Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:673

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-02-2014
Datum publicatie
06-02-2014
Zaaknummer
02/800722-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitvoer hennep naar Engeland en Ierland. Sprake van burgerpseudodienstverlening ex artikel 126ij van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte heeft regelende rol achter de schermen. Transporteur meldt bij politie dat er hennep in een bij hem aangeboden vracht is aangetroffen. Vervolgens wordt een nieuwe vracht aangeboden. De politie spreekt met de transporteur af deze vracht aan te nemen en ter plaatse te controleren op de aanwezigheid van hennep. Transporteur is door het aannemen van de vracht ingezet voor de opsporing van strafbare feiten. Geen schriftelijke overeenkomst opgemaakt tussen officier van justitie en transporteur zoals artikel 126ij voorschrijft. Sprake van vormverzuim jegens medeverdachte (chauffeur van de vracht), echter niet jegens verdachte nu hij ten tijde van het voorbereidend onderzoek nog niet als verdachte in beeld was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 800722-13

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 februari 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum], te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring de Boschpoort te Breda

raadsman mr. Visschers, advocaat te Zutphen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 januari 2014, waarbij de officier van justitie, mr. Van Aalst, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, terzake dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 juli 2013

tot en met 26 juli 2013 te [pleegplaats] meermalen, althans eenmaal, (telkens)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1

lid 5 van de Opiumwet, (in totaal) ongeveer 135 kilogram (106 kilogram en/of

29 kilogram), in elk geval (telkens) een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een

middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen

krachtens artikel 3a van die wet, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn

mededader(s) opzettelijk die hennep in een bestelbus vervoerd naar een

transportbedrijf en daar aangeboden met het doel die hennep naar Engeland

en/of Ierland te laten uitvoeren/vervoeren;

subsidiair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 juli 2013

tot en met 26 juli 2013 te [pleegplaats], althans in Nederland, meermalen, althans

eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of

vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van

(in totaal) ongeveer 135 kilogram (106 kilogram en/of 29 kilogram), in elk

geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan. Daarbij wijst zij op de eigen verklaring van verdachte dat hij de transporten via [bedrijf 1] heeft geregeld.

Uit het dossier, meer in het bijzonder de vele sms-berichten van “[naam 1]” naar medeverdachte [medeverdachte], volgt dat ene “[naam 1]” degene is die een leidende rol heeft gehad bij de transporten. De officier van justitie is van mening dat verdachte dezelfde persoon is als “[naam 1].” Zij baseert dat op het proces-verbaal van bevindingen op pagina 176 e.v. in het eindproces-verbaal, waarin de politie heeft onderzocht of er overeenkomsten waren tussen de aanstralingsgegevens van de telefoon van “[naam 1]” en die van verdachte. Uit voornoemd proces-verbaal van bevindingen volgt dat de telefoon van verdachte en de telefoon van de persoon “[naam 1]”, op vele momenten aanstraalden op dezelfde mast dan wel op masten die dichtbij elkaar staan. Verdachte heeft aldus blijkens de diverse telefoongesprekken en sms-berichten de transporten geregeld en heeft een leidende rol gehad in de organisatie van de henneptransporten.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Verdachte is benaderd door een onderdeel van de [bedrijf 2] om transporten in machineonderdelen te regelen. Verdachte heeft vervolgens [persoon 1] ([bedrijf 1]) benaderd om de transporten te regelen. Verdachte wist niet dat er hennep in de kisten aanwezig was. Betoogd is verder dat niet bewezen kan worden dat verdachte dezelfde persoon is als “[naam 1].” Er is enkel sprake van een vermoeden op basis van aanstralingsgegevens van de telefoon van “[naam 1]” en de telefoon van verdachte, maar dat is onvoldoende om te komen tot de vaststelling dat verdachte “[naam 1]” is geweest.

