Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:6065

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-09-2014
Datum publicatie
01-09-2014
Zaaknummer
02-820896-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Woningoverval Burgh Haamstede, DNA, telefoonmasten, ernstig geweld, mededader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/820896-13

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 september 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

laatstelijk verblijvende op het adres [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Utrecht (PI voor vrouwen),

Zandpad 3, 3631 NK Nieuwersluis,

raadsvrouw mr. S. van den Berg, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 augustus 2014, waarbij de officier van justitie, mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

1.

zij op of omstreeks 15 december 2013 te Burgh-Haamstede, gemeente

Schouwen-Duiveland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een pinpas en/of 200 euro en/of een GSM (Samsung), in elk geval enige

goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), welke diefstal

werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging

met geweld tegen die [benadeelde], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf en/of aan haar mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of haar mededader(s)

die [benadeelde] heeft/hebben besprongen en/of die [benadeelde] naar de grond heeft/hebben

geduwd/getrokken en/of de polsen en enkels van die [benadeelde] heeft/hebben

vastgebonden en/of een doek over het hoofd van die [benadeelde] heeft/hebben gedaan

en/of die [benadeelde] meermalen heeft/hebben gestompt/geslagen en/of dreigend de

woorden toegevoegd (zakelijk weergegeven): "waar is je geld, waar is je geld."

en "wat is je pincode?" en "je weet anders wel wat er gebeurd, he mattie." en

"als je de verkeerde code geeft komen we terug.";

2.

zij meermalen op of omstreeks 15 en 16 december 2013 te Burgh-Haamstede,

gemeente Schouwen-Duiveland, en/of Vlaardingen en/of Rotterdam en/of Utrecht

en/of Den Haag tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening telkens heeft

weggenomen hoeveelheden geld (in totaal 4500 euro), in elk geval enige

goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), waarbij

verdachte en/of haar mededader(s) zich telkens de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te

weten een gestolen pinpas toebehorende aan die [benadeelde];

3.

zij op of omstreeks 15/16 december 2013, te Burgh-Haamstede, gemeente

Schouwen-Duiveland en/of Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten

een hoeveelheid geld, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft

overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten die

hoeveelheid geld, gebruik heeft gemaakt, terwijl zij en/of haar mededader(s)

wist(en) dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk – afkomstig

was uit enig misdrijf, te weten door het pinnen met een gestolen pinpas;

4.

zij op of omstreeks 15 december 2013 te Burgh-Haamstede, gemeente

Schouwen-Duiveland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, opzettelijk [benadeelde] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd

en/of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) zij verdachte en/of een of meer

van haar mededader(s) met dat opzet die [benadeelde] besprongen en/of naar de grond

getrokken/geduwd en/of de polsen en enkels vastgebonden en/of gedurende enige

tijd vastgebonden gehouden en/of een doek over het hoofd gelegd en/of die

[benadeelde] meermalen geslagen en/of gestompt, tengevolge waarvan die [benadeelde]

zwaarlichamelijk letsel heeft bekomen, te weten gebroken ribben en een

klaplong.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle vier aan haar ten laste gelegde feiten. Hij baseert zich daarbij op de aangifte en verdere verklaringen van aangever [benadeelde], de verklaringen van verdachte, de camerabeelden van de door verdachte uitgevoerde pintransacties, het proces-verbaal omtrent de telefoongegevens van verdachte, het proces-verbaal waarin een vergelijking is gemaakt van de opeenvolgende pintransacties door verdachte met de door de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte] aangestraalde zendmasten, de gegevens van het [naam horecagelegenheid], de getuigenverklaringen van [getuige 1] en haar vader met betrekking tot hun Suzuki Ignis, de telefoongegevens van medeverdachte op de avond van de overval, de getuigenverklaring van [getuige 2] en het DNA van verdachte dat is aangetroffen op de tie-wraps die gebruikt zijn bij de overval op [benadeelde]. De officier van justitie stelt dat er sprake is van medeplegen van alle ten laste gelegde feiten, nu het een goed voorbereide en professioneel uitgevoerde overval betreft waarbij sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en medeverdachte

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 2 ten laste gelegde. Verdachte heeft bekend dit feit te hebben gepleegd.

