Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:5700

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-08-2014
Datum publicatie
28-01-2015
Zaaknummer
AWB 13_7123
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wob. Vergaarplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 13/7123

uitspraak van 4 augustus 2014 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

de besloten vennootschap[naam bedrijf] B.V., te [vestigingsplaats], eiseres,

gemachtigde: [naam gemachtigde],

en

de minister van Veiligheid en Justitie (Centrale Verwerking Openbaar Ministerie; CVOM), verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de besluiten van 14 november 2013 en 3 januari 2014 (tezamen: bestreden besluit) van de CVOM inzake haar verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 5 juni 2014, gevoegd behandeld met de zaken BRE 13/4350, BRE 14/108, BRE 14/1252, BRE 13/5906, BRE 13/5907, BRE 13/5908, BRE 13/7109, BRE 13/7110, BRE 13/7113, BRE 13/7114, BRE 13/7117, BRE 13/7118, BRE 13/7119, BRE 13/7120, BRE 13/7127, BRE 13/7129, BRE 13/7130, BRE 13/7131, BRE 13/7137, BRE 14/105, BRE 14/109 en BRE 14/110. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De CVOM heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger1] en [naam vertegenwoordiger2].

De rechtbank heeft ter zitting, met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het onderzoek geschorst teneinde de CVOM in de gelegenheid te stellen stukken te overleggen waaruit blijkt dat de door eiseres verzochte stukken door de opsporingsinstantie zijn verstrekt. Op 12 juni 2014 heeft de CVOM van deze mogelijkheid gebruik gemaakt, waarna eiseres op 1 juli 2014 schriftelijk op deze stukken heeft gereageerd.

Partijen hebben vervolgens op 17 juli 2014 de rechtbank toestemming verleend om zonder nadere zitting uitspraak te doen, waarna de rechtbank op 21 juli 2014 het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

1.

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij beschikking met CJIB-nummer [CJIB-nummer] (boetebeschikking) is aan eiseres een verkeersboete opgelegd.

De gemachtigde van eiseres heeft tegen deze boetebeschikking op 12 april 2013 administratief beroep ingesteld. In deze brief is, onder verwijzing naar de Wob, ook gevraagd om openbaarmaking van alle documenten met betrekking tot de boetebeschikking, waaronder het brondocument, de akte van beëdiging, de akte van aanstelling en het zaakoverzicht (Wob-verzoek).

Bij brief van 16 mei 2013 heeft eiseres de CVOM meegedeeld dat de termijn om te beslissen op haar Wob-verzoek inmiddels is verstreken. Zij heeft de CVOM vervolgens verzocht om binnen twee weken een beslissing te nemen.

Bij besluit van 14 juni 2013, kenmerk [kenmerk] (primair besluit) heeft de CVOM op het Wob-verzoek beslist en het zaakoverzicht verstrekt. Daarnaast is ook aangegeven dat in
het Wob-verzoek wordt gevraagd om documenten die niet in het bezit zijn van de CVOM. Het Wob-verzoek is daarom doorgestuurd naar de opsporingsinstantie, te weten de KLPD.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij brief van 9 september 2013 heeft eiseres de CVOM meegedeeld dat de termijn om te beslissen op het bezwaarschrift inmiddels is verstreken. Zij heeft de CVOM vervolgens verzocht om binnen twee weken een beslissing te nemen.

Bij besluit van 18 september 2013 (dwangsombeschikking) heeft de CVOM vastgesteld dat zij aan eiseres een dwangsom is verschuldigd ter hoogte van € 310,00 in verband met het niet tijdig beslissen op het Wob-verzoek van eiseres.

Op 29 oktober 2013 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de dwangsombeschikking.

Bij besluit van 14 november 2013 heeft de CVOM beslist op het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit en dit bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het besluit van 14 november 2013 beroep in gesteld.

Op 27 december 2013 heeft eiseres tevens bij de CVOM bezwaar gemaakt tegen het in het besluit van 14 november 2013 niet toekennen van dwangsommen wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaar.

