Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:6008

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
23-09-2014
Zaaknummer
3001962
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Proceskostenveroordeling
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Woningbouwvereniging vordert in kort geding ontruiming van een door haar verhuurde woning. Huurder maakt zich schuldig aan herhaalde en ernstige, soms ook gewelddadige, overlast. Ondanks dat toewijzing van een dergelijke vordering een diep ingrijpende maatregel is in het woonrecht van een huurder en in de praktijk vaak een definitief karakter heeft, acht de kantonrechter de vordering op zich toewijsbaar. Gebleken van is zodanige ernstige en structurele overlast en/of ernstige gevaarzetting dat van verhuurder niet gevergd kan worden dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. Nu de huurder inmiddels krachtens de BOPZ is ogenomen in een psychiatrische behandeling, moet het effect van de behandeling worden afgewacht. Ontruiming van de woning gaat daarom op dit moment te ver. Wel verbod aan huurder de woning gedurende drie maanden na betekening van het vonnis te betreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2014/139 met annotatie van mr. C.L.J.M. de Waal
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Sector kanton

Locatie Middelburg

zaak/rolnr.: 3001962/ VV 14-42

vonnis van de kantonrechter d.d. 14 mei 2014

inzake

de stichting

Stichting Woongoed Middelburg,

gevestigd te Middelburg,

eisende partij,

verder te noemen: Woongoed,

gemachtigde: mr. L.C. de Hoog,

t e g e n :

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in de instelling [X],

gedaagde partij,

verder te noemen: [gedaagde],

verschenen bij mr. E.S. van Aken.

Het verloop van de procedure

De procedure is als volgt verlopen:

- dagvaarding d.d. 18 april 2014,

- mondelinge behandeling d.d. 6 mei 2014.

De beoordeling van de zaak

1.

Woongoed verhuurt sinds 10 mei 2005 voor onbepaalde tijd aan [gedaagde] de woning aan het adres [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning). Het is een flatwoning. De omwonenden van [gedaagde] huren ook van Woongoed.

2.

In artikel 6.6. van de op de huurovereenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden staat – voor zover thans relevant – dat de huurder er zorg voor zal dragen dat aan omwonenden geen overlast of hinder wordt veroorzaakt.

3.

Bij brief van 16 maart 2011 schrijft Woongoed aan [gedaagde] dat er ernstige lekkage in zijn woning is geweest, doordat het binnenwerk van een radiatorkraan kapot is gegaan. De radiatorkraan is kapot gegaan door toedoen van [gedaagde] en Woongoed stelt hem

daarvoor aansprakelijk.

4.

In september 2012 ontvangt Woongoed van een omwonende van [gedaagde] een klacht over geluidsoverlast door [gedaagde]. Woongoed nodigt [gedaagde] bij brief van 27 september 2012 uit voor een gesprek op 3 oktober 2012 over de geluidsoverlast, maar [gedaagde] geeft aan die uitnodiging geen gehoor. Woongoed wijst [gedaagde] bij brief van 3 oktober 2012 op artikel 6.6. van de algemene voorwaarden.

5.

Op 10 oktober 2012 ontvangt Woongoed een mail van een omwonende van [gedaagde], die gewag doet van (geluids)overlast door [gedaagde] vanaf augustus 2012. Naar aanleiding van ontvangen klachten over geluidsoverlast is de politie op 2 november 2012 ter plaatse geweest en deze heeft geluidsoverlast vanuit de woning van [gedaagde] geconstateerd. Een en ander is weergegeven in een als productie 6 bij de dagvaarding in het geding gebracht mutatierapport. Woongoed deelt [gedaagde] bij brief van 5 november 2012 mede dat zij opnieuw klachten over overlast, veroorzaakt door [gedaagde]. heeft ontvangen en [gedaagde] wordt uitgenodigd voor een gesprek bij Woongoed op 14 november 2012. Ook aan die uitnodiging heeft [gedaagde] geen gehoor gegeven. Inmiddels had een omwonende bij brief van 12 november 2012 geklaagd over buurman [gedaagde]. Er is door toedoen [gedaagde] wederom een lekkage ontstaan en bovendien is regelmatig sprake van lawaai op tijden waarop dat niet is toegestaan. Woongoed spreekt [gedaagde] bij brief van 15 november 2012 op zijn gedrag aan, stelt hem in gebreke vanwege ontoelaatbare overlast en kondig een procedure bij de rechter tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst aan.