Voor wat betreft de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten is de verdediging van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het volgende. Ten aanzien van het eerste ten laste gelegde feit heeft verdachte bekend dat zij samen met anderen in een auto is gestapt en dat zij gezamenlijk naar de woning van het slachtoffer zijn gereden. Haar was gevraagd bij de bewuste woning aan te bellen. Verdachte was er niet van op de hoogte wat er verder zou gaan gebeuren. De rol van verdachte was te gering om een bewuste en nauwe samenwerking aan te kunnen nemen. Hooguit zou haar rol gekwalificeerd kunnen worden als die van medeplichtige. Nu medeplichtigheid aan de diefstal met geweld niet ten laste is gelegd, zal de rechtbank verdachte vrij moeten spreken van dit feit.

Ten aanzien van het derde ten laste gelegde feit heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de handelingen van verdachte niet gekwalificeerd kunnen worden als witwassen, nu vereist is dat er sprake is van een gedraging die meer omvat dan het enkel verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit eigen misdrijf, welke gedraging erop gericht moet zijn om de criminele herkomst van het voorwerp te verbergen of te verhullen. Nu hiervan geen sprake is, is de verdediging van mening dat een ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen.

Ten aanzien van het vierde ten laste gelegde feit heeft de verdediging primair bepleit dat, net als bij feit 2, geen sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking aangezien de aanwezigheid van verdachte in de woning van aangever ten tijde van de overval niet bewezen kan worden. Het op een in de woning aangetroffen tie-wrap DNA profiel is onvoldoende voor zulk bewijs, nu dit DNA materiaal daar ook op andere wijze kan zijn terecht gekomen, bijvoorbeeld doordat de medeverdachte [medeverdachte], danwel anderen die de overval hebben gepleegd, dit op de tie-wrap hebben overgedragen. Ook de verklaringen van aangever zijn onvoldoende voor het bewijs dat verdachte bij de overval in de woning is geweest. Nu verdachte dit ontkent dient zij ook van dit feit te worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Op maandag 16 december 2013 omstreeks 09.50 uur krijgen verbalisanten de melding om naar de woning van aangever te gaan, omdat deze de avond ervoor zou zijn overvallen, vastgebonden en in die toestand alleen achtergelaten. Aangever heeft verklaard dat er op zondag 15 december 2014 omstreeks 20.30 uur bij hem werd aangebeld en dat er een vrouw voor zijn deur stond, die sprak over autopech.1 Direct hierop werd [benadeelde] besprongen door een man, waarna een worsteling tussen hen volgde waarbij [benadeelde] op de grond werd gegooid en meerdere klappen kreeg tegen het bovenlichaam. [benadeelde] werd overmeesterd, kreeg een zak of doek over zijn hoofd getrokken en werd, vermoedelijk door de vrouw, vastgebonden met tie-wraps, waarvan er een aantal later door de overvaller zijn vervangen door een losser zittend touw om de polsen en een elektriciteitssnoer om de benen. [benadeelde] werd geslagen tegen zijn bovenlichaam en bedreigd met de woorden: “Je weet anders wel wat er gebeurd, he mattie” en op die manier gedwongen tot afgifte van geld dat hij in huis had en zijn bankpas met bijbehorende pincode. Vervolgens werd hij gewond en geboeid aan handen en voeten achtergelaten in zijn woning.2 Het was omstreeks 05.00 uur de volgende ochtend dat [benadeelde] zich heeft weten te bevrijden van zijn boeien. Behalve de pinpas hebben de overvallers een GSM, merk Samsung en een bedrag van € 200,00 euro meegenomen.3 In de woning van aangever is bij sporenonderzoek sporenmateriaal ten behoeve van DNA-onderzoek veiliggesteld.4

Bij aangever is letsel geconstateerd, te weten enkele gebroken ribben en een klaplong.5

Blijkens de beschrijving van de verwondingen en de verklaring van aangever ter zitting omtrent de aard en duur van de medische behandeling is daarbij sprake van zwaar lichamelijk letsel.

