden te veroordelen de werkzaamheden stop te zetten en gedaagden te veroordelen tot het (deels) ongedaan maken van de verrichte werken en tot schadevergoeding nader op te maken bij staat. Eiser stelt daartoe dat hij als gevolg van de werkzaamheden waaronder het ophogen van de omliggende aan zijn huiskavel grenzende gronden, wateroverlast ondervindt. De omliggende percelen wateren daardoor, anders dan voorheen, af op zijn huiskavel. Daarnaast stelt hij schade te ondervinden aan zijn gebouwen als gevolg van het graven van sloten op korte afstand van de gebouwen.

De rechtbank heeft de vordering van eiser de gemeente te veroordelen tot nakoming afgewezen omdat eiser niet heeft voldaan aan de voorwaarden die in de overeenkomst waren gesteld met betrekking tot de mogelijkheid te komen tot woningbouw op de aan eiser in eigendom toebehorende gronden. De rechtbank heeft de vorderingen voor zover gegrond op de volgens eiser als gevolg van onrechtmatig handelen ontstane wateroverlast afgewezen omdat niet is komen vast te staan dat sprake is van wateroverlast zodanig dat die door eiser niet behoefte te worden geduld en maatregelen noodzakelijk zijn.

Wat betreft de bewijslast is door de rechtbank overwogen dat voor het toepassen van de omkeringsregel geen plaats. Aan de beoordeling van de omstandigheid of de wateroverlast wordt veroorzaakt door handelingen (in) opdracht van gedaagden(n), en of als gevolg daarvan door eiser schade is geleden en of de gevorderde maatregelen tot beëindiging van de gestelde wateroverlast zullen leiden komt de rechtbank niet toe. Dat geldt ook voor wat betreft overtreding door gedaagde van in het vonnis onder rechtsoverweging 4.4. genoemde wettelijke bepalingen. Ook schade door trillingen als gevolg van op aangrenzende percelen verrichte (graaf)werkzaamheden is niet komen vast te staan. Van een door de rechtbank op verzoek van eiser gelast voorlopig deskundigenonderzoek heeft eiser (voorlopig) afgezien. Ook op dit punt is voor omkering van de bewijslast geen plaats. Voor zover de vorderingen zien op het stopzetten van werkzaamheden en schadevergoeding voor schade als gevolg van door onrechtmatig handelen veroorzaakte trillingen worden ook die afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht


Zittingsplaats: Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/268154 / HA ZA 13-614

Vonnis van 29 oktober 2014

in de zaak van

CHARLESLOUIS THEOFIEL PIETER [eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J. Boogaard te Middelburg,

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE MIDDELBURG,

zetelend te Middelburg,

gedaagde,

advocaat mr. R.M. Pieterse te Middelburg,

2. de commanditaire vennootschap

MORTIERE GRONDEXPLOITATIE C.V.,

zetelend te Rosmalen,

gedaagde,

advocaat mr. R.G. Gebel te Eindhoven,

3. de besloten vennootschap

GRONDBEDRIJF MORTIERE BEHEER I B.V.,

zetelend te Rosmalen,

gedaagde,

advocaat mr. R.G. Gebel te Eindhoven,

4. de besloten vennootschap

GRONDBEDRIJF MORTIERE BEHEER II B.V.,

zetelend te Rosmalen,

gedaagde,

advocaat mr. R.G. Gebel te Eindhoven,

5. de besloten vennootschap

HEIJMANS WEGEN B.V.,

zetelend te Rosmalen,

gedaagde,

advocaat mr. R.G. Gebel te Eindhoven,

6. de besloten vennootschap

HEIJMANS BOUW ZEELAND B.V.,

zetelend te Rosmalen,

gedaagde,

advocaat mr. R.G. Gebel te Eindhoven.

Eiser zal hierna [eiser] worden genoemd, gedaagde sub 1 de Gemeente, gedaagden sub 2 tot een met 4 gezamenlijk het Consortium en gedaagden sub 5 en 6 Heijmans c.s. Gedaagden 1 tot en met 6 zullen gezamenlijk de gedaagden worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 22 januari 2014

  • -

    aantekeningen comparitie van 11 april 2014 zijdens [eiser];

  • -

    akte overlegging producties 33 tot en met 51 van 11 april 2014 zijdens [eiser];

  • -

    comparitieaantekeningen van 11 april 2014 zijdens de Gemeente;

  • -

    akte overlegging producties 4 tot en met 6 van 11 april 2014 zijdens de Gemeente;

  • -

    aantekeningen ter comparitie van 11 april 2014 zijdens het Consortium en Heijmans c.s.

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie gehouden op 11 april 2014;

  • -

    het proces-verbaal aanvulling van de comparitie gehouden op 11 april 2014;

  • -

    het proces-verbaal aanvulling van de comparitie gehouden op 11 april 2014;

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 20 juni 2001 heeft (onder andere) de moeder van [eiser] – verder [moeder eiser] – met de Gemeente een overeenkomst gesloten – verder de Overeenkomst – bij welke Overeenkomst [moeder eiser] aan de Gemeente ongeveer 10 hectare landbouwgrond aan de [adres] heeft verkocht. De Gemeente heeft deze percelen in eigendom verworven ten behoeve van woningbouw. Het woonerf van de [naam woonerf] ter grootte van één hectare met daarop een woonhuis en een grote landbouwschuur – verder de huiskavel – aan de [adres] behield [moeder eiser] in eigendom. [eiser] is thans eigenaar en bewoner van deze (woon)boerderij met opstallen.

2.2.

Artikel 16 lid 1 van de Overeenkomst luidt:

In de koopprijs zijn tevens begrepen:

- alle planschadevergoeding(en) (…);

- alle overige denkbare (schade) vergoedingen;

- alle kosten van juridische hulp en bijstand;

- alle overige deskundigenkosten.”

