Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:6048

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-09-2014
Datum publicatie
01-09-2014
Zaaknummer
02-700059-14
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2016:4845, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Doodslag, verwerping alle varianten noodweer. Rechtbank houdt rekening met pesten door slachtoffer en kwetsbare persoonlijkheid verdachte, maar acht de eis onder de omstandigheden van deze zaak te laag. 9 jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/700059-14

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 september 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1962 te [geboorteland- en plaats],

thans gedetineerd in de P.P.C. Vught te Vught,

raadsman mr. H. Goedegebure, advocaat te Zierikzee.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 augustus 2014, waarbij de officier van justitie mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De vordering van de officier van justitie “nadere omschrijving tenlastelegging” overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering is toegewezen.

Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat

hij op of omstreeks 01 maart 2014 te Middelburg opzettelijk en met

voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven heeft

beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig

overleg, althans opzettelijk die [slachtoffer] met een mes gestoken/gesneden,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

artikel 287 wetboek van strafrecht

art 289 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 01 maart 2014 te Middelburg aan een persoon genaamd [slachtoffer]

[slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (steekwond/snijwond in de

borstkas), heeft toegebracht, door opzettelijk die [slachtoffer] met een mes te

steken/snijden, terwijl het feit de dood tengevolge heeft gehad;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 2 Wetboek van Strafrecht

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 01 maart 2014 te Middelburg opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [slachtoffer]), met een mes heeft gestoken/gesneden,

tengevolge waarvan deze is overleden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 3 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht voorbedachte raad, en daarmee de primair impliciet primair ten laste gelegde moord, niet wettig en overtuigend bewezen. Wel acht de officier van justitie de primair impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag op [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen. Hij baseert zich op de verklaring van verdachte dat deze het mes ter hoogte van de borst vast hield met het lemmet schuin omhoog en dat verdachte zag dat dit mes in de jas van het slachtoffer verdween, alsmede op de in het NFI-rapport vastgestelde lengte van het steekkanaal in de borst van 11 centimeter in combinatie met de kenmerken van het mes dat onder verdachte in beslag is genomen. Op dit mes zijn bovendien bloed van het slachtoffer en DNA-sporen van verdachte aangetroffen.

Het causaal verband tussen de steekwond en het overlijden van het slachtoffer wordt gedragen door de eindconclusie van de patholoog. Deze verklaart het intreden van de dood door verwikkelingen van ingewerkt uitwendig mechanisch scherprandig snijdend en perforerend geweld aan de borstkas.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging voert aan dat verdachte zijn mes tevoorschijn heeft gehaald toen hij voor de derde keer door het slachtoffer werd aangevallen. Daarbij heeft verdachte het mes tot twee keer toe in de jas van het slachtoffer zien gaan. Verdachte heeft echter geen stekende beweging gemaakt. Verdachte heeft het mes slechts gepakt en voor zich gehouden om het slachtoffer af te schrikken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het primair impliciet primair ten laste gelegde bestanddeel -voorbedachte raad- niet wettig en overtuigend bewezen. Niet gebleken is van enig vooropgezet plan bij verdachte op het veroorzaken van de dood van het slachtoffer. Het enkele aanwezig hebben van een mes is onvoldoende om uit te gaan van een plan om te doden, ook al had verdachte dat mes al langere tijd bij zich, droeg hij het verborgen onder zijn jas en was het volgens hem zijn bedoeling zich daarmee te kunnen verdedigen wanneer dit nodig zou blijken te zijn. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de ten laste gelegde moord.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting het volgende vast is komen te staan.

Naar aanleiding van een melding in de avond van 1 maart 2014 dat in Middelburg op de Turfkaai een man was neergestoken heeft de politie aldaar een man (het slachtoffer) aangetroffen met een wond op de borst1. Het slachtoffer is overgebracht naar het ziekenhuis te Goes, waar hij op 2 maart 2014 te 06.20 uur is overleden.2 Aan de borstkas van het slachtoffer was links een scherprandige huidperforatie met een lengte van 2,5 cm. Het steekkanaal verliep van links naar rechts schuin hoofdwaarts en iets achterwaarts en had een lengte van 11 cm.3 Het intreden van de dood wordt verklaard door verwikkelingen van ingewerkt uitwendig mechanisch scherprandig snijdend en perforerend geweld aan de borstkas.4 Het slachtoffer bleek te zijn, [slachtoffer]5

De politie heeft kort na de melding op aanwijzingen van een omstander de verdachte aangehouden in het [naam horecagelegenheid 1] aan de Turfkaai. Verdachte verklaarde bij zijn aanhouding tegenover de politie dat hij door vier jongens was lastig gevallen en dat hij één van de jongens een krauw had gegeven met een mes. Dit mes zat nog in zijn jas welke over een barkruk hing6.

