Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:5798

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-08-2014
Datum publicatie
26-01-2015
Zaaknummer
AWB 13_5906 & AWB 13_5907 & AWB 13_5908 & AWB 13_7109 & AWB 13_7110
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:2441, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wob. Vergaarplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 13/5906, BRE 13/5907, BRE 13/5908, BRE 13/7109, BRE 13/7110, BRE 13/7113, BRE 13/7114, BRE 13/7117, BRE 13/7118, BRE 13/7119, BRE 13/7120, BRE 13/7127, BRE 13/7129, BRE 13/7130, BRE 13/7131, BRE 13/7137, BRE 14/105, BRE 14/109 en BRE 14/110

uitspraak van 4 augustus 2014 van de meervoudige kamer in de zaken tussen

1.

de besloten vennootschap[naam bedrijf1] B.V., te [vestigingsplaats], eiseres,

2.

de besloten vennootschap [naam bedrijf2] B.V., te [vestigingsplaats], eiseres,

gemachtigde: [naam gemachtigde1],

en

de minister van Veiligheid en Justitie (Centrale Verwerking Openbaar Ministerie; CVOM), verweerder.

Procesverloop in de zaken BRE 13/5906, BRE 13/5907, BRE 13/5908, BRE 14/105 en BRE 14/109

Bij beschikkingen met CJIB-nummers [CJIB-nummer1], [CJIB-nummer2], [CJIB-nummer3],
[CJIB-nummer4] en [CJIB-nummer5] (boetebeschikkingen) zijn aan eiseressen verkeersboetes opgelegd.

De gemachtigde van eiseressen heeft tegen deze boetebeschikkingen op 3 mei 2013, 24 april 2013, 6 mei 2013 en 13 augustus 2013 administratief beroep ingesteld. In deze brieven is telkens, onder verwijzing naar de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), ook gevraagd om openbaarmaking van alle documenten met betrekking tot de boetebeschikkingen, waaronder het brondocument, de akte van beëdiging, de akte van aanstelling en het zaakoverzicht (Wob-verzoeken).

Bij besluiten van 30 mei 2013, kenmerk[kenmerk1], 21 mei 2013, kenmerk [kenmerk2], 21 mei 2013, kenmerk [kenmerk3], 2 juli 2013, kenmerk [kenmerk4] en 22 augustus 2013, kenmerk [kenmerk5] (primaire besluiten) heeft de CVOM op de Wob-verzoeken beslist en telkens het zaakoverzicht verstrekt. Daarnaast is ook aangegeven dat in de Wob-verzoeken wordt gevraagd om documenten die niet in het bezit zijn van de CVOM. De Wob-verzoeken zijn daarom doorgestuurd naar de diverse opsporingsinstanties: de KLPD, de politie Midden-en West-Brabant, de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond en het Verkeershandhavingsteam.

Eiseressen hebben afzonderlijk bezwaar gemaakt tegen de aan hen gerichte primaire besluiten.

Bij brieven van 23 augustus 2013, 15 augustus 2013, 26 september 2013, 15 november 2013 en 16 november 2013 hebben eiseressen de CVOM meegedeeld dat de termijn om te beslissen op de bezwaarschriften inmiddels is verstreken. Zij hebben de CVOM vervolgens verzocht om binnen twee weken een beslissing te nemen.

Op 30 oktober 2013 en 8 januari 2014 hebben eiseressen beroep ingesteld tegen het niet (tijdig) nemen van een beslissing op de bezwaren van eiseressen.

Bij besluiten van 7 november 2013, 29 oktober 2013, 3 januari 2014 en 10 januari 2014 (bestreden besluiten) heeft de CVOM alsnog beslist op de bezwaren van eiseressen en de bezwaren kennelijk ongegrond verklaard.

Gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de beroepen tegen het niet tijdig nemen van besluiten op de bezwaren van eiseressen geacht mede te zijn gericht tegen voornoemde bestreden besluiten.

