Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:6752

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-10-2014
Datum publicatie
03-10-2014
Zaaknummer
C/02/277589 / FA RK 14-1172
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wijziging kinderbijdrage.

Nieuw gezin alimentatieplichtige; invloed daarvan op draagkracht berekeningsmethode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Zittingsplaats: Middelburg

zaak/reknr: C/02/277589 / FA RK 14-1172

beschikking d.d. 1 oktober 2014

in de zaak van

[partij A] (hierna: de vrouw),

wonende te [adres],

verzoekster,

advocaat: mr. E.H.M. Graafmans te Middelburg,

tegen:

[partij B] (hierna: de man),

wonende te [adres],

verweerder,

advocaat: mr. A.A. Broekman-de Feijter te Middelburg.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,

hierna te noemen: de Raad.

1 Het procesverloop

1.1

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

- het op 18 februari 2014 ingekomen verzoekschrift tot wijziging van kinderalimentatie en tot wijziging van de zorgregeling;

- het op 12 augustus 2014 ingekomen verweerschrift tegen het verzoek tot wijziging van kinderalimentatie en zorg-/contactregeling tevens houdende zelfstandige verzoeken;

- de brief, ingekomen d.d. 18 augustus 2014, van mr. Graafmans, met aanvullende stukken;

- het op 20 augustus 2014 door mr. Broekman-de Feijter ingediende F-formulier, met een aanvullend stuk;

- het op 21 augustus 2014 door mr. Graafmans ingediende F-formulier;

- het op 21 augustus 2014 door mr. Broekman-de Feijter ingediende F-formulier;

- het op 25 augustus 2014 door mr. Graafmans ingediende F-formulier, met een aanvullend stuk;

- het op 27 augustus 2014 door mr. Broekman-de Feijter ingediende F-formulier, met aanvullende stukken.

1.2

De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 29 augustus 2014. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig mevrouw C. van Tuijl namens de Raad.

2. De feiten

2.1

Partijen zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van de voormalige rechtbank Middelburg d.d. 24 augustus 2005 is in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 22 september 2005 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

2.2

Uit het huwelijk van partijen zijn de navolgende minderjarige kinderen geboren:

- [eerste kind], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum];

- [tweede kind], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum].

2.3

Bij beschikking van de voormalige rechtbank Middelburg d.d. 24 augustus 2005 is bepaald dat er omgang tussen de man en de minderjarigen zal plaatsvinden gedurende één weekend per veertien dagen van vrijdagavond tot zondagavond, alsmede gedurende de helft van de kinderschoolvakanties, alsmede de helft van de algemeen erkende (inclusief Christelijke) feestdagen, een en ander in goed onderling overleg tussen partijen tijdig af te spreken.

2.4

Bij beschikking van de voormalige rechtbank Middelburg d.d. 16 augustus 2006 is bepaald dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen een bedrag van € 91,50 per kind per maand dient te betalen.

2.5

Bij beschikking van de voormalige rechtbank Middelburg d.d. 21 oktober 2009 is de beschikking van 16 augustus 2006 gewijzigd en is een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage van € 63,50 per kind per maand voor de periode van 1 oktober 2008 tot 1 maart 2009 vastgesteld, een bijdrage van € 70,= per kind per maand voor de periode 1 maart 2009 tot 1 juni 2009 en een bijdrage van € 73,= per kind per maand met ingang van 1 juni 2009.

2.6

Bij aanvullend ouderschapsplan d.d. 25 juni 2013 zijn partijen overeengekomen dat de man, naast de geïndexeerde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 155,26 per maand, ten behoeve van de minderjarigen een extra bedrag van € 104,= per maand zou voldoen. Tevens zijn partijen overeengekomen dat er ten aanzien van de minderjarigen een open zorgregeling zal gelden waarbij er slechts omgang tussen de man en de minderjarigen zal plaatsvinden op initiatief / sturing van de minderjarigen zelf.

3 Het geschil

3.1

De vrouw verzoekt:

- de beschikking van 21 oktober 2009 te wijzigen en te bepalen dat de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor de minderjarigen met ingang van 1 november 2013 € 129,63 per kind per maand zal bedragen en met ingang van 1 januari 2014 € 130,79 per kind per maand, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

- de beschikking van 24 augustus 2005 te wijzigen, in die zin dat de destijds vastgestelde zorgregeling tussen de man en de minderjarigen wordt vervangen door de regeling zoals door de ouders in mediation op 25 juni 2013 werd overeengekomen: een open omgangsregeling waarbij er slechts omgang zal plaatsvinden op initiatief / sturing van de minderjarigen zelf.

