Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:6056

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-08-2014
Datum publicatie
16-09-2014
Zaaknummer
AWB 14_270
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Politieambtenaar legt tijdens uitvoering functie contact met vrouwen met wie hij vervolgens seksuele relaties onderhoudt. Maakt voor die privécontacten veelvuldig gebruik van diensttelefoon. Gedrag wordt aangemerkt als ernstig plichtsverzuim. Strafontslag onevenredig nu vrouwen niet hebben geklaagd, hij overigens zijn werk naar behoren heeft uitgevoerd en sprake is van langdurig dienstverband. Heeft professionele hulp gezocht om gedrag te veranderen. Voorwaardelijk strafontslag wel evenredig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 14/270 AW

uitspraak van 25 augustus 2014 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. A.M.W.A. van der Hoeven

en

de korpschef van politie (korpschef), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 16 januari 2014 (bestreden besluit) van de korpschef inzake het aan eiser gegeven strafontslag.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 25 juni 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.[naam vertegenwoordiger], [naam vertegenwoordiger] en [naam vertegenwoordiger].

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn met drie weken verlengd.

Overwegingen

1.

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser was sinds 1994 werkzaam bij de politie, laatstelijk in de functie van wijkagent/brigadier.

Op 26 juli 2012 is door het plaatsvervangend hoofd van de Regionale Criminele Inlichtingen Eenheid een proces-verbaal opgemaakt waarin wordt verklaard dat informatie is binnengekomen dat eiser tijdens de uitvoering van zijn functie contact met vrouwen zoekt om vervolgens een seksuele relatie met ze aan te gaan. Verder is verklaard dat eiser diverse sociale media gebruikt om contact te maken met vrouwen, dat hij daarbij verwijst naar zijn functie en dat hij met een diensttelefoon seksueel getinte contacten onderhoudt. Naar aanleiding van dit proces-verbaal heeft de korpschef op 23 augustus 2012 opdracht gegeven tot het instellen van een oriënterend disciplinair onderzoek.

Op 18 februari 2013 heeft de korpschef opdracht gegeven om een disciplinair onderzoek in te stellen.

Bij brief van 18 februari 2013 is eiser op de hoogte gesteld dat er een disciplinair onderzoek wordt ingesteld. Bij besluit van 4 maart 2013 is eiser buiten functie gesteld en is hem de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen en dienstterreinen ontzegd.

Het disciplinaire onderzoek heeft bestaan uit het horen van een aantal vrouwelijke burgers en het horen van een aantal medewerksters en medewerkers van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant. Tevens is onderzoek gedaan naar eisers internetgebruik en het gebruik van eisers zakelijke telefoon. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van het bureau interne onderzoeken van de Unit Veiligheid & Integriteit van 26 april 2013.

Bij besluit van 27 mei 2013 is eiser geschorst.

Bij brief van 25 juli 2013 heeft de korpschef zijn voornemen kenbaar gemaakt om eiser te bestraffen met strafontslag. Bij brief van 22 augustus 2013 heeft eiser zijn zienswijze tegen dit voornemen naar voren gebracht.

Met het besluit van 16 september 2013 (primair besluit) heeft de korpschef aan eiser medegedeeld dat hij met onmiddellijke ingang bestraft wordt met strafontslag.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Tevens heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft op 24 februari 2014 uitspraak gedaan en een voorlopige voorziening getroffen. Deze uitspraak is bekend onder nummer 13/6934 AW VV.

Met het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiser, onder verwijzing naar het advies van de bezwarencommissie, ongegrond verklaard.

2.

Eiser heeft in beroep, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat uit de gevoerde jaargesprekken blijkt dat hij goed heeft gefunctioneerd en dat hij nooit is aangesproken op zijn gedrag. De ontlastende verklaringen in het dossier zijn onvoldoende meegewogen en de belastende verklaringen zijn onvoldoende beoordeeld. De verhoren hebben onder druk plaatsgevonden. Tevens is er tijdens de verhoren sturend opgetreden. Eiser is van mening dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden omdat hij voorafgaand of tijdens het horen niet alle stukken heeft gekregen. Verder is eiser van mening dat zijn privacy onevenredig is geschonden. Eiser betwist dat hij de grens tussen zijn zakelijk leven en zijn privéleven dusdanig heeft overschreden dat sprake is van ernstig plichtsverzuim, dat een onvoorwaardelijk strafontslag rechtvaardigt. Eiser heeft verder nog aangevoerd dat de gevolgen van het bestreden besluit voor hem onevenredig ernstig zijn.

3.

Op grond van artikel 76, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair worden gestraft.

Op grond van het tweede lid van dit artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp is ontslag één van de straffen die kan worden opgelegd.

4.

Aan het bestreden besluit ligt een onderzoek van de Unit Veiligheid en Integriteit ten grondslag. Met betrekking tot de wijze waarop dit onderzoek is uitgevoerd kan de rechtbank zich volledig vinden in de overwegingen daaromtrent van de voorzieningenrechter in de uitspraak van 24 februari 2014. De rechtbank zal deze overwegingen dan ook tot de hare maken.