Artikel 16 lid 3 aanhef en onder a. en b. van de Overeenkomst luidt:

De gemeente Middelburg garandeert [moeder eiser] gaaf en onvoorwaardelijk op daartoe strekkend verzoek van [moeder eiser] of haar rechtsopvolger:

  1. zodra uitbreiding van de woningvoorraad in de categorie vrije sector woningen voor de gemeente Middelburg beschikbaar is doch uiterlijk met ingang van 1 januari 2007 doch niet voor 1 januari 2005, zich in alle opzichten maximaal in te spannen dat het bij [moeder eiser] in eigendom verblijvende gedeelte van het verkochte ter grootte van 80m x 125m (….)in het kader van één te realiseren bouwplan kan worden bebouwd met maximaal 15 grondgebonden vrije sector woningen (…). Onder uitbreiding van de woningvoorraad in de categorie vrije sector woningen wordt verstaan de mogelijkheid binnen de grenzen van de gemeente Middelburg, (…) binnen de plantermijn 2000-2010, meer woningen te bouwen in uitbreidingsgebieden binnen de gemeente Middelburg dan is vastgelegd in het Ruimtelijk Plan Stedelijk gebied Walcheren 2010.(…);

  2. de gemeente Middelburg [moeder eiser] binnen 14 dagen aangaande het bepaalde in sub a schriftelijk zal informeren. Indien [moeder eiser] binnen 1 jaar na de verzenddatum van vorenbedoelde mededeling geen ontvankelijk verzoek om medewerking tot het in bouwexploitatie brengen van haar huiskavel bij de gemeente Middelburg heeft ingediend, vervalt de toezegging als bedoeld in sub a van dit artikel, zonder dat [moeder eiser] aanspraak kan maken op enigerlei vergoeding;.”

2.3.

[moeder eiser] is op 24 februari 2008 overleden. De gemeente heeft bij brief van 16 oktober 2009, verzonden op 23 oktober 2009, aan de erven verklaard dat de woningbouwplannen op de huiskavel gerealiseerd zouden kunnen worden. De [naam woonerf] is bij akte van verdeling van 16 maart 2012 toegedeeld aan [eiser]. [eiser] heeft zich bij brief van 2 april 2013 tot de Gemeente gewend met het verzoek met hem over de bebouwing van de huiskavel in overleg te treden. De Gemeente heeft [eiser] bij brief van 9 april 2013 meegedeeld een overleg met hem niet op zijn plaats te vinden zolang de zaak met betrekking tot de wateroverlast op de kavel van [eiser] onder de rechter is.

2.4.

De Gemeente is eigenaar van de aan de huiskavel van [eiser] grenzende percelen kadastraal bekend [kadasternummer 1], en [kadasternummer 2] gelegen aan de noordwest- en de noordoost zijde van de huiskavel van [eiser]. De Gemeente is voorts gedeeltelijk, samen met het Consortium, eigenaar van het perceel kadastraal bekend [kadasternummer 3] met aantekening dat dit perceel is verkregen ten behoeve van gedaagde sub 2 Mortiere Grondexploitatie C.V.

2.5.

Op enkele van de aan de huiskavel van [eiser] grenzende percelen zijn en worden infrastructurele werken uitgevoerd. Op de percelen gelegen ten zuid-oosten van de huiskavel zijn woningen gerealiseerd.

2.6.

Het Consortium heeft [eiser] bij brief van 22 februari 2013 onder andere meegedeeld dat de week daarop een sloot zou worden gegraven ten noordwesten en ten noordoosten van de huiskavel. Het Consortium is op 27 februari 2013 met de werkzaamheden begonnen. Deze werkzaamheden zijn direct stopgezet nadat [eiser] heeft meegedeeld dat bij de werkzaamheden op 28 februari 2013 trillingen zijn ontstaan en hij niet langer toestemming gaf om de werkzaamheden uit te voeren.

2.7.

Grontmij Nederland B.V. heeft in opdracht van [eiser] op 1 maart 2013 een rapport uitgebracht inhoudende een hoogtemeting van de omgeving.

2.8.

Arcadis heeft in opdracht van het Consortium op 4 maart 2013 een rapportage opgemaakt, ter zake van de hydrologische situatie van de huiskavel overgelegd als productie 8 bij dagvaarding en als productie 2 bij de conclusie van antwoord van de Gemeente.

2.9.

Quattro Expertise B.V. – verder Quattro – heeft in opdracht van het Consortium, althans Civil Support te Goirle, op 5 maart 2013 een vooropname gemaakt van de situatie op het perceel en van de panden aan de Eendrachtsweg 1 die als productie 21 bij de dagvaarding in het geding is gebracht.

2.10.

Grontmij Nederland B.V. heeft in opdracht van [eiser] op 5 maart 2013 een bouwkundige opname gedaan van de opstallen aan de [adres] en daarvan op 8 maart 2013 een rapportage opgemaakt die door [eiser] als productie 19 in het geding is gebracht.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - :

I. voor recht te verklaren dat de Gemeente jegens [eiser] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomsten;

II. voor recht te verklaren dat gedaagden onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld;

III. de Gemeente te veroordelen tot nakoming van de Overeenkomst in die zin dat de Gemeente, op straffe van een dwangsom, in overleg met [eiser] moet treden over de bebouwing van de huiskavel;

IV. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot schadevergoeding te betalen aan [eiser] nader op te maken bij staat vermeerderd met de wettelijke rente;

V. Heijmans Bouw Zeeland B.V. op straffe van een dwangsom te veroordelen haar bouwactiviteiten binnen het gebied gesitueerd tussen de[adres], dan wel binnen een straal van 125 meter te rekenen vanaf de grens van de huiskavel van [eiser] te staken en gestaakt te houden zolang de ophogingen boven het door de Gemeente op de tekening van 30 augustus 1992 aangegeven peil niet zijn verwijderd;

VI. gedaagden sub 1 tot en met 5 op straffe van een dwangsom te veroordelen het aanbrengen van ophogingen en andere infrastructurele werkzaamheden binnen het gebied gesitueerd tussen de [adres], dan wel binnen een straal van 125 meter te rekenen vanaf de grens van de huiskavel te staken en gestaakt te houden;

VII. gedaagden sub 1 tot en met 5 op straffe van een dwangsom te veroordelen alle ophogingen in het gebied gesitueerd tussen de [adres], dan wel binnen een straal van 125 meter te tekenen vanaf de grens van de huiskavel van [eiser] door, althans in opdracht van, hen aangebracht te verwijderen, de afwatering van de huiskavel en de sloten in de omgeving te herstellen en overigens voorzieningen te treffen zodat de huiskavel weer kan afwateren op de belendende percelen en de belendende percelen niet langer afwateren op de huiskavel;

VIII . gedaagden te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Ter onderbouwing van zijn vorderingen stelt [eiser] het navolgende.

