Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:5502

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
05-08-2014
Zaaknummer
2990026-OV-14/2946
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

artt. 4:21; 4:25; 4:23; 4:27 BW.

Erflaatster heeft bij testament niet uitgesloten dat wilsrecht wordt uitgeoefend. Kinderen van erflaatster oefenen wilsrecht uit. Daarbij wijzen zij niet bepaalde goederen met emotionele waarde aan maar maken zij aanspraak op betaling in contanten door stiefouder dan wel zekerheid door middel van overdracht van een aandeel in de woning van stiefouder. Kennisgeving aan andere kinderen. Kinderen stiefouder zijn wel erfgenaam maar in casu geen belanghebbenden in de procedure. Verzorgingsbehoefte stiefouder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2014-0143
ERF-Updates.nl 2014-0122
FJR 2016/30.1

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Tilburg

zaaknummer: 2990026 OV VERZ 14-2946

beschikking op een verzoek ex artikel 4:25 lid 4 BW

inzake

1 [voornaam] [verzoekers],

wonende te [woonplaats 1],

en

2. [voornaam] [verzoekers],

wonende te [woonplaats 2],

verzoekers,

tevens verweerders tegen het voorwaardelijk verzoek,

gemachtigde: mr. M.E.J. de Hart, advocaat te Kaatsheuvel,

tegen

[voornaam] [verweerder],

wonende te[woonplaats 3],

verweerder,

tevens verzoeker van het voorwaardelijk verzoek,

gemachtigde: mr. M. van der Meulen, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V. te 's-Hertogenbosch.

Partijen zullen in het navolgende voor zoveel mogelijk worden aangeduid als [verzoekers], respectievelijk [verweerder].

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

a. het op 17 april 2014 ter griffie ontvangen verzoekschrift met producties nrs. 1 t/m 9;

b. de nadien van [verzoekers] ontvangen productie nr. 10;

c. het daarop ontvangen verweerschrift, tevens houdende een voorwaardelijk verzoek, met

7 producties;

d. het verweerschrift op het voorwaardelijk verzoek.

Het geschil is behandeld ter zitting van 21 mei 2014. Bij die gelegenheid waren verzoeker [voornaam][verzoekers] en verweerder [verweerder] aanwezig, bijgestaan door hun beider gemachtigden. Tevens was aanwezig de belanghebbende [voornaam][verzoekers], broer van [verzoekers]. Verzoekster [voornaam]. [verzoekers] is niet verschenen.

Door de griffier werden aantekeningen gemaakt van het verhandelde.

2 De feiten

Voor de beoordeling van het geschil gaat de kantonrechter uit van het volgende.

- op 20 juli 2009 is te Breda overleden mevrouw [naam] (hierna: erflaatster);

- verzoekers, alsmede de belanghebbende[voornaam]. [verzoekers] zijn geboren uit het eerste

huwelijk van erflaatster;

- erflaatster is in wettelijke gemeenschap van goederen hertrouwd met [verweerder];

- in die gemeenschap viel de echtelijke woning aan de [adres];

- erflaatster heeft bij testament over haar nalatenschap beschikt. Daarin zijn onder meer de

volgende wilsbeschikkingen opgenomen:

II. Erfstelling.

(..)

Ik benoem tot gezamenlijke erfgenamen van mijn nalatenschap mijn echtgenoot, mijn

kinderen alsmede de kinderen van mijn echtgenoot geboren uit zijn eerste huwelijk zulks

echter met uitzondering van zijn zoon de heer[voornaam] [verweerder] (..);

III. Wettelijke verdeling.

Op mijn nalatenschap is afdeling 4.3.1 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing. Ten

aanzien van de vorderingen die in het kader van deze verdeling ontstaan geldt het

volgende:

(..)

3. Zekerheidstelling:

Mijn echtgenoot hoeft geen zekerheid te stellen met betrekking tot bovenvermelde

vorderingen (en de eventuele rente).

4. Betaling in goederen (wilsrechten):

Ten aanzien van de wilsrechten wijk ik niet af van de wettelijke regeling.

(..)

IV. Ongedaanmaking, verwerping, legaten.

Als mijn echtgenoot met gebruikmaking van het bepaalde in artikel 18 van Boek 4 van het

Burgerlijk Wetboek, de wettelijke verdeling ongedaan maakt, of als hij mijn nalatenschap

verwerpt, legateer ik aan hem, onverminderd zijn sub II omschreven erfdeel:

1. (..)

