Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:568

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-01-2014
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
AWB 13_4355
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres is in 2009 ziek geworden en vervolgens in 2010 ontslagen. Eiseres heeft in 2012 verzocht om uitbetaling van niet opgenomen vakantiedagen.

Anders dan het college is de rechtbank van oordeel dat hier geen sprake is van een beoordeling zoals bedoeld in artikel 4.6 van de Awb. Er dient dus een inhoudelijke beoordeling plaats te vinden. Op grond van de CAO en de daarop gebaseerde Regeling is terecht geconcludeerd dat eiseres geen recht had op uitbetaling van bij einde dienstverband resterende verlofdagen. Eiseres had deze dagen kunnen opnemen. Vervolgens dient beoordeeld te worden of het vervallen van de aanspraak op (het uitbetalen van) verlofdagen zich verdraagt met Schulz-Hoff. Daar is sprake van omdat eiseres daadwerkelijk in staat is geweest verlof op te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 13/4355 AW

uitspraak van 30 januari 2014 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

drs. [naam eiseres], te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: [naam gemachtigde]

en

het college van Bestuur van de Universiteit Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 1 juli 2013 (bestreden besluit) van het college inzake de afwijzing van haar verzoek tot uitbetaling van verlofuren.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 10 januari 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en haar echtgenoot[naam persoon]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam vertegenwoordiger] .

Overwegingen

1.

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres is op 1 juni 2000 aangesteld als communicatieadviseur ten behoeve van het academisch biomedisch cluster.

Bij besluit van 29 september 2009 heeft het college eiseres ontslag aangezegd per 31 december 2009. Met de beslissing op bezwaar van 7 april 2010 is het ontslag gehandhaafd met dien verstande dat de ontslagdatum wordt vastgesteld op 16 april 2010.

Bij besluit van 7 mei 2010 is aan eiseres meegedeeld dat zij vanwege haar ziekte nog recht heeft op loondoorbetaling tot uiterlijk 7 november 2010.

Bij besluit van 21 oktober 2010 heeft het college aan eiseres meegedeeld dat de loondoorbetaling met ingang van 7 november 2010 wordt gestopt.

Op 7 juni 2012 heeft de Centrale Raad van Beroep het ontslag per 16 april 2010 bevestigd.

Eiseres heeft per brief van 26 november 2012 verzocht om tot uitbetaling van niet opgenomen vakantiedagen over te gaan.

Bij besluit van 25 januari 2013 (primair besluit) heeft het college besloten niet tot uitbetaling van verlofuren over te gaan.

Met het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

2.

Eiseres heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat niet eerder een besluit is genomen met betrekking tot uitbetaling van niet opgenomen vakantiedagen. Eiseres heeft nimmer een eindafrekening ontvangen. Eiseres is van mening dat het haar vrij stond te wachten met haar claim tot het ontslag definitief was geworden. Haar vordering is niet verjaard. Verder heeft eiseres inhoudelijke gronden naar voren gebracht. Eiseres heeft primair gevorderd dat zij recht heeft op uitbetaling van 474,96 verlofuren. Subsidiair heeft zij gesteld dat zij in ieder geval 192 verlofuren mocht overnemen naar het volgende kalenderjaar. Tussen de aankondiging van het ontslag en het intreden van het ontslag zaten maar 5 werkdagen, zodat zij niet in staat was haar verlof op te nemen. Verder heeft eiseres aangevoerd dat het niet aan haar te verwijten is dat er geen schriftelijke afspraken zijn gemaakt over een deel van haar verlofdagen omdat haar leidinggevende categorisch heeft geweigerd contact met haar op te nemen. Eiseres heeft gesteld om medische redenen niet in staat te zijn geweest om verlof op te nemen. Eiseres heeft verzocht om wettelijke rente.

3.

In artikel 4.7, achtste lid, onder a, van de CAO Nederlandse Universiteiten (CAO NU) zoals dat gold ten tijde in geding is bepaald dat de werknemer de vakantie opneemt in het jaar waarin de aanspraak is ontstaan. Tevens is bepaald dat het de werknemer uitsluitend is toegestaan vakantietegoeden over een jaargrens mee te nemen indien daarover een afspraak is gemaakt met de werkgever.