5.

De korpschef heeft aan het strafontslag ten grondslag gelegd dat eiser excessief gebruik heeft gemaakt van zijn diensttelefoon en dat hij onprofessioneel en ongewenst gedrag heeft vertoond tegenover vrouwelijke burgers en vrouwelijke collega’s.

5.1

Ten aanzien van het gebruik van de diensttelefoon overweegt de rechtbank het volgende.

Net als de voorzieningenrechter is de rechtbank van oordeel dat voldoende vaststaat dat sprake is geweest van veelvuldig gebruik van de diensttelefoon ten behoeve van eisers privécontacten. De gegevens die uit de diensttelefoon van eiser zijn gehaald, staan vermeld op een cd-rom. Deze gegevens zijn weer uitgesplitst naar de diverse privécontacten van eiser. Die uitsplitsing is terug te vinden op de bladzijden 5 tot en met 10 van het onderzoeksrapport. Eiser heeft weliswaar de hoeveelheid contacten betwist, maar nu deze betwisting pas voor het eerst ter zitting, zonder nadere onderbouwing, naar voren is gebracht ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen van het onderzoek. Daarbij heeft de rechtbank tevens betrokken dat deze bevindingen zijn ondertekend door de interne onderzoeker, [naam persoon], inspecteur van politie, waarbij is aangegeven dat hij dit rapport naar waarheid heeft opgemaakt. Bij de verdere beoordeling zal de rechtbank er dan ook van uitgaan dat eiser veelvuldig privé gebruik heeft gemaakt van zijn diensttelefoon.

Binnen het korps zijn regels opgesteld hoe met de diensttelefoon moet worden omgegaan. Deze regels zijn neergelegd in de Regeling op het gebied van elektronische netwerkvoorzieningen (Regeling ENV) en in de gedragscode gebruik mobiele telefoon. Deze regelingen gaan uit van zakelijk gebruik met beperkt privégebruik.

Ter zitting heeft eiser bevestigd dat hij in de eerste helft van 2011 door zijn leidinggevende is aangesproken op het privégebruik van de diensttelefoon. Ondanks het feit dat eiser wist dat hij het privégebruik tot een minimum moest beperken en de afspraak dat hij voor privégesprekken en privé-SMS een privételefoon zou aanschaffen, is hij ook na 2011 onverminderd doorgegaan met excessief privégebruik van zijn diensttelefoon. De stelling van eiser dat hij bereid was te betalen voor het privégebruik van de diensttelefoon kan hem niet baten. Nog los van de vraag of het van de korpschef gevraagd kan worden om een aparte administratie bij te (laten) houden inzake het privégebruik van eisers diensttelefoon, was met eiser niet afgesproken dat aan hem een rekening zou worden gestuurd voor privégebruik. Zonder een dergelijke afspraak had eiser het veelvuldige privégebruik niet mogen voortzetten. Mogelijk dat eiser vroeger wel een dergelijke afspraak met de leiding had, maar het was hem in ieder geval na het gesprek van 2011 duidelijk dat een dergelijk veelvuldig privégebruik niet geaccepteerd werd.

Uit het voorgaande volgt dat eiser zich niet heeft gehouden aan de regels omtrent het gebruik van de diensttelefoon. Hierdoor heeft eiser zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.

5.2

Uit de verklaringen van [naam persoon], [naam persoon], [naam persoon], [naam persoon], [naam persoon], [naam persoon] en [naam persoon]heeft de korpschef de conclusie getrokken dat eiser richting vrouwelijke burgers en vrouwelijke collega’s onprofessioneel en ongewenst gedrag heeft vertoond. Ter zitting heeft de gemachtigde van de korpschef gesteld dat eiser niet zozeer wordt verweten dat hij privécontact(en) heeft gekregen door zijn werk, maar dat het gaat om het patroon van die contacten. Daarbij is nog gesteld dat het gaat om burgers die vanwege hun hulpvraag in een ongelijkwaardige positie tot eiser verkeerden en dat eiser deze contacten niet bespreekbaar heeft gemaakt.

Uit de verklaringen van onder meer [naam persoon], [naam persoon], [naam persoon] en [naam persoon]

blijkt dat eiser met diverse vrouwelijke burgers waarmee hij vanwege zijn functie in contact is gekomen, privécontact heeft gezocht dan wel niet uit de weg is gegaan en dat hij met een aantal daarvan ook een relatie is begonnen. Met de voorzieningenrechter is de rechtbank van oordeel dat hier sprake is van een patroon waarin eiser met vrouwen die hij heeft ontmoet tijdens de uitoefening van zijn functie privécontacten krijgt. Ter zitting heeft eiser gesteld dat hij destijds krampachtig op zoek was naar een nieuwe relatie om een gezin mee te stichten.