3.2.1.

De Gemeente is op grond van de Overeenkomst, maar ook los daarvan, gehouden om met [eiser] te overleggen over de mogelijkheden tot woningbouw op de huiskavel. De vordering die [eiser] jegens de Gemeente heeft ingesteld uit hoofde van onrechtmatig handelen door de Gemeente staat daaraan niet in de weg. [eiser] bestrijdt gemotiveerd dat hij niet zou hebben voldaan aan de in de Overeenkomst voor het realiseren van woningbouw op zijn huiskavel gestelde voorwaarden.

3.2.2.

Volgens [eiser] zijn op de aan zijn huiskavel grenzende percelen door de Gemeente, het Consortium en Heijmans c.s. infrastructurele werken – verder de werken – verricht, nader gespecificeerd onder punt 8 in de dagvaarding, en zijn zij voornemens om op de aangrenzende percelen verdere infrastructurele werken te verrichten gespecificeerd onder punt 9 van de dagvaarding. De huiskavel van [eiser] die het hoogste punt in de omgeving was, is volgens [eiser] als gevolg van de werken lager komen te liggen dan omliggende percelen. De aan zijn huiskavel grenzende percelen zijn als gevolg van de diverse werkzaamheden waarmee in 2007 is begonnen (aanzienlijk) opgehoogd, variërend van 0,15 cm tot meer dan 1.00 meter. Het gevolg daarvan is dat de omliggende percelen afwateren op de huiskavel van [eiser] die voorheen juist op de omliggende percelen afwaterde. Als gevolg van de werken is ook het grondwaterpeil sterk gestegen. Voorts kan de huiskavel van [eiser] nog slechts afwateren op de sloot langs de [adres] en niet meer op de waterlopen waarop dat voordien ook kon. Het uitvoeren van de werken heeft trillingen en zettingsproblemen veroorzaakt en heeft geleid tot ernstige wateroverlast op de huiskavel van [eiser] met als gevolg dat aan de gebouwen van [eiser] (ernstige) schade is ontstaan. [eiser] heeft ter onderbouwing van de schade de rapportage van Grontmij Nederland B.V. van 8 maart 2013 overgelegd en een publicatie van ingenieursbureau Fugro met betrekking tot de invloed van werkzaamheden in de directe omgeving op funderingen op staal.

Gedaagden zijn jegens [eiser] aansprakelijk voor de schade die hij heeft geleden en lijdt omdat zij onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld. Zij hebben voorafgaand aan het verrichten van de werkzaamheden niet de gebruikelijke voorzorgsmaatregelen genomen en onderzoeken gedaan naar de staat van de fundering en opstallen van [eiser]. Zij hebben daardoor gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die zij jegens [eiser] in acht hadden behoren te nemen en in strijd met hun onderzoeksplicht. De Gemeente is voorts aansprakelijk op grond van toerekenbaar tekortkomen in de nakoming van de Overeenkomst omdat als gevolg van de werken zonder het nemen van nadere maatregelen het realiseren van de ingevolge artikel 16 lid 3 van de overeenkomst door [eiser] op de huiskavel te realiseren woningbouw onmogelijk is geworden. [eiser] betwist gemotiveerd dat de in de overeenkomst overeengekomen optie tot woningbouw op zijn huiskavel zou zijn komen te vervallen. Omdat voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden geen vooropname van de gebouwen van [eiser] is gemaakt zijn gedaagden aansprakelijk voor zowel de evident als de mogelijkerwijs door de werken ontstane schade.

De Gemeente heeft volgens [eiser] voorts gehandeld in strijd met de voor haar op grond van artikel 3.5. Waterwet bestaande hemelwaterzorgplicht, omdat zij niet zorgdraagt voor een doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater nu van [eiser], gelet op de als gevolg van de uitgevoerde werken ontstane situatie niet langer kan worden gevergd het afvloeiend hemelwater op of in de bodem of oppervlaktewater te brengen.

Alle gedaagden, hebben volgens [eiser] voorts gehandeld in strijd met de navolgende bepalingen:

- de artikelen 5:38 en 5:39 BW welke artikelen de eigenaren van aangrenzende percelen dienen te beschermen tegen schade die [eiser] als eigenaar van het naburig perceel heeft geleden, lijdt en nog zal lijden als gevolg van de wateroverlast;

- artikel 8 van de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten doordat gedaagden geen melding van het voornemen tot het verrichten van door, althans in opdracht van, hen te verrichten graafwerkzaamheden aan de Dienst voor het kadaster en de openbare registers en het kadaster hebben gedaan. Gedaagden hebben bij de uitvoering van de infrastructurele werken bestaande (riool)leidingen, buizen, drainages, afvoeren en andere infrastructuur genegeerd, beschadigd en verbroken. Mitsdien is voor [eiser] schade ontstaan die de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten beoogt te voorkomen;

- artikel 4.1 lid 1 sub a van de Keur watersysteem Waterschap Scheldestromen 2012 ingevolge welk artikel het verboden is zonder vergunning van het dagelijks bestuur van het Waterschap wijzigingen aan te brengen aan oppervlaktewaterlichamen;

- artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM nu [eiser] als gevolg van het uitvoeren van de werken niet langer het ongestoord genot van zijn eigendom heeft en van de drie rechtvaardigingsgronden die een inbreuk op het eigendomsrecht rechtvaardigen geen sprake is.

