Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:6274

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
04-02-2015
Zaaknummer
2786159
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid Waterschap bij overstroming landbouwgrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Zittingsplaats: Middelburg

zaak/rolnr.: 2786159 / 14-1064

vonnis van de kantonrechter d.d. 9 juli 2014

in de zaak van

[eiser 1],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

verder te noemen: [eiser 1],

gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij,

t e g e n :

de openbare rechtspersoon

Waterschap Scheldestromen,,

gevestigd te Middelburg,

gedaagde partij,

verder te noemen: het Waterschap,

gemachtigde: mr. J.J. Jacobse.

het verdere verloop van de procedure

Na het tussenvonnis van 19 maart 2014 is de procedure als volgt verlopen:

- mondelinge behandeling van 20 mei 2014.

de beoordeling van de zaak

1.

[eiser 1] voert een landbouwbedrijf in [plaats] in Zeeland, nabij de [adres 2] in [woonplaats]. [plaats] is in beheer en onderhoud van het Waterschap. Op [datum] is tijdelijk een noodpomp geplaatst in [plaats], bij de Lageweg in [woonplaats]. Bij brief van 29 januari 2003 heeft het Waterschap onder meer het navolgende geschreven: “Wij zullen in de toekomst alert blijven op situaties -zoals die zich onder andere in de laaggelegen [plaats] kunnen voordoen- waarop er een korte tijd overlast als gevolg van buitengewone grote hoeveelheden neerslag, kan ontstaan.” Op zaterdag 10 september 2011 is er in korte tijd 40 tot 50 mm regen gevallen op het perceel van [eiser 1]. [eiser 1] constateerde op 11 september in de vroege ochtend dat het water vanuit de sloten zijn land op stroomde. Hij heeft het Waterschap gebeld en die dag is er om 11.00 uur een noodpomp geplaatst. De daarop volgende uren zakte het waterpeil niet, omdat water uit de hoger gelegen delen van de polder bleef toestromen. De ochtend daarna, op 12 september 2011, heeft [eiser 1] wederom het Waterschap gebeld en gevraagd een pomp met een grotere capaciteit te plaatsen. Rond het middaguur is een grote pomp geplaatst. Het waterpeil is op 14 september 2011 aan het eind van de dag gezakt tot een aanvaardbaar niveau. Op 10 september 2011 had [eiser 1] een perceel aardappels met een totale oppervlakte van ca. 5,5 ha. Van dit perceel heeft ca. 2,75 ha langer dan 48 uren onder water gestaan. Hierdoor zijn de aardappels gaan rotten en moet de oogst als verloren worden beschouwd.

2.

[eiser 1] vordert het Waterschap te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 13.180,34 en een bedrag van € 500,00, beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente, met veroordeling van het waterschap in de kosten van de procedure. [eiser 1] stelt daartoe dat het Waterschap onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, doordat het Waerschap zijn wettelijke onderhouds- en beheersverplichtingen niet op de juiste wijze is nagekomen. Volgens [eiser 1] vraagt hij vanaf 1998 bij het waterschap al aandacht voor wateroverlast na het vallen van een zekere mate van neerslag. Het Waterschap is bekend met de problematiek van de laaggelegen gronden in [plaats]. [eiser 1] stelt dat het Waterschap niet adequaat heeft gereageerd op zijn klachten. Het Waterschap heeft geen structurele maatregelen getroffen die een voorval als het onderhavige hadden kunnen voorkomen. Ook heeft het Waterschap in eerste instantie een pomp geleverd met een te lage capaciteit. De extra pomp die de volgende dag geplaatst werd, viel al snel uit. Het Waterschap is daarom niet de op haar rustende inspanningsverplichting op de juiste wijze nagekomen. De schade aan de te velde staande gewassen bedraagt blijkens het rapport van Expertisedienst Brand/ Varia € 8.937,50. Voorts vordert [eiser 1] de kosten van de rapporten van Rentmeesterskantoor Van der Slikke en van het rapport van Van Gorsel.

3.