2. het vruchtgebruik van mijn gehele nalatenschap dan wel van die goederen die mijn

echtgenoot mocht verkiezen…(etc.)

- tot de nalatenschap zijn gerechtigd [verweerder], de drie kinderen van erflaatster en drie

kinderen van [verweerder], ieder voor 1/7e deel;

- uit de op 4 augustus 2011 opgemaakte notariële akte van boedelbeschrijving volgt dat het

saldo van de nalatenschap € 88.583,55 bedraagt.

- bij brief van 5 december 2011 aan [verweerder] heeft (de toenmalige gemachtigde van)

verzoeker [voornaam]. [verzoekers] voor het eerst aanspraak gemaakt op het wilsrecht als bedoeld in

artikel 4:21 BW. In die brief werd onder meer aangevoerd dat elk erfdeel € 12.654,79

bedraagt, dat ten gevolge van de wettelijke verdeling [verzoekers] voornoemd een vordering tot

dat bedrag op [verweerder] heeft en werd [verweerder] verzocht een met die vordering

corresponderend aandeel in de eigendom van de echtelijke woning aan [verzoekers] over te

dragen, dan wel de vordering uit te betalen;

- bij brief van 25 oktober 2012 aan [verweerder] heeft ook verzoekster[voornaam]. [verzoekers] een

beroep gedaan op het wilsrecht;

- onder meer bij brief van 2 mei 2013 heeft [verweerder] aan [verzoekers] doen weten dat hij geen

gehoor zal geven aan het verzoek om over te gaan tot uitbetaling of het stellen van

hypothecaire zekerheid;

- de gemachtigde van [verzoekers] heeft ter voldoening aan het bepaalde in artikel 4:25 lid 2 BW,

bij brief van 11 april 2014 aan [voornaam]. [verzoekers] medegedeeld dat[voornaam]. [verzoekers] een beroep

heeft gedaan op het wilsrecht.

3 Het verzoek en het voorwaardelijk tegenverzoek

3.1.1 [verzoekers] hebben verzocht om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht te verklaren dat aan hen het wilsrecht van artikel 4:21 BW toekomt en dat zij dit wilsrecht tijdig hebben uitgeoefend;

  2. te bepalen, dat een met de vorderingen van € 12.654,79 van [verzoekers] op [verweerder] overeenkomend aandeel in de eigendom van de onroerende zaak aan de [adres]kan worden aangemerkt als een volgens het wilsrecht van artikel 4:21 BW aan verzoekers over te dragen goed, en te bepalen dat [verweerder] binnen één maand na de betekening aan hem van de te wijzen beschikking het met de genoemde vordering overeenkomend deel in de eigendom van de genoemde roerende zaak (kantonrechter: bedoeld zal zijn onroerende zaak) aan [verzoekers] dient over te dragen, dan wel te bepalen welke van de tot de nalatenschap behorende goederen door [verweerder] aan [verzoekers] dienen te worden overgedragen en daarbij te bepalen dat deze goederen binnen één maand na de betekening aan [verweerder], door hem aan [verzoekers] dienen te worden overgedragen;

  3. te bepalen dat [verweerder] voor iedere dag dat hij na betekening van de te wijzen beschikking weigert tot uitvoering daarvan over te gaan, een dwangsom verbeurt van

€ 500,00 per dag, tot een door de rechtbank te stellen maximum;

te bepalen dat de te wijzen beschikking in de plaats kan treden van de toestemming van [verweerder] aan de eigendomsoverdracht in het geval hij in gebreke blijft medewerking te verlenen aan de uitvoering van de betekende beschikking, en in de plaats kan treden van de handtekening van [verweerder] op de akte van verdeling waarmee een deel van de eigendom van voormelde onroerende zaak wordt overgedragen aan [verzoekers];

[verweerder] te veroordelen in de kosten van het geding, waaronder de kosten van de bijstand door een notaris.

