Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:5595

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-08-2014
Datum publicatie
10-09-2014
Zaaknummer
AWB-14_2105
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:3216, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:3217, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Loonbelasting; privégebruik auto.

Gebrekkige rittenregistratie geeft de rechtbank gerede twijfel aan de betrouwbaarheid daarvan.

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964, geldigheid: 2014-08-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2080 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2014/1810
V-N 2014/50.2.1

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummers AWB 14/2105 en 14/2107

Uitspraak van 6 augustus 2014

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 24 februari 2014 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 en het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 opgelegde naheffingsaanslagen loonheffingen en de gelijktijdig bij beschikkingen opgelegde verzuimboeten.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2014 te Breda. Aldaar is verschenen en gehoord, namens de inspecteur, [verweerder]. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.

Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 25 juni 2014 aan de gemachtigde [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Breda, op het adres [adres] te Breda, onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 26 juni 2014 aan belanghebbende op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Aan belanghebbende is gedurende de in geschil zijnde jaren door zijn werkgever een auto ter beschikking gesteld, te weten een BMW X5 in 2011 en een BMW 525 in 2012.

2.2.

Met dagtekening 31 januari 2006 heeft de inspecteur aan belanghebbende een beschikking “Verklaring geen privégebruik auto” als bedoeld in artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) afgegeven. Op grond hiervan heeft de werkgever van belanghebbende de forfaitaire loonbijtelling over de onderhavige jaren achterwege gelaten.

2.3.

Om te controleren of belanghebbende voldoet aan de voorwaarde ‘op kalenderjaarbasis niet meer dan 500 privékilometers’ heeft de inspecteur belanghebbende op 7 november 2012 een vragenformulier toegezonden.

2.4.

Belanghebbende heeft op 22 november 2012 het ingevulde vragenformulier ingestuurd samen met zijn rittenregistratie en een loonstrook.

2.5.

Bij brief van 5 september 2013 heeft de inspecteur belanghebbende medegedeeld dat de door hem overgelegde rittenregistratie niet voldoet aan de daaraan gestelde wettelijke vereisten. Daarnaast heeft de inspecteur aangegeven dat de rittenregistratie inhoudelijk onjuist is omdat belanghebbende op een aantal dagen geen ritten heeft vermeld hoewel de auto op die dagen wel is gesignaleerd op de A16 en A4.

2.6.

Bij brief van 13 september 2013 heeft belanghebbende verklaringen gegeven voor deze niet geregistreerde maar wel gesignaleerde ritten.

2.7.

Vervolgens heeft de inspecteur de onderhavige naheffingsaanslagen en verzuimboeten opgelegd.

2.8.

In geschil is:

- of de naheffingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer in het bijzonder gaat het daarbij om de vraag of belanghebbende heeft doen blijken dat hij jaarlijks niet meer dan 500 privékilometers heeft gereden;

- of de verzuimboeten terecht en tot de juist bedragen zijn opgelegd.

Naheffingsaanslagen

2.9.

In artikel 13bis, eerste lid, van de Wet LB is bepaald dat een voordeel in aanmerking genomen dient te worden wanneer een auto ook voor privédoeleinden aan een werknemer ter beschikking is gesteld. Daarbij wordt een auto geacht voor privédoeleinden ter beschikking te zijn gesteld, tenzij blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt. Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat als uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé wordt gebruikt er geen bijtelling plaats vindt. Het vijftiende lid van dit artikel bepaalt dat belanghebbende moet doen blijken dat de auto op jaarbasis niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt.

2.10.

Op grond van artikel 13bis, zevende lid, van de Wet LB, in samenhang bezien met artikel 3.13 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011, moet een rittenregistratie ten minste de volgende gegevens bevatten:

a. merk, type en kenteken van de auto;

b. periode van terbeschikkingstelling van de auto;

c. per rit:

1°. datum;

2°. beginstand en eindstand van de kilometerteller;

3°. beginadres en eindadres;

4°. de gereden route indien deze afwijkt van de meest gebruikelijke;

5°. het karakter van de rit.

