Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:677

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-02-2014
Datum publicatie
25-02-2014
Zaaknummer
AWB- 14_190 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De gebrekkige motivering van de weigering van het pgb kan in het besluit op bezwaar worden hersteld.

Betrokkene is zelf niet in staat tot het voeren van de regie over zijn zorg. Hij heeft voor het voeren van het beheer van het aangevraagde pgb de hulp ingeroepen van een pgb-beheerder die beschikt over het keurmerk voor pgb-bureaus van het Keurmerkinstituut. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoet het keurmerk voor pgb-bureaus niet aan de waarborg zoals omschreven in de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 14/190 VV AWBZ

Uitspraak van 6 februari 2014 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker], te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. M.A. Faas,

en

CZ Zorgkantoren (CZ), verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2 december 2013 (bestreden besluit) van CZ inzake de weigering hem een persoonsgebonden budget (pgb) toe te kennen. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 29 januari 2014. Voor verzoeker is zijn gemachtigde verschenen. CZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam vertegenwoordiger]. Verder is aanwezig [naam persoon], medewerker bij v.o.f. Buitenkans (verder Buitenkans) en tevens bestuurder van de Coöperatie van ondernemers in de kleinschalige zorg in Zeeland (verder de Coöperatie).

Overwegingen

1.

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker, geboren [geboortedatum], ontving tot september 2013 zorg in natura bij een woon/zorgvoorziening van Elios in [plaatsnaam]. Wegens opheffing van deze voorziening heeft verzoeker een andere woon/zorgvoorziening gezocht en gevonden bij Le Séjour te [plaatsnaam]. Le Séjour heeft geen contract met CZ. Verzoeker heeft daarom een pgb-aanvraag ingediend bij CZ. Voor het beheer van het pgb heeft hij een overeenkomst gesloten met de heer [naam persoon] van Buitenkans. Le Séjour en Buitenkans zijn beide lid van de Coöperatie.

Op 15 november 2013 heeft verzoeker bij CZ een bewuste keuze gesprek gevoerd.

Bij besluit van 2 december 2013 heeft CZ geweigerd het gevraagde pgb toe te kennen.

2.

Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat CZ bij een afwijzing niet kan volstaan met te verwijzen naar één van bovengenoemde redenen. Dat is in strijd met het motiveringsbeginsel. Ervan uitgaande dat de afwijzing is gebaseerd op het standpunt dat verzoeker niet in staat is op behoorlijke wijze rekening en verantwoording af te leggen over de besteding van het pgb voert verzoeker aan dat hij bij het beheer van het pgb wordt begeleid door Buitenkans. Voor zover de afwijzing is gebaseerd op het ontbreken van een verklaring aansprakelijkheid derde is verzoeker van mening dat die verklaring niet op voorhand zonder enig nader onderzoek vereist is. Een aansprakelijkheidsverklaring van een derde gaat verder dan het waarborgen van de verplichtingen verbonden aan een pgb. Buitenkans heeft alleen verplichtingen ten opzichte van de budgethouder. Er bestaat geen directe lijn tussen de derde en het zorgkantoor. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst verzoeker naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1780). Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht te beslissen dat met spoed een pgb wordt toegekend of te beslissen dat het bezwaar gegrond wordt verklaard.

3.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

4.

Artikel 3:46 van de Awb luidt:

Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Artikel 4:35, eerste lid, van de Awb luidt:

1.

De subsidieverlening kan in ieder geval worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:

a. de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;

b. de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

c. de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn.

5.

Gelet op het feit dat verzoeker in een niet gecontracteerde instelling verblijft en niet beschikt over een pgb om dat verblijf te betalen is de voorzieningenrechter van oordeel dat er sprake is van onverwijlde spoed als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid van de Awb.

Met betrekking tot de grief dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

In het bestreden besluit worden de onderdelen a tot en met c van artikel 4:35 van de Awb genoemd. De motivering van de weigering van het pgb houdt in dat er sprake is van een van de onderdelen van artikel 4:35, eerste lid, van de Awb. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de motivering van het bestreden besluit onvoldoende toegespitst op de situatie van eiser. Daaruit volgt dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd.

Een ondeugdelijke motivering kan echter in de bezwaarfase worden aangevuld of verbeterd. De gebrekkige motivering kan daarom geen aanleiding geven tot het toewijzen van de gevraagde voorziening.

De voorzieningenrechter zal vervolgens ingaan op het standpunt van verzoeker dat Buitenkans voldoende waarborg biedt voor het nakomen van de verplichtingen verbonden aan het pgb dat hij heeft aangevraagd.

