Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:5448

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
04-08-2014
Zaaknummer
3142192_E30072014
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot opheffing mentorschap ingediend door (professionele) mentor afgewezen. Kantonrechter motiveert uitgebreid waarom volgens hem de grond voor instellen van het onderhavige mentorschap nog steeds bestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Bergen op Zoom

Zaaknr.: 3142192 OV VERZ 14-3605

[nummer beheerdossier]

beschikking d.d. 30 juli 2014 op een verzoek tot opheffing van het mentorschap

van

[rechthebbende]

1 Het procesverloop

1.1

Bij beschikking van de kantonrechter te Bergen op Zoom d.d. 31 december 2013 zijn de goederen van [rechthebbende], hierna ook te noemen rechthebbende, thans wonende te [adres], onder bewind gesteld met benoeming van [naam] adres houdend te [adres], tot bewindvoerder en [naam], wonende te [adres], tot mentor.

1.2

Op 11 juni 2014 is ter griffie een verzoekschrift van de mentor ontvangen waarin opheffing wordt gevraagd van het mentorschap. De mentor is van mening dat rechthebbende weer in staat is zelf zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard behoorlijk waar te nemen.

Op 22 juli 2014 is bij de rechtbank aanvullende schriftelijke informatie, gedateerd 21 juli 2014, binnengekomen afkomstig van de heer [naam], maatschappelijk werker in dienst van GGZ WNB. Hierin wordt een reactie van de zijde van GGZ WNB naar aanleiding van het onderhavige opheffingsverzoek.

1.3

Bij het verzoek zijn overgelegd:

  • -

    een medische verklaring;

  • -

    verklaring van de mentor;

  • -

    verklaring van de heer [maatschappelijk werker].

1.4

Dit verzoek is mondeling behandeld op 22 juli 2014 in aanwezigheid van:

[rechthebbende], rechthebbende, de heer[mentor], mentor, mevrouw[naam], SMWB, en de heer [maatschappelijk werker], GGZ WNB.

2 De beoordeling

2.1

In het verzoekschrift wordt weergegeven dat recent een gesprek heeft plaatsgevonden tussen rechthebbende, zijn mentor en de coördinatrice van de stichting SMWB en dat uit dat gesprek naar voren is gekomen dat rechthebbende zijn leven weer dusdanig goed op de rails heeft gekregen dat het onderhavige mentorschap niet langer meer noodzakelijk zou zijn.

Rechthebbende zou ook goed in staat zijn te verwoorden hoe hij zijn toekomst ziet en welke weg hij is ingeslagen. Om die reden wordt dit opheffingsverzoek gedaan.

2.2

In voormeld schrijven van de GGZ WNB, in de persoon van de heer [maatschappelijk werker], wordt verslag gedaan van de problematiek van rechthebbende in de periode februari 2014 tot 21 juli 2014. Rechthebbende is door de heer [maatschappelijk werker] in diens functie van maatschappelijk werker in de periode oktober 2013 tot en met december 2013 intensief begeleid op de behandelafdeling Dubbele Diagnose. Samengevat speelde op dat moment bij rechthebbende een alcoholverslaving, vermijdingsgedrag m.b.t. het accepteren van hulp voor zijn problematiek en een schuldenlast. Mede om die reden is 31 december 2013 het onderhavige beschermingsbewind en mentorschap ingesteld. De kantonrechter vond dit op dat moment de meest passende beschermingsmaatregelen. Op 18 februari 2014 is rechthebbende met ontslag gegaan uit de klinische opname en behandeling van de afdeling Dubbele Diagnose (DD) van GGZ WNB. Meteen is hierna PIT (Psychiatrische Intensieve Thuiszorg opgestart) en daarnaast werd de behandeling van rechthebbende door middel van ambulante behandeling voortgezet. Aan het einde van de klinische behandeling was deze al opgestart.

In de periode van 18 februari 2014 tot en met 21 juli 2014 hebben zich de volgende zaken voorgedaan:

  • -

    13/03 was er sprake van terugval in alcoholgebruik;

  • -

    14/03 huisbezoek aan rechthebbende, waarbij deze de deur niet opendeed;

  • -

    17/03 rechthebbende was aan het drinken, sloeg het aanbod voor opname af en hij wilde ook niet naar het medicatie spreekuur van de verslavingsarts van het zorgprogramma DD;

  • -

    Tussen 17/03 en 12/06 zijn er zowel momenten geweest waarop het goed ging met rechthebbende, waarbij hij ook het spreekuur van zijn ambulante bezocht, maar ook momenten waarop het niet goed ging met rechthebbende;

