Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:5409

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
C/02/271634 / HA ZA 13-803
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2016:1506
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Schending zorgplicht op diverse momenten door assurantietussenpersoon gespecialiseerd in paardenverzekeringen jegens nieuwe cliënt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 5, p. 252

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/271634 / HA ZA 13-803

Vonnis van 23 juli 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE ESDOORN BCI BV,

gevestigd te Doorn,

eiseres,

advocaat: mr. J.H.C. Visser,

tegen

[gedaagde] onder meer h.o.d.n. EQUINE RISK,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat: mr. W.A.M. Rupert.

Partijen zullen hierna de Esdoorn en Equine Risk genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 12 maart 2014 met de daarin vermelde stukken,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie gehouden op 17 juni 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

De Esdoorn vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. een verklaring voor recht dat Equine Risk jegens de Esdoorn toerekenbaar tekortgekomen is en aansprakelijk is voor de veroorzaakte materiele en immateriële schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat deze opeisbaar is geworden, althans vanaf de dag der dagvaarding tot die der algehele voldoening

II. veroordeling van Equine Risk tot betaling van € 300.000,-- te betalen als voorschot op de uiteindelijk toe te wijzen schadevergoeding;

III. Equine Risk te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten, tot aan het moment van dagvaarding ter hoogte van de eigen bijdrage van € 129,--;

IV. Equine Risk te veroordelen in de proceskosten.

2.2.

Equine Risk voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

De rechtbank stelt de volgende feiten vast:

- De Esdoorn exploiteert een onderneming in organisatie- en managementtrainingen, waarvan mevrouw [naam bestuurder] (hierna: [naam bestuurder]) voor 80% aandeelhouder en enig bestuurder is.

- Equine Risk is een assurantietussenpersoon gespecialiseerd in paarden-verzekeringen en wordt als eenmanszaak gedreven door de heer [gedaagde] (hierna: [gedaagde]).

- In juli 2009 heeft de Esdoorn een paard met de naam Urona (hierna: het paard) gekocht met als doel het paard in te zetten voor managementtrainingen. De koopovereenkomst dateert van 1 september 2009. De feitelijke levering van het paard heeft in september 2009 plaatsgevonden.

- Op aanraden van de dierenarts die de aankoopkeuring van het paard heeft verricht, heeft [naam bestuurder] Equine Risk benaderd voor het afsluiten van een verzekering.

- Op 3 juni 2009 is een voorlopige dekkingsnotitie (hierna: telefoonnotitie) door een medewerker van Equine Risk opgemaakt waarop zowel de naam van de Esdoorn als [naam bestuurder] staat vermeld.

- Bij brief van 3 juni 2009 van Equine Risk gericht aan de Esdoorn t.a.v. mw. [naam bestuurder] is een aanvraagformulier toegezonden voor een Dood- en ongevallenverzekering. Op het betreffende aanvraagformulier staat onder vraag 3 vermeld dat [naam bestuurder] eigenaar is van het paard. Onder vraag 5 is bij de gewenste verzekering “Uitgebreide verzekering inclusief ziektekosten” aangekruist. Bij de vraag of een aansprakelijkheidsverzekering gewenst is, is het vakje “Ja” aangekruist. Bij vraag
9 ter zake het gebruiksdoel van het paard zijn de vakjes “Rijpaard”, “Recreatie” en “Dressuur” aangekruist.

- Door bemiddeling van Equine Risk is met ingang van 3 juni 2009 een verzekering voor het paard bij ASR Verzekeringen afgesloten. Het betreffende polisblad met polisnummer 100062701 dateert van 13 juli 2009. Op het polisblad staan als verzekeringnemer vermeld: Esdoorn BCI/mw. [naam bestuurder]. Als gebruiksdoel staat vermeld: rijpaard. Bij de verzekeringsvoorwaarden staat vermeld: Uitgebreid (Basis), WA-dekking (Aanvullend) en Ziektekosten Uitg. (Aanvullend).

- Op 16 september 2009 raakt [naam bestuurder] betrokken bij een ongeval veroorzaakt

door het paard en is daarbij gewond geraakt.

