Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:5937

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-08-2014
Datum publicatie
16-07-2015
Zaaknummer
AWB 14_689 & AWB 14_685
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:2075, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bouwen Handhaven Schade

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 14/689 en BRE 14/685

uitspraak van 15 augustus 2014 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

1.

P.W.L.M. [naam eiser], te [woonplaats], eiser in de zaak met procedurenummer BRE 14/689, tevens derde partij in de zaak met procedurenummer BRE 14/685,

gemachtigde: mr. drs. C.R. Jansen,

2.

H.P. [naam eiser2], te [woonplaats], eiser in de zaak met procedurenummer BRE 14/685, tevens derde partij in de zaak met procedurenummer BRE 14/689,

gemachtigde: M.R.M. van Laarhoven,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drimmelen, verweerder.

In de zaak met procedurenummer BRE 14/685 heeft tevens [naam persoon1], wonende te [woonplaats], als derde partij deelgenomen aan de procedure.

Procesverloop

[naam eiser] en [naam eiser2] hebben beroep ingesteld tegen de besluiten van 24 december 2013 (bestreden besluiten) van het college inzake de toekenning van een tegemoetkoming in planschade aan [naam eiser2].

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 8 juli 2014. [naam eiser] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is [naam eiser2] in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.P.M. van Tiel. [naam persoon1] is niet verschenen.

Overwegingen

1.

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 12 augustus 2008 heeft het college met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling verleend aan [naam eiser] (het vrijstellingsbesluit) ten behoeve van de bouw van een woning op het perceel [adres1] te Made.

Op 26 januari 2012 heeft de gemeenteraad, op verzoek van [naam persoon1], het bestemmingsplan “Buitengebied, herziening Voorstraat ong.” vastgesteld (het bestemmingsplan). Het bestemmingsplan is in werking getreden en onherroepelijk geworden op 23 maart 2012. Op grond van het bestemmingsplan is het toegestaan op het perceel [adres2] een woning op te richten.

Zowel [naam eiser] als [naam persoon1] heeft met de gemeente Drimmelen een overeenkomst als bedoeld in artikel 6.4a van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) gesloten, op grond waarvan eventuele planschade voor zijn rekening komt.

[naam eiser2] is sinds 25 januari 1996 eigenaar van de woning aan de [adres3], welke tegenover de woningen aan de [adres1] en [adres2] is gelegen.

Op 17 oktober 2012 heeft [naam eiser2] bij het college een verzoek om toekenning van een tegemoetkoming in planschade ingediend in verband met het vrijstellingsbesluit en de vaststelling van het bestemmingsplan.

Het college heeft zich vervolgens tot de Stichting Adviesbureau voor Onroerende Zaken (SAOZ) gewend met het verzoek terzake advies uit te brengen. De SAOZ heeft op 19 april 2013 een conceptadvies uitgebracht. [naam eiser2], [naam eiser] en [naam persoon1] hebben op dit conceptadvies gereageerd, waarna de SAOZ in juni 2013 een definitief advies heeft uitgebracht.

Bij besluit van 25 juni 2013 (primair besluit) heeft het college, overeenkomstig het definitieve advies van de SAOZ, met toepassing van artikel 6.1 van de Wro aan [naam eiser2] een planschadevergoeding toegekend ter hoogte van € 8.100,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2012. Daarbij heeft het college overwogen dat van deze planschade een bedrag van € 2.900,00 het gevolg is van het vrijstellingsbesluit en een bedrag van € 5.2000,00 het gevolg is van het bestemmingsplan.

[naam eiser] en [naam eiser2] hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van deze bezwaren heeft de SAOZ op 1 oktober 2013 nader advies uitgebracht.

Bij de bestreden besluiten heeft het college de bezwaren van [naam eiser] en [naam eiser2], overeenkomstig de adviezen van de Commissie voor de bezwaarschriften, ongegrond verklaard. In het bestreden besluit ten aanzien van [naam eiser] is daarbij de motivering van het primaire besluit aangevuld.

2.

