Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:5777

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-08-2014
Datum publicatie
15-08-2014
Zaaknummer
02/666367-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank spreekt verdachte vrij van het telen van hennep en diefstal van stroom, omdat zij van oordeel is dat het binnentreden – ongeacht de daartoe afgegeven machtiging – bij gebreke van feiten en omstandigheden die het aannemen van een redelijk vermoeden van schuld kunnen onderbouwen, onrechtmatig is en dat derhalve sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. De rechtbank zal de resultaten die uit het vormverzuim zijn verkregen, zijnde de in de woning gedane constateringen en de daaruit voortvloeiende onderzoekshandelingen, daarom uitsluiten van het bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/666367-13

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 augustus 2014

in de strafzaak tegen

[naam]

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsvrouw mr. Oomen, advocaat te Roosendaal

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 31 juli 2014, waarbij de officier van justitie, mr. Bezem, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, terzake dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 21 november 2012 tot en met 21 maart 2013 te Fijnaart, gemeente Moerdijk, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [straat] [nummer]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 267 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 21 november 2012 tot en met 21 maart 2013 te Fijnaart, gemeente Moerdijk, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een elektriciteitswerk (meterkast/[hoofd]aansluitkast) heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren)

onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het telen van hennep (feit 1). Hij baseert zich daarbij op de resultaten van de warmtemeting en de codammeting, het proces-verbaal waarin het aantreffen van de hennepkwekerij wordt gerelateerd, de resultaten van de bemonstering van de aangetroffen planten en ten slotte de bekennende verklaring van verdachte ter zitting. Ook de gekwalificeerde diefstal van electriciteit ( feit 2) acht de officier van justitie bewezen op grond van de aangifte door Enexis en de bekennende verklaring van verdachte ter zitting.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring van beide tenlastegelegde feiten kan komen, omdat verdachte deze feiten heeft bekend.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het dossier stelt de rechtbank het volgende vast.

Op vrijdag 8 maart 2013 kwam de melding dat een bestuurder van een auto zakken met hennepafval bij de milieustraat had weggezet. Het personeel had het kenteken van de auto opgeschreven en na onderzoek bleek dat dit kenteken op naam stond van [betrokkene], woonachtig op het adres [straat] [nummer] te Fijnaart.

Op 10 maart 2013 wordt door de verbalisant een handmatige warmtemeting verricht op het pand [straat] [nummer] (woning van genoemde [betrokkene]) te Fijnaart, waarbij als referentiepanden de woningen gelegen aan de [straat] [nummer], [nummer] en [nummer] te Fijnaart werden gebruikt. Tijdens deze warmtemeting werd op de achterzijde van het dak van de woning aan de [straat] [nummer] te Fijnaart een warmtebeeld vastgesteld. Door een fraude-inspecteur van Enexis is een codammeting geplaatst. Op basis van dit onderzoek werd de conclusie getrokken dat een hennepkwekerij stroom afneemt van het netwerk van Enexis. Vervolgens wordt op 21 maart 2013, nadat een machtiging tot binnentreden is afgegeven, de woning van verdachte aan de [straat] [nummer] door de politie betreden en wordt er een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen.

De rechtbank stelt op grond van bovenstaande allereerst vast dat het dossier niet vermeldt of de meting op pand [straat] [nummer] in Fijnaart positief was. Omdat er sprake is van panden die na de meting als referentiepanden worden gebruikt, gaat de rechtbank ervan uit dat de meting positief was.

Verder stelt de rechtbank vast dat er geen enkele relatie is te maken tussen de bewoners van de woningen gelegen aan de [straat] [nummer] en [straat] [nummer] te Fijnaart. Tevens blijkt niet uit het dossier hoe de woning gelegen aan de [straat] [nummer] in Fijnaart geografisch ligt ten opzichte van de woning aan de [straat] [nummer] in Fijnaart, zodat niet vastgesteld kan worden of deze woningen dicht bij elkaar liggen en daarmee ook niet hoe voor de hand liggend het is om de panden [nummer], [nummer] en [nummer] als referentiepand te gebruiken. Immers gebruikelijk is dat de panden gelegen naast het onderzochte pand daarvoor worden gebruikt, omdat daarmee het meest duidelijk de afwijking wordt aangetoond.

Ten slotte stelt de rechtbank vast dat in het proces-verbaal niet gerelateerd is op welk moment de codammeting is gedaan en op welk woonblok de codammeting is geplaatst, waardoor naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende vast staat dat pand nummer [nummer] tot het woonblok behoorde waarop de meting plaats vond of dat het gaat om een meting op een blok waartoe alleen nummer [nummer] behoorde. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank dan ook van oordeel dat het resultaat van de codammeting niet voor het bewijs gebruikt kan worden.

De rechtbank overweegt dat met het vorenstaande alleen de handmatige warmtemeting als aanwijzing voor de aanwezigheid van een hennepkwekerij resteert. De rechtbank is van oordeel dat deze enkele aanwijzing onvoldoende is om de verdenking te rechtvaardigen dat verdachte zich op 10 maart 2013 schuldig heeft gemaakt aan het plegen van een strafbaar feit als bedoeld in de Opiumwet en op grond waarvan de politie de woning van verdachte mocht betreden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het binnentreden – ongeacht de daartoe afgegeven machtiging – bij gebreke van feiten en omstandigheden die het aannemen van een redelijk vermoeden van schuld kunnen onderbouwen, onrechtmatig is en dat derhalve sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek.

De rechtbank zal de resultaten die uit het vormverzuim zijn verkregen, zijnde de in de woning gedane constateringen en de daaruit voortvloeiende onderzoekshandelingen, daarom uitsluiten van het bewijs. De resterende bewijsmiddelen leveren naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig bewijs op om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde, zodat verdachte hiervan vrijgesproken zal worden.

5 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.

Dit vonnis is gewezen door mr. Dekker, voorzitter, mr. Kooijman en mr. Van der Weide, rechters, in tegenwoordigheid van Vermaat, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 augustus 2014.

Mr. Dekker is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.