De verdediging heeft een aantal bewijsverweren gevoerd. Betoogd is dat er voor wat betreft de levering van de kisten op 26 juli 2013 sprake is geweest van burgerpseudodienst-verlening, genoemd in artikel 126ij van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), terwijl de officier van justitie geen schriftelijke overeenkomst heeft opgemaakt, zoals in dit wetsartikel als vereiste is opgenomen. Er is sprake van een onherstelbaar vormverzuim. Verdachte heeft hiervan nadeel ondervonden, nu zonder de dienstverlening de hennep op 26 juli 2013 niet naar [getuige 1] zou zijn gebracht. Alles wat op 26 juli 2013 en daarna aan bewijs is aangetroffen, dient te worden uitgesloten van het bewijs.

Voorts is betoogd dat er op 26 juli 2013 feitelijk door medeverdachte [medeverdachte] nog geen spullen waren aangeboden. Medeverdachte [medeverdachte] is het kantoor van [getuige 1] binnengekomen en heeft gezegd: “daar ben ik weer.” Hij heeft nog niet de spullen aangeboden en kon op dat moment nog besluiten de spullen niet aan te bieden. Derhalve kan de uitvoer van hennep op 26 juli 2013 niet worden bewezen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Op 24 juli 2013 krijgt de politie een melding van [getuige 1] van Transportbedrijf [getuige 1] te Breda dat hij zojuist hennep heeft ontdekt in kisten die bij hem voor transport aangeboden waren naar Engeland. De kisten worden aangeboden door [persoon 1] van [bedrijf 1]. De politie komt ter plaatse en treft vermoedelijk hennep aan in de kisten.1 In totaal wordt er 106,15 kilogram hennep in de kisten aangetroffen.2 [getuige 1] wordt tijdens dit bezoek van de politie gebeld door [persoon 1] over een nieuwe spoedvracht voor 26 juli 2013 naar Ierland. In overleg met de politie, die overlegt met de officier van justitie, neemt [getuige 1] de opdracht aan en wordt afgesproken dat de politie ter plaatse zal zijn bij de levering van de vracht op 26 juli 2013. Op 26 juli 2013 komt een man met een bestelbus aan bij het bedrijf van [getuige 1]. In de bestelbus wordt een kist met 29,80 kilogram gedroogde hennep aangetroffen. Medeverdachte [medeverdachte], zijnde de chauffeur van de bestelbus, wordt aangehouden.3 Beide partijen hennep, in totaal 135 kilo en 950 gram hennep, worden positief getest op THC.4 [getuige 1] verklaart dat de medeverdachte dezelfde chauffeur is die het transport op 24 juli 2013 heeft aangeboden.56

Onder medeverdachte [medeverdachte] worden twee telefoons in beslag genomen. Deze telefoons hebben als eigen nummers respectievelijk [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2].7 Er vindt onderzoek plaats naar het berichtenverkeer vanuit en naar beide telefoons. In de ene telefoon wordt één contact met de naam “[naam 1]” met telefoonnummer [telefoonnummer 3] aangetroffen. In de andere telefoon staan twee contacten met telefoonnummers [telefoonnummer 4] (gebruiker genaamd “A30”) en [telefoonnummer 5] (gebruiker genaamd “A70”). Van 23 juli 2013 tot 26 juli 2013 vindt er op beide telefoons op meerdere tijdstippen sms-contact met de gebruiker van de telefoon plaats. Op 23 juli 2013 heeft “[naam 1]” ge-sms’t naar de gebruiker van de telefoon “denk je aan de bus vanavond.” Op 25 juli 2013 heeft [naam 1] ge-sms’t: “wij hebben nu 30 om 20 uur weet ik of er nog 20 bij komen.” Op 25 juli 2013 heeft de gebruiker van de telefoon naar A30 ge-sms’t: “Hi mate. Tomorow at 12.30 you have to be near the adres but wail till i say its save and you can go in ok?” Op 26 juli 2013 is er een inkomend sms-bericht van “A70” “Im 10 minutes fron there ill wait for to tel me its safe tot go in.”8