Op de jas van verdachte zat een kleine bloedspetter en in de linker binnenzak van de jas zat een bebloed mes.7 Bloedsporen van het slachtoffer bevonden zich op straat, onder meer voor [naam horecagelegenheid 1].8 Uit het dossier blijkt niet dat er in de hal van het café bloedsporen zijn aangetroffen.
De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij die avond met [getuige 2] en [slachtoffer] vanaf het station in Middelburg over de Stationsbrug en de Koningsbrug linksaf de Turfkaai is opgelopen9. Tussen [naam horecagelegenheid 2] (naar de rechtbank begrijpt: [naam horecagelegenheid 2]) en [naam horecagelegenheid 1] zag hij een man die zij altijd [naam] noemen. [slachtoffer] en die man hebben altijd wel woorden met elkaar als ze elkaar tegenkomen. [slachtoffer] ging voor de man staan en er werd over en weer wat gezegd. [slachtoffer] en de man stonden heel erg dicht tegen elkaar aan, alsof ze elkaar gingen kussen. Plotseling zag de getuige de man een beweging met zijn rechter arm maken. Hij dacht dat hij wilde slaan of duwen. De getuige zag [slachtoffer] een paar stapjes achteruit doen en dacht dat [slachtoffer] geslagen of geduwd was. De getuige zag dat de man [naam horecagelegenheid 1] binnen liep. De getuige hoorde dat [slachtoffer] zei “ik ben gestoken” en zag gelijk dat het bloed uit de borst van [slachtoffer] kwam10. De getuige [getuige 2]11 heeft verklaard dat hij met [getuige 1] en [slachtoffer] op pad was12. Ter hoogte van de bakker op de hoek tegenover de viskraam op de Koningsbrug kwamen ze een man tegen. De man riep iets tegen [slachtoffer] en ging niet voor [slachtoffer] opzij. De getuige zag dat de man [slachtoffer] een duw gaf en vervolgens hard wegliep over de Koningsbrug. [slachtoffer] liep, een beetje joggend, achter die man aan. Toen de getuige de brug was overgestoken, zag hij [slachtoffer] ter hoogte van [naam horecagelegenheid 1] staan en hoorde hij hem roepen: “Ik ben gestoken”.13

Verdachte heeft verklaard dat hij een groep jongeren, waaronder het slachtoffer, op de Koningsbrug aan zag komen lopen. Hij dacht dat ze weer vervelend zouden gaan doen. Die man, het latere slachtoffer, holde in de richting van verdachte en sloeg hem. Verdachte besloot daarop weg te lopen waarna de man zijn tred in hield. De man bleef echter achter verdachte aanlopen en verdachte rende weg in de richting van het [naam horecagelegenheid 3]. Verdachte zag dat als zijn vluchtplaats. Verdachte liep het halletje van dit café in en de man liep achter hem aan. In deze beperkte ruimte leek de man hem weer te willen slaan. Verdachte heeft zijn mes gepakt en het 2 decimeter van zijn borst af voor zich gehouden. Het lukte de man niet om bij verdachte te komen en verdachte zag dat het mes tweemaal in de jas van het de man verdween14 ter hoogte van zijn rechterschouder, zijn rechterbovenzijde of zijn rechterbovenarm.15 De man liep daarop achteruit en verdachte heeft het mes weggestopt en is het café in gegaan16.

