Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:6068

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-06-2014
Datum publicatie
27-10-2014
Zaaknummer
248505
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verschoningsrecht, partij-getuige gehonoreerd i.v.m. strafrechtelijke vervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Zittingsplaats: Middelburg

zaak/rolnr.: 248505 / 13-16

vonnis van de kantonrechter d.d. 18 juni 2014

inzake

de vennootschap naar Duits recht Volkswagen Bank GmbH,

gevestigd te Braunschweig, Duitsland,

eisende partij,

verder te noemen: VB,

gemachtigde: mr. H.J.M. Hofman (Jongejan Wisseborn gerechtsdeurwaarders),

t e g e n :

[gedaagde],

wonende te Terneuzen,

gedaagde partij,

verder te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. J.A.M. Schoenmakers.

het verdere verloop van de procedure

De procedure is als volgt verlopen:

- tussenvonnis van 5 juni 2013,

- proces-verbaal van getuigenverhoor gehouden op 11 maart 2014,

- brief d.d. 21 maart 2014 van mr. Hofman,

- akte houdende uitlating van de zijde van [gedaagde],

- akte na enquete van de zijde van VB,

- antwoordconclusie na enquete.

de verdere beoordeling van de zaak

1.

De kantonrechter blijft bij hetgeen is overwogen in en beslist bij tussenvonnis van 5 juni 2013. Bij dat vonnis is VB toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [gedaagde] met betrekking tot de (totstandkoming van de) financial lease overeenkomst jegens VB onrechtmatig heeft gehandeld, in het bijzonder, zoals VB stelt, dat [gedaagde] [bedrijf] buiten diens medeweten en zonder diens toestemming op naam van [getuige 2] heeft gezet en vervolgens op naam van [bedrijf] de financieringsaanvraag bij VB heeft gedaan, waarbij hij zich tegenover VB heeft voorgedaan als [getuige 2] en het contract valselijk heeft ondertekend, vervolgens de Audi bij de dealer heeft opgehaald en daar maanden lang gebruik van gemaakt heeft.

2.

Ter uitvoering daarvan heeft VB als getuigen doen horen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [gedaagde]. [gedaagde] heeft afgezien van het leveren van tegenbewijs.

3.

Noch de verklaring van de getuige [getuige 1], destijds zittingsofficier in de strafzaak die geleid heeft tot het strafvonnis van de rechtbank Middelburg van [datum], noch die van [getuige 2], [getuige 3] en [gedaagde] leveren bewijs op van de stelling(en) van VB. De getuige [getuige 1] verklaart weliswaar dat het verwijt dat VB [gedaagde] in deze zaak maakt ook onderwerp was van de tenlastelegging in de strafzaak en dat het haar bijstaat dat [gedaagde] daarvoor is veroordeeld, omdat dit onderdeel niet is uitgestreept in de tenlastelegging, maar de kantonrechter leest in het strafvonnis niet dat [gedaagde] een strafbaar feit jegens VB ten laste is gelegd en daarvoor is veroordeeld. [getuige 2] verklaart dat hij [bedrijf] niet op zijn naam gezet heeft, maar niet dat [gedaagde] dat heeft gedaan. [getuige 2] heeft voorts verklaard dat de handtekeningen in de lease-overeenkomst van hem kunnen zijn, maar dat uit FIOD onderzoek naar de handtekeningen blijkt dat de handtekeningen eerder niet dan wel de zijne zijn. Dat de handtekeningen vals zijn blijkt daaruit niet onomstotelijk, laat staan dat het [gedaagde] is geweest die de overeenkomst valselijk heeft ondertekend.

De getuige [getuige 3] verklaart dat [gedaagde] zich heeft voorgedaan als zichzelf en dus niet, zoals VB stelt als [getuige 2]. Dat hij zich heeft uitgegeven als bestuurder van [bedrijf] en de auto feitelijk heeft gebruikt rechtvaardigt niet zonder meer de conclusie dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld.

[gedaagde] heeft als -door VB opgeroepen- getuige bij de meeste vragen een beroep gedaan op zijn verschoningsrecht. De kantonrechter heeft dat beroep telkens gehonoreerd omdat er van moet worden uitgegaan dat het hoger beroep in zijn strafzaak nog loopt en niet kan worden uitgesloten dat [gedaagde] bij beantwoording van de aan hem gestelde vragen het gevaar loopt van strafrechtelijke veroordeling. Ook een partij-getuige komt zo’n verschoningsrecht toe. De kantonrechter volgt VB niet in haar stelling dat een beroep van een (partij-) getuige op een verschoningrecht gelijk moet worden gesteld met een getuige die weigert te verklaren, uit welke weigering de rechter de gevolgtrekking mag maken die hij geraden acht. In tegenstelling tot de in artikel 164 lid 3 bedoelde getuige, is een getuige die zich terecht beroept op zijn verschoningsrecht niet gehouden te verklaren. Evenmin kan VB worden gevolgd in haar stelling dat het beroep van [gedaagde] op zijn verschoningrecht op grond van het gevaar van strafrechtelijke veroordeling, feitelijk (a-contrario) een erkenning van onrechtmatig handelen oplevert. Dat zou het wettelijk verankerde verschoningrecht immers tot een dode letter maken. De verklaring van [gedaagde] draagt dan ook niet bij aan het aan VB opgedragen bewijs.

4.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat VB niet is geslaagd in de bewijsopdracht en haar vordering zal worden afgewezen.

5.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal VB de proceskosten van [gedaagde] moeten vergoeden.

DE BESLISSING

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt VB in de kosten van de procedure aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.200,-- aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. van Voorthuizen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.