[eiser] betwist gemotiveerd dat hij zijn aanspraak op schadevergoeding zou hebben prijsgegeven vanwege het bepaalde in artikel 16 lid 1 van de Overeenkomst. De door gedaagden overgelegde rapportage van Arcadis kan niet strekken tot onderbouwing van het door gedaagden, ter bestrijding van de door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden, gestelde. De door Arcadis voorgestelde maatregelen ter bestrijding van de schade zijn daartoe onvoldoende en hebben geleid tot meer schade. [eiser] stelt ten aanzien van de bewijslast gemotiveerd dat aanleiding is voor omkering van de bewijslast.

3.3.

De Gemeente voert verweer. Zij stelt primair dat de Overeenkomst een vaststellingsovereenkomst is op de voet van artikel 709 Rv en is bedoeld om tussen partijen een nieuwe rechtstoestand te scheppen. Het op grond van de Overeenkomst betaalde geldbedrag strekte tevens tot vrijwaring van de gemeente voor alles wat met de ontwikkeling van de Mortiere te maken heeft, los van de vraag in hoeverre de Gemeente verantwoordelijk gehouden zou kunnen worden. De Gemeente verwijst naar artikel 16 lid 1 van de Overeenkomst. Gelet daarop is het voor [eiser] onmogelijk om met succes procedures als de onderhavige tegen de Gemeente aanhangig te maken. Afgezien daarvan is de Gemeente geen eigenaar van de gronden waarop de werken zijn uitgevoerd, althans heeft daar geen feitelijke macht over en is geen opdrachtgever. Gelet daarop is de Gemeente ook niet, naast de gestelde niet-nakoming, aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad. Overigens is voor samenloop van de vorderingen op grond van wanprestatie en onrechtmatige daad geen plaats. [eiser] legt aan de gestelde onrechtmatige daad hetzelfde feitencomplex ten grondslag als aan de vermeende wanprestatie. De vorderingen jegens de Gemeente liggen dus voor afwijzing gereed. De Gemeente betwist overigens gemotiveerd dat de gronden gedurende de periode dat zij daarvan eigenaar is, sinds 2001, zijn opgehoogd. De Gemeente bestrijdt ook gemotiveerd toerekenbaar tekortgeschoten te zijn in het nakomen van de Overeenkomst. De in de Overeenkomst opgenomen woningbouwoptie is volgens de Gemeente komen te vervallen omdat de erven van [moeder eiser], althans [eiser], niet vóór het verloop van de planperiode op 1 januari 2010, althans niet binnen één jaar na de verzenddatum van de brief van 23 oktober 2009, waarbij de Gemeente aan de erven heeft verklaard dat de woningbouwplannen op de huiskavel gerealiseerd zouden kunnen worden, een ontvankelijk verzoek tot woningbouw hebben ingediend. Van een voor de Gemeente bestaande publiekrechtelijke verplichting om met [eiser] omtrent woningbouw op zijn huiskavel in gesprek te gaan is geen sprake nu [eiser] in zijn brief van 2 april 2013 slechts een verzoek tot een oriënterend gesprek heeft gedaan. [eiser] heeft overigens niet, althans onvoldoende, aangegeven welke verbintenissen de Gemeente geschonden zou hebben hetgeen in strijd is met de op [eiser] rustende stel- en bewijsplicht.

De Gemeente betwist voorts gemotiveerd:

- te hebben gehandeld in strijd met de artikelen 5:38 en 5:39 BW;

- dat er sprake is van wateroverlast en dat [eiser] als gevolg daarvan onrechtmatige hinder ondervindt;

- dat de uit de fotorapportage van Grontmij van 8 maart 2013 blijkende scheuren, kieren etc. die zich in de opstallen van [eiser] bevinden door de gestelde wateroverlast zijn veroorzaakt;

- dat de sloot langs de [adres] zal worden gedempt, althans dat als gevolg daarvan wateroverlast zal ontstaan omdat de werkzaamheden voorzien in maatregelen zodat de mogelijkheid om op het oppervlaktewater af te wateren aanwezig blijft;

- dat de door Arcadis voorgestelde maatregelen ter voorkoming van wateroverlast niet uitvoerbaar althans ontoereikend zouden zijn en schade aan de opstallen zouden hebben veroorzaakt, althans zullen veroorzaken;

- dat zij gehandeld heeft in strijd met de verplichting die ingevolge artikel 3.5. van de Waterwet op de Gemeente rust.

- dat zij gehandeld heeft in strijd met artikel 1 van het Eerste protocol van het EVRM;

- dat sprake is van causaal verband tussen de werkzaamheden en de door [eiser] gestelde voortdurende ernstige hinder. [eiser] stelt daartoe onvoldoende feiten en de gestelde feiten zijn geenszins onderbouwd;

- dat er aanleiding is om de omkeringsregel toe te passen en het aan gedaagden zou zijn om te bewijzen dat geen sprake is van het door [eiser] gestelde causale verband tussen de gestelde wijziging in de waterloop en hoeveelheid naar zijn perceel stromend water en de gestelde overlast. [eiser] heeft sinds het kort geding in maart 2013 geen nadere informatie naar voren gebracht, ook niet in het hoger beroep van het kort gedingvonnis. Nu niet meer bewijs is aangedragen dan in de procedure voor het hof, en er ook niet meer bewijs zal komen omdat [eiser] afgezien heeft van het laten uitvoeren van een voorlopig deskundigenonderzoek, moet volgens de Gemeente aansluiting worden gezocht bij het arrest van het hof van 25 maart 2014. De Gemeente betwist dat het vonnis op onjuiste feitelijke gronden berust. De Gemeente verzoekt gemotiveerd [eiser] te veroordelen in alle (proces)kosten die de Gemeente heeft gemaakt, totaal € 18.898,32, en niet slechts tot het bedrag van de gebruikelijke forfaitaire vergoeding.

3.4.