Ter zitting heeft verdachte deze verklaring herhaald en gedemonstreerd hoe hij met het mes voor zich van links naar rechts heeft bewogen terwijl het slachtoffer eveneens in beweging was en hem probeerde te slaan.17

Op grond van de verklaringen van de voornoemde getuigen en het technische bewijs acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat in de avond van 1 maart 2014 aan de Turfkaai te Middelburg, ter hoogte van [naam horecagelegenheid 1] een confrontatie heeft plaatsgevonden tussen verdachte en het latere slachtoffer, waarbij verdachte en het latere slachtoffer nagenoeg tegen elkaar aan stonden. Bij deze confrontatie heeft verdachte een mes gepakt, dit tot 20 centimeter voor zijn borst gebracht en daar zwaaiende bewegingen mee gemaakt. Verdachte heeft daarbij het latere slachtoffer daadwerkelijk met het mes aan de linkerzijde van de borst gestoken.

Voor zover verdachte heeft bedoeld het verweer te voeren dat het slachtoffer niet is geraakt als gevolg van enig handelen aan de zijde van verdachte, maar dat de bewegingen van het slachtoffer tot de verwondingen hebben geleid, stelt de rechtbank vast dat niet is gebleken dat het slachtoffer verdachte daadwerkelijk heeft geslagen. De forensisch arts bij de GGD heeft bij onderzoek geen zichtbaar letsel bij verdachte kunnen vaststellen, ook niet met behulp van forensisch licht.

Verdachte stelt dat het lichamelijk onderzoek pas drie dagen later heeft plaatsgevonden en dat er daardoor geen letsel meer te zien was. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat verdachte op 2 maart 2014, de dag na het incident, door de forensisch arts D. Vrencken is onderzocht op letsel. Verdachte wordt gelet op deze bevinding en de verklaringen van voornoemde getuigen niet gevolgd in zijn stelling dat het slachtoffer heeft willen slaan. Het verweer dat hij de steekwond niet zou hebben veroorzaakt wordt daarom gepasseerd.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door tijdens de confrontatie met een mes op de hiervoor bedoelde wijze te bewegen, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer met dat mes daadwerkelijk in het bovenlichaam, en dus in vitale delen van het lichaam, zou raken, waardoor het slachtoffer zou kunnen komen te overlijden. De rechtbank acht aldus het voorwaardelijk opzet op de dood en daarmee de primair impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

hij op of omstreeks 01 maart 2014 te Middelburg opzettelijk en met

voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven heeft

beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig

overleg, althans opzettelijk die [slachtoffer] met een mes gestoken/gesneden,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

De verdediging beroept zich op noodweer. De raadsman gaat er daarbij van uit dat verdachte door het slachtoffer werd aangevallen en genoodzaakt was zich tegen die aanval te verdedigen. De raadsman stelt dat verdachte door het slachtoffer onverhoeds tegen zijn hoofd is geslagen en dat het slachtoffer daarna opnieuw heeft geprobeerd hem te slaan. Verdachte heeft die slagen kunnen afweren en ontwijken. Tot tweemaal toe is verdachte weggerend. Bij de derde confrontatie, in het halletje van het café waar hij zijn toevlucht zocht, zag hij geen andere uitweg meer dan het mes tevoorschijn te halen en zich daarmee te beschermen tegen de aanvallen van het slachtoffer.

De officier van justitie heeft weersproken dat sprake zou zijn geweest van noodweer, nu geen bewijsmiddel bevestigt dat het slachtoffer verdachte daadwerkelijk zou hebben geslagen, en zelfs als dat wel zo zou zijn, de wijze waarop de verdachte zich heeft verdedigd niet noodzakelijk was. Slachtoffer was immers niet gewapend en verdachte had ook nog weg kunnen rennen omdat de confrontatie niet in een besloten ruimte plaatsvond maar op straat.

De rechtbank acht van een noodweersituatie geen sprake en neemt het volgende in overweging. Verdachte heeft verklaard voor het slachtoffer te zijn weggelopen nadat deze verdachte zou hebben geslagen. Dat verdachte door het slachtoffer zou zijn geslagen vindt, zoals de rechtbank in het voorgaande heeft vastgesteld, anders dan in de verklaringen van verdachte zelf, geen steun in het dossier. Verdachte heeft ook geen voldoende aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat hij zijn vlucht heeft onderbroken, waardoor alsnog de tweede en derde confrontatie tussen verdachte en het slachtoffer konden plaatsvinden. Niet gesteld of gebleken, en ook overigens hoogst onwaarschijnlijk gelet op de staat van dronkenschap van het slachtoffer, is dat het slachtoffer harder liep dan verdachte en deze op enig moment heeft ingehaald. Verdachte had zich naar het oordeel van de rechtbank op eenvoudige wijze aan enige wederrechtelijke aanranding kunnen onttrekken, door hetzij zijn vlucht over de Turfkaai voort te zetten, hetzij het [naam horecagelegenheid 1] verder binnen te gaan. Voor zover verdachte heeft bedoeld te stellen dat hij, toen hij, naar eigen zeggen, in het halletje van [naam horecagelegenheid 1] stond, geen verder vluchtmogelijkheid had gaat de rechtbank hieraan voorbij. Onmiddellijk na de confrontatie is verdachte immers zonder enige kenbare aarzeling of bedenking het café binnen gegaan en daar tot aan zijn aanhouding is gebleven.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