Niet in geschil is dat eiser niet beschikt over de capaciteiten en bekwaamheden om zelf de regie te voeren over een pgb. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1488) kan iemand die niet zelf de regie kan voeren over het pgb de hulp inroepen van een derde, waarbij wel van belang is of sprake is van gewaarborgde hulp van derden. Daarvan is in ieder geval geen sprake indien de derde niet kan instaan voor de nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen, waaronder die welke betrekking hebben op de keuze van de zorgverlener, de kwaliteit van de zorg en de financiële verantwoording, waaraan inherent moet worden geacht dat eisen kunnen worden gesteld aan de integriteit van de derde. De Raad voegt hieraan toe dat deze waarborgen ook gelegen kunnen zijn in de erkende of bewezen capaciteiten van professionele hulpverleners of aanbieders van administratieve en financiële diensten.

Verzoeker heeft voor het voeren van het beheer van het aangevraagde pgb ter ondersteuning de hulp ingeroepen van Buitenkans.

Partijen zijn uitsluitend verdeeld over de vraag of Buitenkans de waarborg biedt als bedoeld in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, zodat verzoeker wordt gecompenseerd voor het gemis aan vermogen om zelf de regie te voeren en dat op die manier wordt bereikt dat verzoeker kan instaan voor de nakoming van de aan het pgb verbonden en op hem rustende verplichtingen.

CZ heeft Buitenkans gevraagd om een aansprakelijkheidsverklaring te ondertekenen om te waarborgen dat aan de verplichtingen van het pgb zal worden voldaan. Buitenkans heeft dat verzoek niet ingewilligd. Volgens verzoeker biedt Buitenkans voldoende waarborg omdat het een erkend cliëntondersteuner en pgb-beheerder is en beschikt over het keurmerk voor pgb-bureaus van het Keurmerkinstituut.

CZ heeft op 28 januari 2014 de rechtbank een pleitnotitie toegestuurd waarin alsnog een uitgebreide toelichting is gegeven. De afwijzing van het pgb heeft CZ gebaseerd op artikel 4:35, eerste lid, onderdeel c, van de Awb.

Het is de voorzieningenrechter gebleken dat om in aanmerking te kunnen komen voor het keurmerk voor pgb-bureaus, de pgb-beheerder dient te voldoen aan het keurmerkeisenpakket van het Keurmerkinstituut. Volgens het interpretatiedocument 9 maart 2012 van het keurmerkeisenpakket wordt met de diensten van een pgb-bureau bedoeld advies, bemiddeling en administratie. Verder blijkt uit de toelichting van het eisenpakket o.a. dat het pgb-bureau niet het hele proces mag overnemen van de budgethouder en dat de regie ligt bij de budgethouder. Het pgb-bureau dient zich ervan te vergewissen dat de budgethouder de consequenties begrijpt van de overeenkomst die wordt gesloten met het pgb-bureau (artikel 2.1 van het eisenpakket). De werkwijze van het pgb-bureau is duidelijk omschreven en is toegankelijk en inzichtelijk voor de budgethouder (artikel 3.3.2 van het eisenpakket).

Ter zitting heeft de bestuurder van Buitenkans meegedeeld dat het overnemen van de aansprakelijkheid van de budgethouder niet mogelijk is gelet op de eisen van het keurmerk. Ook verzekering van de aansprakelijkheid is niet mogelijk. Buitenkans kan daarom niet een aansprakelijkheidsverklaring ondertekenen.

De voorzieningenrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat het keurmerk voor pgb-bureaus niet voldoet aan de waarborg zoals omschreven in de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Uit de eisen van het keurmerk volgt dat Buitenkans niet kan voldoen aan de verplichting van financiële verantwoording. Overigens kan evenmin worden voldaan aan de andere door de Centrale van Beroep genoemde verplichtingen. De in deze jurisprudentie genoemde verplichtingen zijn verplichtingen die aan het pgb zijn verbonden. Dat houdt dus in verplichtingen ten opzichte van het zorgkantoor. De voorzieningenrechter verwerpt dan ook het standpunt van de gemachtigde van verzoeker dat de professionele hulpverlener alleen verplichtingen heeft jegens de budgethouder en niet jegens het zorgkantoor.

Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat Buitenkans ook feitelijk geen ondersteuning heeft geleverd bij het aanvragen van een pgb voor verzoeker, nu is gebleken dat na het verzoek om omzetting van zorg in natura naar een pgb het bijna twee maanden heeft geduurd voordat het ingevulde aanvraagformulier werd geretourneerd naar CZ.

De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat er gegronde reden bestaat om aan te nemen dat verzoeker onder deze omstandigheden niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn. Er is dan ook geen aanleiding om te veronderstellen dat het bestreden besluit, in het besluit op bezwaar aangevuld met de concrete, op verzoeker betrekking hebbende motivering, niet in stand zal kunnen blijven. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.M. Reinarz, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Bezemer-Kralt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.