Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:5609

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-08-2014
Datum publicatie
26-08-2014
Zaaknummer
AWB- 14_3339 VV en AWB- 14_3340 T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Beëindiging jaarlijkse subsidie.

Jaarlijkse gemeentelijke financiële steun moet worden beschouwd als subsidie in de zin van titel 4.2 van de Awb. Brief van het college inzake beëindiging financiële steun wordt aangemerkt als besluit tot weigering van subsidie voor nieuw tijdvak als bedoeld in artikel 4:51 van de Awb. Ruime mate van beleidsvrijheid.

Bezuinigingsopgave en de in dat kader gemaakte politieke keuzes zijn de veranderde omstandigheden en gewijzigde inzichten die tot de wijziging hebben geleid. Belangen van verzoekster zijn daarbij echter onvoldoende meegewogen en dat had wel gemoeten, zeker gezien de langdurige subsidierelatie tussen verzoekster en de gemeente.

Bestreden besluit in strijd met zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Het college heeft twee maanden de gelegenheid om alsnog een kenbare belangenafweging te maken en om nader onderzoek te doen naar de verplichtingen die verzoekster op 21 november 2013 was aangegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 14/3339 VEROR VV en BRE 14/3340 VEROR

tussenuitspraak van 6 augustus 2014 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

Stichting Podium Reimerswaal, te[vestigingsplaats], verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reimerswaal, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 30 april 2014 van het college (bestreden besluit) inzake de beëindiging van de jaarlijkse subsidie met ingang van 2014. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 23 juli 2014. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] en [naam vertegenwoordiger]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam vertegenwoordiger] en [naam vertegenwoordiger].

Overwegingen

1.

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekster exploiteert een cultureel podium ‘Podium Reimerswaal’ in de gemeente Reimerswaal. Zij ontving daarvoor sinds 1994 jaarlijks een financiële bijdrage van de gemeente, in de vorm van een zogenaamd activiteitenbudget. Op 26 oktober 2010 heeft de gemeenteraad bij de behandeling van de programmabegroting 2011-2014 bij amendement besloten om de gemeentelijke bijdrage met ingang van 2014 te verlagen naar € 15.000,=.

Op 29 oktober 2013 heeft de gemeenteraad bij de behandeling van de programmabegroting 2014-2017 een amendement aangenomen tot bezuiniging van 100% met ingang van 1 januari 2015 op de volledige gemeentelijke bijdrage aan verzoekster. Het activiteitenbudget is met ingang van 1 januari 2014 op nihil gesteld. Tegelijkertijd is het college opgedragen een nieuwe subsidieregeling voor culturele evenementen voor te bereiden en voor te leggen aan de raad.

Bij besluit van 21 november 2013 (primair besluit) heeft het college aan verzoekster medegedeeld dat de jaarlijkse subsidie met ingang van 2014 wordt beëindigd. Het college heeft daarbij opgemerkt dat, aangezien de subsidie over 2013 ter beschikking wordt gesteld voor het cultureel seizoen 2013/2014, er met ingang van het nieuwe seizoen 2014/2015 sprake zal zijn van daadwerkelijke beëindiging van subsidiebetalingen.

Bij het bestreden besluit heeft het college, in afwijking van het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften, de bezwaren van verzoekster tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

2.

Verzoekster heeft, samengevat, aangevoerd dat er sprake is geweest van een langdurige subsidierelatie. Verzoekster wijst op het amendement dat op 26 oktober 2010 is aangenomen, op basis waarvan zij van 2014 tot en met 2017 zou kunnen rekenen op een vast bedrag aan subsidie van € 15.000,=. Verzoekster is altijd uitgegaan van hetgeen in de meerjarenbegroting is opgenomen en daarop heeft zij ook haar programmering ingesteld. Verzoekster ontkent dat er geen afspraken lopen voor het nieuwe seizoen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het voor haar gebruikelijk is om mondeling overeenkomsten te sluiten voor voorstellingen, die later pas worden bekrachtigd middels een contract. Verzoekster heeft voorts opgemerkt dat de nieuwe Subsidieregeling culturele evenementen – maximaal € 500,=, 5 keer per jaar – voor haar geen oplossing is omdat zij contracten sluit met professionele artiesten.

