Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:6722

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24-09-2014
Datum publicatie
01-10-2014
Zaaknummer
2852039 cv 14-1529
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2016:2639
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervallenverklaring eindvonnis. Administratieve fout bij de rechtbank; anders dan waarvan bij het eindvonnis was uitgegaan, was een bepaalde akte wel ingediend; de akte was in een verkeerde dossiermap gevoegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2015/12 met annotatie van Mr. G. van Rijssen
Prg. 2014/289
RBP 2014/103

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Breda

zaak/rolnr.: 2852039/CV/14-1529

vonnis d.d. 24 september 2014

inzake

[eiser] ,

wonende te [adres 1],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

gemachtigde: mr. drs. A.Ch. Osté, advocaat te Dongen,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [adres 2],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

gemachtigde: mr. L.G.C.M. de Wit, advocaat te Oosterhout.

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1 Het verloop van het geding

1.1.

De gang van zaken blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    het eindvonnis in deze zaak van 3 september 2014 (hierna: het eindvonnis);

  • -

    de fax van 4 september 2014 van de zijde van[eiser];

  • -

    de e-mail van 5 september 2014 van de zijde van[eiser];

  • -

    de e-mail van 9 september 2014 van de zijde van[eiser];

  • -

    de e-mail van 9 september 2014 van de zijde van [gedaagde].

2 Overwegingen

Aanleiding voor het vonnis

2.1.

De aanleiding voor het onderhavige vonnis is samengevat het volgende.

2.1.1.

Bij tussenvonnis van 9 juli 2014 in deze zaak is[eiser] toegelaten tot bewijslevering van bepaalde feiten. In dat kader is bij dat tussenvonnis de zaak verwezen naar de rolzitting van 6 augustus 2014 opdat[eiser] dan bij akte meldt of en zo ja op welke wijze hij het bewijs wenst te leveren.

2.1.2.

Bij het eindvonnis is zowel de vordering van[eiser] als de vordering in reconventie van [gedaagde] afgewezen. Redengevend voor de afwijzing van de vordering van[eiser] was volgens dit eindvonnis dat, kort gezegd, bij de rolzitting van 6 augustus 2014 geen akte is ingediend door[eiser], waardoor de door[eiser] gestelde feiten niet zijn komen vast te staan.

2.1.3.

Bij fax van 4 september 2014 heeft[eiser] laten weten dat onjuist is de rechtsoverweging 2.2 in het eindvonnis inhoudende dat bij de rolzitting van 6 augustus 2014 geen akte is ingediend door[eiser]. Volgens[eiser] is bij brief van 22 juli 2014 de akte voor de rolzitting van 6 augustus 2014 (hierna ook: de akte) ingediend.[eiser] verzoekt de kantonrechter de akte als genomen te beschouwen en het vonnis te herzien.

2.1.4.

Bij e-mail van 5 september 2014 heeft[eiser] in aanvulling op de fax van 4 september 2014 het volgende gemeld:

“Mijns inziens is het een en ander fout gelopen daar er op de akte alsmede op het begeleidend schrijven (…) een verkeerd zaaknummer is gemeld.”

2.1.5.

Bij e-mail van 9 september 2014 heeft[eiser] onder meer geschreven:

“Ik verzoek u de kantonrechter te laten heroverwegen om de procedure toch voort te kunnen zetten op basis van de ingediende akte. Proces technisch en proceseconomisch geniet dit de voorkeur van partijen. Mr. de Wit de advocaat van de wederpartij is akkoord dat de procedure zal worden voortgezet. Als blijk van zijn akkoord zal hij zelf per email zijn akkoord bevestigen. Voor de volledigheid is mr. de Wit ook geadresseerd in dit bericht.”

2.1.6.

Bij e-mail van 9 september 2014 heeft [gedaagde] onder meer geschreven:

“Ik kan u bevestigen, dat de litigieuze akte, die op 6 augustus 2014 genomen had dienen te worden tijdig in mijn bezit is gekomen. Ik begrijp uit onderstaand relaas, dat er kennelijk sprake is geweest van een abusievelijk geplaatst verkeerd kenmerk op de akte, waardoor deze in een ander rechtbankdossier terecht is gekomen.

