Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:6370

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-09-2014
Datum publicatie
06-11-2014
Zaaknummer
AWB-13_3586
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkstelling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de ontvanger voldoende aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag ten name van de uitlener tijdig is opgelegd. Verder is gesteld noch gebleken dat de ontvanger getalmd heeft met de aansprakelijkstelling van belanghebbende als inlener. Daarnaast is belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank terecht aansprakelijk gesteld voor (een deel van de) niet-betaalde loonbelastingschulden van de uitlener en is het anoniementarief terecht toegepast. Voorts komt belanghebbende niet in aanmerking voor een vermindering van de aansprakelijkstelling en was de ontvanger op grond van de Leidraad niet gehouden deze te baseren op een lager tarief dan het tarief voor anonieme werknemers. Immers, belanghebbende heeft niet voldaan aan de (cumulatieve) voorwaarde dat zij de identiteit van de werknemers op deugdelijke wijze heeft aangetoond. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.

Wetsverwijzingen
Wijzigingswet Invorderingswet 1990 (Herziening procesrecht inzake aansprakelijkstelling), geldigheid: 2014-11-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2614
V-N Vandaag 2014/2287
V-N 2014/63.3.4
mr. M.C.J. Kop annotatie in NTFR 2015/397

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummer AWB 13/3586

uitspraak van 4 september 2014

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende]B.V., gevestigd te [plaats X],

belanghebbende,

en

de ontvanger van de Belastingdienst,

de ontvanger.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De ontvanger heeft, met dagtekening 16 oktober 2012, bij beschikking met nummer [aanslagnummer 1], belanghebbende aansprakelijk gesteld voor door [A BV](hierna: [A BV]) niet betaalde belastingschulden voor een bedrag van € 9.194.

1.2.

Belanghebbende heeft bij brief met dagtekening 22 november 2012, door de ontvanger ontvangen op 23 november 2012, bezwaar aangetekend tegen deze beschikking. De ontvanger heeft bij uitspraak met dagtekening 30 mei 2013 het bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 1 juli 2013, ontvangen bij de rechtbank op 2 juli 2013, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 318.

1.4.

De ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de ontvanger.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2014. Ter zitting zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde]te Roermond, en namens de ontvanger, [verweerder]. De ontvanger heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Voorts heeft de ontvanger ter zitting een rapport met bijlagen overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces‑verbaal opgemaakt, waarvan tegelijk met deze uitspraak een afschrift aan partijen is verzonden

1.7.

De rechtbank heeft partijen in overweging gegeven om met elkaar in overleg te treden teneinde de mogelijkheden van een compromis te onderzoeken. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd. Met dagtekening 16 juni 2014 heeft de ontvanger aan de rechtbank een brief met bijlagen toegestuurd aangaande de berekening van de aansprakelijkstelling in geval van matiging. Een afschrift van de brief van 16 juni 2014 is verstrekt aan de wederpartij. De rechtbank heeft het onderzoek reeds gesloten en heeft niet verzocht om toezending van berekeningen. De rechtbank ziet overigens geen aanleiding om op basis van dit stuk de zitting te heropenen. Om die reden zal de rechtbank deze brief buiten beschouwing laten. Met dagtekening 27 juni 2014 heeft de gemachtigde van belanghebbende een afschrift van het schrijven dat gericht is aan de ontvanger aan de rechtbank doen toekomen. Bij brief van 21 juli 2014 is aan partijen medegedeeld dat de rechtbank de uitspraaktermijn met zes weken verlengt. Met dagtekening 28 augustus 2014, door de rechtbank ontvangen op 1 september 2014, heeft de ontvanger gereageerd op het schrijven van belanghebbende van 27 juni 2014. De ontvanger heeft tegelijkertijd een afschrift van deze reactie doen toekomen aan belanghebbende. Nu de stukken van 27 juni en 28 augustus 2014 na de zitting zijn overgelegd en beide betrekking hebben op het bereiken van een compromis en nu uiteindelijk geen compromis is gesloten, zal de rechtbank deze stukken buiten beschouwing laten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

In het jaar 2006 heeft een aantal werknemers, die in dienstbetrekking waren bij [A BV], onder toezicht of leiding van belanghebbende bij belanghebbende werkzaamheden verricht. De totale omzet van [A BV] over het jaar 2006 bedroeg € 911.400. De omzet die [A BV] heeft behaald met het aan belanghebbende uitgeleende personeel bedroeg in 2006 € 34.572,63.