Verzoekster heeft erop gewezen dat het nieuwe theaterseizoen voor de deur staat en dat de contracten daarvoor al lang gesloten zijn. Zij heeft de voorzieningenrechter daarom verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

3.

Vaststaat dat verzoekster al jaren financieel gesteund wordt door de gemeente Reimerswaal. Hoewel het aanvragen en verstrekken van de jaarlijkse financiële steun niet conform titel 4.2 (subsidies) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Algemene subsidieverordening van de gemeente Reimerswaal is verlopen (zoals door het college ook is erkend), dient deze – gelet op de ruime begripsomschrijving in artikel 4:21, eerste lid, van de Awb – wel te worden beschouwd als een subsidie in de zin van titel 4.2 van de Awb. Gezien de duur van de subsidiëring kan worden gesproken van een langdurige subsidierelatie.

Gelet hierop wordt de brief van het college van 21 november 2013 door de voorzieningenrechter aangemerkt als een besluit tot weigering van subsidie voor een nieuw tijdvak als bedoeld in artikel 4:51 van de Awb. De voorzieningenrechter neemt daarbij mede in aanmerking dat de subsidieverlening aan verzoekster in het verleden weliswaar is geschied door de raad, maar dat de bevoegdheid tot het al dan niet verstrekken van subsidie in de Algemene subsidieverordening bij het college is neergelegd.

4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Awb niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

5.

In artikel 4:51, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien aan een subsidieontvanger voor drie of meer achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde voortdurende activiteiten, gehele of gedeeltelijke weigering van de subsidie voor een daarop aansluitend tijdvak op de grond, dat veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten, slechts geschiedt met inachtneming van een redelijke termijn.

6.

De voorzieningenrechter dient te toetsen of het college in redelijkheid heeft overwogen dat veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich tegen (ongewijzigde) voortzetting van de subsidie verzetten en of het college bij het bestreden besluit een redelijke termijn in acht heeft genomen. Daarbij dient voorop te worden gesteld dat het college bij een dergelijk besluit een ruime mate van beleidsvrijheid heeft en dat de voorzieningenrechter zich bij de beoordeling van het bestreden besluit daarom terughoudend dient op te stellen.

7.

De voorzieningenrechter leidt uit het bestreden besluit af dat het college aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd dat sprake is van veranderde omstandigheden, te weten een bezuinigingsopgave waar de gemeenteraad voor is gesteld, en gewijzigde inzichten in de zin van de politieke keuzes die in dat kader zijn gemaakt. Dat dergelijke veranderde omstandigheden en gewijzigde inzichten leiden tot vermindering of beëindiging van subsidie, acht de voorzieningenrechter in beginsel niet onredelijk. Evenwel is niet gebleken dat de culturele belangen die verzoekster behartigt daarbij zijn meegewogen. Dit blijkt althans niet uit het bestreden besluit, noch uit het achterliggende raadsbesluit. Dit klemt te meer nu inmiddels is gebleken dat het door de raad voorgestelde alternatief, een nieuwe subsidieregeling voor culturele evenementen, (nog) niet tot stand is gekomen.

8.

Verzoekster heeft een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Verzoekster kan echter geen rechten ontlenen aan het raadsbesluit van 26 oktober 2010 in die zin dat zij tot en met 2017 gegarandeerd zou kunnen rekenen op een jaarlijkse subsidie van € 15.000,=, aangezien een meerjarenbegroting slechts een financiële prognose voor komende jaren is, waaraan geen rechtstreekse aanspraken kunnen worden ontleend. Maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dat wel een omstandigheid die een rol zou moeten spelen in de door het college te maken belangenafweging, zeker gezien de zeer langdurige subsidierelatie die er tussen verzoekster en de gemeente Reimerswaal is geweest.