De rechtbank komt aan de beoordeling van noodweerexces niet toe, nu zich geen noodweersituatie heeft voorgedaan.

De verdediging beroept zich voorts op putatief noodweer. Ten gevolge van de ervaringen van het jarenlange pesten en de hierdoor ten tijde van het bewezen verklaarde ontstane heftige stressreactie bij verdachte was verdachte stellig van mening dat hij slachtoffer zou worden van lichamelijk geweld en meende hij zich verontschuldigbaar te moeten verdedigen zoals heeft plaatsgevonden.

De officier van justitie weerspreekt ook deze stelling.

De rechtbank overweegt dat verdachte in verschillende varianten heeft verklaard, terwijl geen van deze versies aannemelijk is geworden. De vrees van verdachte voor fysiek geweld door het slachtoffer was niet gegrond op ervaringen met het slachtoffer. Uit het dossier komt naar voren dat het slachtoffer verdachte herhaaldelijk op indringende wijze heeft lastig gevallen en gepest, door hem uit te schelden en uit te dagen. Van fysiek geweld door het slachtoffer jegens verdachte is, zoals ook uit het voorgaande blijkt, niet gebleken. Niet eerder is melding gemaakt van contact met het slachtoffer in de zin van een wederrechtelijke aanranding van zijn persoon, zodat verdachte moest vrezen voor fysiek geweld. Verdachte kan niet de indruk wegnemen dat hij zich ook confronterend heeft opgesteld, ook in zijn contacten met het slachtoffer. Uit meldingen van de politie komt naar voren dat verdachte in de periode voorafgaand aan het incident in voorkomende gevallen tegen anderen lichamelijk geweld heeft gebruikt. De rechtbank verwerpt ook dit verweer.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van zes jaar met aftrek van voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gelet op de gevoerde verweren, bepleit dat verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Nu de verweren van de verdediging zijn verworpen, bestaat geen ruimte voor ontslag van alle rechtsvervolging. De na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft een 19-jarige jongen zijn leven ontnomen. Het leven dat als het kostbaarste bezit van de mens wordt beschouwd. Daarom wordt dit feit in ons strafrechtstelsel gezien als een van de ernstigste misdrijven die kan worden begaan.

Voor de nabestaanden van het slachtoffer, zijn vader, zijn moeder, zijn broer en zijn vrienden, heeft dit onherstelbaar leed en verdriet gebracht.

Daarnaast is een dergelijk gewelddadig optreden op straat zeer schokkend voor de (oog)getuigen en versterkt het de in de maatschappij levende gevoelens van onveiligheid.

Van algemene bekendheid is dat ook de (oog)getuigen nog lang angstgevoelens en psychische schade kunnen ondervinden.

De rechtbank heeft kennis genomen van het uittreksel uit het justitieel documentatieregister ten name van verdachte, waarop vanaf 2011 een veroordeling tot een geldboete wegens vernieling voorkomt.
Voorts zijn bij de politie in de afgelopen jaren talloze meldingen binnengekomen over en door verdachte.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij een tweeslachtige houding heeft. Aan de ene kant ervaart hij de voortdurende onrust bij het gevoel in een vijandige omgeving te lopen, waarin jongeren op hem neerkijken en hem belagen, met elke keer de kans op een confrontatie. Aan de andere kant probeert hij rustig te blijven en heeft hij voor het gevoel van veiligheid een mes bij zich. Daarnaast probeert hij rechtop te lopen, zijn gezicht te ontspannen en geen signalen af te geven om anderen uit te nodigen hem te belagen.