2.2.

[A BV] is per [datum] 2009 in staat van faillissement verklaard. Het faillissement is opgeheven per [datum] 2011. Bij [A BV] is op 1 november 2011 een boekenonderzoek gestart naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen 2006 tot de datum van het faillissement. Van dit onderzoek is op 7 november 2011 een rapport opgemaakt dat tot de stukken van het geding behoort.

2.3.

Ten name van [A BV] is over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 januari 2006 een naheffingsaanslag loonheffingen van € 242.359 opgelegd en daarbij is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht van € 45.220 (aanslagnummer [aanslagnummer 2].A.01.6510) (hierna: de naheffingsaanslag). Op de (duplicaat)naheffingsaanslag, die tot de stukken van het geding behoort, staat als dagtekening vermeld 7 december 2011. Daarnaast staat daarop dat het verschuldigde bedrag op 21 november 2011 op de rekening van de Belastingdienst moet staan en voorts dat de naheffingsaanslag is vastgesteld naar aanleiding van het bij [A BV] ingestelde boekenonderzoek, waarbij wordt verwezen naar het rapport van 7 november 2012.

2.4.

Een intern memo van de Belastingdienst, gedagtekend 29 december 2011, dat tot het dossier van [A BV] behoort, vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:

“[A BV] (…)

Op basis van het ingestelde onderzoek (…) dienen de navolgende naheffingsaanslagen loonheffingen te worden opgelegd:

(…)

Schuldenoverzicht na onderzoek (t.b.v. WKA): Enkelvoudig

(…)

2006: naheffingsaanslag nog op te leggen € 242.359,00

(…)”.

2.5.

Belanghebbende heeft in 2006 € 9.287,72 op de G‑rekening van [A BV] gestort.

2.6.

Op 16 november 2011 is een onderzoek ingesteld naar de mogelijkheid om de inlenersaansprakelijkheid ingevolge artikel 34 van de Invorderingswet 1990 (hierna: de IW) dan wel de ketenaansprakelijkheid ingevolge artikel 35 van de IW toe te passen ten aanzien van de contractpartners van [A BV] als uitlener over de periode 2005 tot en met 2009. Bij beschikking van 16 oktober 2012 is belanghebbende met toepassing van artikel 34 van de IW, artikel 60 van de Wet financiering sociale verzekeringen en premiebesluiten en artikel 51 van de Zorgverzekeringswet aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 9.194.

2.7.

Belanghebbende heeft op 23 november 2012 bezwaar ingesteld tegen de beschikking. Op 13 maart 2013 is belanghebbende gehoord. Op 7 januari 2013 heeft belanghebbende gebruik gemaakt van haar inzagerecht. In de uitspraak op bezwaar is het bezwaar van belanghebbende afgewezen.

3 Geschil

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en het ter zitting verhandelde.

3.1.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

  1. Is de naheffingsaanslag te laat opgelegd, zodat de beschikking aansprakelijkstelling dient te vervallen?

  2. Is de beschikking aansprakelijkstelling tijdig afgegeven?

  3. Is belanghebbende terecht aansprakelijk gesteld?

  4. Is de beschikking aansprakelijkstelling tot het juiste bedrag opgelegd? Meer in het bijzonder is voor dat geval in geschil of het anoniementarief terecht is toegepast en zo ja, of belanghebbende in aanmerking komt voor matiging.

Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag bevestigend en de tweede, derde en vierde vraag ontkennend. De ontvanger is de tegenovergestelde mening toegedaan.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de beschikking aansprakelijkstelling. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

Met betrekking tot de tijdigheid van de naheffingsaanslag

4.1.1.

Ingevolge artikel 20, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) vervalt de bevoegdheid tot naheffing door het verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend. Bij de naheffingsaanslag is belasting geheven die ziet op het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006. De termijn van vijf jaren voor het opleggen van de naheffingsaanslag over het hiervoor genoemde tijdvak eindigde derhalve op 1 januari 2012.