[naam eiser] voert in beroep aan dat hij zich niet kan vinden in de door de SAOZ gehanteerde kortingsmethode waarmee de omvang van het normaal maatschappelijk risico is bepaald. Onder verwijzing naar de contra-expertise van TOG Nederland van 22 januari 2014 stelt [naam eiser] dat de gehele schade van [naam eiser2] die ten laste komt van [naam eiser], tot het normaal maatschappelijk risico behoort. Deze planologische ontwikkeling lag in de lijn der verwachting, nu in de gemeentelijke Ruimte-voor-Ruimte-regeling de [adres1] is aangewezen als zoekgebied. Gelet op het voorgaande heeft het college zich ten onrechte, in navolging van de SAOZ, op het standpunt gesteld dat er sprake is van vergoedbare schade.

3.

Ten aanzien van de schade als gevolg van het vrijstellingsbesluit voert [naam eiser2] aan dat aan de bestreden besluiten een onjuiste planologische vergelijking ten grondslag is gelegd. Zo had hierbij moeten worden uitgegaan van de maximale mogelijkheden die het vrijstellingsbesluit biedt, in plaats van van de meer beperkte mogelijkheden die de aan [naam eiser] verleende bouwvergunning biedt.

Daarnaast betoogt [naam eiser2] dat op basis van deze onjuiste vergelijking de inschatting van het voor hem optredend planologisch nadeel onjuist is. [naam eiser2] acht een waardedaling van zijn woning van 5 % aan de orde hetgeen, rekening houdend met het wettelijke normaal maatschappelijk risico van 2 %, neerkomt op een te vergoeden schade van € 15.150,00.

Ook ten aanzien van de schade als gevolg van de vaststelling van het bestemmingsplan voert [naam eiser2] aan dat een onjuiste planologische vergelijking is gemaakt. Zo is onduidelijk waarom de aan hem toegekende planschade in verband met de woning aan de [adres4] meer bedraagt dan onderhavige toegekende planschade, terwijl de woning aan de [adres4] ten opzichte van de woning van [naam eiser2] gunstiger is gesitueerd dan de woning aan de [adres2]. [naam eiser2] acht als gevolg van de wijziging van het bestemmingplan een waardedaling van zijn woning van 6 % aan de orde.

Tot slot betoogt [naam eiser2] onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 11 juli 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX1032) dat hem ten onrechte geen vergoeding in de kosten van juridische bijstand is verstrekt.

4.

Per 1 juli 2008 is de Wro in werking getreden en is de WRO ingetrokken.

In artikel 9.1.18, eerste lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening is bepaald dat het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wro van toepassing blijft ten aanzien van aanvragen om schadevergoeding ingevolge artikel 49 van de WRO die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet of die ingevolge artikel II, tweede en derde lid, van de wet van 8 juni 2005, Stb. 305, tot wijziging van de WRO, nog tot 1 september 2010 kunnen worden ingediend.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat artikel 6.2, tweede lid, van de Wro tot 1 september 2010 niet geldt voor aanvragen ingevolge artikel 6.1 van die wet om tegemoetkoming in schade die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is ontstaan.

Nu de aanvraag om tegemoetkoming in planschade van [naam eiser2] is ingediend na 1 juli 2008, te weten op 17 oktober 2012, zijn op grond van voornoemd overgangsrecht in onderhavige zaken de artikelen 6.1 en 6.2 van de Wro onverkort van toepassing.

Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

In artikel 6.1, tweede lid, onder a, van de Wro is bepaald dat een oorzaak als bedoeld in het eerste lid is een bepaling van een bestemmingsplan of inpassingsplan, niet zijnde een bepaling als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, of van een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38.

In artikel 6.1, tweede lid, onder c, van de Wro is bepaald dat een oorzaak als bedoeld in het eerste lid tevens is een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

In artikel 9.1.10, tweede lid, van de Invoeringswet Wro is geregeld dat een op grond van artikel 19 van de WRO verleende vrijstelling wordt gelijkgesteld met een projectvrijstelling als bedoeld in artikel 3.10 van de Wro. Deze projectvrijstelling is in artikel 1.5, eerste lid van de Invoeringswet Wabo op zijn beurt weer gelijk gesteld met een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, aanhef en onder c, van de Wabo.