Bij besluit van 3 januari 2014 heeft de CVOM beslist op het bezwaar van eiseres tegen de dwangsombeschikking en dit bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het besluit van 3 januari 2014 beroep ingesteld.

2.

Gelet op het bepaalde in artikel 4:19, eerste lid, van de Awb heeft het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking op de aanvraag mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. De CVOM heeft ten onrechte niet onderkend dat het bezwaar tegen het primaire besluit mede betrekking had op de dwangsombeschikking en heeft aldus ten onrechte nagelaten in het besluit van 14 november 2013 te beslissen op het bezwaar tegen de dwangsombeschikking. Dat heeft de CVOM bij besluit van 3 januari 2014 alsnog gedaan. De rechtbank merkt de besluiten van 14 november 2013 en 3 januari 2014 derhalve aan als samenstellende delen van één beslissing op bezwaar (het bestreden besluit).

Voorts stelt de rechtbank vast dat het beroep mede betrekking heeft op de weigering in het besluit van 14 november 2013 om aan eiseres een dwangsom toe te kennen wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiseres.

3.

In het bestreden besluit stelt de CVOM zich, samengevat, op het volgende standpunt. De CVOM heeft de hoogte van de dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op het Wob-verzoek terecht vastgesteld op € 310,00, nu het primaire besluit op 14 juni 2013 aan eiseres is verzonden.

Voor zover het Wob-verzoek zag op documenten waarover de CVOM niet beschikt, is het Wob-verzoek doorgezonden naar de KLPD. Deze doorzending betreft een feitelijke handeling waartegen geen bezwaar of beroep openstaat. Dit bezwaar treft daarom geen doel.

Verder rust in het kader van de Wob op de CVOM geen verplichting om documenten te vergaren die niet berusten bij de CVOM.

Tot slot heeft de CVOM aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat nu het bezwaar tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond wordt geacht, zij er vanaf heeft gezien eiseres te horen. Om die reden komt eiseres evenmin in aanmerking voor een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiseres, zodat is beslist dat geen dwangsom verschuldigd is.

4.

Eiseres voert in beroep, kort samengevat, het volgende aan. De CVOM heeft niet aannemelijk gemaakt dat het primaire besluit op 14 juni 2013 is verzonden. Eiseres heeft het primaire besluit eerst ontvangen op 18 juni 2013, zodat het er voor moet worden gehouden dat het primaire besluit pas op 17 juni 2013 op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Daarmee loopt de periode waarover de dwangsom is verschuldigd tot en met 17 juni 2013 en heeft de CVOM de hoogte van de dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op haar Wob-verzoek ten onrechte vastgesteld op € 310,00.
Eiseres voert verder aan dat zij heeft gevraagd om openbaarmaking van documenten aangaande vermeende verkeersovertredingen en de daarbij betrokken (opsporings)ambtenaren. Eiseres voert primair aan dat de CVOM de foto’s van de verkeersovertreding rechtstreeks kan raadplegen via het [naam systeem]-systeem van de politie. Daarmee berust in ieder geval een deel van de gevraagde informatie bij de CVOM.

Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat op grond van de wet en jurisprudentie dergelijke documenten zich onder de CVOM zouden moeten bevinden. Indien deze documenten niet bij de CVOM berusten, rust er op de CVOM een vergaarplicht. De CVOM had het Wob-verzoek derhalve niet mogen doorsturen naar de KLPD.

Eiseres heeft verder aangevoerd dat het bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond is verklaard. De jurisprudentie geeft immers allesbehalve een eenduidig beeld ten aanzien van de vergaarplicht. Om die reden heeft de CVOM ten onrechte geweigerd een dwangsom toe te kennen in verband met het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiseres. Eveneens is om die reden sprake van schending van de hoorplicht. Daar komt bij dat er in het kader van de vaststelling van de dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op het Wob-verzoek van eiseres, tevens discussie bestond over het moment van verzending van het primaire besluit. Ook daarin had de CVOM aanleiding moeten zien eiseres te horen.