6.

Op 3 juli 2013 heeft een begeleider van [gedaagde] van de stichting Mee contact opgenomen met Woongoed. Deze begeleider heeft geconstateerd dat er iets mis was met de hoofdkraan van het gas in de woning van [gedaagde]. Deze had twee uitgangen waardoor er gas vrijkwam als het gas werd aangezet. De begeleider had het vermoeden dat [gedaagde] dit zelf zo had aangelegd. Woongoed heeft naar aanleiding van de melding de gaskraan direct laten herstellen.

7.

Op 14 januari 2014 heeft Woongoed weer een klacht ontvangen ter zake van overlast. De klager, een omwonende, meldt ook dat het niet goed gaat met [gedaagde].

8.

Op 1 april 2014 heeft er een incident plaatsgevonden in en rond de woning van [gedaagde] waarbij de politie is betrokken. [gedaagde] is vanwege zijn gedrag door een speciaal politieteam overmeesterd en overgebracht naar PI Torentijd. De gang van zaken op 1 april 2014 is weergegeven in het als productie 13 bij dagvaarding overgelegde politierapport, waarnaar de kantonrechter verwijst.

9.

De burgemeester van de gemeente [woonplaats] heeft [gedaagde] bij beschikking van 2 april 2014 in bewaring gesteld krachtens de Wet BOPZ. Bij beschikking van 7 april 2014 van team civiel recht van deze rechtbank is machtiging verleend tot voortzetting van de inbewaringstelling van [gedaagde] tot en met 28 april 2014. Op 28 april 2014, zo is de kantonrechter ambtshalve bekend, is bij de rechtbank ingekomen een verzoek voorlopige machtiging in aansluiting op voortzetting inbewaringstelling. Dit verzoek wordt, zo is bij de mondelinge behandeling gebleken, behandeld op 15 mei 2014.

10.

Woongoed vordert nu in kort geding [gedaagde] te verbieden om het gehuurde te betreden en zulks op verbeurte van een dwangsom. Tevens vordert Woongoed [gedaagde] te veroordelen de woning te verlaten en door derden te laten ontruimen met nevenvorderingen. Woongoed wijst er op er sprake is van ernstige gevaarzetting, welk gevaar zich inmiddels ook heeft verwezenlijkt. De omwonenden zijn bang van [gedaagde] en eisen van Woongoed er voor te zorgen dat [gedaagde] niet meer terugkeert naar de woning. [gedaagde] zorgt al geruime tijd voor overlast en gedraagt zich niet als goed huurder en handelt daarmee in strijd met de wet en algemene voorwaarden. [gedaagde] schiet ernstig te kort in het nakomen van de verplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst en Woongoed verwacht dan ook dat de bodemrechter de huurovereenkomst tussen partijen zal ontbinden.

11.

[gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen. Volgens hem heeft Woongoed geen (spoedeisend) belang bij haar vorderingen, gelet op het huidige verblijf van [gedaagde] in [X] en de te verwachten medische behandeling van [gedaagde].

12.

De kantonrechter overweegt als volgt. Anders dan [gedaagde] heeft betoogd, is de spoedeisendheid van de zaak voldoende aannemelijk geworden, vanwege het gestelde – in het bijzonder dat volgens Woongoed sprake is van een onhoudbare situatie voor de omwonenden – en het gevorderde. De omstandigheid dat [gedaagde] inmiddels vanaf 2 april 2014 in [X] verblijft, doet hier niet aan af. Bij het uitspreken van dit vonnis is het onzeker of de het hiervoor genoemde verzoek van de officier van justitie wordt toegewezen en, indien het wel wordt toegewezen, hoe het dan zit met verlof, etc. Bij de mondelinge behandeling op 6 mei 2014 is van een behandelplan niet gebleken.

13.

