Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:7072

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
02-10-2014
Datum publicatie
24-05-2017
Zaaknummer
AWB 14_2363
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:2229, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoger beroep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 14/2363 GBA

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], [woonplaats], eiser

gemachtigde: mr. E.S. van Aken

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 19 februari 2014, verzonden 3 maart 2014 (bestreden besluit), inzake de afwijzing van het verzoek van eiser om de geboortedata van zijn echtgenote en zes kinderen te wijzigen in de gemeentelijke basisadministratie.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 9 september 2014.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. R.J. Wesel en [tweede vertegenwoordiger].

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Van de echtgenote van eiser en van zes (in [geboorteplaats] geboren) kinderen van eiser is in de gemeentelijke basisadministratie alleen het geboortejaar opgenomen. Bij de dag en de maand is telkens dubbel nul (“00”) vermeld.

Op 11 juli 2013 heeft eiser verzocht om als geboortedatum in te vullen 1 januari of 1 juli, overeenkomstig de gegevens van de IND.

Bij het primaire besluit van 30 september 2013, verzonden 10 oktober 2013, heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

2. Eiser heeft gewezen op de problemen die zijn gezinsleden ondervinden bij het verkrijgen van onder meer zorgtoeslag en studiefinanciering indien zij geen reële geboortedatum kunnen invullen. Hij heeft een beroep gedaan op de op 6 januari 2014 in werking getreden Wet basisregistratie personen (Wbp), waarin - in artikel 2.17 - zakelijk weergegeven is bepaald dat bij de inschrijving van een vreemdeling uitgegaan mag worden van de gegevens in het dossier van de IND. Deze bepaling dient volgens hem ook van toepassing te zijn op eerder gedane inschrijvingen. Voor zover geoordeeld moet worden dat geen sprake kan zijn van terugwerkende kracht dan moet deze bepaling onverbindend geacht worden omdat alsdan een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt, aldus eiser.

3. Ingevolge artikel 24 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de Wet gba), welke wet op 6 januari 2014 door de Wbp is vervangen, geschiedt de inschrijving in een basisadministratie op grond van de geboorteakte, de aangifte van de betrokkene of ambtshalve.

Ingevolge artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1˚, van de Wet gba worden in de basisadministratie van de gemeente van inschrijving over de ingezetene gegevens over de burgerlijke staat opgenomen. In bijlage I staat vermeld dat onder gegevens over de burgerlijke staat onder meer de geboortedatum valt.

Ingevolge artikel 36, tweede lid, van de Wet gba worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

Ingevolge artikel 82, eerste lid van de Wet gba voldoet het college binnen vier weken kosteloos aan het verzoek van betrokkene hem betreffende gegevens in de basisadministratie te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen, indien deze feitelijk onjuist dan wel onvolledig zijn of in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

Ingevolge artikel 82, tweede lid van de Wet gba geeft het college aan het verzoek uitvoering met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de eerste afdeling van hoofdstuk 2 (artikel 24 tot en met 52).

In artikel 2.17 van de Wbp is bepaald dat bij de inschrijving van een vreemdeling op grond van artikel 2.4, gegevens inzake de geboortedatum en de nationaliteit die niet als zodanig kunnen worden opgenomen overeenkomstig de artikelen 2.8 en 2.15, worden ontleend aan een mededeling daarover van Onze Minister van Veiligheid en Justitie voor zover deze gegevens door hem zijn vastgesteld in het kader van de toelating van de betrokkene tot Nederland.

Artikel 2.4, eerste lid, van de Wbp is bepaald dat degene die rechtmatig verblijf geniet, niet in de basisregistratie is ingeschreven en naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zal houden, op grond van zijn aangifte van verblijf en adres wordt ingeschreven in de basisregistratie door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn adres heeft.

In artikel 2.8, tweede lid, van de Wbp is een aan artikel 36, tweede lid, van de Wet gba gelijkluidende bepaling opgenomen.

In artikel 2.58, eerste en tweede lid, van de Wbp zijn aan artikel 82, eerste en tweede lid, van de Wet gba gelijkluidende bepalingen neergelegd.

4. De inschrijving van de echtgenote en de kinderen van eiser in de gemeentelijke basisadministratie heeft plaatsgevonden onder de gelding van de Wet gba. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 19 maart 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:944), is het doel van de Wet gba dat gegevens in de basisadministratie zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Zoals de AbRS in diezelfde zaak heeft overwogen, met verwijzing naar de uitspraak van 6 januari 2010 in zaak nr. 200904046/1/H3, kan het bewijs dat eenmaal in de basisadministratie opgenomen gegevens feitelijk onjuist zijn, slechts worden geleverd door overlegging van de juiste brondocumenten. Voor het wijzigen van eenmaal in de basisadministratie geregistreerde gegevens zal gelet op het systeem van de Wet gba onomstotelijk moeten vaststaan dat deze feitelijk onjuist zijn.

Eiser heeft in de bezwaarfase noch in de beroepsfase dergelijke brondocumenten overgelegd.

5. De beslissing op bezwaar is genomen onder de gelding van de Wbp. De bepalingen voor wat betreft het inschrijven van documenten in de basisregistratie en het wijzigen van dergelijke gegevens zijn inhoudelijk niet gewijzigd. De rechtbank ziet derhalve aanleiding voor het oordeel dat het in de jurisprudentie ontwikkelde uitgangspunt, zoals hiervoor is weergegeven, onverminderd van toepassing blijft ten aanzien van verzoeken tot wijziging die aan de Wbp moeten worden getoetst.

Alleen voor nieuwe inschrijvingen van vreemdelingen op de voet van artikel 2.4 van de Wbp is in artikel 2.17 van de Wbp een - ten opzichte van de Wet gba - gunstiger regeling neergelegd. De echtgenote en kinderen van eiser waren echter al ingeschreven onder de gelding van de Wet gba en het inleidende verzoek was dan ook gericht op wijziging van die inschrijving. In de Wbp is echter geen regeling opgenomen waarmee met terugwerkende kracht inschrijvingen uit het verleden kunnen worden gewijzigd met toepassing van de in artikel 2.17 van de Wbp neergelegde regeling. De wetgever heeft hier niet voor gekozen en heeft evenmin een overgangsregeling getroffen.

Eiser heeft gesteld dat de nieuwe Wbp onverbindend is vanwege het ontbreken van die terugwerkende kracht, maar het is de rechtbank niet toegestaan de innerlijke waarde van de wet te toetsen. De rechtbank kan deze beroepsgrond slechts bespreken voor zover wordt aangevoerd dat de Nederlandse wetgever keuzes heeft gemaakt die strijdig zijn met in internationale bepalingen neergelegde rechtsbeginselen. Eiser heeft dit echter niet aangevoerd.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat vanaf het moment van inschrijving in de basisadministratie documenten worden gebaseerd op de desbetreffende gegevens. Het met terugwerkende kracht wijzigen van die documenten is niet een probleem dat zich kan voordoen na de inschrijvingen onder de huidige gunstiger regeling in de Wbp. Van een ongerechtvaardigd onderscheid zoals door eiser is betoogd, tussen oude en nieuwe gevallen, is reeds daarom dan ook geen sprake.

6. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep van eiser ongegrond is.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.M. van Lanen, rechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2014.

P.H.M. Verdonschot, griffier J.J.M. van Lanen, rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.