5.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wob wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder ‘document’: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 4 van de Wob wordt, indien het verzoek betrekking heeft op gegevens in documenten die berusten bij een ander bestuursorgaan dan dat waarbij het verzoek is ingediend, de verzoeker zo nodig naar dat orgaan verwezen. Is het verzoek schriftelijk gedaan, dan wordt het doorgezonden onder mededeling van de doorzending aan de verzoeker.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wob beslist het bestuursorgaan zo spoedig mogelijk op het verzoek om informatie, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het bestuursorgaan de beslissing voor ten hoogste vier weken kan verdagen. Van de verdaging wordt voor de afloop van de eerste termijn schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan de verzoeker.

In artikel 4:17, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is, doch ten hoogste 42 dagen.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de dwangsom de eerste veertien dagen

€ 20,00 per dag bedraagt, de daaropvolgende veertien dagen € 30,00 per dag en de overige dagen € 40,00 per dag.

In het derde lid van dit artikel is bepaald dat de eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

In het vijfde lid van dit artikel is bepaald dat beroep tegen het niet tijdig geven van de beschikking de dwangsom niet opschort.

In artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Awb is bepaald dat geen dwangsom is verschuldigd indien de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.

In artikel 4:18 van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vaststelt binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was.

Op grond van artikel 7:14 van de Awb zijn de artikelen 4:17 en 4:18 van de Awb ook van toepassing op besluiten op bezwaar.

Ingevolge artikel 8:55c van de Awb stelt de rechtbank, indien het beroep gegrond is, desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast.

In artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is.

Misbruik van procesrecht

6.

In het verweerschrift heeft de CVOM erop gewezen dat de (proces)houding en handelwijze van de gemachtigde van eiseres de grenzen van behoorlijkheid overschrijdt. Voor zover de CVOM daarmee beoogt te stellen dat misbruik wordt gemaakt van (proces)recht, zodat eiseres niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar beroep, faalt die stelling. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Een dergelijk rechterlijk oordeel kan worden gegeven in het uitzonderlijke geval waarin een persoon kennelijk onredelijk gebruik maakt van het bestuurs(proces)recht, bijvoorbeeld omdat voor hem evident moest zijn dat het instellen van het rechtsmiddel kansloos was. Daarvan is hier geen sprake. Eiseres maakt gebruik van de haar op grond van de Wob en de Awb toekomende bevoegdheden. De Wob biedt geen mogelijkheid om openbaarmakingsverzoeken wegens misbruik van de Wob buiten behandeling te laten. Ook de Awb biedt deze mogelijkheid niet. Dat heeft de CVOM in het bestreden besluit dan ook niet gedaan. De Awb kent evenmin een wettelijke bepaling op grond waarvan de CVOM geen dwangsom verschuldigd zou zijn, indien sprake is van misbruik van de dwangsomregeling. Daarmee kan in het midden blijven hoe de handelwijze van (de gemachtigde) van eiseres moet worden gekwalificeerd.

Voorts kan misbruik van de bevoegdheid om beroep in te stellen worden aangenomen als, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van de bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad, aannemelijk is dat eiseres in redelijkheid niet tot uitoefening van haar bevoegdheid had kunnen komen. Nu de laagdrempeligheid van het bestuursrecht steeds uitgangspunt dient te zijn en het aannemen van misbruik daarvan uitzondering, concludeert de rechtbank dat niet mag worden aangenomen dat eiseres op zó een buitensporige wijze gebruik heeft gemaakt van haar wettelijke mogelijkheid om een beroepschrift in te dienen, dat haar misbruik van (proces)recht kan worden tegengeworpen.

Procesbelang ten tijde van het bestreden besluit

7.

Voor zover de CVOM ter zitting ook in onderhavige zaak heeft bedoeld te betogen dat eiseres ten tijde van het bestreden besluit geen procesbelang had, overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op het bepaalde in artikel 4:19, eerste lid, van de Awb had het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit tevens betrekking op de dwangsombeschikking. Reeds om die reden had eiseres ten tijde van het bestreden besluit belang bij een beoordeling van haar bezwaar.