Het Consortium en Heijmans c.s. stellen voorop dat voor beoordeling van de vorderingen van belang is dat uitsluitend ten zuidoosten van de huiskavel van [eiser] werkzaamheden zijn uitgevoerd. Het Consortium en Heijmans c.s. stellen gemotiveerd dat er steeds vanaf 2006/2007, toen met de werken een aanvang is gemaakt, en vanaf het laatste kwartaal 2011 ieder kwartaal, overleg is geweest met [eiser] omtrent de (wijze van) uitvoering van de werkzaamheden en dat het Consortium altijd bereid is geweest om maatregelen te treffen om eventuele verstoring van de waterhuishouding op het perceel van [eiser] die tot schade zou kunnen leiden te voorkomen. Zij brengen een overzicht van de contacten als productie 3 en 5 bij de conclusie van antwoord in het geding.

Het Consortium en Heijmans c.s. betwist en dat er sprake is van ernstige schade aan de gebouwen van [eiser] en dat dit het gevolg zou zijn van een verstoring van de waterhuishouding op de huiskavel als gevolg van de in opdracht van het Consortium door Heijmans c.s. uitgevoerde werken. Ter nadere onderbouwing verwijst het Consortium naar de rapportage van Quattro van 5 maart 2013. Volgens het Consortium volgt uit de rapportage dat er geen vochtplekken of waterschade zijn geconstateerd. Het Consortium en Heijmans c.s. stellen dat indien en voor zover uitgegaan zou worden van de juistheid van de door [eiser] in het geding gebrachte foto’s en de aanduidingen daarop daaruit volgt dat het leeuwendeel van de verhogingen van de gronden en het uitvoeren van de werken in de periode 2007 tot en met 2009 heeft plaatsgevonden terwijl [eiser] pas in 2012 aangeeft dat hij met een enorme wateroverlast wordt geconfronteerd. Zij verwijzen naar de uitspraak van het Hof in het door [eiser] ingestelde hoger beroep van het op 14 maart 2013 gewezen kort gedingvonnis, met name naar de rechtsoverwegingen 7.7., 7.9 en 7.12. waaruit volgt dat het Hof het standpunt van het Consortium en Heijmans c.s. heeft gevolgd, inhoudend dat er door [eiser] niet aangetoond is dat er schade is, dat die het gevolg is van door of in opdracht van het Consortium en Heijmans c.s. uitgevoerde werkzaamheden. Het Consortium en Heijmans c.s. betwisten voorts gemotiveerd, zij verwijzen daartoe naar de rapportage van Grontmij van 1 maart 2013, dat er sprake is van de hoogteverschillen waarvan volgens [eiser] sprake zou zijn.

Het Consortium en Heijmans c.s. betwisten daarnaast gemotiveerd:

- dat beschadiging aan de gebouwen zoals scheurtjes, gesprongen ramen etc. het gevolg zouden zijn van trillingen en zettingsproblemen ontstaan bij de door gedaagden uitgevoerde werkzaamheden. Het Consortium en Heijmans c.s. betwisten dat uit de door de Grontmij op 8 maart 2013 opgemaakte bouwkundige rapportage, productie 19 bij de dagvaarding, volgt dat de op de foto’s zichtbare scheuren een gevolg zouden zijn van de door of namens het Consortium en Heijmans c.s. uitgevoerde werkzaamheden. De rapportage van Grontmij biedt geen enkele onderbouwing van het door [eiser] gestelde causale verband tussen de door of namens het Consortium en Heijmans c.s. uitgevoerde werkzaamheden en de door [eiser] gestelde schade;

- te hebben gehandeld in strijd met de artikelen 5:38 en 5:39 BW; Heijmans c.s. alleen al omdat zij geen eigenaar is;

- dat sprake is van onrechtmatige hinder. Het Consortium en Heijmans c.s. verwijzen naar het arrest van de Hoge Raad van 21 oktober 2005, JOR 2006/116;

- dat nu er geen vooropname is gedaan alle eventuele schade aan de gebouwen van [eiser] aan gedaagden toegerekend kan worden;

- dat door de door of namens het Consortium en Heijmans c.s. uitgevoerde werkzaamheden infrastructuur, waaronder de drainage van [eiser], zouden hebben genegeerd, beschadigd en verbroken;

- dat de in de rapportage van Arcadis van 8 maart 2013 voorgestelde maatregelen niet uitvoerbaar zouden zijn;

- dat zij verplichtingen uit hoofde van artikel 8 van de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten en artikel 4.1 lid 1 sub a van de Keur watersysteem Waterschap Scheldestromen 2012 hebben geschonden en dat in strijd zou zijn gehandeld met de hemelwaterzorgplicht;

- zij artikel 1 eerste protocol bij het EVRM hebben geschonden, nog afgezien van het feit dat dit artikel ziet op de relatie burger-staat en het Consortium en Heijmans c.s. niet regardeert;

- dat door het Consortium en Heijmans c.s. uit te voeren bouwwerkzaamheden leiden tot een zodanige verstoring van de waterhuishouding op de huiskavel van [eiser] dat dit schade tot gevolg zou hebben.

[eiser] laat bovendien steeds na te stellen welke gedaagde welk verwijt kan worden gemaakt, welke schending van welke verplichting tot de door hem gestelde schade heeft geleid en of voldaan is aan het relativiteitsvereiste ex. artikel 6:163 BW.

Het Consortium en Heijmans c.s. stellen voorts gemotiveerd dat de vorderingen zodanig zijn geformuleerd dat toewijzen daarvan belangen van niet in de procedure betrokken derden raakt, en dus veel te ruim geformuleerd zijn. Als de vorderingen worden beperkt tot aan het Consortium in eigendom toebehorende gronden is onduidelijk of toewijzing daarvan leidt tot oplossing van de door [eiser] gestelde problematiek.

Indien en voor zover komt vast te staan dat [eiser] schade lijdt kan dit, gelet op de omstandigheden, slechts leiden tot het toewijzen van schadevergoeding en niet tot herstel in de oude toestand. Voorts betwisten het Consortium en Heijmans c.s. gemotiveerd dat door hen zeer intensieve bemaling zou hebben plaatsgevonden. Het door [eiser] als productie 47 in het geding gebrachte artikel is niet van toepassing op de situatie van [eiser].