[persoon 1] heeft als telefoonnummer [telefoonnummer 6].9 Verdachte heeft blijkens een CIOT-bevraging als telefoonnummer [telefoonnummer 7].10 De politie stelt vast dat verdachte en [persoon 1] tussen 15 juni 2013, 00:00 uur, en 6 augustus 2013, 23.59 uur, 398 keer per telefoon contact hebben gehad met elkaar.11 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij inderdaad via [persoon 1] de genoemde transporten heeft geregeld.12

De telefoon van [persoon 1] wordt getapt en tijdens een tapgesprek wordt door de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 7] van verdachte op 26 juli 2013 een tweetal telefoonnummers, te weten [telefoonnummer 8] en [telefoonnummer 9], aan [persoon 1] doorgegeven die moeten worden benaderd.13 Tevens wordt door de gebruiker gezegd: “[telefoonnummer 8] dat is de eerste die moet je ook een berichtje sturen dat ie weg is daar.” De politie stelt vast dat de twee mensen die [persoon 1] moet benaderen dezelfde telefoonnummers hebben als de twee personen waarmee medeverdachte [medeverdachte] contact onderhield met betrekking tot de transporten.14 De rechtbank neemt gelet op de stemherkenning en het feit dat wordt gebeld met het telefoonnummer van verdachte als vaststaand aan dat verdachte degene is die dit gesprek met [persoon 1] heeft gevoerd.

Historische verkeersgegevens “[naam 1]” en verdachte

De politie heeft onderzoek gedaan naar de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van verdachte en deze vergeleken met de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van “[naam 1]” in de periode van 22 juli 2013 tot en met 26 juli 2013.

Op 22 juli 2013, om 18:21 uur, straalt het telefoonnummer van “[naam 1]” aan op Europoort Rozenburg. Het gaat om een sms naar [medeverdachte]. Het telefoonnummer van verdachte straalt om 18.28 uur aan op de telecommunicatiemast gevestigd aan de Tienmorgenseweg Botlek. Het gaat om een inkomend gesprek afkomstig van [persoon 1]. De afstand tussen beide telecommunicatiemasten is hemelsbreed 2,5 kilometer.

Op 25 juli 2013, om 08:56 uur, straalt het telefoonnummer van verdachte aan op de telecommunicatiemast aan de Utrechtse Kema 310 in Arnhem. Het gaat om een uitgaand telefoongesprek naar [persoon 1]. Om 09:00 uur straalt het telefoonnummer van “[naam 1]” aan op een telecommunicatiemast, ook gevestigd aan de Utrechtseweg Kema 310 in Arnhem. Het gaat om een uitgaande sms naar [medeverdachte]. De gebruikte telecommunicatie-masten zijn naast elkaar gevestigd.

Op 25 juli 2013, tussen 11:50 en 12:35 uur, straalde het telefoonnummer van “[naam 1]” aan op de telecommunicatiemast aan de Allee 58 Dinxperloo. Er is dan in- en uitgaand telefoonverkeer tussen “[naam 1]” en medeverdachte [medeverdachte]. Op 25 juli 2013, tussen 11.51 en 12.33 uur, straalt de telefoon van verdachte aan op de telecommunicatiemast aan de Nieuwstraat 2 te Dinxperloo. Het gaat dan om in- en uitgaand sms-verkeer tussen verdachte en [persoon 1]. De afstand tussen deze twee masten is hemelsbreed ongeveer 600 meter.