Uit het (beknopte) reclasseringsrapport van 4 maart 2014 blijkt dat de reclasseringswerker de indruk heeft gekregen dat er bij het delictgedrag van verdachte een samenhang is met de persoonlijkheid van betrokkene en dat de wijze waarop hij reageert op ervaren onrecht niet begrepen wordt. Verdachte heeft van jongs af aan structureel pestervaringen die mogelijk sporen hebben achtergelaten in de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. De indruk bestaat dat hij kritisch is richting anderen en niet zozeer richting zichzelf; verdachte ziet zichzelf als een kwetsbare man die telkens door toedoen van anderen in de problemen komt.

Het huidige delictgedrag lijkt voort te vloeien uit een zich voor verdachte herhalende bedreigende situatie waardoor hij had besloten een mes bij zich te dragen hetgeen het slachtoffer fataal is geworden.


Over verdachte zijn twee gedragsdeskundige rapporten opgemaakt.
In het rapport van J. de Veth, psycholoog, van 14 juni 2014 is onder meer het navolgende gesteld:

Betrokkene is lijdend aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, zijnde een stoornis in het autistisch spectrum. Dwangklachten en onaangepaste denk- en gedragspatronen worden als secundair aan deze ASS gezien.
Ook ten tijde van het ten laste gelegde was sprake van deze problematiek. Ondergetekende heeft niet kunnen vaststellen of en hoe de gevonden stoornis een relevante en sturende invloed heeft gehad op gedrag(skeuzes) van betrokkene ten tijde van het ten laste gelegde.
Gewelddadig gedrag in de toekomst kan niet uitgesloten worden. Ingeschat wordt dat risico’s toenemen naarmate frustraties bij betrokkene oplopen.
Het geringe ziekte-inzicht van betrokkene, in combinatie met de ASS, lijken hierbij de grootste rol te spelen.
Wanneer gekeken wordt naar de justitiële voorgeschiedenis van betrokkene en de anamnestische informatie komt naar voren dat er telkens sprake is van langdurende conflicten tussen betrokkene en de omgeving, die een aantal keren hebben geleid tot justitiële contacten vanwege bedreigingen en mishandelingen die betrokkene gepleegd heeft.
Aangezien niet geduid kan worden of en hoe de gevonden stoornis in het ten laste gelegde heeft doorgewerkt wil ondergetekende zich onthouden van straf- of maatregeladvies.

Wel wordt vanuit gedragsdeskundig perspectief aanbevolen een aan betrokkene op te leggen straf ten uitvoer te leggen in een penitentiair psychiatrisch centrum, zodat in de bejegening van betrokkene rekening kan worden gehouden met zijn beperkingen.

In het rapport van L. van Braeckel, psychiater, van 16 juni 2014 is onder meer het navolgende gesteld:

Betrokkene lijdt aan een pervasieve ontwikkelingsstoornis niet anderszins omschreven.
Ondanks dat de pervasieve ontwikkelingsstoornis aanwezig was ten tijde van het ten laste gelegde, en ondanks dat deze stoornis steeds van invloed kan zijn op het begrijpen van en het reageren in sociale situaties, is het voor ondergetekende niet duidelijk dat, en zo ja, hoe de beperkingen, voortvloeiend uit de psychische stoornis, de gedragskeuzes van betrokkene ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloed hebben. Ondergetekende zal zich onthouden van een advies ten aanzien van een juridisch kader.
De preventie van recidive en de bevordering van een gunstige ontwikkeling van verdachte kan gebaat zijn bij een behandeling die zich toespitst op de pervasieve ontwikkelingsstoornis. Betrokkene is weinig gemotiveerd tot behandeling.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en stelt vast dat zij geen advies kunnen geven.

Alhoewel het verband tussen de stoornis en het gedrag van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde voor de gedragsdeskundigen niet duidelijk is, overweegt de rechtbank dat uit het dossier naar voren komt dat bij verdachte ten tijde van het delict maar ook daaraan voorafgaand veel problemen bestonden. Zij acht aannemelijk dat de invloed van de stoornis op het plegen van het delict niet kan worden uitgesloten.

Verdachte is een kwetsbare persoon die jarenlang is getergd en getreiterd, ook door het slachtoffer van het onderhavige delict.
Bij de strafoplegging houdt zij met het voorgaande rekening in het voordeel van verdachte.