Op 14 december 2013, 10 december 2013, 10 februari 2014 en 14 februari 2014 hebben eiseressen in alle zaken, behalve in de zaak BRE 14/105, bij de CVOM bezwaar gemaakt tegen het in de bestreden besluiten niet toekennen van dwangsommen wegens het niet tijdig beslissen. Gelet op artikel 4:19, eerste lid, van de Awb worden deze bezwaarschriften meegenomen bij de beoordeling van de beroepen.

Procesverloop in de zaken BRE 13/7109, BRE 13/7110, BRE 13/7113, BRE 13/7114, BRE 13/7117, BRE 13/7118, BRE 13/7119, BRE 13/7120, BRE 13/7127, BRE 13/7129, BRE 13/7130, BRE 13/7131 en BRE 13/7137

Bij beschikkingen met CJIB-nummers [CJIB-nummer6], [CJIB-nummer7],[CJIB-nummer8], [CJIB-nummer9], [CJIB-nummer10], [CJIB-nummer11], [CJIB-nummer12], [CJIB-nummer13], [CJIB-nummer14], [CJIB-nummer15], [CJIB-nummer16], [CJIB-nummer17] en [CJIB-nummer18] (boetebeschikkingen) zijn aan eiseressen verkeersboetes opgelegd.

De gemachtigde van eiseressen heeft tegen deze boetebeschikkingen op 19 april 2013, 10 april 2013, 15 mei 2013, 8 mei 2013, 11 april 2013, 14 mei 2013, 26 april 2013,
17 mei 2013, 31 mei 2013 en 4 juni 2013 administratief beroep ingesteld. In deze brieven is telkens, onder verwijzing naar de Wob, ook gevraagd om openbaarmaking van alle documenten met betrekking tot de boetebeschikkingen, waaronder het brondocument, de akte van beëdiging, de akte van aanstelling en het zaakoverzicht
(Wob-verzoeken).

Bij besluiten van 15 mei 2013, kenmerk[kenmerk6], 15 mei 2013, kenmerk [kenmerk7], 10 juni 2013, kenmerk [kenmerk8], 3 juni 2013, kenmerk [kenmerk9], 14 mei 2013, kenmerk [kenmerk10], 5 juni 2013, kenmerk [kenmerk11], 28 mei 2013, kenmerk [kenmerk12], 28 mei 2013, kenmerk [kenmerk13], 18 juni 2013, kenmerk [kenmerk14], 6 juni 2013, kenmerk [kenmerk15], 5 juni 2013, kenmerk [kenmerk16], 12 juni 2013, kenmerk [kenmerk17] en 3 juli 2013, kenmerk [kenmerk18] (primaire besluiten) heeft de CVOM op de Wob-verzoeken beslist en telkens het zaakoverzicht verstrekt. Daarnaast is ook aangegeven dat in de Wob-verzoeken wordt gevraagd om documenten die niet in het bezit zijn van de CVOM. De Wob-verzoeken zijn daarom doorgestuurd naar de diverse opsporingsinstanties: het KLPD, de politie Midden-en West-Brabant, de politie Amsterdam-Amstelland, de politie Gelderland-Zuid, de politie Brabant Zuid-Oost en de politie Zeeland.

Eiseressen hebben afzonderlijk bezwaar gemaakt tegen de aan hen gerichte primaire besluiten.

Bij brieven van 15 augustus 2013, 3 september 2013, 29 augustus 2013, 20 augustus 2013, 28 augustus 2013, 11 september 2013, 30 augustus 2013 en 5 juli 2013 hebben eiseressen in alle zaken, behalve in de zaken BRE 13/7131 en BRE 13/7137, de CVOM meegedeeld dat de termijn om te beslissen op de bezwaarschriften inmiddels is verstreken. Zij hebben de CVOM vervolgens verzocht om binnen twee weken een beslissing te nemen.

Bij besluiten van 24 oktober 2013, 25 oktober 2013, 4 november 2013, 5 november 2013, 31 oktober 2013, 15 november 2013, 19 november 2013 en 25 november 2013 (bestreden besluiten) heeft de CVOM beslist op de bezwaren van eiseressen en de bezwaren kennelijk ongegrond verklaard.