Vergissen is menselijk en ik zal daarom geen bezwaar maken tegen het verzoek van mr Osté en mij dienaangaande welwillend opstellen.”

Onderzoek naar de gang van zaken

2.2.

Naar aanleiding van de fax van 4 september 2014 heeft de kantonrechter onderzoek gedaan. Uit dit onderzoek blijkt het volgende:

  1. De akte is op 23 juli 2014 ontvangen door de rechtbank;

  2. Na ontvangst is door de administratie onderkend dat het zaaknummer dat op de akte is vermeld niet juist was. Dit zaaknummer behoorde namelijk bij een zaak die reeds was afgedaan.

  3. Vervolgens is het juiste zaaknummer erbij gezocht. Dit zaaknummer is handgeschreven op de akte vermeld, onder doorhaling van het onjuiste zaaknummer.

  4. De akte is vervolgens evenwel abusievelijk niet in de dossiermap van onderhavige zaak maar in een dossiermap van een andere zaak terechtgekomen. Deze andere zaak is niet de zaak van het onjuiste zaaknummer, maar (weer) een andere zaak.

Uitgangspunten bij de verdere overwegingen

2.3.

Uit het onderzoek blijkt dat de omstandigheid dat[eiser] een onjuist zaaknummer had vermeld op de akte niet de oorzaak is geweest dat de akte in een onjuist dossiermap is terechtgekomen. De oorzaak is gelegen in een onjuiste handeling op de administratie van de rechtbank.

Het enige ‘verwijt’ dat Van de Pluijm in dezen zou kunnen worden gemaakt, is dat partijen bij brief van 6 augustus 2014 zijn geïnformeerd dat de zaak op 3 september 2014 voor vonnis stond – hetgeen bovendien ook was vermeld in het roljournaal.

Dit laatste weegt evenwel in die zin niet op tegen de administratieve fout bij de rechtbank (hierna ook: de administratieve fout) dat de omstandigheid dat de kantonrechter eindvonnis heeft gewezen op basis van een incompleet procesdossier, redelijkerwijs volledig toerekenbaar is aan de administratieve fout. Dit laatste is uitgangspunt voor de hierna volgende overwegingen.

2.4.

Uit de e-mails van 9 september 2014 begrijpt de kantonrechter dat beide partijen de procedure willen voortzetten op basis van de ingediende akte, dus bij de kantonrechter (en kennelijk bij voorkeur niet via een hogerberoepsprocedure). De instemming daarmee door [gedaagde] is weliswaar gegeven uitgaande van de door[eiser] geschetste situatie waarin de oorzaak dat de akte in een onjuist dossiermap is terechtgekomen, gelegen is in een fout van[eiser], maar aangenomen kan worden dat dit niet anders is nu blijkt dat de oorzaak niet gelegen is in de fout van[eiser] maar in een administratieve fout bij de rechtbank. Een tweede uitgangspunt is derhalve dat beide partijen zodanig herstel van de fout willen dat de procedure bij de kantonrechter kan worden voortgezet.

2.5.

De vraag rijst of hetgeen partijen willen, procesrechtelijk mogelijk is. Daarbij verdient opmerking dat[eiser] om ‘herziening’ heeft verzocht, welk rechtsfiguur het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv) niet kent.

Herroeping?

2.6.

Ingevolge artikel 382 Rv kan een vonnis onder omstandigheden worden herroepen. Nog ervan afgezien dat het onderhavige eindvonnis nog niet in kracht van gewijsde is gegaan en dat de procedure tot herroeping dient te worden ingeleid door een dagvaarding (hetgeen hier niet is gebeurd), is een administratieve fout niet aan te merken als een van de in artikel 382 Rv vermelde gronden voor herroeping. De rechtsfiguur van herroeping biedt derhalve geen soelaas.

Verbetering?

2.7.

Artikel 31 Rv bepaalt, kort gezegd, dat de rechter te allen tijde op verzoek van een partij of ambtshalve in zijn vonnis een kennelijke fout verbetert die zich voor eenvoudig herstel leent.

2.7.1.