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank passeert het primaire verweer van de Gemeente dat het voor [eiser] niet mogelijk is om procedures als de onderhavige jegens haar aanhangig te maken omdat het uit hoofde van de Overeenkomst betaalde geldbedrag tevens strekt tot vrijwaring van de Gemeente voor alles wat met de ontwikkeling van de Mortiere te maken heeft. In de overeenkomst is weliswaar onder artikel 16 lid 1 opgenomen dat in de koopprijs tevens alle overige denkbare (schade) vergoedingen, kosten van juridische hulp en bijstand en alle overige deskundigenkosten zijn begrepen, maar de rechtbank is van oordeel dat daaronder niet ook begrepen is eventuele voor [eiser] ontstane schade als gevolg van toerekenbaar tekortkomen of onrechtmatig handelen door de Gemeente.

4.2.

Ten aanzien van de vordering van [eiser] de Gemeente te veroordelen om met [eiser] in overleg te treden over de bebouwing van de huiskavel overweegt de rechtbank als volgt. Ingevolge de door de Gemeente met de rechtsvoorgangster van [eiser] gesloten overeenkomst, artikel 16 lid 3 onder a, heeft de Gemeente [moeder eiser] gegarandeerd, zodra uitbreiding van de woningvoorraad in de categorie vrije sector woningen voor de Gemeente beschikbaar is, op een daartoe strekkend verzoek van haar of haar rechtsopvolger zich in alle opzichten maximaal in te spannen dat de huiskavel van [moeder eiser] kan worden bebouwd met maximaal 15 woningen. Ingevolge artikel 16 lid 3 a en b in onderlinge samenhang gelezen waren daaraan wel de volgende voorwaarden verbonden; er moest binnen de plantermijn 2000-2010, maar niet voor 2005 en uiterlijk met ingang van 1 januari 2007, een uitbreiding beschikbaar komen en [moeder eiser], althans haar rechtsopvolgsters moest(en) binnen 1 jaar na de brief van de Gemeente met de mededeling dat de uitbreiding beschikbaar was, een ontvankelijk verzoek om medewerking tot het in bouwexploitatie brengen van de huiskavel bij de Gemeente indienen. Als onbestreden staat vast dat de Gemeente bij brief van 23 oktober 2009, geadresseerd aan de erven van [moeder eiser], en niet aan één van hen zoals [eiser] stelt, meegedeeld heeft dat de woningbouwplannen op de huiskavel zouden kunnen worden gerealiseerd. Door [eiser] is niet gesteld dat deze brief niet is verzonden binnen de in artikel 16 lid 3 onder b genoemde termijn van 14 dagen nadat de Gemeente met de uitbreiding bekend is geworden. De Gemeente moet dan ook geacht worden aan de voor haar uit voormeld artikel voortvloeiende verbintenis te hebben voldaan. Voorts staat vast dat de erven niet binnen de termijn van één jaar, die naar het oordeel van de rechtbank afliep op 23 oktober 2010 en niet op 1 januari 2010 nu 1 januari 2010 ziet op de plantermijn waarbinnen de uitbreiding ter beschikking moest komen en niet op de uiterlijke verzenddatum als bedoeld in lid 3b, een plan als bedoeld in lid 3b hebben ingediend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de toezegging als bedoeld in sub a van artikel 16 lid 3 is komen te vervallen. Het standpunt van [eiser] dat de Gemeente tekort geschoten zou zijn in de nakoming van de op haar rustende verbintenis uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst omdat de Gemeente de brief met betrekking tot het beschikbaar komen van de woningvoorraad niet tussen 1 januari 2005 en 1 januari 2007 heeft verzonden rust naar het oordeel van de rechtbank op een onjuiste lezing van het artikel. De uitleg van de bepaling door [eiser] zou inhouden dat, nu kennelijk in de periode tussen 2005 en 2007 geen uitbreiding beschikbaar is gekomen de Gemeente in het geheel niet meer gehouden was een brief te verzenden. Immers, ingevolge de tekst van artikel 16 lid 3 onder a en b in onderlinge samenhang gelezen was de Gemeente niet eerder gehouden de brief met betrekking tot de beschikbaar gekomen uitbreiding te verzenden binnen 14 dagen nadat de Gemeente van die uitbreiding in kennis werd gesteld. De stellingen van [eiser] dat de Gemeente niet langer belang zou hebben bij de in de Overeenkomst genoemde termijnen is gebaseerd op niet nader onderbouwde veronderstellingen en is overigens zondermeer niet een omstandigheid op grond waarvan de in de overeenkomst overeengekomen termijnen tussen partijen niet langer zouden gelden. De rechtbank zal gelet op het vorenstaande de vordering van [eiser] geformuleerd onder III afwijzen.

4.3.

[eiser] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat de Gemeente toerekenbaar tekortkomt in de nakoming van de Overeenkomst gesteld dat als gevolg van de werken het zonder nadere maatregelen realiseren van de ingevolge artikel 16 lid 3 van de overeenkomst door [eiser] op de huiskavel te realiseren woningbouw onmogelijk is geworden. Gelet op hetgeen vorenstaand onder rechtsoverweging 4.2. is overwogen is de mogelijkheid tot woningbouw op de huiskavel komen te vervallen en is van een toerekenbare tekortkoming door de Gemeente zoals door [eiser] aangevoerd alleen al daarom geen sprake. De vordering jegens de Gemeente geformuleerd onder I zal dus worden afgewezen.

4.4.

[eiser] baseert zijn vorderingen II en IV tot en met VII op onrechtmatig handelen door gedaagden. Gedaagden handelen volgens [eiser] onrechtmatig omdat er als gevolg van het uitvoeren van de werken door, althans in opdracht van gedaagden (ernstige) wateroverlast op zijn huiskavel ontstaat en er trillingen worden veroorzaakt en anderzijds omdat zij inbreuk maken op diverse wettelijke bepalingen als gevolg waarvan hij schade lijdt. De rechtbank overweegt dat voor toewijzing van de vorderingen van [eiser] moet komen vast te staan dat sprake is van een zodanig (ernstige) wateroverlast dat sprake is van onrechtmatige hinder en dat er maatregelen moeten worden getroffen om deze te voorkomen. Voorts moet komen vast te staan dat deze wateroverlast wordt veroorzaakt door handelingen van gedaagde(n), althans handelingen die in opdracht van gedaagden zijn uitgevoerd, dat de wateroverlast voor [eiser] schade heeft veroorzaakt althans veroorzaakt en dat door het uitvoeren van de gevorderde maatregelen de wateroverlast zal zijn beëindigd.