Op 5 december 2013, 6 december 2013, 20 december 2013, 14 december 2013, 27 december 2013 en 31 december 2013 hebben eiseressen in alle zaken, behalve in de zaak BRE 13/7137, bij de CVOM bezwaar gemaakt tegen het in de bestreden besluiten niet toekennen van dwangsommen wegens het niet tijdig beslissen. Gelet op artikel 4:19, eerste lid, van de Awb worden deze bezwaarschriften – voor zover beschikkingen tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom waren genomen – meegenomen bij de beoordeling van de beroepen.

Procesverloop in de zaak BRE 14/110

Bij beschikking met CJIB-nummer [CJIB-nummer19] (boetebeschikking) is aan eiseres sub 2 een verkeersboete opgelegd.

De gemachtigde van eiseres sub 2 heeft tegen deze boetebeschikking op 7 mei 2013 administratief beroep ingesteld. In deze brief is, onder verwijzing naar de Wob, ook gevraagd om openbaarmaking van alle documenten met betrekking tot de boetebeschikking, waaronder het brondocument, de akte van beëdiging, de akte van aanstelling en het zaakoverzicht (Wob-verzoek).

Bij besluit van 3 september 2013, kenmerk [kenmerk19] (primair besluit) heeft de CVOM op het Wob-verzoek beslist en het zaakoverzicht verstrekt. Daarnaast is ook aangegeven dat in het Wob-verzoek wordt gevraagd om documenten die niet in het bezit zijn van de CVOM.
Het Wob-verzoek is daarom doorgestuurd naar de opsporingsinstantie, te weten de KLPD.

Eiseres sub 2 heeft op 14 oktober 2013 bezwaar gemaakt tegen voornoemd primair besluit.

Bij brief van 2 januari 2014 heeft de CVOM eiseres sub 2 verzocht het bezwaarschrift opnieuw toe te zenden aangezien dit bij de CVOM in het ongerede is geraakt.

Op 8 januari 2014 heeft eiseres sub 2 beroep ingesteld tegen het niet (tijdig) nemen van een beslissing op het bezwaar van eiseres sub 2.

Bij brief van 7 mei 2014 heeft de CVOM eiseres sub 2 bericht dat zij het bezwaar niet kan behandelen, aangezien eiseres sub 2 niet heeft gereageerd op de brief van 2 januari 2014.

Bij besluit van 4 juni 2014 (bestreden besluit) heeft de CVOM alsnog beslist op het bezwaar van eiseres sub 2 en het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

Gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb wordt het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van eiseres sub 2 geacht mede te zijn gericht tegen voornoemd bestreden besluit.

Het verdere procesverloop in alle zaken

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 5 juni 2014, gevoegd behandeld met de zaken BRE 13/4350, BRE 13/7123, BRE 14/108 en BRE 14/1252. Eiseressen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De CVOM heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger1] en [naam vertegenwoordiger2].

De rechtbank heeft ter zitting, met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Awb, het onderzoek geschorst teneinde de CVOM in de gelegenheid te stellen stukken te overleggen waaruit blijkt dat de door eiseressen verzochte stukken door de opsporingsinstanties zijn verstrekt. Op 12 juni 2014 heeft de CVOM van deze mogelijkheid gebruik gemaakt, waarna eiseressen op 1 juli 2014 schriftelijk op deze stukken hebben gereageerd.

Partijen hebben vervolgens op 17 juli 2014 de rechtbank toestemming verleend om zonder nadere zitting uitspraak te doen, waarna de rechtbank op 21 juli 2014 het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

1.

In de bestreden besluiten stelt de CVOM stelt zich, samengevat, op het volgende standpunt. Voor zover de Wob-verzoeken zagen op documenten waarover de CVOM niet beschikt, zijn de Wob-verzoeken doorgezonden naar de betreffende opsporingsinstanties. Deze doorzending betreft een feitelijke handeling waartegen geen bezwaar of beroep openstaat. Dit bezwaar treft daarom geen doel.

Verder rust in het kader van de Wob op de CVOM geen verplichting om documenten te vergaren die niet berusten bij de CVOM.

Tot slot heeft de CVOM aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegd dat nu de bezwaren kennelijk ongegrond moeten worden geacht, zij er vanaf heeft gezien eiseressen te horen. Om die reden komen eiseressen evenmin in aanmerking voor een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar, zodat in alle zaken – behalve de zaken BRE 13/7110, BRE 13/7117, BRE 13/7131, BRE 13/7137 en BRE 14/105 – is beslist dat geen dwangsom verschuldigd is.