3.2

De man voert verweer tegen de verzoeken van de vrouw en verzoekt de verzoeken van de vrouw af te wijzen.

Bij wijze van zelfstandige verzoeken verzoekt de man:

- te bepalen dat op de vrouw een informatie- en consultatieplicht jegens hem rust tot het moment waarop de kinderen de meerderjarigheid hebben bereikt, die inhoudt:

  • -

    de vrouw zal de man zonder dat hij dit hoeft te vragen op de eerste van de maand gedetailleerd schriftelijk informeren over de toestand van de kinderen waarbij zij onder meer verslag doet (maar zich hiertoe niet zal beperken) van de ontwikkelingen in de gezondheid, schoolprestaties en hobby’s van de kinderen;

  • -

    de vrouw zal de man halfjaarlijks minimaal twee gedetailleerde en duidelijke foto’s van de kinderen toezenden;

  • -

    de vrouw zal de man in ieder geval consulteren voorafgaand aan belangrijke beslissingen ten aanzien van de gezondheid en/of medische behandeling van de kinderen, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,= per keer dat de vrouw deze verplichtingen jegens hem niet nakomt, althans een zodanige regeling te treffen als de rechtbank juist en redelijk acht;

- de beschikking van 21 oktober 2009, in die zin te wijzigen dat hij met ingang van 1 november 2013, althans met ingang van de datum van indiening van onderhavige verzoeken, althans 1 januari 2015 een bijdrage van € 50,62 per kind per maand is verschuldigd in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, althans een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht.

3.3

Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

Zorgregeling;

Vast staat dat partijen (nog steeds) overeenstemming hebben omtrent de door partijen op 25 juni 2013 bij de mediator overeengekomen open zorgregeling waarbij er slechts omgang in het kader van de zorgregeling tussen de man en de minderjarigen zal plaatsvinden op initiatief c.q. sturing van de minderjarigen zelf en dat aan die regeling in de praktijk thans ook (nog steeds) uitvoering wordt gegeven. De vrouw heeft uitdrukkelijk verzocht om voornoemde regeling in de beschikking vast te leggen. De man heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Volgens de man zijn partijen voornoemde regeling enkel overeengekomen om de situatie voor de kinderen (tijdelijk) te kalmeren en hen de ruimte te bieden voor contactherstel met hun vader, zonder dat de man dit zou kunnen afdwingen. Daarbij was het volgens de man de bedoeling dat de minderjarigen psychische hulp zouden krijgen, hetgeen echter volgens hem nimmer is gebeurd. De man heeft het gevoel dat, indien hij nu instemt met vastlegging van de huidige regeling, er een definitief einde komt aan het contact met zijn kinderen. Naar aanleiding van de bezwaren van de man heeft de vrouw ter zitting uitdrukkelijk toegezegd op korte termijn alsnog hulpverlening voor beide minderjarigen in te schakelen, zodat op termijn opnieuw kan worden toegewerkt naar contactherstel. De man heeft ter zitting hiervoor reeds zijn toestemming aan de vrouw verleend. Nu naar het oordeel van de rechtbank met de toezeggingen van de vrouw de bezwaren van de man tegen vastlegging van de huidige regeling zijn komen te vervallen, zal zij conform dat verzoek beslissen.

4.2

Informatieregeling;

Partijen hebben overeenstemming omtrent de informatie- en consultatieregeling, in die zin dat het verzoek van de man, behoudens ten aanzien van de informatie met betrekking tot de schoolprestaties van de minderjarigen, kan worden toegewezen. De man zal zelf de informatie betreffende de schoolprestaties van de minderjarigen - al dan niet digitaal - bij de school van de minderjarigen opvragen. De man heeft de door hem verzochte dwangsom ingetrokken. Tot slot is afgesproken dat indien er van de zijde van de vrouw wezenlijke informatie met betrekking tot de minderjarigen niet wordt vermeld, de man daarover een vraag aan de vrouw zal stellen. De rechtbank zal conform de tussen partijen bereikte overeenstemming beslissen en het meer of anders verzochte afwijzen.