Bovendien heeft eiseres de CVOM verzocht om openbaarmaking van de door haar gevraagde stukken. Met de openbaarmaking van het zaakoverzicht door de CVOM, de doorzending van het verzoek aan de opsporingsinstantie en toezending door die opsporingsinstantie van (een deel van) de gevraagde stukken, heeft zij niet gekregen waar zij om heeft gevraagd, namelijk openbaarmaking van alle stukken door de CVOM. Daargelaten derhalve of de opsporingsinstantie aan eiseres ook alle stukken heeft verstrekt waar om is verzocht, hetgeen eiseres betwist, bestaat er geen grond voor het oordeel dat eiseres ten tijde van de bestreden besluiten geen procesbelang had. Daarbij komt dat eiseres met het instellen van bezwaar (en beroep) onder meer duidelijkheid beoogt te verkrijgen over de vraag of de gevraagde stukken al dan niet door de CVOM openbaar moeten worden gemaakt. Partijen verschillen hierover principieel van mening en zijn veelvuldig – hangende bezwaar en/of in beroep – met elkaar in debat over het antwoord op deze vraag. Ook na verstrekking van de gevraagde informatie door de opsporingsinstantie bestaat het belang van eiseres bij deze beoordeling nog steeds. De CVOM is in het bestreden besluit derhalve terecht uitgegaan van procesbelang aan de zijde van eiseres.

Wob-verzoek

8.

De rechtbank stelt vast dat eiseres met haar brief van 12 april 2013 niet alleen administratief beroep heeft ingesteld tegen de boetebeschikking, maar ook heeft verzocht om verstrekking van documenten over de verweten verkeersovertreding. Zij heeft daarbij expliciet en zonder voorbehoud gesteld dat het verzoek wordt gedaan in het kader van de Wob. In zoverre verschilt dit verzoek dus van de informatieverzoeken die hebben geleid tot de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 12 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:465), 9 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1199), 16 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1311) en 23 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1477). Een belang bij of doel van openbaarmaking behoeft niet te worden gesteld. De rechtbank is van oordeel dat het onderhavige informatieverzoek moet worden aangemerkt als een verzoek om toepassing van artikel 3, eerste lid, van de Wob, en daarmee als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Daarom moet het primaire besluit worden aangemerkt als een beschikking in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wob en daarmee als een beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb. Ook in zoverre is het bezwaar terecht ontvankelijk geacht.

Dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op het Wob-verzoek

9.

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de CVOM bij het vaststellen van de hoogte van de dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op het Wob-verzoek, terecht 14 juni 2013 heeft aangehouden als laatste dag waarover een dwangsom is verschuldigd. In dit kader overweegt de rechtbank als volgt.

Op grond van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb is de CVOM aan eiseres een dwangsom verschuldigd voor elke dag dat zij in gebreke is op het Wob-verzoek te beslissen. De rechtbank ziet zich derhalve voor de vraag gesteld tot en met welke dag de CVOM in gebreke was te beslissen op het Wob-verzoek van eiseres. Daartoe is doorslaggevend op welke dag het primaire besluit is genomen en vervolgens op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.


Eiseres heeft betwist dat het primaire besluit van 14 juni 2013 diezelfde dag aan haar is verzonden nu zij dit besluit eerst op 18 juni 2013 heeft ontvangen. Dat betekent dat het aan de CVOM is om aannemelijk te maken dat de verzending van het primaire besluit wel op

14 juni 2013 heeft plaatsgevonden. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de rechtbank stelt vast, dat de CVOM ten tijde van het primaire besluit nog niet beschikte over een deugdelijke verzendadministratie. Gelet hierop heeft de CVOM niet aannemelijk gemaakt dat het primaire besluit op 14 juni 2013 is verzonden. De verwijzing ter zitting naar de door de CVOM met PostNL gemaakte algemene afspraken met betrekking tot de verzending van poststukken, kunnen naar het oordeel van de rechtbank in dit concrete geval niet dienen als bewijs van verzending van het primaire besluit op 14 juni 2013.