Er is voor gepleit om artikel 31 Rv zodanig ruim uit te leggen dat een feitenrechter ook een fout bij de totstandkoming van zijn uitspraak, langs de weg van artikel 31 Rv kan herstellen (bijv. A-G Wesseling-van Gent in onderdeel 2.25 van de conclusie voor HR 27 mei 2011, NJ 2012/625; kritisch evenwel H.J. Snijders in zijn annotatie in NJ 2012/626).

2.7.2.

De Hoge Raad is daar tot op heden evenwel niet in meegegaan. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat fouten die vergelijkbaar zijn met de onderhavige administratieve fout, niet kunnen worden aangemerkt als een fout die op grond van artikel 31 Rv verbeterd kan worden (bijv. HR 13 april 2012, NJ 2012/246; vgl. ook HR 27 mei 2011, NJ 2012/625). Ook een overeenkomstige toepassing van artikel 31 Rv is afgewezen (HR 27 mei 2011, NJ 2012/625). De Hoge Raad past artikel 31 Rv evenwel ruimer toe in het geval een fout bij de Hoge Raad wordt gemaakt (vgl. HR 13 februari 2004, NJ 2004/459); verondersteld wordt dat dit er onder meer mee te maken heeft dat de Hoge Raad de laatste instantie is, waarvan geen beroep mogelijk is (Th. B. ten Kate en E.M. Wesseling-van Gent, Herroeping, verbetering en aanvulling van burgerrechtelijke uitspraken, Kluwer 2013, p. 169).

2.7.3.

Gegeven de jurisprudentie van de Hoge Raad biedt artikel 31 Rv geen grondslag voor de door partijen gewenste oplossing gelet op de aard van de onderhavige fout.

Vervallenverklaring?

2.8.

De vraag rijst of de door partijen gewenste oplossing kan worden gevonden in de vervallenverklaring van het eindvonnis (waarna vervolgens de procedure wordt voorgezet in het stadium waarin die zich bevond). De kantonrechter onderkent de volgende gezichtspunten.

2.8.1.

Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat het gesloten stelsel van in de wet geregelde rechtsmiddelen medebrengt, afgezien van het zeldzame geval van het geheel ontbreken van rechtskracht, dat een onjuiste rechterlijke uitspraak niet anders dan door het aanwenden van een rechtsmiddel kan worden aangetast en dat ook indien geen rechtsmiddel beschikbaar is, de uitspraak tussen partijen rechtskracht heeft (bijv. HR 4 mei 1990, NJ 1990/677 en HR 24 oktober 2003, NJ 2004/558). De herstelmogelijkheid van artikel 31 Rv wordt wel gezien als een uitzondering hierop.

2.8.2.

Vóór de invoering van artikel 31 Rv was de mogelijkheid voor de rechter om een eigen (eind)uitspraak te verbeteren in verband met een kennelijke, voor partijen kenbare en voor eenvoudige herstel vatbare, verschrijving gebaseerd op jurisprudentie (vgl. HR 29 april 1994, NJ 1994/497, waarbij gewezen werd op de eisen van een proceseconomie en van een goede procesorde). Artikel 31 Rv betreft (grotendeels) codificatie van die jurisprudentie.

2.8.3.

De figuur van vervallenverklaring kent geen grondslag in Rv.

2.8.4.

De civiele kamer van de Hoge Raad lijkt de mogelijkheid van het ‘ongedaan maken’ van een uitspraak van de Hoge Raad en ‘vervanging’ door een nieuwe uitspraak niet uit te sluiten in geval van een fout aan de zijde van de Hoge Raad die heeft geleid tot schending van het beginsel van hoor en wederhoor (vgl. HR 25 november 2011, NJ 2011/554).

2.8.5.

De figuur van vervallenverklaring kent in het bestuursrecht evenmin een wettelijke grondslag. Ook het bestuursrecht kent een gesloten stelsel van in de wet geregelde rechtsmiddelen. Niettemin gaat een hoogste bestuursrechter soms tot een vervallenverklaring van een eigen uitspraak over. Zie bijvoorbeeld HR 20 maart 2009, BNB 2009/134 (belastingkamer) waarin sprake is van een administratieve fout bij de Hoge Raad (griffierecht bleek wel – en bovendien op tijd – te zijn betaald; zie ook HR 13 mei 2011, BNB 2011/202). Ook andere hoogste bestuursrechters gaan soms tot vervallenverklaring van een eigen uitspraak over; zie bijv. CRvB 15 mei 2008, RSV 2008/197 en ABRvS 29 april 2004, AB 2004/226.