2.11.

Met de term “doen blijken” is bedoeld dat belanghebbende overtuigend dient aan te tonen dat het privégebruik van de auto niet meer dan 500 kilometer op kalenderjaarbasis is geweest. Belanghebbende heeft daartoe een rittenregistratie overlegd. De rechtbank zal eerst beoordelen of deze rittenregistratie voldoet aan de onder 2.10 vermelde vereisten. Indien dat het geval is, heeft belanghebbende het van hem vereiste bewijs geleverd. Indien de rittenregistratie niet voldoet aan deze vereisten zal de rechtbank beoordelen of belanghebbende op andere wijze het van hem vereiste bewijs heeft geleverd.

2.12.

Naar het oordeel van de rechtbank bevatten de rittenregistraties te veel onnauwkeurigheden om te kunnen zeggen dat is voldaan aan de wettelijke vereisten nu niet elke rit afzonderlijk is geregistreerd, maar per dag in één totaal werd geregistreerd wat er was gereden, ook als dat meerdere ritten waren.

2.13.

De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende ook anderszins niet overtuigend heeft aangetoond dat hij de hem ter beschikking gestelde auto in 2011 en 2012 voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden heeft gebruikt. In de eerste plaats zijn niet alle ritten geregistreerd. Immers door belanghebbende wordt niet betwist dat de auto meerdere malen is gesignaleerd op een dag dat er volgens de registratie niet met de auto was gereden. Voor die signaleringen heeft belanghebbende weliswaar naderhand aannemelijke verklaringen gegeven die erop neerkomen dat de auto door zijn echtgenote is gebruikt en (in elk geval deels) wel sprake is geweest van zakelijke ritten, doch feit blijft dat hij op die dagen in de registraties geen rit heeft vermeld. De vermelde begin- en eindstanden kunnen dus niet kloppen. Dat wordt nog eens bevestigd door het gegeven dat voor ritten op 13 en 14 juni 2012 naar Alfeld (Duitsland) respectievelijk 661 en 665 kilometer is genoteerd, terwijl voor ritten op 23 en 24 december 2011 met dezelfde bestemming respectievelijk 451 en 455 kilometer is genoteerd en voor dat verschil geen verklaring is gegeven. Dit alles geeft de rechtbank gerede twijfel aan de betrouwbaarheid van de rittenregistratie.

2.14.

Het vorenoverwogene leidt tot het oordeel dat belanghebbende het van hem vereiste bewijs niet heeft geleverd, zodat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Het gegeven dat ook met de ‘vergeten’ ritten de grens van 500 privékilometers niet wordt overschreden, doet daar niet aan af.

2.15.

Nu belanghebbende de berekening van de naheffingsaanslagen als zodanig niet heeft bestreden, leidt het voorgaande de rechtbank tot de conclusie dat de naheffingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

Verzuimboeten

2.16.

Indien een onjuiste of onvolledige rittenregistratie is overgelegd, kan de inspecteur op grond van het bepaalde in artikel 13bis, zestiende lid, Wet LB juncto artikel 67c van de AWR een verzuimboete opleggen van 100% van de te weinig betaalde belasting met een maximum van € 4.920. In paragraaf 24, vijfde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten 1998 (BBBB) is bepaald dat dit maximum wordt geheven indien een onjuiste of onvolledige rittenadministratie is overgelegd.

2.17.

De inspecteur heeft verzuimboeten opgelegd van € 4.715 voor 2011 en € 2.847 voor 2012. Dit komt overeen met 40% van de nageheven belasting. De rechtbank acht aannemelijk dat de rittenregistratie over beide jaren onjuist was. Daarvan uitgaande zijn de boeten in overeenstemming met de wet en met het beleid vastgesteld. Belanghebbende heeft geen feiten en of omstandigheden aannemelijk gemaakt die de conclusie rechtvaardigen dat de boeten verder moeten worden gematigd dan de inspecteur heeft gedaan. De rechtbank acht de opgelegde boeten passend en geboden.

2.18.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.19.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 6 augustus 2014 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.