Met de uit de woning van aangever weggenomen pinpas zijn tussen 15 december 2013, 20:50 uur en 16 december 00:01 uur verschillende pintransacties en pogingen tot pintransacties ondernomen6, voor een totaalbedrag van € 4.500,00.7

Verdachte heeft - voor wat betreft haar aandeel in de activiteiten bij de woning van aangever - verklaard dat zij in opdracht van een ander, namelijk ene [naam 1], [naam 2] en een onbekende derde, bij een woning moest aanbellen en tegen de man die open zou doen moest zeggen dat ze met pech stond en vragen of hij kon helpen. Nadat verdachte had gevraagd waarom dit moest, was geantwoord dat ze hun geld terug gingen halen.8 Verdachte heeft verklaard dat zij heeft aangebeld en nadat de deur door een man was geopend, heeft gezegd dat zij met pech stond en heeft gevraagd of de man kon helpen. Op dat moment sprongen twee personen naar binnen toe.9

Zij heeft over de periode na het vertrek bij de woning van aangever verklaard dat zij vervolgens een aantal malen met een pasje en pincode, die [naam 1] haar gaf, heeft gepind. Het geld dat zij pinde, gaf zij aan [naam 1]. Van het geld dat zij vervolgens van [naam 1] kreeg voor het pinnen, heeft ze haar opa terugbetaald en een deel zelf gehouden om naar de dealer te kunnen gaan.10

Overwegingen omtrent het bewijs

Dat verdachte bij de overval en de wederrechtelijke vrijheidsberoving met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg was betrokken en daarna met de bij die overval weggenomen pas geld heeft gepind, blijkt uit haar eigen verklaringen, afgelegd bij de politie, de rechter-commissaris en ter terechtzitting, alsook uit de hiervoor aangehaalde bevindingen omtrent de pintransacties. De rechtbank passeert de verklaring van verdachte dat haar rol bij de overval zelf enkel uit het aanbellen zou hebben bestaan, waarna verdachte weggelopen zou zijn. De rechtbank wijst in dit verband op de verklaring van aangever dat ook de vrouw die had aangebeld de woning is ingekomen en hem vermoedelijk heeft vastgebonden. De rechtbank acht aangever voldoende betrouwbaar in deze verklaring, nu dit onderdeel van zijn verklaring steun vindt in de resultaten van het DNA-onderzoek. Uit dit onderzoek blijkt dat op verschillende tie-wraps in de woning van aangever DNA-materiaal is aangetroffen ten aanzien waarvan verdachte niet als donor kan worden uitgesloten11 en dat in een geval matcht met het DNA-profiel van verdachte.12

De beide alternatieven die door de verdediging zijn aangedragen om de aanwezigheid van DNA van verdachte op de tie-wraps te verklaren zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk geworden. Het eerste alternatief, dat de twee mannen met wie verdachte voor de overval in de auto zou hebben gezeten en die de overval zouden hebben gepleegd dit DNA materiaal zouden hebben overgebracht, wordt weersproken door de verklaringen van aangever dat het bij de overvallers ging om een man en een vrouw, wat deze heeft kunnen horen aan de stemmen van de overvallers. Daarnaast maakt het aantal van de aangetroffen DNA-profielen en -mengprofielen waarbij verdachte niet als donor kan worden uitgesloten onaannemelijk dat dit (steeds) door een derde zou zijn overgebracht.