4.3

Kinderbijdrage;

4.3.1

De rechtbank stelt voorop dat de man op 12 december 2012 is hertrouwd en dat uit dit huwelijk op [geboortedatum] een thans nog minderjarige zoon, [derde kind], is geboren, voor wie de man (eveneens) onderhoudsplichtig is. Voorts staat vast dat de huidige echtgenote van de man op dit moment in verwachting is van het vierde kind van de man. Dit kind wordt naar verwachting begin december 2014 geboren. Het vorenstaande betekent dat onderscheid dient te worden gemaakt tussen twee perioden, namelijk de periode tot de (levend) geboorte van het vierde kind van de man en de periode vanaf het moment van (levend) geboorte van dit kind. De rechtbank zal vanuit proceseconomische overwegingen eerst de kinderbijdrage ten behoeve van [eerste kind] en [tweede kind] voor de periode tot de (levend) geboorte van het vierde kind van de man berekenen en vervolgens de kinderbijdrage voor de periode vanaf de (levend) geboorte van het vierde kind van de man.

Periode tot de (levend) geboorte van het vierde kind van de man

Ingangsdatum

4.3.2

Nu beide partijen kennelijk een herbeoordeling van de kinderbijdrage met ingang van 1 november 2013 willen en wel op basis van dezelfde wijzigingsgrond, namelijk de geboorte van het derde kind van de man, de minderjarige [derde kind], acht de rechtbank het redelijk om die datum als uitgangspunt van een eventuele wijzing van de kinderbijdrage ten aanzien van [eerste kind] en [tweede kind] te hanteren. De rechtbank zal derhalve hierna de kinderbijdrage met ingang van 1 november 2013 opnieuw beoordelen. Zij merkt in dit verband op dat zij de hierna te berekenen kinderbijdrage zal beoordelen ten opzichte van de huidige door de man - conform de tussen partijen bij aanvullend ouderschapsplan van 25 juni 2013 gemaakte afspraken - te betalen totale bijdrage van € 259,26 per maand (€ 129,63 per kind per maand). Naar het oordeel van de rechtbank dient immers de tussen partijen overeengekomen extra bijdrage van

€ 104,= per maand als kinderbijdrage te worden aangemerkt, nu dit bedrag ziet op de omgangskosten die destijds in de procedure in 2009 in het kader van de vaststelling van de kinderbijdrage ten laste van de draagkracht van de man zijn gebracht en de man die kosten thans in verband met het ontbreken van het contact met zijn kinderen alsnog rechtstreeks aan de vrouw voldoet. Bij een eventuele hierna vast te stellen wijziging van de kinderbijdrage komt de door de man te betalen extra bijdrage van € 104,= per maand dus (ook) te vervallen.

Behoefte minderjarigen;

4.3.3

De man is in de periode 1 november 2013 tot het moment van de geboorte van zijn vierde kind zowel onderhoudsplichtig jegens [eerste kind] en [tweede kind] als jegens [derde kind]. Nu een eventueel aantoonbaar verschil in behoefte tussen de minderjarigen [eerste kind] en [tweede kind] enerzijds en de minderjarige [derde kind] anderzijds van belang is voor de verdeling van de draagkracht, zal de rechtbank hierna de behoefte van alle drie de minderjarigen in genoemde periode vaststellen.

4.3.4

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de minderjarigen [eerste kind] en [tweede kind] in onderhavige periode € 248,= per kind per maand bedraagt. Hierop dient het kindgebonden budget waarvoor de vrouw in aanmerking kwam in 2013 van € 83,= per kind per maand in mindering te worden gebracht, zodat het totale aandeel in de kosten van de minderjarigen [eerste kind] en [tweede kind] wordt vastgesteld op € 165,= per kind per maand.

4.3.5

Ter bepaling van de behoefte van de minderjarige [derde kind] hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen. Voor de vaststelling van de behoefte van [derde kind] in onderhavige periode is het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBI) van de man en zijn echtgenote in 2013.