9.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) – onder meer de uitspraak van 30 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2012:BM9682 – dient de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:51, eerste lid, van de Awb ertoe de subsidieontvanger in staat te stellen maatregelen te treffen om de gevolgen van de beëindiging van de subsidierelatie te ondervangen.

De voorzieningenrechter stelt vast de subsidierelatie formeel per 1 januari 2014 is beëindigd, maar dat verzoekster feitelijk pas met ingang van het culturele seizoen 2014-2015 (1 september 2014) met de gevolgen van de beëindiging van de subsidie wordt geconfronteerd. Dat betekent dat verzoekster, gerekend vanaf de eerste datum waarop zij op de hoogte was of had kunnen zijn van de voorgestane beëindiging van de subsidie – het primaire besluit – ruim 9 maanden de tijd heeft gehad om maatregelen te treffen om de gevolgen van de beëindiging te ondervangen, en gerekend vanaf het raadsbesluit van 29 oktober 2013 ruim 10 maanden.

Ter zitting is gesproken over de maatregelen die verzoekster heeft getroffen en over de verplichtingen die zij op 21 november 2013 al had lopen. Niet in geschil is dat er van langlopende verplichtingen in de vorm van meerjarencontracten geen sprake was. Verzoekster heeft aangevoerd dat er wel al (mondelinge) overeenkomsten met artiesten waren gesloten voor het culturele seizoen 2014-2015. Het college heeft daar naar het oordeel van de voorzieningenrechter ten onrechte geen rekening mee gehouden. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat verzoekster in de gelegenheid is gesteld om een overzicht te maken van (mondelinge) overeenkomsten die op 21 november 2013 al gesloten waren voor het culturele seizoen 2014-2015. Verzoekster heeft ter zitting aangegeven dat zij een dergelijk overzicht alsnog kan produceren en het college heeft zich vervolgens bereid verklaard om aan de hand van dat overzicht nader te onderzoeken of een (overgangs) regeling moet worden getroffen.

10.

Op basis van het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel neergelegd in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Het beroep is om die reden gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

11.

Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:86 van die wet, kan de voorzieningenrechter het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen, de zogeheten 'bestuurlijke lus'. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken en zal het college in de gelegenheid stellen om alsnog een kenbare belangenafweging te maken en om nader onderzoek te doen naar de verplichtingen die verzoekster op 21 november 2013 al was aangegaan voor het culturele seizoen 2014-2015, op basis van een door verzoekster aan het college over te leggen overzicht.

De voorzieningenrechter zal daarna beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven.

12.

De voorzieningenrechter zal de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen bepalen op twee maanden. Als het college hiervan geen gebruik wil maken, dan dient het college dit binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen. Als het college wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de voorzieningenrechter verzoekster in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. Daarna zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting einduitspraak doen.

13.

Omdat verzoekster ter zitting heeft aangegeven dat zij nog budget heeft vanuit een bufferpot en verworven extra sponsorgelden, waarmee zij het komende culturele seizoen misschien net kan overbruggen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling in de voorlopige voorziening is geen aanleiding.

14.

De voorzieningenrechter houdt iedere verdere beslissing in de hoofdzaak aan tot de einduitspraak. Dat laatste betekent ook dat zij over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten in de hoofdzaak nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

  • -

    stelt het college in de gelegenheid om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen binnen twee maanden na verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen in deze tussenuitspraak is overwogen;

  • -

    draagt het college op om, als geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, dat binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak aan de rechtbank mee te delen;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing inzake het beroep aan.

Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Voor zover in deze uitspraak is beslist op het verzoek om voorlopige voorziening staat daartegen geen rechtsmiddel open.

Voor zover in deze tussenuitspraak is beslist op het beroep staat daartegen nog geen hoger beroep open. Dat kan worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.