Op 26 juli 2013, om 12:13 uur, stralen de telefoonnummers van verdachte en [naam 1] aan op de Cuneraweg 11 in Ochten. Op 26 juli 2013 tussen 12.44 uur en 13.30 uur straalt het telefoonnummer van “[naam 1]” aan op de telecommunicatiemast aan de Zandwijkse Veldweg Tiel en Konijenwal in Tiel. Er is sprake van in- en uitgaand sms-verkeer tussen “[naam 1]” en [medeverdachte]. Op 26 juli 2013, tussen 12.44 en 13.30 uur, straalt het telefoonnummer van verdachte aan op de telecommunicatiemast aan de Konijenwal Tiel. Tussen verdachte en [persoon 1] hebben in- en uitgaande gesprekken plaatsgevonden. De telecommunicatiemasten op het adres Konijenwal Tiel zijn naast elkaar gevestigd. De afstand tussen de telecommunicatiemasten aan de Konijenwal Tiel en de Zandwijkse Veldweg Tiel is hemelsbreed 1 kilometer.

Op 26 juli 2013, om 13.57 uur, straalt het telefoonnummer van verdachte aan op de telecommunicatiemast gevestigd aan de P van M Gelderland Rood te Heteren. Verdachte wordt gebeld door [persoon 1]. Op 26 juli 2013, om 13.58 uur straalt het telefoonnummer van “[naam 1]” aan op de telecommunicatiemast gevestigd aan de Land Groen/Van Midden Gelderpoort te Heteren. Het gaat om een sms waarbij het telefoonnummer niet zichtbaar is. De afstand tussen de genoemde communicatiemasten is hemelsbreed 500 meter.15

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de genoemde transporten heeft geregeld voor zijn opdrachtgever [bedrijf 2], maar dat hij niet wist van de inhoud van de vracht en hij dacht dat het om machineonderdelen ging.

Verweer burgerpseudodienstverlening

Door de raadsman is betoogd dat er sprake is geweest van burgerpseudodienstverlening en er ten onrechte, anders dan is voorgeschreven in artikel 126ij Sv, geen schriftelijke overeenkomst tussen het Openbaar Ministerie en [getuige 1] is opgemaakt. Door de raadsman is betoogd dat dit onherstelbaar vormverzuim moet leiden tot bewijsuitsluiting.

De rechtbank overweegt dat, gelet op de feitelijke gang van zaken, er sprake is geweest van burgerpseudodienstverlening door [getuige 1] voor wat betreft het transport op 26 juli 2013. [getuige 1] heeft op 24 juli 2012, na de eerste vondst van de hennep in de kisten aangeboden door [bedrijf 1] ([persoon 1]), bij de politie gemeld dat er nog een spoedvracht voor Ierland door [bedrijf 1] ([persoon 1]) was aangemeld voor 26 juli 2013. De politie heeft in overleg met de officier van justitie besloten het transport te laten aankomen bij [getuige 1] en het aldaar te controleren op de Opiumwet. [getuige 1] heeft vervolgens het verzoek van [persoon 1] voor een spoedtransport naar Ierland op 26 juli 2013 ingewilligd. Nu [getuige 1] in overleg met de politie het verzoek van [persoon 1] heeft ingewilligd, is de rechtbank van oordeel dat [getuige 1] als burger is ingezet voor de opsporing van strafbare feiten. Daarbij overweegt de rechtbank dat het zeer waarschijnlijk is dat [getuige 1] deze transportorder niet zou hebben aangenomen indien hij van de politie daarvoor geen toestemming had gekregen.

Ten onrechte is geen schriftelijke overeenkomst, zoals is voorgeschreven in artikel 126ij Sv, tussen de officier van justitie en [getuige 1] opgemaakt. Aldus is sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv in de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte].

Echter, er is geen sprake van een vormverzuim in de zaak tegen verdachte. Ten tijde van het gepleegde vormverzuim was verdachte [verdachte], anders dan medeverdachte [medeverdachte], nog niet als verdachte in beeld. Het vormverzuim heeft aldus niet in het voorbereidend opsporingsonderzoek jegens verdachte plaatsgevonden. Gelet hierop verwerpt de rechtbank het verweer.

Uitvoer van verdovende middelen

De verdediging heeft betoogd dat medeverdachte [medeverdachte] het transport op 26 juli 2013 feitelijk nog niet had aangeboden, zodat van een strafbaar feit nog geen sprake was. De rechtbank verwerpt dit verweer.