Het tweede alternatief, dat het aangetroffen DNA-materiaal op de tie-wraps is overgebracht door medeverdachte [medeverdachte] (destijds de geliefde van verdachte) tijdens werkzaamheden die hij met tie-wraps in de woning van aangever zou hebben uitgevoerd, is onaannemelijk omdat met dat alternatief er vanuit wordt gegaan dat de andere, onbekend gebleven overvallers, gebruik zouden hebben gemaakt van toevallig in de woning aangetroffen tie-wraps. De rechtbank acht een dergelijke lezing hoogst onaannemelijk gelet op de verklaring van aangever dat hij geen zwarte tie-wraps in huis had, terwijl het dossier ook anderszins geen steun geeft aan de veronderstelling dat voorafgaand aan de overval in de hal van de woning van aangever (alwaar deze is geboeid) reeds (zwarte) tie-wraps aanwezig waren. Daarnaast past een dergelijk scenario niet bij de kennelijke planmatigheid waarmee de overval is uitgevoerd, welke onder meer blijkt uit de inzet van een quasi hulpbehoevende vrouw om verdachte te bewegen de deur van de woning te openen en het aantreffen van nog ongebruikte, doch wel al voorbereidde (door het uiteinde van de tie-wrap alvast in de juiste richting door het oog te steken), tie-wraps in de woning. Daarnaast strookt een dergelijke lezing niet met de snelheid waarmee aangever - nadat hij is besprongen - is geboeid, welke snelheid geen gelegenheid liet tot het zoeken van materiaal om mee te boeien in een voor die andere overvallers mogelijk onbekende omgeving.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande tevens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tijdens de overval in de woning van aangever is geweest en daaraan, onder meer door aangever terwijl deze door de mededader onder controle werd gehouden, te boeien, heeft deelgenomen.

Gelet op de rol die verdachte aldus bij aanvang van, gedurende en na de overval heeft vervuld, is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de mededader gericht op de onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten, zodat verdachte ten aanzien van deze feiten als medepleger aangemerkt wordt.

Uit onderzoek van de historische gegevens van het telefoonnummer dat bij verdachte in gebruik was blijkt dat verdachte zeer veelvuldig contact had met één bepaald telefoonnummer: dit telefoonnummer bleek in gebruik te zijn bij medeverdachte [medeverdachte].13 Uit de historische gegevens van dit telefoonnummer blijkt dat de telefoon van [medeverdachte] ten tijde van de overval en de nacht en dag daarop volgend, dezelfde zendmasten heeft aangestraald als de telefoon in gebruik bij verdachte.14

Gelet hierop en op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] de overval op [benadeelde] heeft gepleegd.

Ten aanzien van feit 3 overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft verklaard dat zij van de geldbedragen die zij heeft ontvangen voor haar rol bij de overval en het pinnen met de bankpas van aangever, in elk geval een gedeelte heeft gebruikt om een schuld aan haar opa af te lossen. Zij heeft dit geld, waarvan zij wist dat dit van misdrijf afkomstig was, daarmee zowel overgedragen als omgezet, waardoor zij zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van geldbedragen.

Gelet al hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank alle aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

zij op of omstreeks 15 december 2013 te Burgh-Haamstede, gemeente

Schouwen-Duiveland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een pinpas en/of 200 euro en/of een GSM (Samsung), in elk geval enige

goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), welke diefstal

werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging

met geweld tegen die [benadeelde], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf en/of aan haar mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of haar mededader(s)

die [benadeelde] heeft/hebben besprongen en/of die [benadeelde] naar de grond heeft/hebben

geduwd/getrokken en/of de polsen en enkels van die [benadeelde] heeft/hebben

vastgebonden en/of een doek over het hoofd van die [benadeelde] heeft/hebben gedaan

en/of die [benadeelde] meermalen heeft/hebben gestompt/geslagen en/of dreigend de

woorden toegevoegd (zakelijk weergegeven): "waar is je geld, waar is je geld."

en "wat is je pincode?" en "je weet anders wel wat er gebeurd, he mattie." en

"als je de verkeerde code geeft komen we terug.";

2.

zij meermalen op of omstreeks 15 en 16 december 2013 te Burgh-Haamstede,

gemeente Schouwen-Duiveland, en/of Vlaardingen en/of Rotterdam en/of Utrecht

en/of Den Haag tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening telkens heeft

weggenomen hoeveelheden geld (in totaal 4500 euro), in elk geval enige

goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), waarbij

verdachte en/of haar mededader(s) zich telkens de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te

weten een gestolen pinpas toebehorende aan die [benadeelde];

3.