4.1.2.

Belanghebbende heeft gesteld dat de naheffingsaanslag niet op 7 december 2011 en evenmin binnen de genoemde vijfjaarstermijn opgelegd kan zijn, zodat deze moet worden vernietigd. Daartoe verwijst belanghebbende naar het in 2.4 genoemde interne memo van de Belastingdienst waarin staat dat de naheffingsaanslag over het jaar 2006 nog opgelegd moet worden. Nu het memo is gedagtekend op 29 december 2011 kan de naheffingsaanslag naar de opvatting van belanghebbende niet vóór die datum opgelegd zijn. Verder verwijst belanghebbende naar de op de (duplicaat)naheffingsaanslag vermelde datum van het rapport boekenonderzoek van 7 november 2012, waaruit volgens belanghebbende afgeleid moet worden dat de naheffingsaanslag pas na die datum is opgelegd.

4.1.3.

Volgens de ontvanger is de naheffingsaanslag tijdig opgelegd en heeft de inspecteur die het interne memo heeft opgesteld, de systemen niet goed geraadpleegd. Daartoe verwijst de ontvanger naar een rapport (met bijlagen) van 11 juni 2014 waarin staat dat de naheffingsaanslag over het jaar 2006 op 28 november 2011 in het computersysteem van de belastingdienst is geregistreerd met dagtekening 7 december 2011 en op 5 december 2011 ter post is aangeboden aan PostNL. De ontvanger heeft voorts gesteld dat bij het handmatig vervaardigen van de duplicaat naheffingsaanslag een typefout is gemaakt bij de vermelding van de datum van het rapport boekenonderzoek. Er staat 7 november 2012, maar dat moet zijn 7 november 2011.

4.1.4.

Uit het (onder 4.1.3 vermelde) rapport met bijlagen kan worden afgeleid dat de naheffingsaanslag op 28 november 2011 is geregistreerd met dagtekening 7 december 2011 en dat de naheffingsaanslag op 5 december 2011 aan Post NL is aangeboden. Hiermee heeft de ontvanger, naar het oordeel van de rechtbank, voldoende aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag tijdig is opgelegd. De rechtbank vindt in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding om aan de juistheid van de in de systemen van de belastingdienst opgenomen data te twijfelen.

Met betrekking tot de tijdigheid van de beschikking aansprakelijkstelling

4.2.

Met betrekking tot de stelling van belanghebbende dat te lang is gewacht met het traject van de aansprakelijkstelling, overweegt de rechtbank als volgt.

Naar de rechtbank begrijpt stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de belastingdienst al in 2009 wist dat er door [A BV] geen administratie werd bijgehouden en dat men desondanks heeft gewacht tot november 2011 om een boekenonderzoek te starten bij [A BV]. De rechtbank begrijpt belanghebbendes stelling als een beroep op schending van het zorgvuldigheidsbeginsel door de inspecteur, hetgeen ook gevolgen heeft voor de ontvanger in de invorderingssfeer. De rechtbank verwerpt die stelling. Het door belanghebbende gestelde talmen met het instellen van een boekenonderzoek bij [A BV], wat daar verder ook van zij, kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot vernietiging of verlaging van de aansprakelijkstelling van belanghebbende. Nu voorts is gesteld, noch gebleken dat de ontvanger zelf heeft getalmd met de aansprakelijkstelling van belanghebbende faalt de stelling van belanghebbende.

Met betrekking tot de aansprakelijkstelling

4.3.1.

Artikel 34 van de IW bepaalt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. Ingeval een werknemer met instandhouding van de dienstbetrekking tot zijn inhoudingsplichtige, de uitlener, door deze ter beschikking is gesteld aan een derde, de inlener, om onder diens toezicht of leiding werkzaam te zijn, is de inlener hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting welke de uitlener verschuldigd is in verband met het verrichten van die werkzaamheden door die werknemer alsmede voor de omzetbelasting welke de uitlener, dan wel – in geval doorlening plaatsvindt – de in het tweede lid bedoelde doorlener verschuldigd is in verband met dat ter beschikking stellen. In afwijking in zoverre van artikel 32, tweede lid, is de inlener niet aansprakelijk voor de in verband met de heffing van loonbelasting of van omzetbelasting opgelegde bestuurlijke boete.