2.

Eiseressen voert in beroep, kort samengevat, het volgende aan. Eiseressen hebben gevraagd om openbaarmaking van documenten aangaande vermeende verkeersovertredingen en de daarbij betrokken (opsporings)ambtenaren. Eiseressen voeren primair aan dat de CVOM de foto’s van de verkeersovertredingen rechtstreeks kan raadplegen via het [naam systeem]-systeem van de politie. Daarmee berust in ieder geval een deel van de gevraagde informatie bij de CVOM.

Subsidiair stellen eiseressen zich op het standpunt dat op grond van de wet en jurisprudentie dergelijke documenten zich onder de CVOM zouden moeten bevinden. Indien deze documenten niet bij de CVOM berusten, rust er op de CVOM een vergaarplicht. De CVOM had de Wob-verzoeken derhalve niet mogen doorsturen naar de diverse opsporingsinstanties. Eiseressen hebben verder aangevoerd dat de bezwaren ten onrechte kennelijk ongegrond zijn verklaard. De jurisprudentie geeft immers allesbehalve een eenduidig beeld ten aanzien van de vergaarplicht. Er is derhalve sprake van schending van de hoorplicht. Om die reden heeft de CVOM eveneens ten onrechte geweigerd dwangsommen toe te kennen in verband met het niet tijdig beslissen op de bezwaren van eiseressen.

3.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wob wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder ‘document’: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 4 van de Wob wordt, indien het verzoek betrekking heeft op gegevens in documenten die berusten bij een ander bestuursorgaan dan dat waarbij het verzoek is ingediend, de verzoeker zo nodig naar dat orgaan verwezen. Is het verzoek schriftelijk gedaan, dan wordt het doorgezonden onder mededeling van de doorzending aan de verzoeker.

In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.

In artikel 6:12, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, het niet aan een termijn gebonden is.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, én

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

In artikel 4:17, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is, doch ten hoogste 42 dagen.

In het vijfde lid van dit artikel is bepaald dat beroep tegen het niet tijdig geven van de beschikking de dwangsom niet opschort.

In artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Awb is bepaald dat geen dwangsom is verschuldigd indien de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.

In artikel 4:18 van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vaststelt binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was.

Op grond van artikel 7:14 van de Awb zijn de artikelen 4:17 en 4:18 van de Awb ook van toepassing op besluiten op bezwaar.

Ingevolge artikel 8:55c van de Awb stelt de rechtbank, indien het beroep gegrond is, desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast.

In artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is.

Misbruik van procesrecht

4.

In het verweerschrift heeft de CVOM erop gewezen dat de (proces)houding en handelwijze van de gemachtigde van eiseressen de grenzen van behoorlijkheid overschrijdt. Voor zover de CVOM daarmee beoogt te stellen dat misbruik wordt gemaakt van (proces)recht, zodat eiseressen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun beroepen, faalt die stelling. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Een dergelijk rechterlijk oordeel kan worden gegeven in het uitzonderlijke geval waarin een persoon kennelijk onredelijk gebruik maakt van het bestuurs(proces)recht, bijvoorbeeld omdat voor hem evident moest zijn dat het instellen van het rechtsmiddel kansloos was. Daarvan is hier geen sprake. Eiseressen maken gebruik van de hen op grond van de Wob en de Awb toekomende bevoegdheden. De Wob biedt geen mogelijkheid om openbaarmakingsverzoeken wegens misbruik van de Wob buiten behandeling te laten. Ook de Awb biedt deze mogelijkheid niet. Dat heeft de CVOM in de bestreden besluiten dan ook niet gedaan. De Awb kent evenmin een wettelijke bepaling op grond waarvan de CVOM geen dwangsom verschuldigd zou zijn, indien sprake is van misbruik van de dwangsomregeling. Daarmee kan in het midden blijven hoe de handelwijze van (de gemachtigde) van eiseressen moet worden gekwalificeerd.

