Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:5398

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
C/02/254360 / HA ZA 12-642
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Samenhangende overeenkomsten. Zodanige samenhang tussen koop en huur van zaken voor de inrichting van een keuken dat tekortkoming in de nakoming van verbintenis uit koopovereenkomst meebrengt dat schuldenaar prestatie op grond van huurovereenkomst kan opschorten en ontbinding van de koopovereenkomst tevens ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/254360 / HA ZA 12-642

Vonnis van 2 juli 2014

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LEVENS COOKING & BAKING SYSTEMS BV,

gevestigd te Gilze,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PRORENT NEDERLAND BV,

gevestigd te Gilze,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. M.Th.S. van Gelder,

tegen

[gedaagde] h.o.d.n. IN RAINBOW PANNENKOEKEN-JUNGLE,

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer.

Eisers in conventie zullen hierna Levens en Prorent genoemd worden, terwijl gedaagde in conventie als [gedaagde] zal worden aangeduid.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 4 september 2013 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    het op 3 januari 2014 door de rechtbank ontvangen deskundigenbericht van de heer [deskundige 1] en de heer [deskundige 2];

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht tevens houdende akte vermeerdering van eis van [gedaagde], met een productie;

  • -

    de antwoordconclusie na deskundigenbericht tevens houdende antwoordakte na vermeerdering van eis.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Eiswijziging

2.1.

[gedaagde] heeft haar eis gewijzigd en vordert thans in reconventie, kort weergegeven, voor recht te verklaren dat Levens aansprakelijk is voor de door [gedaagde] geleden schade op grond van de tekortkoming in de nakoming van de op 7 december 2010 gesloten koopovereenkomst, Levens te veroordelen tot vergoeding van die schade op te maken bij staat, voor recht te verklaren dat die koopovereenkomst is ontbonden, Levens te veroordelen tot terugbetaling van de koopsom en Levens te veroordelen tot betaling van € 385,52 excl. BTW wegens in verband met het deskundigenonderzoek gemaakte kosten. Jegens Prorent vordert zij een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst is ontbonden en veroordeling tot terugbetaling van de betaalde huursommen.

2.2.

Levens en Prorent hebben geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging als zodanig, zodat de rechtbank de gewijzigde vorderingen zal beoordelen.

3 De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie:

deskundigenbericht

3.1.

Bij tussenvonnis van 4 september 2013 heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek bevolen teneinde zich te laten voorlichten over de vraag of de bakapparatuur aan de overeenkomst beantwoordt. Zij heeft de heer [deskundige 1] en de heer[deskundige 2] als deskundigen benoemd.

3.2.

In het deskundigenrapport is vermeld dat de bakapparatuur in principe de geëigende apparatuur is voor het maken in een mobiel restaurant van pannenkoeken die aan de gebruikelijk te stellen eisen voldoen, maar dat deze apparatuur (zes bakplaten) in de huidige staat en met de huidige instellingen niet geschikt is om in een continu proces pannenkoeken te bakken die aan die eisen voldoen, onafhankelijk van het gebruikte beslag. De in het rapport aangegeven tekortkomingen zijn de volgende:
(1) de apparatuur is niet voorzien van CE-keur en instructieboek.
(2) de regelaar is begrensd op een maximaal in te stellen temperatuur van 225 C°, terwijl men pannenkoeken bakt tussen 220 en 250° C. De regelaar had dus begrensd moeten worden bij 250° C of hoger, bijvoorbeeld ten behoeve van de verwerking van vlees/spek in de pannenkoek.
(3) de compensatie is door de fabrikant niet ingesteld, waardoor de door de gebruiker in te stellen temperatuur, zoals weergegeven op de display, fors afwijkt van de werkelijke, gemeten temperatuur.
(4) het ‘compensatie regelgebied’ van de regelaar is -20/+20° C, hetgeen in theorie te weinig is voor de dikte van de bakplaat. Dit punt is in de praktijk niet onderzocht, maar als dit in de praktijk ook zo is, dan is het type regelaar niet geschikt voor de toepassing en zal het proces nooit goed ingeregeld kunnen worden.

Als gevolg van verkeerde instelling, is de baktijd van een naturel pannenkoek tussen de 5 en 6 minuten, terwijl die baktijd bij een juiste, constante temperatuur ongeveer 3,5 minuut is. Voorts duurde het opwarmen van de bakplaten drie keer zo lang als gebruikelijk: 60 in plaats van 20 minuten).