Op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wro blijft binnen het normale maatschappelijk risico vallende schade voor rekening van de aanvrager.

Ingevolge het tweede lid, onder b, van dit artikel blijft in ieder geval voor rekening van de aanvrager van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak, een gedeelte gelijk aan 2 % van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade.

Ingevolge artikel 6.5, aanhef en onder a, van de Wro, vergoedt het college, indien het een tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 6.1 toekent, daarbij tevens de redelijkerwijs gemaakte kosten van rechtsbijstand en andere deskundige bijstand.

Schade als gevolg van het vrijstellingsbesluit

5.

Het college heeft bij de beoordeling van het verzoek om tegemoetkoming in planschade van [naam eiser2], advies ingewonnen bij de SAOZ en deze adviezen aan de bestreden besluiten ten grondslag heeft gelegd. Op grond van vaste rechtspraak van de AbRS (zie de uitspraak van 30 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1531) kan een dergelijk deskundigenoordeel dat aan de besluitvorming ten grondslag is gelegd, door de rechter slechts terughoudend worden getoetst. De maatstaf bij de te verrichten toetsing is niet de eigen waardering door de rechter, maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat het college, gelet op de motivering van het advies, zich bij de besluitvorming in redelijkheid op dat deskundigenoordeel heeft kunnen baseren. Dit laat onverlet dat de besluitvorming dient te voldoen aan de eisen die door het recht aan met name de zorgvuldigheid en de motivering worden gesteld en dat de rechter de besluitvorming daaraan dient te toetsen.

Onjuiste planologische vergelijking

6.

Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts ingeval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken.

7.

De rechtbank volgt [naam eiser2] niet in zijn betoog dat aan de bestreden besluiten een onjuiste planologische vergelijking ten grondslag is gelegd. Daartoe overweegt de rechtbank dat de vrijstelling is verleend met het oog op dit bouwplan, zodat deze bouwmogelijkheden moeten worden betrokken bij beantwoording van de vraag welke schade [naam eiser2] heeft geleden als gevolg van het vrijstellingsbesluit. Bij de planologische vergelijking moeten het vrijstellingsbesluit en de bouwvergunning om die reden in onderlinge samenhang worden bezien. De rechtbank ziet derhalve geen grond voor het oordeel dat bij de planologische vergelijking onvoldoende bouwmogelijkheden zijn betrokken. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Waardedaling

8.

De rechtbank volgt [naam eiser2] evenmin in zijn betoog dat bij de bepaling van het voor hem optredend planologisch nadeel uitgegaan dient te worden van een waardedaling van zijn woning van 5 %. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit de rechtspraak blijkt dat de categorisering van geleden nadeel waarnaar [naam eiser2] in zijn beroepschrift verwijst, voor zover daarvan in voorkomende gevallen gebruik is gemaakt, werd gehanteerd als richtlijn. Dat blijkt onder meer uit het feit dat bij elke categorie de waardevermindering is uitgedrukt in een bandbreedte aan percentages. Daarmee geeft een indeling in een bepaalde categorie geen uitsluitsel over de exacte omvang van het geleden nadeel. Na indeling in een bepaalde categorie zal derhalve telkens uit de omstandigheden van dat concrete geval nader moeten blijken welk specifiek percentage in die situatie aan de orde is.

In het onderhavige geval heeft [naam eiser2] op geen enkele wijze onderbouwd, waarom een waardedaling van 5 % aan de orde zou zijn. Zelfs indien [naam eiser2] derhalve gevolgd zou moeten worden in zijn betoog dat het door hem geleden nadeel moet worden ingedeeld in de categorie ‘zwaar planologisch nadeel’, hetgeen de rechtbank hier uitdrukkelijk in het midden laat, volgt daaruit niet dat het geleden planologisch nadeel 5 % van de waarde van zijn woning bedraagt.