2.8.6.

In het bestuursrecht gaan soms ook feitenrechters over tot vervallenverklaring van een eigen uitspraak (bijv. Hof 's-Hertogenbosch 25 januari 2005, ECLI:NL:GHSHE:2005:AS6710). Of dit rechtens is geoorloofd (lees: gesanctioneerd is door de desbetreffende hoogste bestuursrechter) lijkt nog niet duidelijk (vgl. punt 40 van de annotatie van W.A.P. van Roij in FED 2013/20). Betoogd is wel dat vervallenverklaring niet in de rede ligt als op het moment waarop de fout partijen duidelijk kon zijn, nog een rechtsmiddel beschikbaar is (M. Schreuder-Vlasblom, Rechtsbescherming en bestuurlijke voorprocedure, Kluwer 2013, par. 6.1.2 ). Steun hiervoor is te vinden in een uitspraak van de Afdeling (ABRvS 2 september 2004, AB 2004/418).

2.8.7.

Het bestuursrecht kent niet een met artikel 31 Rv vergelijkbare bepaling. Niettemin doen bestuursrechters – zowel de hoogste bestuursrechters als de rechtbanken – soms hersteluitspraken, duidelijk geïnspireerd op artikel 31 Rv. Dit heeft (nog) niet geleid tot codificatie in de Awb. De regering heeft opgemerkt dat de praktijk zich redt met de figuur van de hersteluitspraak voor het redresseren van evidente onjuistheden c.q. kennelijke verschrijvingen (Kamerstukken II 2008/09, 31 352, nr. 8, p. 20).

2.8.8.

Ook in het strafrecht heeft het ook daar geldende gesloten stelstel van rechtsmiddelen niet in de weg gestaan aan de introductie van herstelarresten van de Hoge Raad bijvoorbeeld in het geval van een administratieve fout (zie bijv. HR 30 oktober 2001, NJ 2002/231 en de NJ-annotatie van De Hullu bij dit arrest alsmede de annotatie van M.J. Borgers in NJ 2012/249).

2.8.9.

Bij herstelarresten maakt de strafkamer soms gebruik van de figuur van bepaling dat het eerdere arrest ‘zijn kracht heeft verloren’ (bijv. HR 10 mei 2005, NJ 2006/23 en HR 16 december 2008, RvdW 2009, 146); ook geschiedt herstel soms door een intrekking van het eerdere arrest (bijv. HR 12 juli 2011, RvdW 2011/1003; HR 22 februari 2011, RvdW 2011/338; HR 9 april 2013, RvdW 2013/581).

2.8.10.

In het strafrecht is aanvaard dat ook de feitenrechter de buitenwettelijke mogelijkheid heeft om een herstelbeslissing te geven (bijv. HR 10 januari 2012, NJ 2012/249 en HR 12 juni 2012, NJ 2012/490).

2.8.11.

De in 2.8.5 vermelde jurisprudentie betreft jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter. Het betreft dus gevallen waarin de fout die aanleiding geeft voor de vervallenverklaring niet meer hersteld kan worden door een rechtsmiddel aan te wenden bij een hogere Nederlandse rechterlijke instantie.

2.8.12.

In een geval waarin hoger beroep mogelijk is, kan de administratieve fout in die zin worden hersteld dat de gevolgen ervan in hoger beroep kunnen worden geredresseerd. Nu de mogelijkheid van een zeker herstel in hoger beroep bestaat, is er minder noodzaak – dan in het geval van een vergelijkbare fout bij de hoogste rechterlijke instantie – om de mogelijkheid te hebben de fout in deze instantie te herstellen.

Dat het verschil uitmaakt of sprake is van een fout bij een hoogste rechterlijke instantie dan wel van een fout bij een feitenrechter, komt terug in de jurisprudentie. Een voorbeeld betreft de (ogenschijnlijk) ruimhartigere toepassing van artikel 31 Rv bij fouten bij de Hoge Raad (zie 2.7.2). Ook de strafkamer van de Hoge Raad heeft bij het wijzen van een herstelarrest wegens een administratieve fout bij de Hoge Raad in aanmerking genomen dat de Hoge Raad in laatste instantie uitspraak doet (bijv. HR 30 oktober 2011, NJ 2002/231 en HR 10 mei 2005, NJ 2006/23). Niettemin is het in het strafrecht (inmiddels) wel aanvaard dat ook de feitenrechter de buitenwettelijke mogelijkheid heeft om een herstelarrest te wijzen (zie 2.8.10).