zij op of omstreeks 15/16 december 2013, te Burgh-Haamstede, gemeente

Schouwen-Duiveland en/of Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten

een hoeveelheid geld, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft

overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten die

hoeveelheid geld, gebruik heeft gemaakt, terwijl zij en/of haar mededader(s)

wist(en) dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk – afkomstig

was uit enig misdrijf, te weten door het pinnen met een gestolen pinpas;

4.

zij op of omstreeks 15 december 2013 te Burgh-Haamstede, gemeente

Schouwen-Duiveland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, opzettelijk [benadeelde] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd

en/of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) zij verdachte en/of een of meer

van haar mededader(s) met dat opzet die [benadeelde] besprongen en/of naar de grond

getrokken/geduwd en/of de polsen en enkels vastgebonden en/of gedurende enige

tijd vastgebonden gehouden en/of een doek over het hoofd gelegd en/of die

[benadeelde] meermalen geslagen en/of gestompt, ten gevolge waarvan die [benadeelde]

zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, te weten gebroken ribben en een

klaplong.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijnde deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft bij zijn eis rekening gehouden de strafverzwarende omstandigheden dat verdachte in vereniging en op professionele wijze een overval op een oudere man heeft gepleegd, dat het slachtoffer is bedreigd, vastgebonden, ernstig mishandeld en in hulpeloze toestand is achtergelaten en dat hij ten gevolge van het tijdens de overval toegepaste geweld een klaplong en gebroken ribben heeft overgehouden. In het voordeel van verdachte heeft de officier van justitie rekening gehouden met het feit dat verdachte blijkens haar strafblad nog niet eerder ter zake van enig strafbaar feit is veroordeeld en dat haar rol anders, beperkter, moet worden gezien dan die van haar medeverdachte, nu hij degene is geweest die het fysieke geweld heeft uitgeoefend.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft voor de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten vrijspraak bepleit. Voorts heeft de verdediging de rechtbank gevraagd bij het opleggen van een straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte kampte ten tijde van de feiten met een cocaïneverslaving, waarmee zij al zes jaar worstelde. Als gevolg van deze verslaving was zij steeds verder verwijderd geraakt van haar familie en zijn er financiële problemen ontstaan. In detentie is het contact met haar familie hersteld en heeft zij diverse diploma’s behaald. Verdachte wil graag op zichzelf gaan wonen en haar leven opnieuw opbouwen. De verdediging heeft de rechtbank dan ook primair verzocht een aanmerkelijk deel van de aan verdachte op te leggen straf, voorwaardelijk op te leggen, zodat verdachte een flinke stok achter de deur heeft en gemotiveerd blijft. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om de minimale rol van verdachte in de strafbare feiten, het uitblijven van uitvoerings- en/of geweldshandelingen en haar persoonlijke omstandigheden mee te laten wegen en een straf op te leggen die daaraan beantwoordt.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beantwoording van de vraag welke straf of maatregel aan verdachte moet worden opgelegd, houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder het is begaan, en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voor wat betreft de ernst van het bewezen verklaarde neemt de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een overval waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en gedurende de nachtelijke uren wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd is geweest. Vervolgens heeft zij met de pinpas van verdachte op diverse plekken in het land geldbedragen gepind en heeft ze deze geldbedragen witgewassen. Dit alles heeft zij tezamen en in vereniging met haar mededader gepleegd.

Het spreekt voor zich dat een op deze manier uitgevoerde overval voor het slachtoffer een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest. Hierbij heeft verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan. Het heeft haar er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van een ander, op deze manier snel aan geld te komen.

Feiten als de onderhavige dragen een voor de rechtsorde in zijn algemeenheid zeer schokkend karakter en brengen ook buiten de directe omgeving van de slachtoffers gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

De rechtbank houdt in het nadeel van verdachte rekening met de volgende strafverzwarende omstandigheden:

  • -

    de overval is professioneel voorbereid en uitgevoerd;

  • -

    de strafbare feiten door meerdere daders gezamenlijk uitgevoerd;

  • -

    het slachtoffer heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Daarnaast heeft verdachte slechts voor dat deel van de tenlastelegging dat niet te ontkennen was, haar verantwoordelijkheid genomen. Verdachte lijkt zich bovendien nauwelijks rekenschap te geven voor wat het slachtoffer mede door haar toedoen is aangedaan. Zij ziet zichzelf eerder als slachtoffer van omstandigheden en neemt aldus geen verantwoordelijkheid voor haar daden.