Gelet hierop ziet de rechtbank in hetgeen [naam eiser2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college, gelet op de motivering van het advies van de SAOZ, zich bij de besluitvorming niet in redelijkheid op dit deskundigenoordeel heeft kunnen baseren. Het college mocht derhalve uitgaan van een waardedaling van € 13.000,00, circa 2,6 % van de waarde van de woning van [naam eiser2], zoals door de SAOZ is becijferd.

Normaal maatschappelijk risico

9.

Artikel 6.1, eerste lid, van de Wro heeft betrekking op een tegemoetkoming in schade. Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, van de Wro blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van dat artikel (Kamerstukken II 2002-2003, 28 916, nr. 3, blz. 63) valt af te leiden dat alleen die schade wordt vergoed welke uitkomt boven de financiële nadelen die behoren tot het maatschappelijke risico dat elke burger behoort te dragen en dat het normale maatschappelijke risico, dat met zoveel woorden in de wet is vastgelegd, moet worden betrokken bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding. Dat ingevolge het tweede lid onder b in ieder geval 2 % van de waarde van de onroerende zaak voor rekening blijft van de aanvrager van schadevergoeding voor een waardevermindering van een onroerende zaak, betekent niet dat het normale maatschappelijke risico niet meer zou kunnen bedragen dan 2 % van de waarde van de onroerende zaak.

10.

De SAOZ heeft in zijn adviezen het normaal maatschappelijk risico van [naam eiser2] bepaald aan de hand van de zogenoemde kortingsmethode. Anders dan [naam eiser] heeft betoogd ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze methode ongeschikt zou zijn voor het bepalen van het normaal maatschappelijk risico. Zoals blijkt uit de uitspraak van de AbRS van 26 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:598 is het hanteren van voornoemde kortingsmethode door de AbRS geaccepteerd.

11.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het advies van de SAOZ voor wat betreft de bepaling van het normaal maatschappelijk risico door middel van toepassing van de kortingsmethode, dusdanige gebreken vertoont dat het college zich in redelijkheid niet op dit advies heeft mogen baseren. In dat kader overweegt de rechtbank als volgt.

12.

Op grond van vaste rechtspraak van de AbRS (zie de tussenuitspraak van 5 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX6492) moet de vraag of schade als gevolg van een planologische ontwikkeling als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro, tot het normale maatschappelijke risico behoort, worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de benadeelde rekening had kunnen houden in die zin dat de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop de ontwikkeling zich zou voordoen. In dit verband komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gevoerde planologische beleid past. Omstandigheden die verder van belang kunnen zijn, zijn de afstand van de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden tot de onroerende zaak van de aanvrager en de aard en de omvang van het door de ontwikkeling veroorzaakte nadeel.

De SAOZ heeft in zijn nadere advies van 1 oktober 2013, dat het college ten grondslag heeft gelegd aan de bestreden besluiten, geconcludeerd dat een korting moet worden toegepast van 75% op het schadebedrag. Daarbij weegt de SAOZ in het nadeel van [naam eiser2] mee dat de vrijstelling ten behoeve van de woning aan de [adres1] moet worden aangemerkt als een normale maatschappelijke ontwikkeling die in de lijn der verwachting lag en dat deze woning past in de oorspronkelijke stedenbouwkundige structuur. In het voordeel van [naam eiser2] weegt de SAOZ mee dat de woning op korte afstand van de woning van [naam eiser2] is geprojecteerd in het zicht van [naam eiser2], waardoor er een duidelijk nadelig effect uitgaat op het woon- en leefklimaat van [naam eiser2]. Tot slot weegt de SAOZ in het voordeel van [naam eiser2] mee dat het gehele schadebedrag van € 13.000,-, te weten circa 2,6 % van de waarde van de woning van [naam eiser2], niet gering is. Gelet hierop komt [naam eiser2] in beginsel in aanmerking voor een tegemoetkoming in planschade van € 3.250,00 (25 % van € 13.000,00).
Nu echter het deel van het becijferde schadebedrag dat behoort tot het normale maatschappelijke risico (75 % van € 13.000,00 = € 9.750,00) lager is dan het wettelijke normale maatschappelijke risico van 2 % van de waarde van de woning van [naam eiser2] (2 % van € 505.000,00 = € 10.100,00), komt niet de volledige € 3.250,00 voor vergoeding in aanmerking. Rekening houdend met voornoemde 2 % komt de SAOZ tot de conclusie dat [naam eiser2] in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in planschade van € 2.900,00.