- Bij brief van 28 september 2009 heeft [naam bestuurder] de Esdoorn aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het bewuste ongeval met het paard.

- De Esdoorn heeft het ongeval gemeld bij Equine Risk en Equine Risk heeft de aansprakelijkstelling doorgezonden aan ASR.

- Bij brief d.d. 11 december 2009 meldt ASR aan [naam bestuurder] geen dekking te

verlenen voor de door het ongeval van 16 september 2009 ontstane schade omdat de gesloten verzekering voor deze schade geen dekking biedt.

- Bij brief d. d. 2 maart 2010 heeft de toenmalige belangenbehartiger van

de Esdoorn ([naam X]) Equine Risk aansprakelijk gesteld voor de schade aan de zijde van [naam bestuurder] omdat Equine Risk een verkeerde verzekering heeft geadviseerd.

- Equine Risk bevestigt bij brief d.d. 5 maart 2010 de ontvangst van de

aansprakelijkstelling en meldt dat zij de brief heeft doorgezonden aan haar aansprakelijkheidsverzekeraar Bavam.

- Een inhoudelijke reactie van Bavam op de aansprakelijkstelling volgt bij brief d.dis. 25 maart 2010, 10 juni 2013 en 8 juli 2013. Hierbij is iedere aansprakelijkheid van Equine Risk voor de gevolgen van het ongeval van de hand gewezen.

- De standpunten van Bavam zijn door de advocaat van [naam bestuurder] bij brief d.dis.
24 april 2013 en 28 juni 2013 weerlegd.

3.2.

Gelet op de inhoud van de dagvaarding en in het bijzonder het petitum zal de rechtbank de kennelijke verschrijving in punt 30 van de dagvaarding waar staat “is jegens [naam bestuurder] toerekenbaar tekort gekomen” lezen als “is jegens de Esdoorn toerekenbaar tekort gekomen”. Daarnaast zal de rechtbank in het proces-verbaal van de comparitiezitting op pagina 2 in de tweede en derde zin van de tweede alinea de kennelijke verschrijvingen
“10 juli 2010 en september 2010” lezen als “10 juli 2009 en september 2009”.

3.3.

De Esdoorn legt aan haar vorderingen ten grondslag dat Equine Risk toerekenbaar tekortgeschoten is in zijn zorgplicht als assurantietussenpersoon, zodat hij op grond van artikel 6:74 jo 7:401 BW aansprakelijk is voor de schade die de Esdoorn heeft geleden. In dit verband stelt de Esdoorn dat door toedoen van Equine Risk een verkeerde verzekering is afgesloten. In de visie van de Esdoorn had Equine Risk zich actief dienen te verdiepen in de feitelijke situatie en de behoefte van de Esdoorn en had hij bij de aanvraag, het invullen en/of ontvangst van het aanvraagformulier op zijn minst nadere informatie moeten inwinnen, voor zover een en ander niet duidelijk was. De Esdoorn betoogt verder dat uit het polisblad en de voorwaarden in alle redelijkheid niet blijkt dat de verzekering niet op naam van de Esdoorn staat, nu zowel het polisblad als de begeleidende brief van Equine Risk bovenaan de naam van de Esdoorn vermelden. Gelet hierop was dan ook niet op te maken dat de verzekering geen bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering maar een particuliere verzekering betrof op grond waarvan schade van een werknemer van de Esdoorn door een ongeval door toedoen van het paard niet zou worden gedekt.

3.4.

Equine Risk betwist gemotiveerd dat hij tekort geschoten zou zijn in zijn zorgplicht als assurantietussenpersoon. De rechtbank oordeelt, hierbij de verweren van Equine Risk betrekkend, als volgt.

3.5.