Met betrekking tot de vraag of sprake is van wateroverlast overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat de werkzaamheden op de de huiskavel van [eiser] omringende percelen zijn aangevangen in 2007. Toen is volgens [eiser] met het ophogen van diverse percelen begonnen. Ter gelegenheid van het pleidooi is ook zijdens het Consortium aangegeven dat in 2006/2007 en of in 2007/2008 met de voorbelasting van de de huiskavel omringende percelen is begonnen. Volgens het Consortium en Heijmans c.s. zijn de infrastructurele werken vervolgens eind 2009 gestart, het bouwrijp maken begin 2011 en de bouw van de woningen is eind 2011 gestart. Zijdens het Consortium is ter gelegenheid van het pleidooi, hetgeen onbestreden is gebleven, meegedeeld er met [eiser] steeds, vanaf de aanvang van de werkzaamheden in 2006/2007 overleg is geweest over de aard van de uit te voeren werkzaamheden om zo te komen tot een uitvoering waarbij hij zo weinig mogelijk hinder zou ondervinden. Vanaf het laatste kwartaal 2011 tot en met het laatste kwartaal 2012 is, zo is door het Consortium en Heijmans c.s. onbestreden gesteld, het overleg geïntensiveerd maar heeft [eiser] vóór eind 2012 nooit over wateroverlast op zijn huiskavel geklaagd. Het Consortium heeft voorts onbestreden gesteld dat [eiser] in december 2012 heeft meegedeeld tot op dat moment nog geen schade te hebben ondervonden. Dit heeft het Consortium in de brief aan de advocaat van [eiser] van 21 januari 2013 ook meegedeeld. Dit is door de advocaat van [eiser] kennelijk, althans dat is door [eiser] niet gesteld en het is ook niet gebleken, niet weersproken. Door de Gemeente is, eveneens onbestreden, gesteld dat [eiser] slechts kort na de zeer natte decembermaand 2012 in de maanden februari/maart 2013 bij de Gemeente heeft geklaagd over wateroverlast. Volgens de Gemeente heeft [eiser] daarvoor en ook daarna, ook niet in de volgens de Gemeente zeer natte maanden oktober en november 2013, over wateroverlast geklaagd. Van de gebouwen die zich op de huiskavel van [eiser] bevinden zijn in maart 2013 twee bouwkundige (voor) opnames gemaakt, één in opdracht van (de advocaat) van [eiser], door Grontmij, en één in opdracht van het Consortium, door Quattro. Uit geen van beide rapportages volgt dat sprake is van schade als gevolg van vocht, noch van de schade zoals door [eiser] opgesomd in de dagvaarding onder punt 12 die hij als gevolg van de voortdurende wateroverlast zou lijden. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van wateroverlast op zijn huiskavel slechts een aantal foto’s overgelegd. Gelet op deze foto’s is wel aannemelijk dat er op de huiskavel van [eiser] op enig moment, in december 2012, sprake is geweest van wateroverlast, maar dit is onvoldoende, gelet op de gemotiveerde betwisting door gedaagden, om aan te nemen dat er structureel sprake is van een zodanige wateroverlast dat deze door [eiser] niet behoeft te worden geduld en maatregelen noodzakelijk zijn. Het is veeleer aannemelijk dat deze wateroverlast is ontstaan als gevolg van extreme regenval in de maand december 2012. De rechtbank passeert het standpunt van [eiser] dat de bewijslast met betrekking tot de wateroverlast door de toepasselijkheid van de omkeringsregel op gedaagden rust. De omkeringsregel houdt in, dat het causale verband tussen een geschonden norm en schade wordt aangenomen indien er sprake is van een gedraging die in strijd is met een concrete norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade en dat degene die zich op schending van deze norm beroept ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het specifieke gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden zich heeft verwezenlijkt. Het is dan aan degene die op grond van die gedraging wordt aangesproken om te stellen en te bewijzen dat de schade ook zonder de gedraging zou zijn ontstaan. De omkeringsregel ziet niet op het bewijs van het door de geleadeerde gestelde schade toebrengende feit, hier de wateroverlast. Nu niet is komen vast te staan dat sprake is van wateroverlast komt de rechtbank aan de beoordeling van de omstandigheid of de wateroverlast wordt veroorzaakt door handelingen van gedaagde(n), althans handelingen die in opdracht van gedaagden zijn uitgevoerd, de wateroverlast voor [eiser] schade heeft veroorzaakt althans veroorzaakt en of door het uitvoeren van de gevorderde maatregelen de wateroverlast zal zijn beëindigd niet toe. Dat geldt ook voor de vraag of gedaagden hebben gehandeld in strijd met het bepaalde in 5:38 en 5:39 BW, artikel 33.5. Waterwet, artikel 4.1 lid 1 sub a van de Keur watersysteem Waterschap Scheldestromen 2012 en artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM. Door het Consortium en Heijmans c.s. is bestreden dat zij schade zouden hebben toegebracht aan de drainage van [eiser]. Door [eiser] is deze schade niet onderbouwd, hetgeen gelet op de betwisting wel op zijn weg had gelegen. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de beoordeling of gedaagden zouden hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten, dit nog afgezien van het feit dat de normen uit deze wettelijke regeling beogen bescherming te bieden tegen leveringsonderbrekingen, veiligheid en milieuproblematiek en niet beogen bescherming te bieden tegen schade aan drainage.

Gelet op het vorenstaande zullen de vorderingen van [eiser] voor zover die zijn gegrond op wateroverlast worden afgewezen.

4.5.