2.8.13.

Dat de urgentie tot herstel minder is indien nog een rechtsmiddel kan worden aangewend, neemt niet weg dat er veel voor te zeggen is dat herstel door de rechter van evidente administratieve fouten de voorkeur heeft boven het aanwenden van rechtsmiddelen (zie bijv. W.D.H. Asser, H.A. Groen, J.B.M. Vranken, Uitgebalanceerd, Boom Juridische uitgevers 2006, par. 9.1.4.3, waar zij verruiming van artikel 31 Rv bepleiten; zie in vergelijkbare zin Th. B. ten Kate en E.M. Wesseling-van Gent, a.w., p. 167-168, die vragenderwijs een vorm van een ‘terme de grâce’ bepleiten om een evidente misslag als gevolg van administratieve fout te herstellen, alsmede P.A. Fruytier en L.V. van Gardingen, De aanvulling en verbetering van uitspraken – een onderzoek naar het toepassingsbereik van art. 31 en 32 Rv, TCR 2014, par. 3, die zich bij dit pleidooi aansluiten; voor een tegengeluid zie bijv. H.J. Snijders in zijn annotatie in NJ 2012/626).

2.8.14.

Indien vervallenverklaring van een vonnis van een feitenrechter mogelijk zou zijn, zou dat mogelijk tot complexe en/of onoverzichtelijke situaties kunnen leiden indien tegen het desbetreffende vonnis inmiddels hoger beroep (of cassatieberoep) is ingesteld.

2.8.15.

Uitsluiting van de mogelijkheid van vervallenverklaring in een geval als het onderhavige zou in wezen meebrengen dat hoewel de fout volledig aan de rechter te wijten is, de benadeelde partij gedwongen wordt in hoger beroep te gaan wil deze partij de fout hersteld kunnen krijgen (waarbij dan bovendien de wederpartij de hogerberoepsprocedure wordt mee ingetrokken).

2.8.16.

Aan herstel via hoger beroep zijn nadelen verbonden. Er moet een nieuwe hogerberoepsprocedure worden gestart door de benadeelde partij; er gaat enige tijd overheen voordat de zaak in hoger beroep inhoudelijk kan worden behandeld; de partijen wordt tot op zekere hoogte één feitelijke instantie ontnomen; de zaak wordt behandeld door nieuwe rechters (raadsheren) die zich het procesdossier eigen moeten maken. Het gaat dus zowel om nadelen voor partijen (proceskosten hogerberoepsprocedure zowel bij eiser als bij gedaagde; langere procesduur voordat de eerste ‘echt’ inhoudelijke beslissing wordt verkregen; verlies van instantie) als om maatschappelijke kosten (kosten hogerberoepsprocedure).

2.8.17.

Aangezien rechtsherstel van de fout via hoger beroep mogelijk is, is de onderhavige procedure als geheel bezien (dat wil zeggen inclusief de mogelijkheid van hoger beroep) niet in strijd met artikel 6 EVRM. Dat neemt niet weg dat de onderhavige procedure voor de kantonrechter op zichzelf bezien wel in strijd met artikel 6 EVRM is, aangezien een – bovendien cruciaal – processtuk bij het eindvonnis ten onrechte buiten beschouwing is gebleven (vgl. HR 30 oktober 2001, NJ 2002/231 (strafkamer) waarin een schriftuur niet was opgemerkt door de Hoge Raad). Betoogd kan worden dat in een geval als het onderhavige waarin de schending van artikel 6 EVRM gelegen is in een evidente administratieve fout bij de kantonrechter, rechtsherstel in de vorm van een vervallenverklaring meer in de geest is van het EVRM dan de benadeelde partij dwingen in hoger beroep te gaan met de daaraan verbonden nadelen. Daarbij komt dat die laatste oplossing in beginsel een langere procesduur betekent, hetgeen op zichzelf weer spanning oproept met artikel 6 EVRM.