Het Waterschap heeft de vordering bestreden. Primair is het Waterschap van mening dat het aan zijn onderhoudsverplichtingen heeft voldaan en adequaat heeft gereageerd op de klachten van [eiser 1]. Het Waterschap betwist dat het jegens [eiser 1] onrechtmatig heeft gehandeld bij de uitoefening van zijn taken. Voorts is het Waterschap van mening dat er geen causaal verband bestaat tussen het handelen van het waterschap en de schade zoals [eiser 1] die stelt te hebben geleden. Tenslotte betwist het Waterschap de hoogte van de schade. Het Waterschap stelt dat het voldoet aan de afvoernorm van 10 mm per etmaal. Vanaf 2015 moet het Waterschap gaan voldoen aan de WB21 norm. Ook dan zal een neerslaghoeveelheid van 50 mm per etmaal overlast geven met inundatie van lager gelegen delen als gevolg. De zorgplicht gaat volgens het Waterschap niet zo ver dat ieder op elk tijdstip gevrijwaard dient te blijven van wateroverlast. Het waterschap wil de problemen in het gehele gebied rondom [plaats] verhelpen en dat is een ingewikkelde en langdurige aangelegenheid. Een aanpassing op het ene punt heeft effecten op het andere deel. De NBW wordt dan ook pas in 2015 van kracht zodat er tijd wordt gegeven aan de Waterschappen om de dimensioneringen aan te kunnen passen. Het Waterschap stelt voorts dat het na de melding van [eiser 1] adequaat heeft gereageerd door onmiddellijk een noodpomp te plaatsen. Toen [eiser 1] een dag later vroeg om een pomp met een grotere capaciteit is die pomp geplaatst. Het waterschap betwist uitdrukkelijk dat de pomp(en) zijn uitgevallen. De aannemer die de pompen heeft geplaatst is niet bekend met enig mankement of reparaties aan de pompen. In de avond van 10 september 2011 was er sprake van noodweer in Zeeuws-Vlaanderen. De hoeveelheid neerslag heeft een statistische herhalingstijd van een T=100 situatie overstijgt. Dat betekent dat een dergelijke regenbui minder dan één keer per 100 jaar voorkomt. Het dagtotaal bij het gemaal Campen kwam uit op 79 mm. Een andere oorzaak van de wateroverlast is dat de grond reeds verzadigd was omdat er gedurende de laatste 10 dagen van augustus 2011 bijna elke dag regen gevallen was en in de periode van 4 tot en met 11 september 2011 was 94 mm gevallen. Volgens het Waterschap was er sprake van zeer extreme neerslag (Act of God). Volgens het Waterschap is er ook sprake van eigen schuld aan de zijde van [eiser 1]. Hij wist immers van de lage ligging van zijn landbouwgrond en hij heeft er toch voor gekozen om aardappels, een gewas dat snel overgaat tot rotting als het onder water staat, te verbouwen.

4.

De kantonrechter overweegt als volgt. Partijen worden verdeeld gehouden door de vraag of het Waterschap, zoals [eiser 1] stelt, onrechtmatig heeft gehandeld, tekort geschoten is in zijn inspanningsverplichting alsook onzorgvuldig jegens [eiser 1] heeft gehandeld, door na te laten structurele verbeteringen te realiseren en door niet adequaat te reageren op de melding van 11 september 2011 over de wateroverlast. De vraag die hierbij mede een rol speelt is of het Waterschap zich de gerechtvaardigde belangen van [Eiser] eerder had dienen aan te trekken en het niet had kunnen volstaan met het jaren achtereen slechts wijzen op het in de toekomst aan de orde zijn van structurele maatregelen in het kader van de WB21norm, die in 2015 gaat gelden.

5.

In dergelijke zaken als de onderhavige, waarbij een waterschap op basis van het bepaalde in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk wordt gesteld wegens het tekortschieten in de op hem rustende onderhoudsplicht, dient de vraag naar de aansprakelijkheid van het waterschap nader te worden beoordeeld in het kader van de door de Hoge Raad in zijn arrest van 9 oktober 1981, NJ 1982, nr. 332 (Bargerbeekarrest) geformuleerde rechtsregel. Uit voornoemd arrest van de Hoge Raad volgt dat de vraag hoever de onderhoudsplicht van het Waterschap gaat ter vermijding van het onder water lopen van laag gelegen gronden afhangt van verschillende factoren, zoals in het bijzonder:

a. het aantal, de aard en de lengte van de waterwegen waarvan het onderhoud ten laste van het waterschap komt,

b. het aantal gronden binnen het gebied van het waterschap, waarvan het waterschap weet of behoort te weten dat zij door hun lage ligging bijzonder kwetsbaar zijn voor wateroverlast,

c. de middelen - financiële en andere - die het waterschap voor het nakomen van zijn verplichtingen ten dienste staan,

d. in hoever de aan het lage peil van de betreffende grond verbonden bezwaren (mede) veroorzaakt zijn door de eigenaar en of gebruiker van de grond.