Medeverdachte [medeverdachte] meldde zich op 26 juli 2013 aan de balie van transportbedrijf [getuige 1] met de intentie zijn vracht via [getuige 1] naar Ierland te laten vervoeren. Er zijn geen aanknopingspunten die nopen tot een ander oordeel dan dat de handelingen van verdachte waren gericht op het verdere vervoer van de hennep naar Ierland. Dat de hennep feitelijk nog niet was uitgeladen, doet daar niet aan af.

De wetenschap en rol van verdachte

Met betrekking tot de wetenschap van verdachte dat er hennep in de kisten zat, overweegt de rechtbank als volgt. Vaststaat dat verdachte de genoemde transporten heeft geregeld door [bedrijf 1] ([persoon 1]) te verzoeken de transporten te verzorgen. Verdachte heeft verklaard dat een opdrachtgever aan de deur kwam, die aangaf namens [bedrijf 2] te handelen. Dit relaas acht de rechtbank ongeloofwaardig, nu zij het volstrekt onaannemelijk acht dat een groot energiebedrijf als [bedrijf 2] transporten regelt door bij een voor haar onbekend persoon aan de deur te komen en deze als tussenpersoon te laten fungeren.

De rechtbank stelt vast dat het telefoonnummer van “[naam 1]” in de periode van 23 juli 2013 tot en met 26 juli 2013 vele malen op dezelfde plaats of nagenoeg dezelfde plaats aanstraalde als het telefoonnummer van verdachte. Het gaat daarbij om plaatsen die op verschillende plekken in Nederland zijn gelegen. Nu er in een relatief korte periode van vier dagen veelvuldig is aangestraald op dezelfde plaatsen door zowel het telefoonnummer van verdachte als de telefoonnummer van “[naam 1],” is de rechtbank van oordeel dat geconcludeerd moet worden dat verdachte en “[naam 1]” dezelfde persoon zijn.

Met de telefoon van deze “[naam 1]” is blijkens de aanstralingsgegevens veelvuldig contact geweest met de gebruiker van één van de telefoons die onder medeverdachte [medeverdachte] in beslag zijn genomen. De rechtbank neemt als vaststaand aan dat de telefoons die onder medeverdachte [medeverdachte] in beslag zijn genomen, ook daadwerkelijk bij [medeverdachte] in gebruik waren. [medeverdachte] heeft geen aannemelijke verklaring gegeven over de onder hem aangetroffen telefoons. Bovendien heeft verdachte op 23 juli 2013 het bericht “denk je nog om de bus vanavond” verstuurd aan één van de telefoons, hetgeen betrekking lijkt te hebben op een bus ten behoeve van het transport op 24 juli 2013, terwijl vaststaat dat [medeverdachte] het transport op 24 juli 2013 ook heeft verzorgd.

Verdachte heeft in die periode blijkens de aanstralingsgegevens met zijn vaste telefoonnummer [telefoonnummer 7] veelvuldig contact gehad met [persoon 1]. Dit duidt op een belangrijke regelende rol van verdachte. Dit klemt temeer nu verdachte blijkens een tapgesprek met [persoon 1] twee telefoonnummer noemt die [persoon 1] moet bellen en deze nummers overeenkomen met de twee telefoonnummers die in één van de telefoons van [medeverdachte] zijn opgenomen onder “A30” en “A70.” In het tapgesprek verzoekt verdachte [persoon 1] om [telefoonnummer 8] een berichtje te sturen “dat hij weg moet daar.” Niet kan worden gevolgd dat [persoon 1] iemand weg zou moeten sturen als het transport enkel op machineonderdelen betrekking zou hebben. Daarnaast is “[naam 1]”/verdachte degene die op 23 juli 2013 in een sms-bericht aan medeverdachte [medeverdachte] vraagt : “denk je aan de bus vanavond?” Op 25 juli 2013 volgt er een bericht aan medeverdachte [medeverdachte]: “We hebben nu 30 om 20 uur weet ik of er nog 20 bij komen.” Dit duidt niet op het transport van machineonderdelen. Gelet op het tapgesprek en inhoud van voornoemde sms-berichten, alsmede de vele sms-berichten van verdachte richting zowel [persoon 1] als medeverdachte [medeverdachte], concludeert de rechtbank dat verdachte een leidende rol heeft gehad bij de transporten en het niet anders kan zijn dan dat hij heeft geweten dat er hennep in de kisten zat.