Voorts kan misbruik van de bevoegdheid om beroep in te stellen worden aangenomen als, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van de bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad, aannemelijk is dat eiseressen in redelijkheid niet tot uitoefening van hun bevoegdheden hadden kunnen komen. Nu de laagdrempeligheid van het bestuursrecht steeds uitgangspunt dient te zijn en het aannemen van misbruik daarvan uitzondering, concludeert de rechtbank dat niet mag worden aangenomen dat eiseressen op zó een buitensporige wijze gebruik hebben gemaakt van hun wettelijke mogelijkheden om beroepschriften in te dienen, dat hen in de beroepszaken die thans aan de orde zijn misbruik van (proces)recht kan worden tegengeworpen.

Beroepen tegen de bestreden besluiten

Procesbelang ten tijde van de bestreden besluiten

5.

De CVOM heeft ter zitting betoogd dat eiseressen ten tijde van de bestreden besluiten geen belang meer hadden bij een beoordeling van hun bezwaren. De opsporingsinstanties hadden op dat moment de stukken waarop de Wob-verzoeken betrekking hadden, welke door de CVOM niet aan eiseressen waren verstrekt omdat deze niet bij haar berustten, reeds aan eiseressen verstrekt.

De rechtbank volgt de CVOM hierin niet. Eiseressen hebben de CVOM verzocht om openbaarmaking van de door hen gevraagde stukken. Met de openbaarmaking van het zaakoverzicht door de CVOM, de doorzending van het verzoek aan de betreffende opsporingsinstantie en toezending door die opsporingsinstantie van (een deel van) de gevraagde stukken, hebben zij niet gekregen waar zij om hebben gevraagd, namelijk openbaarmaking van alle stukken door de CVOM. Daargelaten derhalve of de opsporingsinstanties aan eiseressen ook alle stukken hebben verstrekt waar eiseressen om hebben verzocht, hetgeen eiseressen betwisten, bestaat er geen grond voor het oordeel dat eiseressen ten tijde van de bestreden besluiten geen procesbelang hadden bij een beoordeling van hun bezwaren. Daarbij komt dat eiseressen met het instellen van bezwaar (en beroep) onder meer duidelijkheid beogen te verkrijgen over de vraag of de gevraagde stukken al dan niet door de CVOM openbaar moeten worden gemaakt. Partijen verschillen hierover principieel van mening en zijn veelvuldig – hangende bezwaar en/of in beroep – met elkaar in debat over het antwoord op deze vraag. Ook na verstrekking van de gevraagde informatie door de opsporingsinstanties bestaat het belang van eiseressen bij deze beoordeling nog steeds. De CVOM is in de bestreden besluiten derhalve terecht uitgegaan van procesbelang aan de zijde van eiseressen.

Wob-verzoeken

6.

De rechtbank stelt vast dat eiseressen in de diverse brieven waarmee zij administratief beroep hebben ingesteld tegen de boetebeschikkingen, telkens ook hebben verzocht om de verstrekking van documenten over de verweten verkeersovertredingen.
Zij hebben daarbij expliciet en zonder voorbehoud gesteld dat de verzoeken worden gedaan in het kader van de Wob. In zoverre verschillen deze verzoeken dus van de informatie-verzoeken die hebben geleid tot de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 12 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:465), 9 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1199), 16 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1311) en 23 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1477). Een belang bij of doel van openbaarmaking behoeft niet te worden gesteld. De rechtbank is van oordeel dat onderhavige informatieverzoeken moeten worden aangemerkt als verzoeken om toepassing van artikel 3, eerste lid, van de Wob, en daarmee als aanvragen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Daarom moeten de primaire besluiten worden aangemerkt als beschikkingen in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wob en daarmee als beschikkingen in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb. Ook in zoverre zijn de bezwaren terecht ontvankelijk geacht.

Documenten berusten bij de CVOM

7.

De eis in de Wob dat het moet gaan om documenten die bij een bestuursorgaan berusten, betekent dat het betreffende document zich fysiek onder een bestuursorgaan moet bevinden. Een bestuursorgaan kan niet weigeren een document openbaar te maken, zonder onderzoek te hebben verricht naar het bestaan daarvan. Uit vaste jurisprudentie van de AbRS volgt dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat documenten niet of niet meer onder hem berusten en een dergelijke mededeling komt niet ongeloofwaardig voor, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat documenten toch onder het bestuursorgaan berusten (verwezen wordt naar de uitspraak van 2 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1376).