2.8.18.

In een geval waarin beide procespartijen voortzetting van de procedure willen bij de rechter waar de fout is gemaakt, zou een alternatief voor vervallenverklaring een pragmatische benadering kunnen zijn. Dit alternatief zou inhouden dat het eindvonnis verder wordt genegeerd – al dan niet met het verzoek aan partijen om de grosse van het (eerste) eindvonnis terug te sturen (een handelwijze die in de praktijk wel voorkomt, zo is te lezen in R.L. Bakels, Burgerlijk procesrecht praktisch belicht, par. 11.13) –, de procedure wordt voorgezet en uiteindelijk een nieuw (tweede) eindvonnis wordt gewezen. Dit laatste (tweede) eindvonnis lijkt dan mee te brengen dat het eerste eindvonnis zijn rechtskracht, althans ‘zijn betekenis’, verliest (vgl. HR 24 oktober 2003, NJ 2004/558 en punt 7 van de NJ-annotatie van Snijders bij dit arrest). Dat op die manier buiten de grenzen van artikel 31 Rv een feitenrechter materieel gezien een vonnis kan vervangen door een ander vonnis, neemt echter niet weg dat de rechter dat niet mag (vgl. Snijders in punt 9 van zijn annotatie in NJ 2004/558). Aan deze pragmatische oplossing kleeft derhalve evenzeer als aan de vervallenverklaring het nadeel dat er geen wettelijke grondslag voor is, terwijl de vervallenverklaring het voordeel heeft dat zij transparanter en – afgezien van het ontbreken van een wettelijke grondslag – dogmatisch zuiverder is.

2.8.19.

Vervallenverklaring van een vonnis in een situatie waarin (a) sprake is van een administratieve fout bij de rechter, en (b) beide partijen ‘herstel’ en voortzetting van de procedure bij die rechter willen, zou goed passen bij de deformalisering van het civiele procesrecht.

2.8.20.

A-G Wesseling-Van Gent heeft haar conclusie voor HR NJ 2012/246 in verband met het geval van een einduitspraak die evident onjuist is als gevolg van een processueel verzuim van de desbetreffende feitenrechter opgemerkt dat “het aan de wetgever is om zich de vraag te stellen of art. 31 Rv niet zodanig zou moeten worden gewijzigd dat gevallen als de onderhavige onder de wettelijke bepaling vallen, waarmee de tijdrovende en kostbare weg van het instellen van een gewoon rechtsmiddel kan worden vermeden.” (zie ook meer recent de oproep aan de wetgever van dezelfde A-G in punt 2.12 van de conclusie voor HR 7 februari 2014, RvdW 2014/286).

2.8.21.

Het wetsontwerp ‘Voorstel tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht’ (www.internetconsultatie.nl/kei) voorziet in een wijziging van artikel 31 Rv maar zij betreft geen inhoudelijke wijziging in de zin dat het toepassingsbereik wordt uitgebreid.

2.9.

De kantonrechter komt tot de volgende afweging.

2.9.1.

De rechtspraak laat meerdere voorbeelden zien van toepassing van een buitenwettelijk rechtsfiguur om een rechterlijke fout te herstellen (zie 2.8.2, 2.8.5, 2.8.7 t/m 2.8.10). Dit is ook het geval (geweest) in het civiele recht (zie 2.8.2). In het bestuursrecht gaat een hoogste bestuursrechter soms tot een vervallenverklaring van een eigen uitspraak over hoewel daarvoor niet een expliciete wettelijke grondslag bestaat (zie 2.8.5). In gevallen waarin de strafkamer van de Hoge Raad een herstelarrest wijst, wordt soms gebruik gemaakt van een techniek (zie 2.8.9), die materieel op één lijn is te stellen met een vervallenverklaring. De civiele kamer van de Hoge Raad lijkt een vervallenverklaring – althans het ‘ongedaan maken’ – mogelijk te achten van een eigen arrest (zie 2.8.4). Gelet op het voorgaande is het enkele feit dat de figuur van vervallenverklaring geen grondslag heeft in Rv niet doorslaggevend voor beantwoording van de vraag of in een geval als het onderhavige een vervallenverklaring mogelijk is. Veeleer lijkt het een kwestie van beleid bij rechterlijke rechtsvorming – waarbij uiteindelijk de Hoge Raad het laatste woord heeft – hoever wordt gegaan met buitenwettelijk herstel van fouten zoals de onderhavige.