Niet in geschil is dat het NBI van de man € 1.992,= per maand bedroeg en het NBI van zijn echtgenote € 1.927,= per maand. Dit brengt het netto gezinsinkomen van de man en zijn huidige echtgenote op € 3.919,= per maand. Hierop strekt nog in mindering de destijds

- conform de op dat moment tussen partijen geldende afspraak - feitelijk door de man betaalde kinderbijdrage (inclusief de extra bijdrage van € 104,= per maand) ten behoeve van [eerste kind] en [tweede kind] van totaal € 259,26 per maand, nu dit bedrag niet ten goede is gekomen aan de minderjarige [derde kind]. Aldus becijfert de rechtbank het in dit kader relevante NBI van de man en zijn echtgenote op - afgerond - € 3.660,= per maand.

De man en zijn echtgenote maken geen aanspraak op kindgebonden budget.

Dit gegeven, gevoegd bij het ten aanzien van de minderjarige [derde kind] toepasselijke aantal kinderbijslagpunten (uitgaande van de tabellen 2013-2 en een gezin met één kind), levert een behoefte op van € 562,= per maand in 2013. Nu de man en zijn echtgenote niet in aanmerking komen voor kindgebonden budget is hun aandeel in de kosten van de minderjarige [derde kind] gelijk aan voornoemd bedrag.

Draagkracht(vergelijking) onderhoudsplichtigen;

4.3.6

Beoordeeld dient te worden in welke verhouding het eigen aandeel in de kosten van de minderjarigen [eerste kind] en [tweede kind] tussen de onderhoudsplichtigen moet worden verdeeld. De rechtbank volgt in dit opzicht de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het eigen aandeel kosten van kinderen tussen alle onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van de onderhoudsplichtigen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt, overeenkomstig de tarieven van het jaar 2013, bij inkomens vanaf

€ 1.500,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI +

€ 850,=)]. Indien recht bestaat op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, wordt de draagkracht met dit bedrag verhoogd. Per 1 januari 2015 vervalt het fiscaal voordeel. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 1.500,= per maand) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.

De rechtbank merkt op dat zij, anders dan de man, de nieuwe partner van de vrouw niet als onderhoudsplichtige jegens de minderjarigen [eerste kind] en [tweede kind] aanmerkt. Door de vrouw is voldoende aannemelijk gemaakt dat zij niet met haar partner samenwoont, zodat er alleen al om die reden geen onderhoudsverplichting aan de zijde van de partner van de vrouw kan worden aangenomen. Aldus zijn er slechts twee onderhoudsplichtigen jegens de minderjarigen [eerste kind] en [tweede kind], namelijk de man en de vrouw.

4.3.7

Niet in geschil is dat het NBI van de man in 2013 € 1.992,= per maand bedroeg. De man heeft ter zitting ermee ingestemd dat voor wat betreft het NBI van de vrouw, conform haar eigen berekening, wordt uitgegaan van een bedrag ter hoogte van € 1.292,= per maand. Hij heeft daarbij wel opgemerkt dat van de vrouw wordt verwacht dat zij zich vanaf nu meer inspanningen zal getroosten om meer inkomsten te verwerven.

4.3.8

De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 381,= per maand, exclusief eventueel fiscaal voordeel voor de minderjarigen [eerste kind] en [tweede kind]. Berekend dient te worden welk deel van de draagkracht van de man beschikbaar is voor de minderjarigen [eerste kind] en [tweede kind], daarbij tevens rekening houdend met zijn onderhoudsverplichting jegens de minderjarige [derde kind]. De rechtbank zal voor de wijze van berekening de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 4 mei 2010 (LJN BM3532) tot uitgangspunt nemen.

Omdat de huidige echtgenote van de man eigen inkomsten heeft, dient allereerst het aandeel van de man in de totale behoefte van de minderjarige [derde kind] te worden berekend naar rato van zijn eigen draagkracht en de draagkracht van zijn echtgenote. Daarvoor is, naast de draagkracht van de man, de draagkracht van zijn echtgenote van belang. De draagkracht van de echtgenote van de man becijfert de rechtbank, uitgaande van een NBI van € 1.927,= per maand dat tussen partijen niet in geschil is, aan de hand van de formule op € 349,= per maand. Vervolgens dient de navolgende formule te worden gehanteerd: de draagkracht van de man gedeeld door de totale draagkracht van de man en zijn echtgenote tezamen, vermenigvuldigd met de behoefte van de minderjarige [derde kind]. Aldus bedraagt het aandeel van de man in de behoefte van de minderjarige [derde kind]: € 381 / (€ 381 + € 349) x € 562 = € 293,= per maand. Van de behoefte van de minderjarige [derde kind] komt derhalve in beginsel een bedrag van € 293,= per maand voor rekening van de man.

