Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:6814

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
02-10-2014
Datum publicatie
08-10-2014
Zaaknummer
AWB 13_7500
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voldoende en concreet belang bij drempelverwijdering vaarweg Boontjes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 13/7500 WATER

uitspraak van 2 oktober 2014 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

de vennootschappen “[naam vennootschap1]”, “[naam vennootschap2]” en

“[naam vennootschap3]”, alle te [plaats], eiseressen,

gemachtigde: mr.[naam gemachtigde],

en

de Minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder.

Procesverloop

Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van 18 november 2013 (bestreden besluit) inzake het projectplan voor de verwijdering van de drempel in de vaarweg Boontjes, tweede fase.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 21 augustus 2014. Namens eiseressen zijn verschenen[naam persoon1],[naam persoon2],[naam persoon3] en de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door[naam vertegenwoordiger].

Overwegingen

1.

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 12 juli 2012 heeft de minister het projectplan voor de verwijdering van de drempel in de vaarweg Boontjes, eerste fase, vastgesteld. Tegen dit besluit hebben, onder meer, eiseressen beroep ingesteld bij deze rechtbank. Eiseressen huren en exploiteren mosselpercelen binnen het gebied waarop het projectplan betrekking heeft.

In haar uitspraak van 11 april 2014 (ECLI:NL:RBZWB:2014:2490) heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat de door de minister gekozen wijze van monitoring voldoende zorgvuldig is om te bezien of de uitvoering van het projectplan eerste fase schade aan de percelen veroorzaakt. Eiseressen hebben tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

In de periode van oktober tot december 2012 is het projectplan eerste fase uitgevoerd. Dit betrof de baggervakken 1 (zuidelijke deel) en 2 (middelste deel). Het projectplan tweede fase, waarop onderhavig beroep ziet, betreft het derde baggervak. In de periode van oktober tot december 2013 is dat projectplan uitgevoerd. De werkzaamheden zijn afgerond.

Bij besluit van 13 mei 2013 (primair besluit) heeft de minister besloten het projectplan voor de verwijdering van de drempel in de vaarweg Boontjes, tweede fase, vast te stellen en uit te voeren in overeenstemming met het bepaalde in dit projectplan.

Bij het thans bestreden besluit heeft de minister de bezwaren van eiseressen ongegrond verklaard.

2.

Eiseressen hebben in beroep aangevoerd dat het monitoringsplan niet toereikend is, omdat niet gemonitord wordt op de ondiepe gedeeltes van de mosselpercelen. Daarnaast hebben zij aangevoerd dat de mosselpercelen door het uitdiepen en verbreden van de vaargeul in de Boontjes van weinig betekenis worden voor het opkweken van mossels omdat in de diepe delen van de vaargeul de stroomsnelheden te hoog kunnen worden en omdat in het ondiepe deel door de expositie op het noordwesten de golfslag tijdens noordwesterstorm te sterk is.

3.

De minister heeft zich primair op het standpunt gesteld dat eiseressen geen procesbelang (meer) hebben. Daartoe stelt de minister dat de werkzaamheden zijn afgerond en dat het projectplan daarmee is uitgewerkt. Een gegrond beroep kan daarom voor eiseressen niet tot een positief resultaat leiden. Het herstellen van eventuele gebreken aan het effectonderzoek en het alsnog opnemen van de door eiseressen gewenste vorm van monitoring dient, nu de werkzaamheden reeds zijn uitgevoerd, geen doel. Overigens is tot op heden niet gebleken dat eiseressen schade hebben geleden als gevolg van de uitgevoerde werkzaamheden. Ook daarin is derhalve geen belang gelegen, aldus de minister.

4.

Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat beroep bij de rechtbank tegen een besluit open voor een belanghebbende.

Ingevolge artikel 1:2 van de Awb is belanghebbende degene wiens belang rechtstreeks betrokken is bij een besluit.

5.

Voorafgaand aan de vaststelling van het projectbesluit eerste fase heeft de minister onderzoek laten verrichten. Dat onderzoek heeft geresulteerd in een MER-beoordeling en in een, onder verantwoordelijkheid van[naam persoon4] en [naam persoon5] (beiden werkzaam bij [naam instantie]) opgesteld, rapport met de titel “Drempelverwijdering vaarweg Boontjes” gedateerd 27 maart 2012. Hieruit heeft de minister afgeleid dat de drempelverwijdering – en het transport en het deponeren van het baggermateriaal – geen negatieve effecten heeft voor de binnen het betrokken gebied gelegen mosselpercelen.

Desondanks heeft verweerder in het bestreden besluit uitdrukkelijk verklaard dat de mossel-aantallen via een reguliere verkenning van de mosselstand in de Waddenzee zullen worden gemonitord. Dit zal geschieden door meting van de verandering van de bodemstructuur, om te bezien of een significante sedimentatie plaatsvindt. Deze metingen zijn uitgevoerd en daaruit is geen schade gebleken.

6.

De rechtbank is van oordeel dat eiseressen geen voldoende concreet en actueel belang hebben bij de onderhavige beroepsprocedure. Eiseressen hebben hun stelling, dat schade aan de mosselpercelen zou kunnen zijn aangetoond als anders of uitgebreider gemonitord was, op geen enkele wijze onderbouwd. Dit klemt temeer gezien de resultaten van de metingen zoals die door de minister hebben plaatsgevonden. Eiseressen hebben geen feitelijke schade aannemelijk gemaakt of daartoe een begin van bewijs geleverd. De rechtbank volgt de gemachtigde van eiseressen niet in de opvatting dat zij daartoe geen mogelijkheden hadden, gelet op hetgeen ter zitting is verklaard.

7.

Het beroep zal niet-ontvankelijk worden verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang.

8.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, voorzitter, en mr. C.A.F. van Ginneken en mr. J.F.I. Sinack, leden, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.