Medeplegen

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, medeverdachte [medeverdachte] en (in ieder geval) de persoon of personen die gebruik maken van de in de telefoons van [medeverdachte] aangetroffen Engelse telefoonnummers. Verdachte is daarom schuldig aan het medeplegen van het uitvoeren van drugs.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

primair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 juli 2013

tot en met 26 juli 2013 te [pleegplaats] meermalen, althans eenmaal, (telkens)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1

lid 5 van de Opiumwet, (in totaal) ongeveer 135 kilogram (106 kilogram en/of

29 kilogram), in elk geval (telkens) een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een

middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen

krachtens artikel 3a van die wet, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn

mededader(s) opzettelijk die hennep in een bestelbus vervoerd naar een

transportbedrijf en daar aangeboden met het doel die hennep naar Engeland

en/of Ierland te laten uitvoeren/vervoeren;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is primair van mening dat, gelet op de betoogde vrijspraak, geen straf dient te worden opgelegd. Subsidiair, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, is een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest passend.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan overtreding van de Opiumwet door tweemaal drugs bij een transportbedrijf in Nederland aan te laten bieden met het doel deze drugs naar Engeland en Ierland te vervoeren.

Door de uitvoer van drugs naar het buitenland wordt de handel in verdovende middelen in het buitenland in stand gehouden en kunnen de uitvoerders van die verdovende middelen mede verantwoordelijk worden gehouden voor de nadelige effecten die door de handel in- en het gebruik van verdovende middelen worden veroorzaakt. Het gaat om stoffen die verslavend werken, schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid en waarvan het gebruik vanwege de randverschijnselen schade voor de samenleving in Nederland en in het buitenland oplevert.

Bij de bepaling van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de straffen die doorgaans worden opgelegd voor het uitvoeren van grote hoeveelheden als 135 kilogram hennep.

Voorts weegt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee het feit dat verdachte blijkens het dossier een grote, leidende en controlerende rol heeft gespeeld bij de transporten. Verdachte is immers degene die de medeverdachte aanstuurde, zoals blijkt uit de diverse telefoongesprekken en sms-berichten. Verder houdt de rechtbank in het nadeel van verdachte rekening met de recidive van verdachte op het gebied van Opiumwetdelicten.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek van het voorarrest passend is.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 11, 13 en 14 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. Hertsig, voorzitter, mr. Ebben en mr. Herbschleb, rechters, in tegenwoordigheid van Schuurmans, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op

6 februari 2014.

Mr. Herbschleb is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt daarmee, tenzij anders vermeld, bedoeld het onderdeel van het eindproces-verbaal met dossiernummer 201344923 van de politie Zeeland West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 193. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 99 en 100.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 103.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 104 en 105.

4 Het proces-verbaal Opiumwet, pagina 116.

5 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 118.

6 De verklaring van getuige [getuige 1] ter terechtzitting.

7 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 163.

8 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 151, 152, 154 en 156.

9 Het proces-verbaal verhoor verdachte [persoon 1], pagina 70.

10 Het proces-verbaal bevindingen, pagina 181.

11 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 193.

12 De verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 23 januari 2013.

13 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 135 en 136.

14 Het proces-verbaal bevindingen, pagina 161.

15 Het proces-verbaal bevindingen, pagina 181 tot en met 184.