Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:5591

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-08-2014
Datum publicatie
05-09-2014
Zaaknummer
AWB-13_3657
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IB: eigen woning/monumentenaftrek

Belanghebbende is verhuisd en heeft ruim drie maanden na de verhuizing, in 2008, contact opgenomen met een makelaar voor verkoop van de woning, een monument. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat de woning na de verhuizing was bestemd voor verkoop zodat het een ‘eigen woning’ bleef. De hypotheekrente was aftrekbaar in box 1 zolang de woning leegstond. In december 2008 is de woning verhuurd en viel de woning in box 3. Dat had ook gevolgen voor de drempel voor aftrek van uitgaven voor monumentenpanden omdat die in 2008 lager was voor een eigen woning dan voor een box 3 woning en de wet geen ruimte gaf voor beperking daarvan naar tijdsgelang. De bewijslast voor de aftrekposten rust op belanghebbende. Die heeft voor een aantal uitgaven niet aan die bewijslast voldaan.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001, geldigheid: 2014-08-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2095
PFR-Updates.nl 2014-0243
V-N Vandaag 2014/1782
V-N 2014/52.20.7

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummer AWB 13/3657

uitspraak van 8 augustus 2014

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [plaats X],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 8 juni 2013 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2008 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 111.815 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.001 (aanslagnummer [aanslagnummer].H.86) (hierna de aanslag), alsmede de beschikking heffingsrente van € 2.713.

Zitting

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2014 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn echtgenote [A] en namens de inspecteur [verweerder]. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde belanghebbende in de gelegenheid te stellen nadere stukken te overleggen.

Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift op 18 maart 2014 aan partijen is verzonden. Partijen hebben nadien over en weer op elkaars stukken gereageerd. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij. Een nader onderzoek ter zitting is met toestemming van partijen achterwege gebleven. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van twee onroerende zaken, [adres 1] te [plaats X] en [adres 19/19a] te [plaats Y]. Beide onroerende zaken zijn aangemerkt als monumentenpand in de zin van artikel 6.31 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). [adres 19/19a] bestaat uit een winkelgedeelte (nr. 19) en een woongedeelte (nr. 19a).

2.2.

Belanghebbende heeft tot december 2007 gewoond op het adres [adres 19a]. Toen is hij verhuisd naar [adres 1]. Op 21 mei 2009 is het pand [adres 19/19a] via een makelaar te koop aangeboden.

2.3.

De hypothecaire geldlening van de [adres 19/19a] bedraagt € 362.579 en de daarop betaalde rente bedraagt in 2008 € 19.705. Belanghebbende heeft in december 2008 [adres 19a] verhuurd voor € 1.000.

2.4.

Voor het onderhavige jaar heeft belanghebbende aangifte IB/PVV (hierna: de aangifte) gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.386 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.001. In de aangifte heeft belanghebbende ten aanzien van beide monumentenpanden de volgende bedragen vermeld:

Eigen woning:

Aftrek

Forfait [adres 1]

€ 3.184

Forfait [adres 19/19a]

----

Huur [adres 19a]

€ 1.000

Af: Rente hypothecaire geldleningen

€ 52.153

Saldo

-/- € 47.969

Uitgaven voor monumentenpanden:

Monumentenpand

Onderhouds-kosten

[adres 1]

€ 39.065

Af: Drempel

€ 4.342

€ 34.723

[adres 19a]

€ 9.192

Af: Drempel

€ 1.710

€ 7.482

Totaal uitgaven voor monumentenpanden

€ 42.205

2.5.

Bij de aanslagregeling heeft de inspecteur alleen een correctie toegepast op de uitgaven voor monumentenpanden. Hij heeft een bedrag van € 8.118 als onderhoudskosten voor [adres 1] geaccepteerd wat, na toepassing van de drempel van € 4.342, resulteerde in een aftrekpost van € 3.776 en een correctie van € 38.429. Het belastbare inkomen uit werk en woning is vastgesteld op € 111.815.

2.6.

In de bezwaarfase heeft de inspecteur aan onderhoudskosten van [adres 1] alsnog een extra bedrag van € 1.758 in aftrek toegelaten. Het belastbare inkomen uit werk en woning is bij de uitspraak op bezwaar nader vastgesteld op € 110.057.

2.7.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

  1. Dient [adres 19a] in 2008 te worden aangemerkt als eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, tweede lid, van de Wet IB 2001?

  2. Is de correctie van de uitgaven voor monumentenpanden terecht?

[adres 19a]

2.8.

De inspecteur heeft gesteld dat [adres 19a] na de verhuizing in december 2007 geen eigen woning meer is in de zin van artikel 3.111, tweede lid, van de Wet IB 2001 (tekst 2008) omdat niet aannemelijk is dat de woning toen of in 2008 te koop stond, zodat belanghebbende geen recht heeft op aftrek van de hypotheekrente die hij voor dat pand heeft betaald. De voor [adres 19/19a] betaalde hypotheekrente is € 19.705. Omdat bij de aanslagregeling met deze stelling geen rekening is gehouden, zou honorering hiervan er al toe leiden dat de aanslag niet te hoog is.