(…)

5.De aansprakelijkheid op grond van het eerste lid geldt niet met betrekking tot de loonbelasting en de omzetbelasting verschuldigd door de uitlener, indien aannemelijk is dat het niet betalen door de uitlener noch aan hem noch aan een inlener is te wijten.

(…).”

4.3.2.

Niet in geschil is dat belanghebbende als inlener op grond van de tekst van artikel 34, eerste lid, van de IW aansprakelijk kan worden gesteld. Evenmin is gesteld of gebleken dat sprake is van een disculpatiemogelijkheid op grond van het vijfde lid van artikel 34 van de IW. In dit verband merkt de rechtsbank op dat uit het in 2.2 genoemde onderzoek onder meer volgt dat de (loon)administratie van [A BV] niet dan wel slechts in zeer beperkte mate (enkel over het jaar 2008) aanwezig was. Gelet op het voorgaande heeft de ontvanger belanghebbende terecht aansprakelijk gesteld voor (een deel van de) niet-betaalde loonbelastingschulden van [A BV]. Dat in de ogen van belanghebbende sprake is van bonafide ondernemers leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

Met betrekking tot de omvang van de aansprakelijkstelling

4.4.1

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat het anoniementarief ten onrechte is toegepast, omdat doel en strekking van de Wet WKA zich daartegen verzetten.

4.4.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is het anoniementarief terecht toegepast. Artikel 26b gelezen in verbinding met artikel 28, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) bepaalt dat het anoniementarief kan worden toegepast bij een werknemer ten aanzien van wie de inhoudingsplichtige, [A BV], de identiteit niet heeft vastgesteld en heeft opgenomen in de loonadministratie. Uit het onder 2.2 genoemde onderzoek blijkt dat [A BV] over 2006 niet beschikte over een (loon)administratie. Dit betekent dat [A BV] niet de identiteit heeft vastgesteld en heeft opgenomen in de loonadministratie, zodat terecht het anoniementarief is toegepast. De vraag of belanghebbende de identiteit van de werknemers al dan niet heeft vastgesteld is in dit kader niet van belang.

Matiging van de aansprakelijkstelling

4.5.1.

Onder omstandigheden kan de hiervoor genoemde wetstoepassing jegens de aansprakelijkgestelde tot een onbillijk resultaat leiden. Hieraan kan evenwel slechts in de uitvoeringssfeer worden tegemoetgekomen. Vergelijk HR 9 juli 1999, nr. 33 583, BNB 1999/336 en HR 25 april 2008, nr. 43 365, BNB 2008/172. In dit verband heeft belanghebbende gesteld dat de hoogte van de aansprakelijkstelling gematigd moet worden. Voor matiging zal, zoals de ontvanger heeft gesteld, moeten worden voldaan aan de voorwaarden van onderdeel 34, paragraaf 8, tweede lid, van de Leidraad.

4.5.2.

Onderdeel 34, paragraaf 8, tweede lid, van de Leidraad eiste vóór 2014, het volgende:

“Inlenersaansprakelijkheid en anoniementarief

De inlener is aansprakelijk voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen die met toepassing van het anoniementarief (ex artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964) zijn berekend en door de uitlener over het werk zijn verschuldigd.

De ontvanger matigt de primaire aansprakelijkheid als:

- de inlener de identiteit van de werknemer kan aantonen;

- de inlener desgevraagd kan aantonen dat de werknemer over een geldige verblijfs- of tewerkstellingsvergunning beschikt;

- de inlener gegevens overlegt aan de hand waarvan het loon van de werknemer voor zijn werkzaamheden kan worden geïndividualiseerd.

De ontvanger zal de hoogte van de aansprakelijkstelling niet matigen als blijkt dat de inlener de voor de matiging vereiste gegevens niet heeft geadministreerd ten tijde van de uitvoering van de werkzaamheden door de ingeleende arbeidskrachten. Als mocht blijken dat het in de administratie van de inlener opgenomen BSN/sofinummer van de werknemer onjuist is, zal de inlener in de gelegenheid worden gesteld alsnog het juiste BSN/sofinummer te overleggen.