In artikel 4.7, negende lid, van de CAO NU, zoals dat gold ten tijde in geding is bepaald dat na overeenstemming met de werkgeversorganisaties in het lokaal overleg de werkgever een van het vorige lid afwijkende of aanvullende afspraak kan maken ter voorkoming van verlofstuwmeren. Deze afspraak is neergelegd in de Regeling Vakantie en Verlof (Regeling).

In artikel 8.2 van de CAO NU is geregeld dat de werknemer die bij het einde van het dienstverband nog aantoonbare eerder opgebouwde vakantie- of verlofaanspraken heeft en niet in de gelegenheid is gesteld die op te nemen, recht heeft op een uitkering in geld tot een bedrag van het salaris (inclusief vakantie- en eindejaarsuitkering) overeenkomend met de aanspraak.

In artikel 10 van de Regeling is bepaald dat de voltijds medewerker ten hoogste 192 verlof-uren van een kalenderjaar kan meenemen naar een volgend kalenderjaar, de deeltijder het evenredig aantal uren. De overige niet genoten verlofuren vervallen, tenzij de werknemer een schriftelijke afspraak met de leidinggevende over het doel en het tijdstip van besteding heeft gemaakt.

In artikel 11 van de Regeling is bepaald dat bij beëindiging van het dienstverband de werknemer voorafgaand aan de ontslagdatum in de gelegenheid wordt gesteld zijn verlof op te nemen. Slechts indien naar de mening van de mandataris het dienstbelang opname van verlof heeft verhinderd, zal dit worden uitbetaald.

4.

Met het bestreden besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag van eiseres gelijk gesteld moet worden met een verzoek om terug te komen op een eerder afwijzende beslissing als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college heeft gesteld dat er geen sprake is van nieuwe feiten en of omstandigheden zodat geen reden bestaat alsnog tot uitbetaling over te gaan. De rechtbank ziet zich dan ook eerst voor de vraag gesteld of de aanvraag van eiseres aangemerkt moet worden als een aanvraag zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

5.

De rechtbank stelt vast dat het college geen besluit heeft afgegeven waarbij geweigerd wordt verlofdagen uit te betalen. Het besluit van 7 mei 2010 kan niet als zodanig worden aangemerkt. In dit besluit wordt immers alleen meegedeeld tot hoe lang eiseres nog recht heeft op loondoorbetaling wegens ziekte na haar ontslag. Uit dit besluit kan niet opgemaakt worden dat het college tevens heeft beoordeeld of eiseres nog recht heeft op uitbetaling van verlofdagen. Dit besluit kan dan ook niet worden aangemerkt als een (impliciete) eindafrekening. Hetzelfde geldt voor de salarisstroken.

De verwijzing van het college naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 25 oktober 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY1300) kan niet slagen. In die uitspraak stelde de CRvB vast dat het bestuursorgaan middels imperatieve bewoordingen werd opgedragen een beslissing te nemen. Nu in de onderhavige zaak geen sprake is van een imperatieve bepaling, artikel 8.2 van de CAO NU stelt immers alleen dat er een recht op uitkering in geld bestaat, kan deze uitspraak niet onverkort worden toegepast.

Nu op geen enkele manier blijkt dat het college, voorafgaand aan de aanvraag van eiseres, een besluit heeft genomen over het recht van eiseres op uitbetaling van verlofuren, is er geen sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

Uit artikel 8.2 van de CAO NU volgt dat het recht op uitbetaling van verlofdagen ontstaat bij het einde van het dienstverband, derhalve 16 april 2011. Eiseres heeft binnen een periode van 5 jaar na het einde van haar dienstverband gevraagd om uitbetaling, zodat de vordering nog niet verjaard is. Er zal dan ook inhoudelijk getoetst moeten worden of eiseres recht heeft op uitbetaling van opgebouwde verlofdagen. Het college heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de aanvraag moet worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Nu het college in het bestreden besluit volledigheidshalve ook een inhoudelijke toetsing heeft gedaan, zal de rechtbank dit gebrek onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren.

6.

Eiseres is tot 16 april 2010 in dienst geweest bij het college. Niet in geschil is dat zij op dat moment een resterend verlofsaldo had. Deze verlofuren kunnen ingevolge artikel 8.2 van de CAO NU alleen dan worden uitbetaald als eiseres niet in de gelegenheid is gesteld deze op te nemen. In artikel 11 van de Regeling is vervolgens bepaald dat slechts in die gevallen dat het dienstbelang opname van verlof heeft verhinderd, dit zal worden uitbetaald.