Kern van het geschil tussen partijen is de vraag of Equine Risk heeft voldaan aan

zijn zorgplicht en taak in zijn hoedanigheid van assurantietussenpersoon. Hierbij geldt als

uitgangspunt dat ingevolge artikel 7:401 BW een assurantietussenpersoon bij diens werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht dient te nemen, hetgeen ingevolge jurisprudentie van de Hoge Raad (o.a. Hoge Raad 10-01-2003, NJ 2003/375) inhoudt dat de tussenpersoon jegens diens opdrachtgever de zorg heeft te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. In het algemeen mag van een assurantietussenpersoon een actieve benadering van de opdracht-gever worden verwacht; het is zijn taak te waken voor de belangen van de verzekering-nemer/ verzekerde bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Deze zorgplicht strekt zich ook uit tot de fase van advisering voorafgaande aan het tot stand brengen van de verzekeringsovereenkomst, alsmede in de fase ná de totstandkoming van de verzekering. De reikwijdte van deze zorgplicht is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, met name van de aard en inhoud van de opdracht en de belangen van de cliënt voor zover kenbaar voor de tussenpersoon en de overige omstandigheden van het geval. Met dit uitgangspunt zal de rechtbank het geschil tussen partijen beoordelen.

3.6.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft Equine Risk in het onderhavige geval niet gehandeld als van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon mag worden verwacht in het kader van zijn verplichting tot informatievergaring, advisering, doorvragen (onderzoek) en waken voor de belangen van zijn verzekeringnemer. In het onderhavige geval staat vast dat tussen partijen niet eerder een rechtsrelatie heeft bestaan en dat deze eerst in het kader van de onderhavige verzekering is ontstaan. Tussen partijen bestaat verschil van mening over de eerste contactmomenten en hetgeen toen is besproken. De Esdoorn stelt dat zij na advies van de dierenarts die het paard heeft gekeurd de heer [gedaagde] op zijn mobiele telefoon heeft gebeld en dat zij tegen hem gezegd zou hebben dat zij het paard op naam van de Esdoorn wilde verzekeren en dat zij daarbij kenbaar heeft gemaakt dat zij alles wilde verzekeren, waaronder begrepen haar eigen risico. Volgens [naam bestuurder] heeft zij tijdens het betreffende gesprek de naam van de Esdoorn genoemd, waarop de heer [gedaagde] haar een pakketverzekering zou hebben aangeraden. De heer [gedaagde] betwist überhaupt telefonisch met [naam bestuurder] gesproken te hebben. Volgens [gedaagde] heeft [naam bestuurder] enkel telefonisch met een medewerker van Equine Risk ([naam medewerker]) gesproken. Gelet op de stellingname van partijen staat op dit punt niets vast. Wat wel vast staat is dat [naam medewerker] [naam bestuurder] telefonisch te woord heeft gestaan in de fase vóór het tot stand brengen van de betreffende overeenkomst waarbij naar voren is gekomen dat [naam bestuurder] een bedrijf, zijnde de Esdoorn exploiteert. In de van dit gesprek opgemaakte telefoonnotitie d.d. 3 juni 2009 (prod. 1 bij CvA) staat immers bij het vakje achternaam de naam van de Esdoorn vermeld. Desgevraagd is ter comparitiezitting door [gedaagde] verklaard dat de naam van de Esdoorn zoals vermeld op de telefoonnotitie door [naam bestuurder] zal zijn genoemd. Daarmee staat vast dat Equine Risk bekend was met het bestaan van de Esdoorn. Dit gegeven op zichzelf vormde afdoende aanleiding om hierover bij [naam bestuurder] nadere informatie in te winnen, te meer nu in dit geval sprake is van een situatie waarbij Equine Risk te maken heeft met [naam bestuurder] als potentiële nieuwe klant van wie naar aanleiding van de inhoud van de ingevulde telefoonnotitie in ieder geval bekend is, dan wel bekend had behoren te zijn, dat een onderneming aan haar is gelieerd. Op dat moment behoorde Equine Risk te informeren naar het doel van de verzekering en de mogelijke rol en hoedanigheid van de Esdoorn bij eventueel te sluiten verzekeringen. Naar maatstaven van zorgvuldigheid heeft Equine Risk op basis van de inhoud van een enkel telefoongesprek niet zonder meer mogen aannemen dat door [naam bestuurder] als nieuwe klant slechts een privé verzekering werd beoogd en had zij bij [naam bestuurder] in dit verband nadere informatie moeten inwinnen.