Gezien de ontvangst van het primaire besluit door eiseres op 18 juni 2013, moet het er derhalve voor worden gehouden dat de CVOM het primaire besluit in ieder geval op 17 juni 2013 aan eiseres heeft verzonden. De periode waarover dwangsommen zijn verschuldigd loopt derhalve tot en met 17 juni 2013. Dit betekent dat de CVOM aan eiseres een dwangsom is verschuldigd van € 400,00. Daarmee heeft de CVOM in de dwangsombeschikking de hoogte van voornoemde dwangsom ten onrechte heeft vastgesteld op € 310,00. Het beroep is derhalve gegrond en de dwangsombeschikking zal worden herroepen. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:55c van de Awb de hoogte van voornoemde dwangsom vaststellen op € 400,00.

Documenten berusten bij de CVOM

10.

De eis in de Wob dat het moet gaan om documenten die bij een bestuursorgaan berusten, betekent dat het betreffende document zich fysiek onder een bestuursorgaan moet bevinden. Een bestuursorgaan kan niet weigeren een document openbaar te maken, zonder onderzoek te hebben verricht naar het bestaan daarvan. Uit vaste jurisprudentie van de AbRS volgt dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat documenten niet of niet meer onder hem berusten en een dergelijke mededeling komt niet ongeloofwaardig voor, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat documenten toch onder het bestuursorgaan berusten (verwezen wordt naar de uitspraak van 2 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1376).

De CVOM stelt in het bestreden besluit dat bij de CVOM slechts het zaakoverzicht berust, zowel ten tijde van het primaire besluit als ten tijde van het bestreden besluit. Ter zitting heeft de CVOM toegelicht dat naar aanleiding van elk verzoek op grond van de Wob wordt onderzocht welke documenten in het betreffende geval onder de CVOM berusten. Dat onderzoek wordt naar aanleiding van een ingediend bezwaar ex nunc herhaald. De CVOM heeft bevestigd dat zij niet over meer stukken beschikt dan de documenten die al naar eiseres zijn gestuurd. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat de CVOM wel over de gevraagde gegevens beschikt. Om tot een deugdelijke boeteoplegging te komen, mag volgens eiseres van de officier van justitie worden verwacht dat deze beschikt over de documenten die de grondslag van de boetebeschikking vormen. Eiseres voert ten slotte aan dat de CVOM de foto van verkeersovertreding rechtstreeks kan raadplegen via het [naam systeem]-systeem van de politie.

De rechtbank overweegt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de CVOM in dit specifieke geval over meer documenten beschikte dan het zaakoverzicht. De omstandigheid dat (zoals eiseres stelt) de CVOM toegang heeft tot een bepaald informatiesysteem van de politie, binnen welk systeem onder meer de foto’s van de verkeersovertredingen te raadplegen zijn, betekent niet dat de informatie (ook) fysiek bij de CVOM berust. Nog los van het feit dat de CVOM heeft toegelicht dat zij slechts onder strikte voorwaarden en voor specifieke doeleinden toegang heeft tot dat systeem, geeft het feit dat de CVOM de toegang dient te verkrijgen tot politiesystemen al aan dat die informatie zich dus elders bevindt. De informatie kan niet worden gegenereerd uit de eigen computersystemen, maar is opgeslagen op de server(s) van de politie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de door haar gevraagde documenten in het bezit zijn van de CVOM.

Vergaarplicht

11.

Een bestuursorgaan heeft in beginsel niet de verplichting om de gevraagde informatie elders te vergaren. Dit is slechts anders wanneer het gaat om informatie die bij het bestuursorgaan behoort te berusten. Verwezen wordt naar de uitspraak van de AbRS van 19 maart 2009 (ECLI:NL:RVS:2008:BC7085).