2.9.

Op grond van artikel 3.111, tweede lid, van de Wet IB 2001 (tekst 2008) wordt een woning mede aangemerkt als eigen woning indien de woning de belastingplichtige in het kalenderjaar of in een van de voorafgaande twee jaar als eigen woning als bedoeld in het eerste lid ter beschikking heeft gestaan en sindsdien leeg staat en hij aannemelijk maakt dat de woning bestemd is voor verkoop.

2.10.

Belanghebbende heeft gesteld dat het pand na de verhuizing bestemd was voor verkoop. De bewijslast daarvan rust op belanghebbende. Uit de (door de inspecteur overgelegde) stukken blijkt dat belanghebbende in februari/maart 2008 contact heeft opgenomen met het makelaarskantoor over een stille verkoop van het pand. Naar het oordeel van de rechtbank is dat zo dicht bij de datum waarop het pand leeg is komen te staan, dat aannemelijk is dat het pand na de verhuizing bestemd was voor de verkoop. Het gegeven dat belanghebbende het pand niet direct na de verhuizing of al vóór de verhuizing te koop heeft gezet, doet daar niet aan af. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat het nog ruim een jaar heeft geduurd voordat de officiële verkoopopdracht aan het makelaarskantoor werd gegeven. Het feit dat belanghebbende geruime tijd heeft onderhandeld met het makelaarskantoor leidt niet tot de conclusie dat het pand toen of tussentijds niet meer bestemd was voor de verkoop.

2.11.

Uit de stukken blijkt echter ook dat belanghebbende het pand in de maand december 2008 heeft verhuurd. Op dat moment werd niet meer voldaan aan de vereisten van artikel 3.111, tweede lid, van de Wet IB 2001 (tekst 2008) omdat het pand niet meer leeg stond.

Dat betekent dat de hypotheekrente van december 2008 voor [adres 19a] niet aftrekbaar is. Tevens heeft belanghebbende gesteld dat de huur van december 2008 van € 1.000 (zie 2.4) niet tot de inkomsten uit eigen woning behoort. De rechtbank acht dit juist en zal belanghebbende daarin volgen.

[adres 19]

2.12.

De inspecteur heeft ter zitting onweersproken gesteld dat belanghebbende ten onrechte de hypotheekrente voor [adres 19] (winkelgedeelte) in aftrek heeft gebracht. Op grond van artikel 3.120, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet IB 2001 behoren alleen de renten van schulden met betrekking tot de eigen woning tot de aftrekbare kosten. Nu [adres 19] geen eigen woning is, kan belanghebbende de daarvoor betaalde hypotheekrente niet in aftrek brengen.

2.13.

Gelet op bovenstaande is niet aftrekbaar:

  • -

    de betaalde hypotheekrente van € 4.891 (€ 90.000/€ 362.579 maal € 19.705) voor [adres 19]; en

  • -

    de betaalde hypotheekrente van december 2008 voor [adres 19a] van € 1.234 (1/12e van (€ 19.705 minus € 4.891))

De uitgaven voor monumentenpanden

2.14.

Voor aftrek van uitgaven voor monumentenpanden gelden verschillende regimes, afhankelijk van de vraag of het pand een eigen woning is of niet. Dergelijke uitgaven zijn aftrekbaar in het jaar dat ze zijn betaald, verrekend, ter beschikking gesteld of rentedragend geworden (artikel 6.40 van de Wet IB 2001). De bewijslast dat recht op aftrek bestaat, rust op belanghebbende. Huurderslasten zoals tuinonderhoud, behangen, binnenverf- en witwerk en kleinere reparaties zijn niet aftrekbaar (HR 5 oktober 1988, nr. 25.613, BNB 1988/321).

2.15.

De volgende door belanghebbende gestelde uitgaven voor monumentenpanden zijn in geschil:

[adres 1]

- Vervanging kastenwand slaapkamer € 6.492. Belanghebbende heeft wel gesteld maar niet aannemelijk gemaakt dat de nieuwe kast noodzakelijk was vanwege slijtage van de oude kasten of anderszins dat sprake was van onderhoud.

- Kleine uitgaven € 3.184,35. Belanghebbende heeft facturen en bonnetjes overgelegd. Voor de bonnetjes geldt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gekochte materialen zijn gebruikt voor werkzaamheden die er toe hebben gestrekt de panden in bruikbare staat te herstellen of te houden. Daarnaast is er één bon die betrekking heeft op [adres 19/19a].

- Factuur [Keukenzaak] gedateerd 6 maart 2008 van € 435,73. Belanghebbende heeft alsnog een bankafschrift overgelegd waaruit blijkt dat de factuur op 27 maart 2008 is voldaan. De inspecteur betwist niet dat ten aanzien van deze kosten sprake is van onderhoud. Dat belanghebbende voormelde kosten al in 2007 in aftrek heeft gebracht, betekent niet dat belanghebbende deze kosten in het jaar (2008) van betaling niet in aftrek mag brengen.