3.7.

Dit geldt eveneens ten aanzien van de inhoud van zowel het aanvraagformulier als het polisblad. Door de Esdoorn is als prod. 15 bij dagvaarding een afschrift van het aanvraagformulier overgelegd waarop bij vraag 1 bij de naam van de verzekeringnemer [naam bestuurder] is ingevuld en hierboven tevens de naam van de Esdoorn is vermeld; [naam bestuurder] heeft ter comparitiezitting verklaard dat zij de naam van de Esdoorn op het formulier heeft ingevuld. Daarentegen is door Equine Risk als prod. 2 bij CvA een afschrift van het aanvraagformulier overgelegd waarop bij voormelde vraag enkel de naam van [naam bestuurder] staat vermeld, terwijl het door Equine Risk als prod. 4 bij CvA overgelegde afschrift van het aanvraagformulier gelijk is aan die van de Esdoorn waarop zowel de naam van [naam bestuurder] als de Esdoorn staat vermeld. Ter comparitiezitting is van de zijde van Equine Risk verklaard dat hij het als prod. 2 overgelegde afschrift van het aanvraagformulier heeft ontvangen. Wat hier ook van zij, aangenomen kan worden dat onder verantwoordelijkheid van Equine Risk de naam van de Esdoorn op het aanvraagformulier is geplaatst, nu ter comparitiezitting is verklaard dat het mogelijk is dat [naam medewerker] dan wel een medewerker bij Hippozorg (de door Equine Risk ingeschakelde assurantietussenpersoon) de naam van de Esdoorn op het bewus-te aanvraagformulier heeft ingevuld. [gedaagde] heeft ter comparitiezitting verklaard dat het mogelijk is dat [naam bestuurder] vraag 3 (betreffende de vraag naar de eigenaar van het paard) niet goed heeft begrepen en dat kennelijk op dit punt niet is doorgevraagd. Dit op zichzelf illustreert toereikend dat Equine Risk niet heeft voldaan aan de op hem rustende zorgverplichtingen. Ook hier had Equine Risk zich actief moeten opstellen en dienen te onderzoeken of de informatie juist en volledig was.

3.8.

Verder staat vast dat op het betreffende polisblad zowel de Esdoorn als [naam bestuurder] als verzekeringnemers staat vermeld. [gedaagde] heeft in dit verband verklaard dat hij niet weet waarom de naam van de Esdoorn op het bewuste polisblad staat vermeld. Daarnaast geldt dat gesteld noch gebleken is dat Equine Risk bij het aangaan van de verzekering alsmede ná het sluiten van de betreffende verzekering bij de Esdoorn heeft geverifieerd of zij zich bewust is van de aard en dekkingsomvang van de gesloten verzekering. Dit terwijl, gelet op de inhoud van het bewuste polisblad voor iemand die niet deskundig is op het gebied van verzekeringen - zoals de Esdoorn -, dat bewustzijn niet zo zeer voor de hand ligt dat Equine Risk zich daarvan niet hoefde te vergewissen.

3.9.

Gelet op de op Equine Risk rustende zorgplicht bezien in onderling samenhang en verband met de feitelijke situatie waarbij sprake is van een diffuse naamsvermelding op zowel de telefoonnotitie, het aanvraagformulier én het polisblad had Equine Risk niet zonder meer erop mogen vertrouwen dat een particuliere verzekering werd beoogd en lag het op zijn weg om op dit punt nadere informatie in te winnen. Nu er bovendien vanuit moet worden gegaan dat bij de keuze voor de verzekering Equine Risk de Esdoorn niet heeft geïnformeerd over de aard en dekkingsomvang hiervan, geldt dat hij in zoverre tekort is geschoten in de op hem rustende zorgplicht jegens de Esdoorn. Tot de adviestaak behoort immers een actieve rol en een informatie-inwinverplichting van de assurantietussenpersoon teneinde ontbrekende gegevens te achterhalen en de juistheid respectievelijk volledigheid van in zijn bezit zijnde gegevens te controleren ter vermijding van het risico dat een cliënt een verkeerde verzekering afsluit. Ook in de fase waarin mutaties op een formulier worden aangebracht alsmede in de fase ná de totstandkoming van de verzekering dient een zorgvuldig handelend en bekwaam assurantietussenpersoon zich te vergewissen van de juiste informatie. Van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon mag bovendien worden verwacht dat hij zijn cliënt uitlegt wat er is verzekerd en waartegen en hem tevens informeert over belangrijke polisvoorwaarden. Als hiervoor overwogen dient hij immers te waken voor de belangen van de verzekeringsnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Daarvan uitgaande had Equine Risk in dit verband op eigen initiatief elk risico uit moeten sluiten.