Vervolgens kan worden berekend welke draagkracht de man beschikbaar heeft voor de minderjarigen [eerste kind] en [tweede kind], rekening houdend met het aandeel van de man in de behoefte van de minderjarige [derde kind]. Daarvoor hanteert de rechtbank de formule: behoefte [eerste kind] en [tweede kind] gedeeld door het totale aandeel van de man in de behoefte van alle drie de minderjarigen, vermenigvuldigd met de draagkracht van de man. De beschikbare draagkracht van de man voor de minderjarigen [eerste kind] en [tweede kind] bedraagt alsdan:

€ 330 / (€ 330 + € 293) x € 381 = € 202,= per maand, oftewel € 101,= per kind per maand. De man kan bij deze draagkracht geen aanspraak maken op fiscaal voordeel.

De draagkracht van de vrouw is volgens de tabel € 75,= per maand, oftewel € 37,50 per kind per maand. De vrouw is enkel onderhoudsplichtig jegens [eerste kind] en [tweede kind], zodat haar beschikbare draagkracht voor deze minderjarigen gelijk is aan voornoemd bedrag.

4.2.9

Vervolgens dient te worden berekend hoe de beschikbare draagkracht van beide ouders dient te worden verdeeld tussen de ouders. Nu de totale draagkracht van de ouders de totale behoefte van de minderjarigen [eerste kind] en [tweede kind] niet overstijgt, kan een draagkrachtvergelijking echter achterwege blijven.

Zorgkorting;

4.2.10

De man heeft tot slot verzocht rekening te houden met een zorgkorting van 15%.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.

De rechtbank zal, nu er op basis van de bij deze beschikking vast te leggen zorgregeling tussen de man en de minderjarigen in beginsel geen, doch vooralsnog zeker niet op structurele basis, omgangscontacten zullen plaatsvinden, geen zorgkorting toepassen.

De man dient derhalve per 1 november 2013 met een bedrag van € 101,= per kind per maand bij te dragen in de kosten van de minderjarigen [eerste kind] en [tweede kind]. Nu deze bijdrage lager is gelegen dat de huidige door de man, op basis van de door partijen op 25 juni 2013 in het aanvullende ouderschapsplan gemaakte afspraken, te betalen bijdrage van totaal € 259,26 per maand (€ 129,63 per kind per maand), zal de rechtbank de kinderbijdrage in voornoemde zin met ingang van 1 november 2013 wijzigen.

Periode vanaf de (levend) geboorte van het vierde kind van de man

Behoefte minderjarigen;

4.2.11

Vanaf de (levend) geboorte van het vierde kind van de man, hetgeen naar verwachting begin december 2014 zal zijn, is hij onderhoudsplichtig jegens vier kinderen. Dit betekent niet alleen dat de behoefte van het vierde kind dient te worden vastgesteld, maar ook dat dit gevolgen heeft voor de behoefte van de minderjarige [derde kind], nu [derde kind] alsdan deel zal uitmaken van een gezin met twee kinderen. De rechtbank zal derhalve hierna de behoefte van alle minderjarigen (opnieuw) vaststellen voor de periode vanaf de (levend) geboorte van het vierde kind van de man.

4.2.13

De rechtbank verwijst voor wat betreft de behoefte van [eerste kind] en [tweede kind] naar rechtsoverweging 4.3.4 van deze beschikking. Het totale aandeel van de ouders in de kosten van [eerste kind] en [tweede kind] bedraagt, na aftrek van het kindgebonden budget, € 165,= per kind per maand.

4.2.14

Ter bepaling van de behoefte van de minderjarige [derde kind] en het nog ongeboren kind van de man en zijn echtgenote hanteert de rechtbank opnieuw de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen.