De rechtbank is van oordeel dat eiser met zijn gedrag onvoldoende besef heeft getoond van de noodzaak een professionele houding te vertonen richting vrouwelijke burgers die met een hulpvraag bij de politie komen. Dit klemt te meer nu een aantal van deze vrouwen ook al bekend was in de politiesystemen. Zoals de gemachtigde van de korpschef ter zitting terecht heeft opgemerkt is één van de kerntaken van de politie de hulpverlening. Daarbij zal de politieambtenaar uiterst integer dienen op te treden. Eiser had zich daarvan ook bewust moeten zijn. Het gedrag dat hij heeft vertoond is naar het oordeel van de rechtbank niet in overeenstemming met de vereiste professionele houding van een politieambtenaar. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er sprake is van plichtsverzuim. De rechtbank zal het verwijt dat eiser deze contacten niet heeft gemeld bij zijn leidinggevende en/of bespreekbaar heeft gemaakt niet bespreken nu dit verwijt pas ter zitting naar voren is gebracht en niet ten grondslag ligt aan het bestreden besluit.

Ook ten aanzien van eisers gedrag richting vrouwelijke collega’s is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van plichtsverzuim. Uit het dossier komt naar voren dat eiser door collega’s werd gezien als een amicale en fysiek ingestelde collega. Hoewel niet is komen vast te staan dat eiser zich onbehoorlijk heeft gedragen jegens zijn vrouwelijke collega’s, kan wel worden vastgesteld dat een aantal collega’s niet was gediend van de benadering van eiser en zich daarbij ongemakkelijk heeft gevoeld. Eiser had zich ervan bewust moeten zijn dat zijn amicale en fysieke gedrag niet door iedereen werd gewaardeerd. Zeker ten aanzien van aspiranten had eiser zich hiervan rekenschap moeten geven. Gelet op de ongelijkwaardige verhoudingen mag eiser niet van een aspirant verwachten dat deze hem aanspreekt op het moment dat hij voor haar niet acceptabel gedrag vertoont. Eiser zal daarom zelf grenzen aan zijn eigen gedrag moeten stellen. Door dat niet te doen heeft eiser zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.

5.3

De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor besproken gedragingen tezamen en in onderling verband bezien, moeten worden aangemerkt als ernstig plichtsverzuim. Niet is gebleken dat de gedragingen niet aan eiser toerekenbaar zijn. De korpschef was dan ook bevoegd een disciplinaire maatregel op te leggen.

De rechtbank komt vervolgens toe aan de vraag of de aan eiser opgelegde straf van ongevraagd ontslag de hier aan te leggen toetsing aan het beginsel dat geen onevenredigheid mag bestaan tussen een getroffen sanctie en de ernst van het handelen of nalaten op grond waarvan die sanctie is getroffen, kan doorstaan. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Bij dit oordeel heeft de rechtbank betrokken dat de vrouwen die verklaringen hebben afgelegd zelf geen reden hebben gezien om over het gedrag van eiser te klagen bij de korpschef. Voorts is niet gebleken dat eiser door de verweten gedragingen zijn werk niet naar behoren heeft kunnen uitvoeren. Ook het lange dienstverband waarin eiser altijd goed heeft gefunctioneerd heeft de rechtbank bij haar oordeel betrokken. De rechtbank is er niet van overtuigd dat eiser, nu hij is aangesproken op zijn gedrag, zijn gedrag niet zal veranderen. Zeker nu eiser professionele hulp heeft gezocht om daarbij inzicht te krijgen in zijn houding en gedrag, is de rechtbank van oordeel dat niet bij voorbaat is uitgesloten dat eiser nog op een goede manier zal kunnen functioneren. De rechtbank acht een voorwaardelijk strafontslag wel evenredig aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

6.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal het bestreden besluit worden vernietigd. Het beroep zal gegrond worden verklaard en de korpschef zal worden opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het primaire besluit zal weliswaar geen stand kunnen houden. Het zal echter de korpschef moeten zijn die een besluit tot het opleggen van een voorwaardelijk strafontslag moet nemen en de voorwaarden nader zal moeten invullen.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat de korpschef het salaris zal doorbetalen. Deze voorziening vervalt op het moment dat de korpschef een nieuw besluit op het bezwaar heeft genomen.

7.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed. De rechtbank zal de korpschef veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487, en wegingsfactor 1). Het gaat hier om een forfaitaire vergoeding zodat de door eiser overgelegde declaraties (indien en voor zover deze betrekking hebben op de beroepsprocedure) niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de kosten in de bezwaarprocedure zal door de korpschef een beslissing moeten worden genomen in de nieuwe beslissing op bezwaar.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    treft een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, inhoudende dat de korpschef het salaris van eiser moet doorbetalen;

  • -

    bepaalt dat de voorlopige voorziening vervalt op het moment dat de korpschef een nieuwe beslissing op bezwaar heeft genomen;

  • -

    draagt de korpschef op het betaalde griffierecht van € 165,-- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de korpschef in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 974,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P.J. Schoonen, voorzitter, en mr. I.M. Josten,

en mr. M.Z.B. Sterk, leden, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2014.

Deze uitspraak is ondertekend door de voorzitter. De griffier is verhinderd om deze uitspraak mede te ondertekenen.

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.