  • -

    12/06 heeft er een crisisinterventie plaatsgevonden. Rechthebbende woog op dat moment 43 kg. Het contact met de hulpverlening verliep stroef, rechthebbende deed de deur niet open en hij at nauwelijks. Klinische opname is aangeboden maar rechthebbende weigerde dit aanbod;

  • -

    18/06 blies rechthebbende bij een huisbezoek 3,0 pro mille en hij heeft zich toen laten opnemen;

  • -

    10/07 is rechthebbende voortijdig van de crisisafdeling vertrokken n.a.v. een heropname van een andere patiënt en de evaluatiedatum 14/07 was;

  • -

    maandag 15/07 blies rechthebbende bij een huisbezoek 2,37 pro mille en hij vertelde dat hij vanaf zaterdag aan het drinken was;

  • -

    16/07 opnieuw huisbezoek, waarbij rechthebbende 4,75 pro mille blies waarna hij in crisis is opgenomen, eerst op de afdeling SEP waarna hij op 17/07 is overgeplaatst naar de klinische behandelafdeling DD.

Volgens de heer [maatschappelijk werker] functioneert rechthebbende goed zolang hij in een groep verblijft. Zodra rechthebbende in eigen omgeving is, slaat de eenzaamheid toe en gaat rechthebbende deze eenzaamheid onder andere opvullen door alcoholgebruik. Omdat dit ook in het verleden al een terugkerend patroon was, heeft het behandelteam eind 2013/begin 2014 al voorgesteld aan rechthebbende om naar een beschermde woonvorm te gaan. Rechthebbende heeft dit voorstel afgeslagen. Een beschermde woonvorm is volgens de heer [maatschappelijk werker] geen garantie dat er geen terugval zal zijn maar verkleint de kans hierop wel. De heer [maatschappelijk werker] adviseert het mentorschap over rechthebbende niet op te heffen. Gelet op de ernst van de problematiek bij rechthebbende en diens lichamelijke gezondheid verdient het volgens hem aanbeveling het huidige mentorschap in stand te laten.

2.3

Ter zitting heeft rechthebbende verklaard dat hij uiteindelijk ook wel inziet dat het mentorschap gehandhaafd dient te worden. Hij wenst desgevraagd het -namens hem door zijn mentor gedane- opheffingsverzoek echter niet in te trekken. Hij wil graag een gemotiveerde beslissing waaruit blijkt waarom het opheffingsverzoek wordt afgewezen. Rechthebbende meent zelf dat aan zijn gezondheid niets mankeert.

2.4

De kantonrechter heeft ter zitting van 22 juli 2014 al aan rechthebbende medegedeeld, dat hij het onderhavige opheffingsverzoek gaat afwijzen. Hij verwijst hierbij naar wat door de heer [maatschappelijk werker] aan schriftelijke informatie is aangevoerd. Rechthebbende heeft al deze feiten en/of omstandigheden, zoals hiervoor onder 2.2 verwoord, niet weersproken. De kantonrechter heeft hierbij (nogmaals) benadrukt dat bij de door hem te nemen beslissing een belang voorop staat en dat is het belang van rechthebbende. In dat verband wijst de kantonrechter op het belang van een goede communicatie tussen alle betrokken hulpverleners en de mentor enerzijds en rechthebbende anderzijds. Het onderhavige mentorschap zal ook voor onbepaalde tijd worden gehandhaafd omdat op dit moment volstrekt niet valt in te schatten wanneer rechthebbende voldoende stabiel zal zijn om zijn eigen niet-vermogensrechtelijke belangen waar te nemen.

De kantonrechter heeft in dat verband ter zitting richting rechthebbende benadrukt dat hij aan zichzelf dient te werken en dat hij zeker zijn behandelaars niet dient tegen te werken.

2.5

De kantonrechter heeft ter zitting kunnen vaststellen dat rechthebbende zeer goed in staat is “zijn woordje te doen” maar rechthebbende geeft hierbij -naar het oordeel van de kantonrechter- ook blijk (te) weinig zelfinzicht te hebben in de bij hem bestaande (verslavings)problematiek.

2.6

Gelet op bovenstaande zal de kantonrechter het namens rechthebbende door diens mentor gedane opheffingsverzoek afwijzen. De gronden voor instellen van dit mentorschap bestaan nog steeds.

3 De beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzoek tot opheffing van het mentorschap af.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. W.E.M. Verjans en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 juli 2014.

Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld:

door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Het beroepschrift moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.