6.

Aangaande de invulling van zijn onderhoudsplicht komt het Waterschap voorts een zekere marge van beleidsvrijheid toe. Deze beleidsvrijheid gaat overigens niet zo ver dat die beleidsvrijheid slechts marginaal getoetst zou kunnen worden (HR 9 november 2001, NJ 2002, nr 446).

7.

Gezien de door de Hoge Raad in het Bargerbeekarrest geformuleerde, in casu toepasselijke, norm en rekening houdend met het bepaalde in artikel 6:162 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, ligt het in beginsel op de weg van [eiser 1] om feiten en/of omstandigheden te stellen en zonodig te bewijzen die tot het intreden van het in artikel 6:162 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek omschreven rechtsgevolg kunnen leiden.

8.

De kantonrechter is van oordeel dat het enkele feit dat er waterlast is ontstaan de conclusie dat het Waterschap tekort geschoten is in zijn onderhoudsplicht niet kan dragen. Het Waterschap heeft terecht opgemerkt dat het niet altijd aan iedereen droge voeten kan garanderen. Vast staat dat het Waterschap in iedere geval al vanaf 2002 op de hoogte was van de lage ligging van [plaats] en het feit dat daar wateroverlast zou kunnen optreden. Dat blijkt uit de brief van het waterschap van 29 januari 2003. In die brief kondigt het Waterschap aan dat pas over een aantal jaren duidelijkheid zal komen over concrete oplossingen of aanpassingen aan het oppervlaktewaterstelsel. Bij brief van 17 juni 2009 deelt het waterschap mee dat de realisatie van een permanente verbetering van het watersysteem in [plaats] is gestuit op onbereidwilligheid van ingelanden om gronden te verkopen. De doorrekening van de alternatieven is nog niet afgerond. Het Waterschap deelt voorts mee in exceptionele situaties noodpompen te blijven inzetten. De kantonrechter is van oordeel dat het weliswaar lang duurt voordat een structurele oplossing voor de laaggelegen gronden in [plaats] is bereikt, maar gezien de tijd die het kost om tot een structurele oplossing voor het gehele gebied te komen, in verband gezien met de toezegging van het Waterschap in exceptionele gevallen noodpompen te plaatsen, is het niet zo dat in september 2011 gezegd kon worden dat het waterschap te lang heeft gewacht met het realiseren van een permanente oplossing voor de wateroverlast die op de laaggelegen gronden in [plaats] kan optreden bij extreme hoeveelheden neerslag. Dat er in september 2011 nog geen structurele oplossing was betekent dus niet dat het Waterschap onrechtmatig jegens [eiser 1] heeft gehandeld. Op de melding van [eiser 1] op 11 september 2011 heeft het Waterschap adequaat gereageerd door korte tijd later een noodpomp te plaatsen. Op de melding van [eiser 1] dat het waterpeil niet zakte heeft het Waterschap adequaat gereageerd door een tweede pomp met een grotere capaciteit te plaatsen. Dat deze pomp is stilgevallen, zoals door [eiser 1] is gesteld, is niet gebleken. Ook al zou dat het geval zijn geweest, dan nog zou het rottingsproces van de aardappels niet meer voorkomen zijn, omdat dat proces al na 24 uur optreedt. De schade is naar het oordeel van de kantonrechter ontstaan door een combinatie van de reeds met water verzadigde grond in combinatie met de hevige regenbui in de avond van 10 september 2011 en de lage ligging van de gronden van [eiser 1]. Dat is een ongelukkige samenloop van omstandigheden die niet aan het Waterschap verweten kan worden. Aangezien de kantonrechter van oordeel is dat het Waterschap niet onrechtmatig heeft gehandeld, hoeven de overige verweren niet meer besproken te worden en zullen de vorderingen van [eiser 1] worden afgewezen.

9.

[eiser 1] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De door het Waterschap gevorderde nakosten zullen worden afgewezen nu niet, althans onvoldoende is gesteld of onderbouwd dat na het vonnis kosten zullen worden gemaakt. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.

de beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser 1] in de kosten van het geding, welke aan de zijde van het Waterschap tot op heden worden begroot op € 600,00, wegens salaris van de gemachtigde van het Waterschap, te voldoen binnen 14 dagen na de betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis [of vanaf de gevorderde datum, als deze later gelegen is] tot de dag van volledige betaling;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.J.C. van Spronssen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.