3.1.2 Daaraan hebben [verzoekers] samengevat het volgende ten grondslag gelegd.

Op grond van het testament en de opgemaakte boedelbeschrijving hebben zij elk een aandeel ter grootte van € 12.654,79 in de nalatenschap van erflaatster verkregen. Doordat de wettelijke verdeling op de nalatenschap van toepassing is zijn alle goederen en schulden van erflaatster toegedeeld aan [verweerder], zodat zij voor wat betreft hun aandeel een vordering tot gemeld bedrag op [verweerder] hebben. Erflaatster heeft in haar testament niet uitgesloten dat terzake een wilsrecht als bedoeld in artikel 4:21 BW kan worden uitgeoefend.

[voornaam] [verzoekers] heeft [verweerder] schriftelijk medegedeeld dat hij van dit recht gebruik maakt en heeft hem in de gelegenheid gesteld om hetzij een met zijn vordering corresponderend aandeel in de voormalige echtelijke woning c.a. waarover [verweerder] thans beschikt, aan hem over te dragen, hetzij over te gaan tot betaling van de vordering. Later heeft [voornaam] [verzoekers] zich hierbij aangesloten en eveneens het wilsrecht ingeroepen. [verweerder] weigert echter aan dit verzoek te voldoen.

3.2.1 [verweerder] heeft verweer gevoerd en heeft geconcludeerd tot niet ontvankelijkheid van [verzoekers] in het verzoek, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [verzoekers] in de proceskosten.

3.2.2 Daartoe heeft hij aangevoerd dat aan zijn kinderen nooit is gevraagd of ook zij een wilsrecht willen uitoefenen, terwijl zij op grond van artikel 4:27 BW eveneens belanghebbenden zijn en een zodanig verzoek kunnen doen. Nu [verzoekers] hen niet heeft aangeschreven dient [verzoekers] niet ontvankelijk te worden verklaard.

3.2.3 Verder heeft hij aangevoerd dat de wijze waarop [verzoekers] gebruik maken van het wilsrecht onrechtmatig is. De vordering is niet opeisbaar en op hem rust geen verplichting om zekerheid te stellen. Uit het testament van erflaatster blijkt ook dat het haar bedoeling is geweest dat hij onder soortgelijke omstandigheden als voorheen door kon leven en niet dat hij tijdens leven moest uitkeren of in zijn beschikkingsmogelijkheden zou worden beperkt.

3.2.4 Voor het geval hij op grond van artikel 4:21 BW wordt verplicht om een aandeel in zijn woning aan [verzoekers] te leveren verzoekt hij te bepalen:

1) dat de overdracht plaatsvindt onder voorbehoud van het recht van vruchtgebruik en

2) dat hij de op de voet van artikel 4:23 lid 2 BW de bevoegdheid heeft tot vervreemding en vertering.

Ter onderbouwing van dit (voorwaardelijke) verzoek heeft [verweerder] gesteld dat zijn vermogen grotendeels wordt gevormd door de woning. Uit de strekking van het testament van erflaatster volgt dat hij ongestoord moest kunnen doorleven. Immers werd daarin aan hem de keuze geboden om hetzij te erven krachtens de wettelijke verdeling, met als gevolg dat hij alle goederen van rechtswege toebedeeld kreeg, hetzij de wettelijke verdeling ongedaan te maken, waardoor hij een keuzelegaat kreeg met de verplichting om de waarde van de gekozen goederen in te brengen, terwijl op het in te brengen bedrag een recht van vruchtgebruik zou worden gevestigd. De woning zal op (korte) termijn moeten worden verkocht. Omdat hij geen pensioenrechten heeft opgebouwd en niet over andere financiële middelen beschikt zal de verkoopopbrengst moeten worden aangewend voor zijn dagelijks onderhoud.

4 De beoordeling

De kantonrechter overweegt het volgende.

4.1

Ten aanzien van de ontvankelijkheid.

4.1.1

Allereerst wordt ten aanzien van de door [verweerder] betwiste ontvankelijkheid van [verzoekers] overwogen dat [verweerder] niet wordt gevolgd in zijn standpunt dat op grond van artikel 4:27 BW ook zijn drie kinderen belanghebbenden in dit geschil zijn. Omdat erflaatster in haar testament ook zijn kinderen tot erfgenaam heeft benoemd zijn ingevolge artikel