Door [eiser] is voorts nog aangevoerd dat hij schade lijdt, althans heeft geleden als gevolg door trillingen en zettingsproblemen veroorzaakt door in de nabije omgeving van zijn huiskavel verrichte graafwerkzaamheden. De rechtbank overweegt, dat, zoals vorenstaand is vermeld, er twee bouwkundige (voor)opnames zijn gemaakt. Vorenstaande rapportages onderbouwen echter niet de stellingen van [eiser] bij dagvaarding dat de werken op de aangrenzende percelen trillingen en zettingsproblemen met zich hebben meegebracht met als gevolg dat de gevels van de gebouwen zijn gescheurd, de houten constructie van het dak is geknakt, ruiten zijn gesprongen, met uitzondering van het ruitje in de schuur, de grote mendeuren niet meer kunnen worden geopend en gesloten en dat voorzieningen moeten worden getroffen met het oog op het voorkomen van binnendringen van hemelwater in de opstallen en herstel van bouwschade zoals opgesomd onder punt 14 van de dagvaarding. Gelet op het vorenstaande is niet komen vast te staan dat de infrastructurele werkzaamheden op de aangrenzende percelen de door [eiser] gestelde schade hebben veroorzaakt. Quattro expertise stelt wel vast dat een klein raam in een betonnen kozijn aan de achterzijde van de schuur zeer recent gebroken is getuige de glassplinters op het opgeslagen hout en het maaiveld direct onder het raam. Ook troffen de onderzoekers van Quattro scheurvorming in het metselwerk van het achterste deel van de schuur aan dat mogelijk recent is ontstaan. Dat betreft volgens Quattro expertise alleen de achterste 5 meter van de schuur. Quattro expertise heeft in de inleiding van de rapportage vermeld dat om het standpunt van [eiser] dat deze schade is ontstaan door graafwerkzaamheden aan de achterzijde van zijn perceel te kunnen staven of ontkrachten nader onderzoek is vereist. Dat onderzoek heeft niet plaatsgevonden en ter gelegenheid van het pleidooi is gebleken dat [eiser] (voorlopig) heeft afgezien van het voorlopig deskundigenonderzoek dat ook zag op overlast als gevolg van trillingen, hoe die zijn veroorzaakt, de gevolgen daarvan en hoe die ongedaan kunnen worden gemaakt. Gelet op het vorenstaande is niet komen vast te staan dat de schade in de achterste 5 meter van de schuur het gevolg is van het graven van de sloten door het Consortium. De rechtbank passeert het standpunt van [eiser] dat het aan gedaagden is om aan te tonen dat de door hem geleden overlast niet het gevolg is van de door gedaagden geschonden zorgvuldigheidsnormen en door hen verzaakte onderzoeksplicht. Met betrekking tot de omkering van de bewijslast die [eiser] hier kennelijk beoogt verwijst de rechtbank naar hetgeen daaromtrent vorenstaand onder rechtsoverweging 4.4. heeft overwogen. Nog afgezien daarvan leidt het verrichten van de graafwerkzaamheden zonder nader onderzoek en vooropname, in tegenstelling tot hetgeen [eiser] aanneemt, niet zondermeer tot aansprakelijkheid. Dat is het geval als men niet zeker is of mag zijn dat schade als gevolg van de werkzaamheden zal uitblijven. [eiser] stelt ter onderbouwing van het feit dat voor gedaagden voorzienbaar was dat schade op zou treden omdat de opstallen op staal zijn gefundeerd. [eiser] heeft dit standpunt onvoldoende onderbouwd. Het als productie 47 in het geding gebrachte artikel van Fugro ziet op werkzaamheden in stedelijk gebied. Niet is sprake van een daarmee vergelijkbare situatie. Gedaagden hebben [eiser] voorts, bij brief van het Consortium van 22 februari 2013 op de hoogte gesteld van de komende werkzaamheden en aangegeven tot wie hij zich met vragen met betrekking tot de uitvoering van de werkzaamheden kon wenden en een telefoonnummer vermeld. Voorts is in die brief aangegeven tot wie hij zich met overige vragen kon wenden. Uit het door het Consortium als productie 5 overgelegde e-mail bericht blijkt voorts dat er voorafgaand aan de werkzaamheden omtrent de uitvoering daarvan met [eiser] is gesproken in het kader waarvan hem de plannen zijn toegelicht en de startdatum van 27 februari 2013 is meegedeeld. Nadat door [eiser] op 1 maart 2013 werd meegedeeld dat hij tijdens het graven van de sloot op 28 februari 2013 trillingen had geconstateerd zijn op aangeven van [eiser] de werkzaamheden direct stopgezet. De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat het Consortium geen onzorgvuldig handelen kan worden verweten. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat is voorzien in werkzaamheden ter voorkoming van schade voor [eiser] genoemd in de rapportage van Arcadis en niet is komen vast te staan dat deze niet uitvoerbaar zijn

4.6.

De rechtbank overweegt dat nu niet is komen vast te staan dat [eiser] schade heeft geleden, althans lijdt of zal lijden, als gevolg van de door gedaagden, althans in opdracht van gedaagden verrichte en nog te verrichten werkzaamheden, de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.

4.7.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank zal de vordering van de Gemeente [eiser] te veroordelen in alle proceskosten en niet slechts in de proceskosten berekend aan de hand van de gebruikelijke forfaitaire vergoeding afwijzen. De rechtbank verwijst naar hetgeen vorenstaand in rechtsoverweging 4.1. is overwogen. De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op:

- griffierecht € 589,00

- kosten advocaat € 904,00 (2,0 punten x tarief € 452,00)

Totaal: € 1.493,00

De kosten aan de zijde van Consortium en Heijmans c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 589,00

- kosten advocaat € 904,00 (2,0 punten x tarief € 452,00)

Totaal: € 1.493,00.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 1.493,00, te vermeerderen met de nakosten begroot op € 131,00, en op € 199,00 indien[xxx] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, te voldoen binnen 14 dagen na de betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan zowel de proceskosten als de nakosten worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling en aan de zijde van het Consortium en Heijmans c.s. tot op heden begroot op € 1.493,00;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2014.

MdB