3.10.

Het betoog van Equine Risk dat de naamsvermelding van [naam bestuurder] op het keuringsrapport van de dierenarts in combinatie met het antwoord op vraag 9 van het aanvraagformulier ter zake het gebruiksdoel geen aanleiding vormde om een AVB-verzekering af te sluiten en dat hij op basis van die informatie heeft gehandeld, is onbegrijpelijk en wordt verworpen Hetzelfde geldt voor de ter comparitiezitting van de zijde van Equine Risk gegeven verklaring dat de tenaamstelling op het polisblad geen aanleiding vormde om nadere informatie bij [naam bestuurder] in te winnen omdat het een particuliere verzekering betrof en een tenaamstelling in zo’n geval niet van doorslaggevende betekenis is. Hiermee miskent Equine Risk immers de op hem rustende zorgplicht.

3.11.

Het betoog van Equine Risk aangaande de kwalitatieve aansprakelijkheid van de manegehouder staat los van de onderhavige kwestie en raakt niet zijn eigen rechtsplicht.

3.12.

Uit het voorgaande volgt dat Equine Risk ingevolge artikel 6:74 BW in beginsel gehouden is om de door de Esdoorn geleden schade te vergoeden. De Esdoorn vordert een bedrag van € 300.000,-- bij wijze van voorschot op de geleden schade. Tussen partijen bestaat echter verschil van mening over het causaal verband tussen de tekortkoming en de geleden schade, alsmede over de schade en omvang hiervan en de vraag of sprake is van eigen schuld. Nu de Esdoorn in deze procedure de mogelijkheid van schade en het bestaan van aansprakelijkheid daarvoor voldoende aannemelijk heeft gemaakt, ligt een verwijzing naar de schadestaatprocedure, zoals door de Esdoorn gevorderd, in de rede. In de schade-staatprocedure zullen de discussies op voormelde punten aan de orde komen. Derhalve zal voor recht worden verklaard dat Equine Risk jegens de Esdoorn toerekenbaar tekort is geschoten en aansprakelijk is voor de vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

3.13.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten wordt afgewezen nu gesteld en geenszins gebleken is dat de Esdoorn andere werkzaamheden heeft verricht dan die waarvoor de in de artikelen 237 en 239 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten.

3.14.

Equine Risk zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de tot aan deze uitspraak gevallen proceskosten aan de zijde van de Esdoorn. De kosten aan de zijde van de Esdoorn worden begroot op:

- in debet gestelde explootkosten € 57,53

- betaalde explootkosten € 19,17

- informatiekosten € 3,77

- griffierecht € 75,00

- salaris advocaat € 904,00 (2 punten x tarief € 452,--)

Totaal € 1.059,47

Gezien de aan de Esdoorn verleende toevoeging dienen de in debet gestelde explootkosten als hierna vermeld in het dictum te worden voldaan aan de griffier van de rechtbank.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

verklaart voor recht dat Equine Risk jegens de Esdoorn toerekenbaar tekortgekomen is en aansprakelijk is voor de veroorzaakte schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

4.2.

veroordeelt Equine Risk in de proceskosten, aan de zijde van de Esdoorn tot op heden begroot op € 1.059,47, waarvan € 57,53 aan in debet gestelde explootkosten, na ontvangst van een daartoe strekkend betalingsverzoek van de griffie moet worden voldaan aan de griffier door overmaking op rekeningnummer NL75 RBOS 0569 9905 64 ten name van MvJ 535 te Breda onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer;

4.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Poerink en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2014.