In kort geding is een vordering die er op neerkomt dat een huurder zijn woning niet meer mag betreden in beginsel slechts toewijsbaar is indien zich aan de zijde van een verhuurder bijzondere omstandigheden voordoen die zodanig zijn dat in redelijkheid niet van haar gevergd kan worden dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. De toewijzing van een dergelijke vordering is immers een diep ingrijpende maatregel in het woonrecht van een huurder en zal in de praktijk vaak een definitief karakter hebben. Voormelde bijzondere omstandigheden kunnen onder meer aanwezig zijn indien sprake is van ernstige en structurele overlast en/of ernstige gevaarzetting.

14.

Daarvan is in deze zaak sprake. De overlast, die heeft geleid tot de brieven van 3 oktober en 15 november 2012 zijn op zich niet door [gedaagde] bestreden. Ook is niet bestreden dat [gedaagde] op een gevaarlijke manier bezig is geweest met de gaskraan in de door hem gehuurde woning. De gemachtigde van [gedaagde] heeft bij de mondelinge behandeling nog verklaard dat de door Woongoed geconstateerde gedragingen van [gedaagde] geen aanleiding hebben gegeven aan Woongoed om “door te pakken”. Deze zienswijze is onjuist, gelet op de brief van Woongoed van 15 november 2012 waarbij een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst in het vooruitzicht wordt gesteld.

15.

Op 1 april 2014 heeft zich vervolgens een ernstig incident voorgedaan in en rond de woning van [gedaagde]. De ernstige en gevaarlijke situatie heeft geleid tot een fors optreden van de politie. Het is duidelijk dat dit incident grote onrust heeft veroorzaakt bij de omwonenden van [gedaagde] en dat zij de terugkeer van [gedaagde] vrezen, gelet op diens gevaarlijk en onvoorspelbaar gedrag. De kantonrechter is in dit kort geding van oordeel dat [gedaagde] met het incident op 1 april 2014 en de daarmee gepaard zijnde gevaarzetting, de overige incidenten en de waarschuwingen die [gedaagde] al heeft gekregen, ernstig te kort is geschoten al huurder.

16.

Er is echter meer aan de hand. Duidelijk is dat het gedrag van [gedaagde] mede wordt veroorzaakt door psychische problemen waarmee [gedaagde] kampt. Het verzoek tot verlenging van de inbewaringstelling is toegewezen, zodat de behandeld rechter in die zaak tot de conclusie is gekomen dat [gedaagde] lijdt aan een stoornis van de geestvermogens en een gevaar veroorzaakt dat niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. [gedaagde] verblijft inmiddels vanaf 2 april 2014 in [X]. Onduidelijk is thans of het verzoek tot een voorlopige machtiging tot verblijft van [gedaagde] in een psychiatrisch ziekenhuis wordt toegewezen en zo ja, voor welke duur. Ook is thans niet duidelijk wat de gevolgen zijn van de medische behandeling die [gedaagde] thans krijgt en nog zal ontvangen. Bij die behandeling kan ook aan de orde komen welke woonvorm het meest geschikt is voor [gedaagde]. Niet uitgesloten kan worden dat daarbij gekeken zal worden naar een vorm van beschermd wonen. Daarbij komt dat [gedaagde] de woning vanaf 2005 huurt en de eerste klachten over hem dateren uit begin 2011. Kennelijk heeft [gedaagde] zich als huurder jarenlang behoorlijk gedragen.

17.

Onder deze omstandigheden acht de kantonrechter de onverkorte toewijzing van de vorderingen van Woongoed op dit moment te ver gaan. Wel zal de kantonrechter de vordering [gedaagde] te verbieden de woning te betreden toewijzen voor de duur van drie maanden. Er ontstaat dan een rustperiode en na afloop van die periode zal meer duidelijkheid zijn over welke richting het met de behandeling van [gedaagde] opgaat en wat de situatie van [gedaagde] dan is. De overige vorderingen van Woongoed worden afgewezen.

18.

Nu partijen over en weer op enige punten in het ongelijk worden gesteld, zullen tussen hen de proceskosten worden verdeeld, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

De kantonrechter:

rechtdoende als voorzieningenrechter:

verbiedt [gedaagde] het gehuurde vanaf heden en voor de duur van drie maanden te betreden;

bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom van € 500,00 per dag verbeurt voor iedere dag, waarbij een gedeelte van een dag wordt gezien als een dag, dat [gedaagde] dit verbod overtreedt;

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Kool, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 mei 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

jdk