Bij het testen kwamen vier van de zes bakplaten (na opbrengen van het beslag) niet op de benodigde temperatuur voor het bakken van pannenkoeken, de baktijd bleek wegens de schommeling van de temperatuur veel langer dan gebruikelijk is en het eindresultaat wordt door de deskundigen als ‘eetbaar’ gekwalificeerd.

Als de apparatuur naar behoren zou zijn ingesteld, is deze geschikt om daarmee pannenkoeken (met ingrediënten) te bakken die aan de daaraan gebruikelijk te stellen eisen voldoen, aldus de deskundigen.

In het rapport is als antwoord op vraag 7 (overige opmerkingen) vermeld:
“(…) De oorzaak van het niet functioneren is enkel het niet juist aansturen van het proces, doordat de regelaars niet juist ingeregeld zijn.
Het is ons inziens de taak en verantwoordelijkheid van de fabrikant om de aansturing van het proces correct in te stellen. (…)
De juiste instelling zal door een ervaren technicus in maximaal 1 uur in te programmeren zijn. Daarmee is ons inziens de apparatuur geschikt om in een continu proces pannenkoeken mee te bakken (120 pannenkoeken per uur/ 6 bakplaten).”

Ten aanzien van de geleverde combisteamers is in het rapport van de deskundigen vermeld dat deze in principe geschikt zijn maar ongebruikelijk zijn om pannenkoeken warm te houden.

3.3.

Partijen hebben geen bezwaren aangevoerd tegen de bevindingen van de deskundigen. De rechtbank acht de conclusies in het rapport voldoende onderbouwd en neemt deze als de hare over.

tekortkoming koopovereenkomst, schadevergoeding en ontbinding

3.4.

De rechtbank heeft reeds in haar tussenvonnis van 7 augustus 2013 onder 3.7 overwogen dat [gedaagde] ervan uit mocht gaan dat zij met de door Levens geleverde bakplaten, gegeven een gebruikelijke bereidingswijze van het beslag en uitgaande van de geleverde soort bakplaten, pannenkoeken (met ingrediënten) kon bakken met een gebruikelijke snelheid en dat zij met die apparatuur een pannenkoek kon bakken die aan de daaraan gebruikelijk te stellen eisen (van onder meer gaarheid en structuur) voldoet. Uit het deskundigenbericht blijkt dat een aantal bakplaten niet op de benodigde temperatuur kwam en dat met de bakplaten als gevolg van de instelling van de regelaars geen pannenkoeken kunnen worden gebakken met de gebruikelijke snelheid. Nog afgezien van de andere in het deskundigenrapport vermelde gebreken, beantwoorden de geleverde bakplaten reeds daarom niet aan de overeenkomst, zodat Levens tekortgeschoten is in de nakoming van haar verbintenis uit de koopovereenkomst. Dat de apparatuur, zoals Levens en Prorent betogen, afgezien van de inregeling geschikt is, doet hier niet aan af.

3.5.

Uit het rapport van de deskundigen blijkt dat het inregelen van de apparatuur door de fabrikant had moeten geschieden. In de verhouding tussen Levens en [gedaagde], dient de tekortkoming daarom op grond van de verkeersopvattingen te worden toegerekend aan Levens. De stelling van Levens dat de tekortkoming niet te wijten is aan haar schuld, en mitsdien niet op die grond kan worden toegerekend, kan onbeantwoord blijven.

3.6.