In hetgeen [naam eiser] en [naam eiser2] hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het college de SAOZ in redelijkheid niet heeft mogen volgen in voorgaande overweging. Daarbij is van belang dat de rechtbank, zoals hiervoor onder 5 is overwogen, het deskundigenoordeel van de SAOZ slechts terughoudend kan toetsen. De SAOZ heeft alle omstandigheden van het geval bij zijn deskundigenoordeel betrokken en daaraan het gewicht mogen toekennen dat zij hieraan heeft toegekend.
Anders dan [naam eiser2] heeft betoogd mocht de SAOZ uit de gemeentelijke Ruimte-voor-Ruimte-regeling afleiden dat de komst van woningen aan de [adres1] en [adres2] in de lijn der verwachting lag. Daarvoor acht de rechtbank voldoende dat de [adres1] onderdeel uitmaakt van een in de Ruimte-voor-Ruimte-regeling aangewezen zoekgebied. Zoals blijkt uit de hiervoor aangehaalde rechtspraak van de AbRS is daarvoor immers niet vereist dat er concreet zicht bestond op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop de ontwikkeling zich zou voordoen.
De door [naam eiser] gemaakte vergelijking met de uitspraken van de AbRS van 10 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:201) en 28 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:875) gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op, nu geen sprake is van vergelijkbare situaties. Zoals hiervoor is overwogen zijn voor de bepaling van het normale maatschappelijke risico de concrete omstandigheden van dit geval doorslaggevend.

13.

Gelet op het voorgaande kan hetgeen [naam eiser] en [naam eiser2] hebben aangevoerd tegen de bestreden besluiten niet leiden tot vernietiging daarvan. Voor het inschakelen van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak zoals door [naam eiser2] in zijn beroepschrift is verzocht, ziet de rechtbank geen aanleiding.

Schade als gevolg van het bestemmingsplan

Onjuiste planologische vergelijking

14.

[naam eiser2] heeft zich in beroep ook ten aanzien van de schade als gevolg van het gewijzigde bestemmingsplan op het standpunt gesteld dat een onjuiste planologische vergelijking is gemaakt. De rechtbank volgt [naam eiser2] hierin niet. Zoals hiervoor onder 6 is overwogen wordt bij een verzoek om tegemoetkoming in planschade uitsluitend beoordeeld of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en of deze ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Nu het perceel [adres4] geen onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan, dient dit perceel bij de planologische vergelijking buiten beschouwing te blijven.

Voor zover deze beroepsgrond moet worden opgevat als een beroep op het gelijkheidsbeginsel, overweegt de rechtbank dat reeds vanwege de verschillen in situering van de woningen aan de [adres4] en de [adres2] geen sprake is van gelijke gevallen. Ook in zoverre kan deze beroepsgrond niet slagen.

Waardedaling

15.

De rechtbank volgt [naam eiser2] evenmin in zijn betoog dat als gevolg van de wijziging van het bestemmingplan een waardedaling van zijn woning van 6 % aan de orde is. Zoals hiervoor onder 8 is overwogen, betreft de door [naam eiser2] genoemde categorisering uitsluitend een grove indeling van geleden planologisch nadeel. Daar komt bij dat [naam eiser2] ook ten aanzien van dit planologisch nadeel op geen enkele wijze heeft onderbouwd waarom een waardedaling van 6 % aan de orde zou zijn. Ook voor deze beroepsgrond geldt derhalve dat de rechtbank in hetgeen [naam eiser2] heeft aangevoerd geen aanleiding ziet voor het oordeel dat het college, gelet op de motivering van het advies van de SAOZ, zich bij de besluitvorming niet in redelijkheid op dit deskundigenoordeel heeft kunnen baseren. Het college mocht derhalve uitgaan van een waardedaling van € 14.000,00, circa 3,2 % van de waarde van de woning van [naam eiser2], zoals door de SAOZ is becijferd.