De rechtbank gaat opnieuw uit van een NBI van de man van € 1.992,= per maand en een NBI van zijn echtgenote van € 1.927,= per maand. Het netto gezinsinkomen van de man en zijn huidige echtgenote bedraagt derhalve opnieuw € 3.919,= per maand. Hierop strekt in onderhavige periode nog in mindering de door de man - conform de bij deze beschikking vanaf 1 november 2013 vast te stellen - kinderbijdrage ten behoeve van [eerste kind] en [tweede kind] van totaal € 202,= per maand, nu dit bedrag op het moment van de geboorte van het vierde kind van de man omstreeks december 2014 niet ten goede komt aan de minderjarige [derde kind] en het vierde kind van de man. Aldus becijfert de het in dit kader relevante NBI van de man en zijn echtgenote op - afgerond - € 3.717,= per maand.

De man en zijn echtgenote maken ook dan geen aanspraak op kindgebonden budget.

Dit gegeven, gevoegd bij het ten aanzien van de minderjarige [derde kind] en het nog ongeboren kind toepasselijke aantal kinderbijslagpunten (uitgaande van de tabellen 2014-2 en een gezin met twee kinderen), levert een behoefte op van € 870,= per maand voor twee kinderen, derhalve € 435,= per kind per maand. Nu de man en zijn echtgenote niet in aanmerking komen voor kindgebonden budget is hun aandeel in de kosten van de minderjarige [derde kind] en het nog ongeboren kind gelijk aan voornoemd bedrag van € 435,= per kind per maand.

Draagkracht(vergelijking) onderhoudsplichtigen;

4.2.15

Voor de beoordeling in welke verhouding het eigen aandeel in de kosten van de minderjarigen [eerste kind] en [tweede kind] in de periode vanaf de geboorte van het vierde kind van de man tussen de onderhoudsplichtigen moet worden verdeeld, volgt de rechtbank opnieuw de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het eigen aandeel kosten van kinderen tussen alle onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Per 1 januari 2014 wordt het bedrag aan draagkracht bij inkomens vanaf € 1.500,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 860,=)]. Indien recht bestaat op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, wordt de draagkracht met dit bedrag verhoogd. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 1.500,= per maand) zijn ook in 2014 vaste bedragen per categorie van toepassing.

De rechtbank merkt ook nu, onder verwijzing naar rechtsoverweging 4.3.6 van deze beschikking, de huidige partner van de man niet als onderhoudsplichtige jegens de minderjarigen [eerste kind] en [tweede kind] aan.

4.3.16

De rechtbank gaat aan de zijde van de man opnieuw uit van een NBI van € 1.992,= per maand en aan de zijde van de vrouw van een NBI van € 1.292,= per maand.

4.3.17

De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 374,= per maand, exclusief eventueel fiscaal voordeel voor de minderjarigen [eerste kind] en [tweede kind]. Wederom dient te worden berekend welk deel van de draagkracht van de man beschikbaar is voor de minderjarigen [eerste kind] en [tweede kind], ditmaal rekening houdend met zijn onderhoudsverplichting jegens de minderjarige [derde kind] en met het nog ongeboren vierde kind van de man.

Ook nu dient eerst het aandeel van de man in de totale behoefte van de minderjarige [derde kind] en het nog ongeboren kind van de man en zijn echtgenote te worden berekend naar rato van zijn eigen draagkracht en de draagkracht van zijn echtgenote. Wederom is, naast de draagkracht van de man, de draagkracht van zijn echtgenote van belang. De rechtbank gaat daarbij voor de echtgenote van de man opnieuw uit van een NBI van € 1.927,= per maand. De daarbij behorende draagkracht in 2014 is € 342,= per maand. Vervolgens dient opnieuw de navolgende formule te worden gehanteerd: de draagkracht van de man gedeeld door de totale draagkracht van de man en zijn echtgenote tezamen, vermenigvuldigd met de behoefte van de minderjarige [derde kind] en het nog ongeboren kind. Nu de totale draagkracht van de man en zijn echtgenote de totale behoefte van de minderjarige [derde kind] en het nog ongeboren kind niet overstijgt, is vergelijking tussen de draagkracht van de man en zijn echtgenote niet aan de orde. De man dient in beginsel tot zijn maximale draagkracht van € 374,= per maand bij te dragen in de behoefte van de minderjarige [derde kind] en het nog ongeboren kind.