De CVOM stelt in de bestreden besluiten dat bij de CVOM slechts het zaakoverzicht berust, zowel ten tijde van de beslissingen op de Wob-verzoeken als ten tijde van de bestreden besluiten. Ter zitting heeft de CVOM toegelicht dat naar aanleiding van elk verzoek op grond van de Wob wordt onderzocht welke documenten in het betreffende geval onder de CVOM berusten. Dat onderzoek wordt naar aanleiding van een ingediend bezwaar ex nunc herhaald. De CVOM heeft bevestigd dat zij niet over meer stukken beschikt dan de documenten die al naar eiseressen zijn gestuurd. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen.

Eiseressen stellen zich op het standpunt dat de CVOM wel over de gevraagde gegevens beschikt. Om tot een deugdelijke boeteoplegging te komen, mag volgens eiseressen van de officier van justitie worden verwacht dat deze beschikt over de documenten die de grondslag van de boetebeschikkingen vormen. Eiseressen voeren ten slotte aan dat de CVOM de foto’s van verkeersovertredingen rechtstreeks kan raadplegen via het [naam systeem]-systeem van de politie.

De rechtbank overweegt dat eiseressen niet aannemelijk hebben gemaakt dat de CVOM in deze specifieke gevallen over meer documenten beschikte dan het zaakoverzicht. De omstandigheid dat (zoals eiseressen stellen) de CVOM toegang heeft tot een bepaald informatiesysteem van de politie, binnen welk systeem onder meer de foto’s van de verkeersovertredingen te raadplegen zijn, betekent niet dat de informatie (ook) fysiek bij de CVOM berust. Nog los van het feit dat de CVOM heeft toegelicht dat zij slechts onder strikte voorwaarden en voor specifieke doeleinden toegang heeft tot dat systeem, geeft het feit dat de CVOM de toegang dient te verkrijgen tot politiesystemen al aan dat die informatie zich dus elders bevindt. De informatie kan niet worden gegenereerd uit de eigen computersystemen, maar is opgeslagen op de server(s) van de politie. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eiseressen niet aannemelijk gemaakt dat de door haar gevraagde documenten in het bezit zijn van de CVOM.

Vergaarplicht

8.

Een bestuursorgaan heeft in beginsel niet de verplichting om de gevraagde informatie elders te vergaren. Dit is slechts anders wanneer het gaat om informatie die bij het bestuursorgaan behoort te berusten. Verwezen wordt naar de uitspraak van de AbRS van 19 maart 2009 (ECLI:NL:RVS:2008:BC7085).

Eiseressen stellen zich op het standpunt dat de gevraagde gegevens bij de CVOM behoren te berusten. Volgens eiseressen dient de CVOM te beschikken over de documenten die in het kader van de heroverweging noodzakelijk zijn om de juistheid van de opgelegde boete te beoordelen. Daar komt bij dat bij wet de taak tot het beheren van documentatie over opsporingsambtenaren bij de CVOM is neergelegd. Eiseressen hebben daarbij verwezen naar artikel 3 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv).

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen grond voor het oordeel dat de overige documenten onder de CVOM behoren te berusten. Zoals het gerechtshof te Leeuwarden heeft geoordeeld bij arrest van 21 april 2010 (ECLI:NL:GHLEE:2010:BN5774), schrijft geen wettelijke bepaling voor dat de gevraagde stukken deel uitmaken van het dossier. Daartoe bestaat in een Wahv-zaak slechts aanleiding indien redelijkerwijs twijfel bestaat over de aspecten waarop die informatie betrekking heeft. De vraag of de CVOM meer stukken nodig heeft dan het zaakoverzicht voor de beoordeling van de boetebeschikking in de Wahv-zaak, valt naar het oordeel van de rechtbank buiten het bestek van deze beroepsprocedure. Met de CVOM is de rechtbank van oordeel dat eiseressen dat in de te voeren Wahv-procedure aan de orde zullen kunnen stellen. De rechtbank is voorts van oordeel dat uit artikel 3 van de Wahv niet volgt dat de door eiseressen gevraagde documenten over opsporingsambtenaren bij de CVOM behoren te berusten. Op de CVOM rustte dan ook geen verplichting om de overige documenten te vergaren.