4:27 BW de artikelen 4:17 lid 2 BW en 4:25 lid 2 BW eveneens op hen van toepassing en hadden ook zij in de gelegenheid moeten worden gesteld om van het wilsrecht gebruik te maken, aldus [verweerder]. Voorwaarde bij het toekennen van wilsrechten aan een stiefkind is evenwel dat de erflater bij uiterste wilsbeschikking heeft bepaald dat in de wettelijke verdeling het stiefkind als eigen kind wordt betrokken (artikel 4:27 BW). Daarvan is te dezen geen sprake. Anders dan [verweerder] lijkt te menen hebben zijn kinderen dan ook niet dezelfde rechtspositie als de eigen kinderen van erflaatster, ondanks hun benoeming tot erfgenaam en de toepasselijkheid van de wettelijke verdeling overeenkomstig afdeling 4.3.1 BW. Aan [verweerder]’ kinderen komt niet het wilsrecht toe van artikel 4:21 BW waar [verzoekers] gebruik van maken. Dat zij niet als belanghebbenden zijn aangemerkt staat daarom aan de ontvankelijkheid van [verzoekers] niet in de weg.

4.1.2

Daar komt nog bij dat in het geval dat wordt aangenomen dat de kinderen van [verweerder] wel een wilsrecht toekomt, zij door de onderhavige actie van [verzoekers] niet in een slechtere positie komen te verkeren doordat bepaalde zaken uit de nalatenschap en waarop zij mogelijk aanspraak zouden willen maken, uiteindelijk niet langer in het bezit van [verweerder] blijkens te zijn. Achtergrond van de in artikel 25 lid 2 BW bedoelde kennisgeving aan de andere kinderen is dat die tijdig kunnen beslissen of zij ook een beroep willen doen op het wilsrecht, teneinde te voorkomen dat later blijkt dat bepaalde zaken waar zij emotionele waarde aan hechten en waarop zij aanspraak hadden willen maken, reeds zijn ‘opgeëist’ door het kind dat eerder het wilsrecht uitoefende. Waar echter [verzoekers] enkel contanten wensen te verkrijgen, althans zekerheid daarvoor, is er geen risico dat specifieke zaken als hiervoor bedoeld voor de overige gerechtigden kwijtraken. In het zich hier niet voordoende geval dat de kinderen van [verweerder] wel een wilsrecht zou toekomen bestaat dan ook geen grond om [verzoekers] niet in deze procedure te ontvangen.

4.1.3

Ten slotte wordt in dit verband overwogen dat in de wet geen sanctie is opgenomen voor het geval dat niet wordt voldaan aan de in artikel 4:25 lid 2 BW genoemde verplichting om de andere kinderen in kennis te stellen van het voornemen een wilsrecht uit te oefenen. Zelfs indien [verweerder] wordt gevolgd in zijn standpunt dat zijn kinderen belanghebbenden in deze procedure zijn, kan het ontbreken van bedoelde kennisgeving c.q. een oproep om als belanghebbende ter zitting aanwezig te zijn, niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van [verzoekers]. Dit laatste geldt overigens ook in de situatie zoals de onderhavige, waarbij de kennisgeving aan (een van) de andere kinderen wordt gedaan nadat reeds aan de stiefouder is medegedeeld dat een beroep op het wilsrecht wordt gedaan.

4.2

Ten aanzien van de uitoefening van het wilsrecht.

4.2.1

Bij het overlijden van een ouder verkrijgt een kind in beginsel een niet opeisbare geld-vordering, overeenkomend met de waarde van zijn erfdeel, ten laste van de langstlevende (stief)ouder. Laatstgenoemde verkrijgt de goederen van de nalatenschap en de bevoegdheid daarover te beschikken. Deze zogenoemde wettelijke verdeling blijft echter buiten toepassing indien de erflater door middel van een testamentaire wilsbeschikking anders heeft bepaald (artikel 4:13 BW).

4.2.2

Vastgesteld wordt dat erflaatster in haar testament naast haar eigen kinderen, [verweerder] en drie van zijn kinderen tot erfgenaam heeft benoemd en heeft bepaald dat ten aanzien van haar nalatenschap de wettelijke verdeling van toepassing is. Ten aanzien van de vorderingen die haar (stief)kinderen op [verweerder] verkrijgen heeft erflaatster een nadere invulling gegeven aan de wettelijke verdeling. Zij heeft echter uitdrukkelijk bepaald dat zij niet wenste af te wijken van de wettelijke regels omtrent de wilsrechten. Dit betekent dat ingevolge artikel 4:21 BW [verweerder] verplicht is om op het verzoek van [verzoekers], aan hen goederen over te dragen met een waarde van ten hoogste de geldvordering die [verzoekers] uit hoofde van de wettelijke verdeling op hem hebben verkregen.