In het geval van matiging wordt bij de brutering van het loon – althans voor zover het de loonbelasting en premie volksverzekeringen betreft – gebruik gemaakt van een marginaal percentage. Het marginale tarief is de uitkomst van een berekening waarbij het (gewogen) gemiddelde tarief dat behoort bij de laagste (geknipte) tariefschijf ex artikel 20aartikel 20a juncto artikel 27, tweede lidartikel 27, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt vermenigvuldigd met twee, vervolgens wordt geteld bij het tarief dat behoort bij de tweede tariefschijf (t.a.p.) waarna de som wordt gedeeld door drie.

De loonbelasting/premie volksverzekeringen over bijlage VIAde werkzaamheden waarvoor de aansprakelijkheid bestaat, wordt vervolgens berekend met toepassing van hetzelfde (marginale) percentage.

Vanwege het feit dat de matiging uitsluitend de betreffende inlener zelf aangaat, en niet de positie van de inhoudingsplichtige of die van andere aansprakelijken voor de naheffingsaanslag beïnvloedt, wordt het voorgaande uitsluitend betrokken in de berekening als uiteengezet in het van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 35, § 11, eerste lidartikel 35.5.1 en niet in de berekening als bedoeld in artikel 34.8.1 van deze leidraad.

Deze ‘tariefmatiging’ - die overigens niet van invloed is op de hoogte van de naheffingsaanslag - vindt niet plaats als de inlener wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de uitlener met anoniem personeel werkte. De beperking van de hoogte van de aansprakelijkheid blijft daardoor achterwege.”

4.5.3.

In 2014 is er een wijziging gekomen in de Leidraad in die zin dat de inlener de identiteit van de werknemer niet meer hoeft aan te tonen door het overleggen van kopieën van identiteitsbewijzen. De inlener kan de identiteit van de werknemer/arbeidskracht (ook) aantonen door in zijn administratie de volgende gegevens van de werknemer/arbeidskracht op te nemen:

  • -

    naam-, adres- en woonplaatsgegevens;

  • -

    de geboortedatum;

  • -

    het burgerservicenummer;

  • -

    een specificatie van de gewerkte uren;

  • -

    de nationaliteit;

  • -

    het soort identiteitsbewijs, het nummer en de geldigheidsduur;

  • -

    als dat van toepassing is, de aanwezigheid van een A1-verklaring, verblijfsvergunning, tewerkstellingsvergunning, notificatie of VAR-verklaring inclusief nummer en geldigheidsduur;

  • -

    naam-, adres- en woonplaats van de uitlener en het inschrijvingsnummer van de uitlener bij de Kamer van Koophandel.

De administratie moet ook een adequate procedure bevatten aan de hand waarvan de identificatie van de werknemer/arbeidskracht, de verificatie van het identiteitsbewijs en de vastlegging van de persoonsgegevens plaatsvindt. Deze procedure moet ten minste voldoen aan de bepalingen van de Wet bescherming persoonsgegevens en de richtsnoeren van het College Bescherming Persoonsgegevens.

4.5.4.

Gelet op het hiervoor vermelde onderdeel van de Leidraad kan er reden zijn de aansprakelijkstelling te matigen als belanghebbende a) op deugdelijke wijze de identiteit van de ingeleende werknemer kan aantonen en b) tevens gegevens overlegt aan de hand waarvan diens loon – ter zake van de werkzaamheden – kan worden geïndividualiseerd.

4.5.5.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met de door haar overgelegde facturen en tijdrapporten in elk geval ten aanzien van enkele werknemers voldoende gegevens overgelegd aan de hand waarvan het loon van die werknemers kan worden geïndividualiseerd en aannemelijk gemaakt dat zij dat ook voor de overige werknemers kan doen. Wat betreft het vereiste dat ook de identiteit van de werknemers op deugdelijke wijze moet worden aangetoond, is door belanghebbende onweersproken gesteld dat zij het volgende heeft gedaan:

- naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de werknemers noteren;

- BSN/sofinummer noteren;

- persoonlijke controle van het identiteitsbewijs en het zetten van een vinkje voor akkoord;

- specificatie van de gewerkte uren.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende, met hetgeen zij heeft gedaan, weliswaar de identiteit van de werknemers gecontroleerd, maar kan zij deze niet op deugdelijke wijze aantonen tegenover de ontvanger. Daartoe had zij een kopie van de identiteitsbewijzen moeten opnemen in de administratie dan wel gegevens moeten noteren van die identiteitsbewijzen, zoals soort identiteitsbewijs, nummer en de geldigheidsduur.