Vervolgens kan opnieuw worden berekend welke draagkracht de man beschikbaar heeft voor de minderjarigen [eerste kind] en [tweede kind], ditmaal rekening houdend met het aandeel van de man in de behoefte van de minderjarige [derde kind] en het nog ongeboren kind. Daarvoor hanteert wederom de rechtbank de formule: behoefte [eerste kind] en [tweede kind] gedeeld door het totale aandeel van de man in de behoefte van alle vier de minderjarigen, vermenigvuldigd met de draagkracht van de man. De beschikbare draagkracht van de man voor de minderjarigen [eerste kind] en [tweede kind] in deze periode bedraagt alsdan: € 330 / (€ 330 + € 374) x € 374 = € 175,= per maand, oftewel € 87,50 per kind per maand. De man kan ook nu geen aanspraak maken op fiscaal voordeel.

De draagkracht van de vrouw is volgens de tabel van 2014 € 65,= per maand, oftewel

€ 32,50 per kind per maand. De vrouw is ook in deze periode enkel onderhoudsplichtig jegens [eerste kind] en [tweede kind], zodat haar beschikbare draagkracht voor deze minderjarigen gelijk is aan voornoemd bedrag.

4.3.18

Vervolgens dient ook nu te worden berekend hoe de beschikbare draagkracht van beide ouders dient te worden verdeeld tussen de ouders. Ook in onderhavige periode overstijgt de totale draagkracht van de ouders de totale behoefte van de minderjarigen [eerste kind] en [tweede kind] niet, zodat ook nu een draagkrachtvergelijking achterwege kan blijven.

Zorgkorting;

4.3.19

De rechtbank zal, onder verwijzing naar rechtsoverweging 4.2.10 van deze beschikking, ook voor onderhavige periode geen rekening houden met een zorgkorting.

De man dient derhalve vanaf het moment van de (levend) geboorte van zijn vierde kind met een bedrag van € 87,50 per kind per maand bij te dragen in de kosten van de minderjarigen [eerste kind] en [tweede kind]. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

5 De beslissing

De rechtbank:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Middelburg d.d. 24 augustus 2005, voor wat betreft de zorgregeling ten aanzien van de hierna te noemen minderjarigen, als volgt:

stelt tussen de man en de minderjarigen [eerste kind], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], en [tweede kind], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], een open zorgregeling waarbij er slechts omgang in het kader van de zorgregeling tussen de man en de minderjarigen zal plaatsvinden op initiatief c.q. sturing van de minderjarigen zelf;

wijzigt het tussen partijen op 25 juni 2013 gesloten aanvullende ouderschapsplan, voor wat betreft de informatie- en consultatieregeling ten aanzien van de minderjarigen [eerste kind] en [tweede kind], als volgt:

bepaalt dat op de vrouw een informatie- en consultatieplicht jegens de man rust tot het moment waarop de kinderen de meerderjarigheid hebben bereikt, die inhoudt:

  • -

    de vrouw zal de man zonder dat hij hierom hoeft te vragen op de eerste van de maand gedetailleerd schriftelijk informeren over de toestand van de kinderen waarbij zij onder meer verslag doet (maar zich hiertoe niet zal beperken) van de ontwikkelingen in de gezondheid en hobby’s van de kinderen. Indien daarbij wezenlijke informatie met betrekking tot de minderjarigen niet door de vrouw wordt vermeld, zal de man daarover een vraag aan de vrouw stellen;

  • -

    de vrouw zal de man halfjaarlijks minimaal twee gedetailleerde en duidelijke foto’s van de kinderen toezenden;

  • -

    de vrouw zal de man in ieder geval consulteren voorafgaand aan belangrijke beslissingen ten aanzien van de gezondheid en/of medische behandeling van de kinderen;

wijzigt de beschikking van de rechtbank Middelburg d.d. 21 oktober 2009, alsmede het tussen partijen op 25 juni 2013 gesloten aanvullende ouderschapsplan, voor wat betreft de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [eerste kind] en [tweede kind], als volgt:

bepaalt de door de man aan de vrouw, voor wat betreft toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling, te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [eerste kind] en [tweede kind] op:

- € 101,= per kind per maand met ingang van 1 november 2013 en tot de datum van levend geboorte van het vierde kind van de man;

- € 87,50 per kind per maand met ingang van de datum van levend geboorte van het vierde kind van de man;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.M.J. van Dijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 1 oktober 2014 in tegenwoordigheid van de griffier mr. K.J.M. Lavrijssen.

1KL

1 Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan – uitsluitend door een advocaat – hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld, zulks door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.