De rechtbank heeft in het voordeel van verdachte rekening gehouden met het op haar betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 22 juli 2014, waaruit blijkt dat verdachte nog niet eerder met justitie in aanraking is geweest voor het plegen van strafbare feiten.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van een omtrent verdachte opgemaakt reclasseringsadvies van 16 mei 2014. Uit dit rapport, evenals uit andere verklaringen in het strafdossier, is gebleken dat verdachte sinds lange tijd verslaafd was aan verdovende middelen, wat heeft geleid tot problematiek op meerdere leefgebieden. Ook deze omstandigheid heeft de rechtbank meegewogen in haar strafmaatoverweging.

Gelet op vorenstaande en op de straftoemeting in soortgelijke zaken komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van verdachte. Zij ziet daarom geen aanleiding om een lagere straf op te leggen.

7 De benadeelde partij

7.1

De vordering van de officier van justitie

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de officier van justitie geconcludeerd tot toewijzing van een bedrag van € 200,00, vermeerderd met de wettelijke rente. Deze schadevergoeding is hoofdelijk op te leggen en dient vergezeld te gaan van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

Gelet op de bepleite vrijspraak, heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in diens vordering. Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat de vordering afgewezen dient te worden, omdat deze onvoldoende onderbouwd is. Uit het voegingsformulier blijkt immers niet klip en klaar wat het bedrag is dat het slachtoffer als schadevergoeding vordert en ook de waarde van de dollarclip blijkt niet uit voornoemd formulier.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 350,00 voor feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 200,00, ter zake van materiële schade, een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. De door de officier van justitie bepleitte wettelijke rente zal de rechtbank niet opleggen aangezien deze door de benadeelde partij niet is gevorderd.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 47, 57, 282, 310, 311, 312 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en om, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 2: Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;

feit 3: Witwassen;

feit 4: Opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 (vijf) jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 200,00, ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] (feit 1), € 200,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 4 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Borm, voorzitter, mr. B.J. Duinhof en mr. J.B. Smits, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.J.Y. Leijs, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 1 september 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van het procesdossier met de onderzoeksnaam “[onderzoeksnaam]” en het dossiernummer 2013086411 van de regiopolitie Zeeland, Regionaal Recherche Team, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 929. Proces-verbaal van bevindingen, pagina 67.

2 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde], pagina 37.

3 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde], pagina 38, 8e alinea.

4 Proces-verbaal sporenonderzoek, pagina’s 80 en 81 onder Veiliggestelde sporendragers t/m 83.

5 Een schriftelijk bescheid, te weten een GGD-letselbeschrijving d.d. 22 januari 2014, opgemaakt door forensisch geneeskundige J. Vrencken, pagina 44.

6 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 73, 3e en 6e alinea.

7 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 75.

8 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte], pagina’s 451, 3e alinea.

9 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte], pagina’s 451, 5e alinea, 6e volzin t/m 8e volzin 1e en 2e zinsdeel.

10 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte], pagina 451, laatste alinea en pagina 452, 2e alinea.

11 Deskundigenrapport betreffende DNA-onderzoek van The Maastricht Forensic Institute d.d. 29 april 2014 en deskundigenrapport betreffende DNA-onderzoek van The Maastricht Forensic Institute d.d. 11 augustus 2014.

12 Deskundigenrapport betreffende DNA-onderzoek van The Maastricht Forensic Instituted.d. 11 augustus 2014, pagina 8, positie #5.

13 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 174.

14 Tijdlijn gsm [gsm-nummer] op de pagina’s 183 en 184, behorende bij het proces-verbaal van bevindingen gebruiker 7084, pagina 173 e.v..