2.9.2.

Daarbij verdient opmerking dat de staatsrechtelijke positie van de rechter geen duidelijke richting geeft voor beantwoording van de vraag of het aan de rechter is om de vraag te beantwoorden of herstel door een rechter van een eigen fout zoals de onderhavige mogelijk zou moeten zijn. Enerzijds kan betoogd worden dat het aan de wetgever is om zich uit te laten over de wenselijkheid van de mogelijkheid dat een feitenrechter een eigen eindvonnis vervallen verklaart (vgl. 2.8.20). Anderzijds heeft in het verleden de rechter het voortouw genomen met betrekking tot hersteluitspraken en met betrekking tot de vervallenverklaring van uitspraken van de hoogste rechter, waarna de (mede-)wetgever tot codificatie is overgegaan (zie 2.8.2) dan wel het (kennelijk) verder aan de rechter heeft gelaten (zie 2.8.7).

2.9.3.

Een belangrijk tegenargument tegen een vervallenverklaring door een feitenrechter van een eindvonnis is – in combinatie met het feit dat vervallenverklaring niet wettelijk is geregeld – dat herstel van de fout mogelijk is door een rechtsmiddel aan te wenden (zie 2.8.12) en dat die weg complicaties voorkomt (zie 2.8.14).

Dat neemt niet weg dat er het nodige voor te zeggen is dat het gepaster is dat herstel van de fout plaatsvindt door de rechter waar de fout is gemaakt in plaats van dat de benadeelde partij gedwongen wordt in hoger beroep te gaan, mede gelet op de nadelen die daaraan verbonden zijn (zie 2.8.13, 2.8.16 en 2.8.17). Ook de proceseconomie (vgl. 2.8.2) pleit daarvoor. Deze oplossing past bovendien bij de deformalisering van het civiele procesrecht, zeker indien beide partijen voortzetting van de procedure bij de desbetreffende rechter willen (zie 2.8.19).

2.9.4.

Het onderhavige geval kenmerkt zich erdoor dat (a) een evident onjuist vonnis is gewezen als gevolg van een administratieve fout bij de kantonrechter, (b) de benadeelde partij vrijwel direct nadat het vonnis is gewezen, de kantonrechter heeft geïnformeerd over de fout (vgl. de ‘terme de grace’-benadering in 2.8.13), en (c) beide partijen hebben gemeld herstel van de fout te willen door voortzetting van de procedure bij de kantonrechter in de stand waarin die zich bevond toen de fout werd gemaakt.

De kantonrechter acht in deze omstandigheden een vervallenverklaring gerechtvaardigd nu de belangen die gediend zijn met een vervallenverklaring zwaarder wegen dan de belangen – zoals de rechtszekerheid – die gewaarborgd worden door het strikt vasthouden aan het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Aan deze laatste belangen komt in dit concrete geval een geringer gewicht toe dan ze normaliter hebben gelet op voormelde laatste omstandigheid (c).

Voorzetting

2.10.

Het eindvonnis zal vervallen worden verklaard, en de procedure in de zaak zal worden voortgezet.

Aangezien[eiser] in zijn akte voor de rolzitting van 6 augustus 2014 verzuimd heeft de verhinderdata van de getuigen en van beide partijen in de komende drie maanden op te geven, zal de zaak naar de rol worden verwezen opdat[eiser] alsnog de verhinderdata opgeeft.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

verklaart het eindvonnis in deze zaak van 3 september 2014 vervallen;

3.2.

bepaalt dat de procedure in deze zaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wijzen van het in 3.1 vermelde eindvonnis;

3.3.

verwijst de zaak in conventie naar de rolzitting van woensdag 8 oktober 2014 te 9.00 uur opdat[eiser] dan bij akte de verhinderdata van de door hem opgegeven getuigen en van beide partijen in de komende drie maanden opgeeft;

3.4.

houdt iedere verdere beslissing in conventie en in reconventie aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.R.T. Pauwels en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2014.