4.2.3

[verweerder] erkent dat [verzoekers] het wilsrecht van artikel 4:21 BW toekomt. Gelet hierop en waar aan de uitoefening van het wilsrecht geen termijn is gesteld en derhalve een rechts-vordering terzake eerst na verloop van twintig jaren verjaart (artikel 3:306 BW), kan de verzochte verklaring voor recht worden afgegeven.

4.2.4

[verweerder] heeft betoogd dat de wijze waarop [verzoekers] het aan hen toekomende wilsrecht wensen uit te oefenen, onrechtmatig is. Immers, zo heeft hij gesteld, is de vordering niet opeisbaar, terwijl op hem ook niet de verplichting rust om zekerheid te stellen voor de erfdelen van [verzoekers]. Uit het testament blijkt ook dat het de bedoeling van erflaatster is geweest dat hij onder soortgelijke omstandigheden als voorheen door kon leven en niet dat hij tijdens leven zou moeten uitkeren of zou worden beperkt in zijn mogelijkheden om over goederen van de nalatenschap te beschikken, aldus [verweerder].

4.2.5

Overwogen wordt dat erflaatster in haar testament niet de in artikel 4:21 BW bedoelde verplichting van [verweerder] om op het verzoek van [verzoekers] goederen over te dragen, heeft uitgesloten of beperkt. Uit de tekst van artikel 4:21 BW volgt reeds dat deze wetsbepaling derogeert aan artikel 4:13 BW. Met andere woorden, de verplichting van de stiefouder om op het verzoek van een stiefkind goederen over te dragen ter voldoening van de geldvordering die het stiefkind jegens de stiefouder heeft, doorbreekt het beginsel dat die vordering niet opeisbaar is. Doordat [verzoekers] een beroep hebben gedaan op het wilsrecht komt ten opzichte van hen geen betekenis (meer) toe aan de wilsbeschikking in het testament die inhoudt dat [verweerder] geen zekerheid behoeft te stellen voor de geldvorderingen die de erfgenamen op hem verkrijgen.

4.2.6

Niet in geschil is dat ieders erfdeel in de nalatenschap € 12.654,79 bedraagt. De geld-vorderingen van [verzoekers] staan dan ook vast en dienen op het voorliggende verzoek te worden uitgekeerd door middel van overdracht van goederen tot dat bedrag. De stelling van [verweerder] dat[voornaam] [verzoekers] reeds is voldaan doordat hij sieraden in bewaring zou hebben gekregen is, daargelaten dat bewaring niet gelijkgesteld kan worden aan eigendoms-overdracht, door [verzoekers] gemotiveerd weersproken. Waar [verweerder] geen andere goederen heeft aangewezen zal dan ook het primaire verzoek tot overdracht van een aandeel in de woning zoals geformuleerd bij 3.1.1 onder B hierboven, worden toegewezen.

4.3

Ten aanzien van voorwaardelijke verzoek.

4.3.1

Nu gezien het voorgaande het voorwaardelijke karakter aan het verzoek van [verweerder] is komen te ontvallen, wordt op dat verzoek het volgende overwogen en beslist.

4.3.2

[verweerder] heeft verzocht om de overdracht van een aandeel in zijn woning te laten plaatsvinden onder voorbehoud van het recht van vruchtgebruik, alsmede om aan hem de bevoegdheid tot vervreemding en vertering toe te kennen. Uit de strekking van het testament volgt dat erflaatster hem voor zoveel mogelijk verzorgd heeft willen achterlaten, aldus [verweerder].

4.3.3

Wat er van dat laatste zij, uit artikel 4:21, laatste zin BW volgt dat gezien [verweerder]’ verzoek, de overdracht aan [verzoekers] van het aandeel in de woning zal moeten plaatsvinden onder voorbehoud van het vruchtgebruik daarvan. Artikel 4:23 BW is op het vruchtgebruik van toepassing. Het betreffende verzoek zal dan ook op de hierna vermelde wijze worden toegewezen.