[adres 19a] (woning)

- Factuur [schildersbedrijf] gedateerd 8 juli 2008 van € 4.675,40 voor werkzaamheden aan het pand [adres 19/19a]. Belanghebbende heeft gesteld dat sprake was van buitenonderhoud. Dat is niet aannemelijk nu ook sprake is van huur van een schuurmachine voor de vloer en van verfrollers voor de vloer en kwasten voor vloerlak. In elk geval staat er binnenschilderwerk op de factuur en dat is niet aftrekbaar tenzij het samenhangt met ander onderhoud en dat is niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank acht wel aannemelijk gemaakt dat het stucwerk toilet (€ 199 + 6% omzetbelasting = € 210,94) betrekking heeft op onderhoud. Belanghebbende heeft overigens ook niet aannemelijk gemaakt dat de kosten alleen betrekking hadden op het woondeel van het pand. Als al enig bedrag aftrekbaar is, moet onderscheid worden gemaakt tussen binnenverfwerk (niet aftrekbaar) en buitenverfwerk (wel aftrekbaar) en tevens met toerekening aan het woon- en winkeldeel. Belanghebbende heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat meer aftrekbaar is dan de hiervoor genoemde € 210,94.

- Factuur klusbedrijf [klusbedrijf] € 1.691,23. De factuur is niet gedateerd en er is geen bewijs van betaling overgelegd. Belanghebbende heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van onderhoudskosten die in 2008 zijn betaald.

- Factuur klusbedrijf [klusbedrijf] € 288,58, gedateerd 14 januari 2008. De inspecteur heeft in het verweerschrift aangegeven dat dat bedrag wordt geaccepteerd.

- Kosten opstalverzekering € 731,62. Het betalingsbewijs vermeldt “[adres 19/19a]”. Ter zitting zijn partijen tot overeenstemming gekomen dat een bedrag van 4/5 van € 731,62 = € 585,30 aan het woningdeel kan worden toegerekend.

- Factuur [X Veilingen] van € 799,25. De rechtbank acht wel aannemelijk dat dit bedrag betrekking heeft op het woondeel (nr. 19a), hoewel de factuur is geadresseerd aan het winkeldeel (19). Belanghebbende heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van onderhoudskosten of lasten als bedoeld in artikel 6.31 van de Wet IB 2001. Er staan badkamerspullen op de factuur, maar er is niets gesteld over de staat van de eerder bestaande badkamer. Bovendien heeft belanghebbende geen betalingsbewijs overgelegd. Indien de factuur is betaald na 1 december 2008, moet rekening worden gehouden met het gegeven dat toen geen sprake meer was van een eigen woning en dus van een hoge aftrekdrempel.

- Nu de rechtbank heeft beslist dat sprake is van een eigen woning, moet rekening gehouden worden met afschrijving: 15% van het eigenwoningforfait dat zou gelden voor de woning in de periode tot december 2008. Het eigenwoningforfait berekent de rechtbank op 0,55% x € 100.000 x 11/12 = € 504,17 en de afschrijving op 15% daarvan of € 75,63.

- De in 2008 betaalde OZB en waterschapsbelasting bedragen respectievelijk € 193 en € 47, samen € 240 waarvan € 220 voor de periode tot december.

[adres 19a], woongedeelte box 3 (vanaf december 2008).

Er is geen grond voor enige aftrek, mede gezien de drempel van 4% x € 128.000 = € 5.120. De wet biedt niet de mogelijkheid van vermindering van de drempel naar tijdsgelang.

[adres 19] (winkel)

- De opstalverzekering is niet aftrekbaar omdat geen sprake is van een eigen woning.

- Voor de factuur van [schildersbedrijf] gedateerd 8 juli 2008 verwijst de rechtbank naar hetgeen is overwogen ten aanzien van het woongedeelte.

2.16.

Het vorenoverwogene leidt tot de volgende oordelen:

- Belanghebbende heeft geen recht op extra aftrek voor [adres 1].

- De aftrek voor [adres 19a] eigen woning (tot december 2008) is: € 435,73 + € 210,94 + € 288,58 + € 585,30 + € 75,63 + € 220= € 1.816,18. De drempel is € 750 (0,75% van € 100.000) zodat aftrekbaar is € 1.066,18.

- De aftrek voor [adres 19a] woongedeelte box 3 (december 2008) is nihil.

- De aftrek voor [adres 19] winkelgedeelte is nihil.

2.17.

De rechtbank gaat voorbij aan het aanbod van belanghebbende om [B] en/of [C] als getuige te laten horen. In de uitnodiging voor de zitting is belanghebbende gewezen op de mogelijkheid getuigen mee te brengen. Hij heeft dat niet gedaan en de rechtbank ziet zelf geen reden voor het oproepen van getuigen.

2.18.

Zoals in 2.13 is overwogen, is teveel hypotheekrente afgetrokken en is een deel groot € 6.125 niet aftrekbaar. De aanslag is dus eerder te laag dan te hoog, ook als alsnog rekening wordt gehouden met een aftrek van € 1.066,18 voor [adres 19a] als eigen woning (tot december 2008) en de onterecht aangegeven huur van € 1.000.

2.19.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.20.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 8 augustus 2014 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.