Vergoeding kosten indienen zienswijze

16.

Met [naam eiser2] is de rechtbank evenwel van oordeel dat het college hem ten onrechte geen vergoeding in de kosten van juridische bijstand heeft verstrekt. Daartoe overweegt de rechtbank dat onder meer uit de uitspraak van de AbRS van 11 juli 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX1032) volgt, dat bij de toepassing van artikel 6.5, aanhef en onder a, van de Wro onder redelijkerwijs gemaakte kosten weliswaar niet dient te worden verstaan de kosten die de aanvrager met betrekking tot de indiening van de aanvraag heeft gemaakt, maar wel de kosten die de aanvrager maakt vanaf het moment dat de door het college ingeschakelde deskundige een conceptadvies dan wel advies over de aanvraag aan het college heeft uitgebracht tot het moment dat het college op de aanvraag een besluit heeft genomen waartegen rechtsmiddelen kunnen worden ingesteld. Van dergelijke kosten is in het onderhavige geval sprake, nu [naam eiser2] verzoekt om vergoeding van de door hem gemaakte kosten in verband met het indienen van zijn zienswijze tegen het conceptadvies van de SAOZ. Uit voornoemde rechtspraak volgt dat, anders dan het college heeft betoogd, daarbij niet van belang is of deze zienswijze heeft geleid tot aanpassing van het conceptadvies van de SAOZ.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van [naam eiser2] ter zitting toegelicht dat hij in verband met het opstellen en indienen van de zienswijze circa 4,5 uur bij [naam eiser2] in rekening heeft gebracht, tegen een tarief van € 90,00 per uur. Naar het oordeel van de rechtbank moeten deze kosten worden aangemerkt als redelijke en redelijkerwijs gemaakte kosten, welke op grond van artikel 6.5, aanhef en onder a, van de Wro voor vergoeding in aanmerking komen. Deze beroepsgrond slaagt.

Conclusie

17.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep van [naam eiser] ongegrond verklaren. Onder die omstandigheden bestaat er geen aanleiding het college te veroordelen in de door [naam eiser] gemaakte proceskosten. Evenmin bestaat er aanleiding [naam eiser] te veroordelen in de door het college of [naam eiser2], als derde partij, gemaakte proceskosten. Uitsluitend in zeer uitzonderlijke gevallen kan er aanleiding bestaan een natuurlijke persoon te veroordelen in de door een andere partij gemaakte proceskosten. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank niet gebleken.

18.

De rechtbank zal het beroep van [naam eiser2] gegrond verklaren en het bestreden besluit in de zaak met procedurenummer BRE 14/689 vernietigen voor zover daarbij aan [naam eiser2] geen vergoeding is toegekend in verband met de door [naam eiser2] gemaakte kosten van rechtsbijstand. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien in die zin dat zij de hoogte van deze kostenvergoeding zal bepalen op € 405,00 (4,5 uur x € 90,00).

Nu het beroep van [naam eiser2] gegrond wordt verklaard, zal het college het griffierecht aan [naam eiser2] moeten vergoeden. Tevens zal de rechtbank het college veroordelen in de door [naam eiser2] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487, en wegingsfactor 1.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep van [naam eiser] in de zaak met procedurenummer BRE 14/689 ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep van [naam eiser2] in de zaak met procedurenummer BRE 14/685 gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit in de zaak met procedurenummer BRE 14/685 voor zover daarbij geen kostenvergoeding aan [naam eiser2] is toegekend;

  • -

    draagt het college op tot betaling aan [naam eiser2] van een kostenvergoeding ten bedrage van € 405,00;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van voornoemd bestreden besluit;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 160,00 aan [naam eiser2] te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van [naam eiser2] tot een bedrag van € 974,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, rechter, in aanwezigheid van P.A.C. Balemans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.