Kennelijk ongegrond

9.

De rechtbank volgt eiseressen evenmin in hun betoog dat de CVOM ten onrechte is uitgegaan van de kennelijke ongegrondheid van hun bezwaren. Een bezwaar is kennelijk ongegrond wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat het bezwaar ongegrond is en er over die conclusie redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is. Daarvan is in de onderhavige gevallen sprake. Weliswaar bestaat er in de lagere rechtspraak thans verschil van inzicht over het al dan niet bestaan van een vergaarplicht aan de zijde van de CVOM in gevallen als de onderhavige, de rechtspraak van de AbRS over de vergaarplicht is eenduidig en consistent. In die rechtspraak past het standpunt van de CVOM. Daar komt bij dat eiseressen en hun gemachtigde goed bekend zijn met de handelwijze en visie van de CVOM op dit punt en dat de standpunten over en weer duidelijk zijn. Van redelijke twijfel over de ongegrondheid van de bezwaren van eiseressen was derhalve geen sprake.

Gelet op het voorgaande heeft de CVOM in de bestreden besluiten eiseressen terecht
kennelijk ongegrond verklaard in hun bezwaren. Onder deze omstandigheden is van een

schending van de hoorplicht, gelet op het bepaalde in artikel 7:3 van de Awb, geen sprake en heeft de CVOM grond van artikel 4:17, zesde lid, en onder c, van de Awb in de betreffende zaken terecht geweigerd om de verschuldigdheid van een dwangsom vast te stellen.

10.

Gelet op het voorgaande kan hetgeen eiseressen hebben aangevoerd tegen de bestreden besluiten niet leiden tot vernietiging van deze besluiten. De beroepen gericht tegen de bestreden besluiten zijn derhalve ongegrond.

Beroepen tegen het niet tijdig beslissen

11.

Nu de rechtbank van oordeel is dat eiseressen geen aanspraak kunnen maken op dwangsommen in verband met het niet tijdig beslissen op haar bezwaren, ligt daarin geen belang bij een beoordeling over de vraag of de CVOM al dan niet tijdig op de bezwaren heeft beslist. Nu ook anderszins niet is gebleken van belang bij een beoordeling van de beroepen voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, dienen deze beroepen niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Er bestaat wel aanleiding de CVOM te veroordelen in de door eiseressen in verband met het instellen van de beroepen niet tijdig gemaakte proceskosten. Tevens dient de CVOM in deze zaken het griffierecht aan eiseressen te vergoeden.

Voor wat betreft voornoemde proceskosten gaat de rechtbank uit van 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 487,00. De wegingsfactor stelt de rechtbank op 0,25, nu geschillen met betrekking tot het uitblijven van een besluit, gelet op vaste jurisprudentie van de AbRS, als zeer licht moeten worden beschouwd. Verder is de rechtbank met de CVOM van oordeel dat sprake is van samenhangende zaken, zodat tevens een wegingsfactor van 1,5 aan de orde is.

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank voornoemde proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op in totaal € 182,63 (€ 487,00 x 0,25 x 1,5).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaren van eiseressen niet-ontvankelijk;

- verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond;

- draagt de CVOM op in de zaken BRE 13/5906, BRE 13/5907, BRE 13/5908, BRE 14/105, BRE 14/109 en BRE 12/110 het betaalde griffierecht van telkens € 160,00 aan eiseressen te vergoeden;

- veroordeelt de CVOM in de zaken BRE 13/5906, BRE 13/5907, BRE 13/5908, BRE 14/105, BRE 14/109 en BRE 12/110 in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van in totaal € 183,63.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.M. van Lanen, voorzitter, en mr. F.P.J. Schoonen en mr. S. Ketelaars-Mast, leden, in aanwezigheid van mr. W.J.C. Goorden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2014.

griffier voorzitter

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.