4.5.6.

Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de (cumulatieve) voorwaarde dat zij de identiteit van de werknemers op deugdelijke wijze heeft aangetoond. De ontvanger was daarom niet op grond van de Leidraad gehouden om de aansprakelijkstelling te verminderen en te baseren op een lager tarief dan het tarief voor anonieme werknemers.

4.6.1.

Voorts heeft belanghebbende nog met een beroep op het vertrouwensbeginsel gesteld dat de aansprakelijkheidstelling dient te worden gematigd. Op 2 augustus 2012 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen (de gemachtigde van) belanghebbende en een controlemedewerker van de Belastingdienst, [controlemedewerker] (hierna: de controlemedewerker). Volgens belanghebbende werd tijdens dat gesprek door de controlemedewerker aangegeven dat hij er niet aan twijfelt dat de werknemers daar gewerkt hebben en dat ze die uren hebben gemaakt en dat belanghebbende enkel aan de controlemedewerker nog kopieën van de identiteitsbewijzen zou behoeven over te leggen.

4.6.2.

Naar het oordeel van de rechtbank faalt het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel. Belanghebbende heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting door de ontvanger, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de controlemedewerker uitlatingen heeft gedaan die bij haar het gerechtvaardigde vertrouwen hebben kunnen wekken dat voldaan was aan de voorwaarden voor toepassing van de matiging. Daar komt nog bij dat belanghebbende heeft gesteld dat de controlemedewerker zou hebben gezegd dat het voldoende was als er kopieën van identiteitsbewijzen zouden worden overgelegd, maar dat deze niet zijn overgelegd. Weliswaar eist de nieuwe versie van de Leidraad (in werking getreden op 1 juli 2014) geen kopieën van identiteitsbewijzen meer, maar wel vastlegging van de gegevens uit die identiteitsbewijzen. Gelet op hetgeen in 4.5.5 is overwogen, ontbreken ook die gegevens. De stelling van belanghebbende faalt daarom.

Overige gronden

4.7.1.

Verder heeft belanghebbende aangevoerd dat het verschuldigde bedrag aan LB/PVV naar aanleiding van het boekenonderzoek is verdubbeld en dat zij - door € 9.000 op de G-rekening te storten - volledig aan haar betalingsverplichting heeft voldaan. De ontvanger heeft hiertegenover gesteld dat het verschuldigde bedrag gebaseerd is op de ingediende aangifte loonheffingen van [A BV].

4.7.2.

De rechtbank is van oordeel dat uit het in 2.2 genoemde boekenonderzoek bij [A BV] kan worden afgeleid dat voor de berekening van het verschuldigde bedrag op de naheffingsaanslag aansluiting is gezocht bij de door [A BV] ingediende aangiften, hetgeen meebrengt dat het bedrag naar aanleiding van het boekenonderzoek niet is verdubbeld. Voorts kan uit de berekening aansprakelijkheidsstelling ex art. 34 Invorderingswet (hierna: de berekening), die als bijlage is gevoegd bij het rapport inzake het in 2.6 genoemde onderzoek, niet worden afgeleid dat belanghebbende voor een te hoog bedrag aansprakelijk is gesteld. Uit de berekening valt af te leiden dat gerekend is met de omzet van € 34.572,63 die [A BV] in 2006 heeft behaald met het aan belanghebbende uitgeleende personeel en dat daarbij rekening is gehouden met het bedrag van € 9.287,72 dat belanghebbende in 2006 op de G‑rekening van [A BV] heeft gestort. Belanghebbende heeft aldus vrijwaring gekregen tot het bedrag van de storting op de G-rekening.

Conclusie

4.8.

Gelet op al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld tot een bedrag van € 9.194. De rechtbank verklaart het beroep daarom ongegrond.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 4 september 2014 door mr.drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr.drs. M.H. van Schaik en mr.dr. M.L.M. van Kempen, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.D.E. Copra‑Carolie, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.