4.3.4

Het verzoek van [verweerder] om aan hem tevens de bevoegdheid toe te kennen tot vervreemding en vertering van het over te dragen aandeel in zijn woning, wordt afgewezen. Krachtens artikel 4:23 lid 2 BW kan een zodanige bevoegdheid worden toegekend indien de verzorgingsbehoefte van [verweerder] dit nodig maakt, doch van dit laatste is de kantonrechter niet overtuigd geraakt. [verweerder] heeft aan zijn verzoek geen deugdelijke cijfermatige onderbouwing ten grondslag gelegd, terwijl het eerst ter zitting gedane aanbod om dit alsnog te doen, te laat is gedaan.

4.4

Ten aanzien van de tenuitvoerlegging.

4.4.1

Teneinde [verweerder] voldoende gelegenheid te geven om tot overdracht van het aandeel in zijn woning over te gaan zal de termijn daarvoor worden gesteld op 8 weken nadat deze beschikking aan hem is betekend.

4.4.2

In aansluiting op het voorgaande zal [verweerder] eerst dwangsommen verbeuren in het geval hij niet binnen die termijn tot de overdracht is overgegaan (artikel 611a lid 4 Rv). Anders dan [verzoekers] hebben verzocht zullen de op te leggen dwangsommen worden bepaald op € 50,00 per dag, met een maximum van € 25.500,00.

4.4.3

Het verzoek om in het geval dat [verweerder] geen medewerking verleent aan de tenuitvoerlegging van deze beschikking, te bepalen dat deze beschikking in de plaats kan treden van diens toestemming voor de eigendomsoverdracht van het betreffende aandeel aan [verzoekers] en van diens handtekening op de (naar de kantonrechter begrijpt:) leveringsakte, kan met inachtneming van het bepaalde in artikel 3:300 BW eveneens worden toegewezen.

5 De kosten

5.5.1 In de omstandigheden van het geval acht de kantonrechter termen aanwezig om de kosten van deze procedure te compenseren, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.5.2 De eveneens verzochte veroordeling van [verweerder] in de kosten van bijstand door een notaris, waarmee naar de kantonrechter veronderstelt wordt bedoeld de kosten in verband met de overdracht en niet de voorafgaande aan deze procedure door[voornaam]. [verzoekers] gemaakte kosten, zal om dezelfde reden worden gecompenseerd, aldus dat [verweerder] voor niet meer dan de helft in die kosten behoeft bij te dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

- verklaart voor recht dat aan [verzoekers] het wilsrecht van artikel 4:21 BW toekomt en zij dit wilsrecht tijdig hebben uitgeoefend;

- verstaat dat een met de vorderingen van [verzoekers] van elk € 12.654,79 overeenkomend aandeel in de eigendom van de onroerende zaak aan de [adres] kan worden aangemerkt als een volgens het wilsrecht van artikel 4:21 BW aan [verzoekers] over te dragen goed;

- veroordeelt [verweerder] om binnen 8 weken na de betekening van deze beschikking het met de voormelde vorderingen overeenkomende aandeel in de eigendom van de vermelde onroerende zaak aan [verzoekers] over te dragen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00 voor iedere dag nadat 8 weken vanaf de betekening van deze beschikking zijn verstreken en [verweerder] niet aan voormelde veroordeling voldoet, met een maximum van € 25.500,00;

  • -

    bepaalt dat voormelde overdracht enkel plaatsvindt met vestiging van het recht van vruchtgebruik als bedoeld in artikel 4:23 BW ten behoeve van [verweerder] en veroordeelt [verzoekers] tot medewerking aan die rechtshandeling;

  • -

    bepaalt dat in het geval [verweerder] niet binnen 8 weken na de betekening van deze beschikking aan de inhoud daarvan heeft voldaan, deze beschikking dezelfde kracht heeft als de toestemming van [verweerder] voor de overdracht van voormeld aandeel in de eigendom van de onroerende zaak aan de Cannabichstraat 36 te Tilburg aan [verzoekers] en van [verweerder] handtekening op de leveringsakte;

- veroordeelt [verweerder] tot betaling van de helft van de notariële kosten in verband met de voormelde overdracht;

- verklaart deze beschikking voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders verzochte af;

- compenseert de kosten van de procedure, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.G.M.H. Bennenbroek en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2014, in tegenwoordigheid van mr. B.A.I.M. Steenbergen als griffier.