Eiseres stelt zich op het standpunt dat de gevraagde gegevens bij de CVOM behoren te berusten. Volgens eiseres dient de CVOM te beschikken over de documenten die in het kader van de heroverweging noodzakelijk zijn om de juistheid van de opgelegde boete te beoordelen. Daar komt bij dat bij wet de taak tot het beheren van documentatie over opsporingsambtenaren bij de CVOM is neergelegd. Eiseres heeft daarbij verwezen naar artikel 3 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv).

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen grond voor het oordeel dat de overige documenten onder de CVOM behoren te berusten. Zoals het gerechtshof te Leeuwarden heeft geoordeeld bij arrest van 21 april 2010 (ECLI:NL:GHLEE:2010:BN5774), schrijft geen wettelijke bepaling voor dat de gevraagde stukken deel uitmaken van het dossier. Daartoe bestaat in een Wahv-zaak slechts aanleiding indien redelijkerwijs twijfel bestaat over de aspecten waarop die informatie betrekking heeft. De vraag of de CVOM meer stukken nodig heeft dan het zaakoverzicht voor de beoordeling van de boetebeschikking in de Wahv-zaak, valt naar het oordeel van de rechtbank buiten het bestek van deze beroepsprocedure. Met de CVOM is de rechtbank van oordeel dat eiseres dat in de te voeren Wahv-procedure aan de orde zal kunnen stellen. De rechtbank is voorts van oordeel dat uit artikel 3 van de Wahv niet volgt dat de door eiseres gevraagde documenten over opsporingsambtenaren bij de CVOM behoren te berusten. Op de CVOM rustte dan ook geen verplichting om de overige documenten te vergaren.

Het bestreden besluit kan in zoverre in stand blijven.

Kennelijk ongegrond

12.

Uit hetgeen overwogen onder 9 volgt dat geen sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar, zodat het bestreden besluit in dit geval strijdig is met artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb. Dit betekent verder dat de CVOM ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Awb.

De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat zij zelf de verbeurde dwangsom zal vaststellen in verband met het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van eiseres. Blijkens de ontvangstempel op de ingebrekestelling van 9 september 2013 heeft de CVOM deze ingebrekestelling diezelfde dag ontvangen. Ten tijde van de ingebrekestelling was de beslistermijn als bedoeld in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb verstreken. Vanaf 24 september 2013 verbeurt de CVOM een dwangsom voor elke dag dat niet is beslist op het bezwaarschrift. Dit betekent dat op 4 november 2013 de maximale dwangsom aan eiseres was verbeurd, nu op dat moment nog niet was beslist op het bezwaar van eiseres. De rechtbank oordeelt dan ook dat de CVOM aan eiseres het maximale bedrag van € 1.260,- aan dwangsommen heeft verbeurd in verband met het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiseres.

13.

Nu het beroep gegrond is, dient de CVOM het griffierecht aan eiseres te vergoeden. Tevens zal de rechtbank de CVOM veroordelen tot vergoeding van de door eiseres gemaakte proceskosten. Daarbij komen niet alleen de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten voor vergoeding in aanmerking. Nu de dwangsombeschikking wordt herroepen zal de CVOM ook de door eiseres in bezwaar gemaakte proceskosten dienen te vergoeden. De rechtbank stelt de door eiseres gemaakte proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op een bedrag van € 1.461,00 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 487,00).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de dwangsombeschikking en op de weigering om aan eiseres een dwangsom toe te kennen wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar;herroept de dwangsombeschikking;

  • -

    stelt de hoogte van de door de CVOM aan eiseres verbeurde dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op het Wob-verzoek vast op € 400,00;

  • -

    stelt de hoogte van de door de CVOM aan eiseres verbeurde dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op het bezwaar vast op € 1.260,00;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

  • -

    laat het bestreden besluit voor het overige in stand;

  • -

    draagt de CVOM op het betaalde griffierecht van € 160,00 aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de CVOM in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.461,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.M. van Lanen, voorzitter, en mr. F.P.J. Schoonen en mr. S. Ketelaars-Mast, leden, in aanwezigheid van mr. W.J.C. Goorden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2014.

griffier voorzitter

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.