In het nadeel van verdachte heeft de rechtbank gelet op de berichten van de politie dat verdachte vaak agressie heeft uitgestraald, dat de kans op recidive op lange termijn in hernieuwd gewelddadig gedrag reëel aanwezig is, en dat verdachte in de onderhavige zaak op disproportionele wijze heeft gereageerd op het op zichzelf buitengewoon ongepaste gedrag van het slachtoffer.

De rechtbank overweegt dat op het plegen van een levensdelict niet anders kan worden gereageerd dan met een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Zij overweegt dat de eis van de officier van justitie geen recht doet aan het op gewelddadige wijze beëindigen van een zo jong mensenleven. Zij zal daarom een gevangenisstraf opleggen die boven de eis van de officier van justitie uitgaat maar aansluiting vindt bij straffen die in vergelijkbare gevallen zijn opgelegd. Zij sluit zich aan bij het advies dat de gevangenisstraf ten uitvoer wordt gelegd in een penitentiair psychiatrisch centrum, zodat de omgeving meer aangepast is aan de beperkingen van verdachte.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 16.300,38.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van het materiële deel van de vordering. Hij stelt dat de shockschade niet toewijsbaar is nu vaststelling daarvan door een psychiater ontbreekt. Wel acht hij immateriële schade aannemelijk en stelt deze naar redelijkheid en billijkheid vast op € 5.000,00.

De raadsman stelt, gelet op zijn standpunt ten aanzien van de rechtvaardings- en schulduitsluitingsgronden, dat de vordering dient te worden afgewezen. Mocht verdachte niet worden ontslagen van alle rechtsvervolging dan refereert de raadsman zich.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 7.300,38 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit ter zake van materiële schade en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde ter zake van materiële schade is tot € 7.300,38 voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

De gevorderde immateriële schade van € 9.000,00 kan niet worden toegewezen, nu deze bestaat uit shockschade. Dergelijke schadevergoeding kan alleen dan worden toegewezen als sprake is van een door de psychiatrie erkend ziektebeeld. Nu een duidelijke psychiatrische onderbouwing ontbreekt kan deze schade niet in rechte worden vastgesteld. De benadeelde partij zal voor dat deel, als onevenredig belastend voor het strafgeding, niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan haar vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 24c, 27, 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair impliciet primair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair impliciet subsidiair: Doodslag;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 (negen) jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- geeft het advies dat de gevangenisstraf ten uitvoer zal worden gelegd in een penitentiair psychiatrisch centrum;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van

€ 7.300,38, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 1 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde [benadeelde] € 7.300,38 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 72 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Duinhof, voorzitter, mr. R.A. Borm en mr. J.B. Smits, rechters, in tegenwoordigheid van A.S. Heberlein-Guiran, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 1 september 2014.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt daarmee, tenzij anders vermeld, bedoeld het onderdeel van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL1930-2014013818 van Politie, Eenheid Zeeland-West-Brabant, divisie recherche, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 304. Proces-verbaal van bevindingen, pagina 56, alinea’s 3 en 4.

2 Proces-verbaal overlijdensonderzoek en lijkschouw, pagina 233, alinea 2.

3 Pathologie onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 254, A. Uitwendig en inwendig, sub 4.

4 Pathologie onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 257, 7. Conclusie.

5 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 249.

6 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 133

7 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 57, alinea 1.

8 Procesverbaal van bevindingen , pagina 137 en foto’s pagina 52 en 53.

9 Proces-verbaal verhoor getuige, pagina 143, laatste alinea, pagina 144, 2e paragraaf 1e alinea en pagina 149, 3e alinea.

10 Proces-verbaal verhoor getuige, pagina 144, 1e paragraaf, 1e alinea.

11 Verklaring van getuige [getuige 2], pagina’s 182 en 183

12 Proces-verbaal verhoor getuige, pagina 181, 1e antwoord.

13 Proces-verbaal verhoor getuige, pagina 182 laatste antwoord, pagina 183 1e, 2e en 3e antwoord.

14 Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina 34, alinea 6 t/m 12.

15 Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina 38 alinea 7.

16 Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina 34, alinea 12.

17 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 18 augustus 2014.