De rechtbank stelt op basis van de stukken vast dat eiseres al vanaf 29 september 2009 op de hoogte was van het aangezegde ontslag. Dat de ontslagdatum met de beslissing op bezwaar van 7 april 2010 is herzien naar 16 april 2010, maakt niet dat eiseres, zoals door haar in beroep gesteld, pas vanaf 7 april 2010 op de hoogte was van het ontslag.

Nu eiseres vanaf 29 september 2009 op de hoogte was dat zij ontslagen zou gaan worden, is zij ruimschoots in de gelegenheid geweest vakantieverlof op te nemen, zelfs indien het resterende vakantieverlof de door eiseres gestelde omvang van 474,96 uur had. Verder is niet gesteld of gebleken dat het dienstbelang opname van verlof heeft verhinderd. Dit betekent dat op grond van de CAO en de Regeling geen recht bestaat op uitbetaling van resterende verlofuren.

Hieruit vloeit voort dat de exacte omvang van de resterende verlofuren in het midden kan blijven.

7.

De rechtbank zal vervolgens beoordelen of het vervallen van (uitbetaling van) verlofdagen zich verdraagt met het arrest Schultz-Hoff (arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a., C-350/06 en C-520/06, NJ 2009, 252).

In het arrest Schultz-Hoff heeft het Hof onder meer overwogen (punt 43) dat artikel 7, eerste lid, van richtlijn 2003/88 in beginsel niet in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling die voorwaarden stelt voor de uitoefening van het uitdrukkelijk door deze richtlijn verleende recht op jaarlijkse vakantie, zelfs met inbegrip van het verlies van dit recht aan het einde van een referentieperiode of een overdrachtsperiode, mits de werknemer wiens recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon verloren gaat, daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad om van het hem door de richtlijn verleende recht gebruik te maken. Voorts vervalt het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon niet aan het einde van de referentieperiode en/of van een naar nationaal recht vastgestelde overdrachtsperiode, wanneer de werknemer met ziekteverlof is geweest tijdens de gehele referentieperiode of een deel ervan en niet daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad om van dit hem door richtlijn 2003/88 verleende recht gebruik te maken (zie arrest Schultz-Hoff e.a., punt 55).

De rechtbank dient derhalve de vraag te beantwoorden of eiseres daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad van haar recht op vakantie met behoud van loon gebruik te maken.

Ter zitting heeft eiseres gesteld dat zij vanwege haar ziekte niet in staat was met vakantie te gaan. De rechtbank stelt vast dat eiseres vanaf 8 mei 2009 doorlopend arbeidsongeschikt is geweest. In 2008 was dus geen sprake van ziekte. Uit de stukken blijkt verder dat eiseres in 2008 feitelijk 33 vakantiedagen heeft opgenomen.

De rechtbank constateert verder dat eiseres op 27 juli 2010 in een e-mail heeft gemeld dat zij bijna met vakantie is. Hieruit maakt de rechtbank op dat het voor eiseres in ieder geval omstreeks juli 2010 mogelijk was vakantieverlof te genieten. Nu de bedrijfsarts op 28 juli 2010 heeft vastgesteld dat de beperkingen van eiseres onveranderd zijn gebleven, moet het er voor gehouden worden dat eiseres ook in de periode daaraan voorafgaand daadwerkelijk in staat is geweest vakantieverlof op te nemen. Er is verder niet gebleken van aan haar door de werkgever opgelegde verplichtingen die daaraan in de weg stonden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres dan ook daadwerkelijk de mogelijkheid gehad gebruik te maken van haar recht op vakantie met behoud van loon. Dit betekent dat artikel 7, eerste lid, van richtlijn 2003/88 niet in de weg staat aan het vervallen van (de uitbetaling van) verlofdagen op grond van de CAO en de Regeling. Gelet hierop zal de rechtbank onbesproken laten hoe hoog de minimale opbouw van verlofuren voor eiseres daadwerkelijk zou zijn geweest

8.

Gelet op hetgeen onder 6. en 7. is overwogen dient het beroep ongegrond verklaard te worden. Voor een proceskostenveroordeling of een veroordeling tot betaling van wettelijke rente bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek tot betaling van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P.J. Schoonen, voorzitter, en mrs. D.H. Hamburger en J. van Alphen, leden, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.