Een dag nadat [gedaagde] de bakapparatuur heeft getest heeft zij bij e-mail van 27 april 2011 (productie 8 akte) Levens onder meer medegedeeld dat het bakken veel langer duurt dan normaal en dat zij met de in de e-mail genoemde tekortkomingen niet goed aan het werk kan, in verband waarmee zij Levens heeft verzocht om zo spoedig mogelijk contact met haar op te nemen om die tekortkomingen op de kortst mogelijke termijn op te lossen. Naar aanleiding van deze e-mail heeft Levens ten aanzien van één van de door [gedaagde] genoemde problemen, te weten een defect aan de ‘warmtebrug’ (kennelijk ook genoemd: warmhoud etagère’), medegedeeld dat Levens zou proberen een monteur naar [gedaagde] te sturen, hetgeen overigens ook is gebeurd. Ten aanzien van het door [gedaagde] gemelde probleem van de baktijd, heeft Levens evenwel niet veel meer of anders gedaan dan meedelen dat de aan [gedaagde] geleverde bakplaten identiek zijn aan die welke geleverd zijn in Reeuwijk en dat Levens begrepen heeft dat [gedaagde] uitermate tevreden was over de resultaten die met de bakplaten in Reeuwijk konden worden gehaald. Indien de e-mail van 27 april 2011 van [gedaagde] in het licht van de eerder bij brief van 31 maart 2011 gezonden ingebrekestelling (waarin nog niet de hier bedoelde tekortkoming was genoemd) al niet als een ingebrekestelling zou moeten worden aangemerkt, dan heeft [gedaagde] uit de e-mail van Levens van 27 april 2011, waarin het door [gedaagde] genoemde probleem in feite is afgedaan als een omstandigheid die samenhangt met de ondeskundigheid van [gedaagde] om pannenkoeken te bakken, in ieder geval moeten afleiden dat Levens in de nakoming van de verbintenis zou tekortschieten. Mitsdien verkeerde Levens vanaf dat moment krachtens artikel 6:83 sub c BW in verzuim.

3.7.

Levens en Prorent hebben aangevoerd dat [gedaagde] zelf in verzuim verkeert omdat zij correcte nakoming heeft geweigerd. Zij stellen in dit verband dat [gedaagde] op 29 april 2011 een monteur van Levens niet heeft toegelaten tot de trailer voor het verrichten van herstelwerkzaamheden. Verder voeren zij aan dat Levens op woensdag 17 augustus 2011 een gesprek heeft gehad met de heer [naam X], een bemiddelaar van [gedaagde], waarin Levens heeft aangeboden bereid te zijn om de trailer opnieuw te bekijken en nogmaals te kijken of de apparatuur daadwerkelijk deugdelijk functioneert, zoals uit eerdere tests al was gebleken. Zij stellen dat afgesproken werd om op vrijdag 20 augustus 2011 bij [gedaagde] in de trailer te gaan bakken met de door Levens geleverde apparatuur en dat Levens op donderdagavond 19 augustus 2011 nog twee sms-berichten aan [naam X] heeft gestuurd om de afspraak te bevestigen, waarop pas vrijdag tegen het middaguur een reactie kwam van [partner gedaagde], de partner van [gedaagde], die aangaf niet in de gelegenheid te zijn om op korte termijn te gaan bakken en niet op korte termijn te beschikken over beslag. [partner gedaagde] heeft daarbij tevens aangegeven dat hij er niet mee akkoord was dat Levens met eigen personeel en eigen beslag zou komen bakken, terwijl hij verder aangaf dat een gesprek alleen kon plaatsvinden indien Levens op voorhand aansprakelijkheid zou erkennen en bereid zou zijn om direct een voorschot op de schadevergoeding te betalen, aldus Levens en Prorent.

3.8.

Artikel 6:58 BW bepaalt dat de schuldeiser in verzuim komt, wanneer nakoming van de verbintenis verhinderd wordt doordat hij de daartoe noodzakelijke medewerking niet verleent of doordat een ander beletsel van zijn zijde opkomt, tenzij hem de oorzaak van verhindering niet kan worden toegerekend.

3.9.

De rechtbank is van oordeel dat het weigeren van de toegang tot de trailer door [gedaagde] op 29 april 2011 niet als een verhindering kan worden aangemerkt van de nakoming van de verbintenis door Levens. Levens heeft zelf gesteld dat zij haar monteur slechts naar [gedaagde] had gestuurd om een mogelijke storing van de ‘warmhoud etagère’ te verhelpen (16 dagvaarding), hetgeen bevestiging vindt in de hiervoor genoemde e-mail van 27 april 2011 van Levens aan [gedaagde]. Dat Levens die monteur tevens naar [gedaagde] heeft gestuurd om bijvoorbeeld de genoemde problemen met het bakken van de pannenkoeken te verhelpen is niet, in ieder geval niet voldoende gemotiveerd, gesteld.

3.10.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de weigering van [partner gedaagde] om de apparatuur door Levens op vrijdag 20 augustus 2011 te laten testen, in de gegeven omstandigheden evenmin is aan te merken als een verhindering van de nakoming van de verbintenis door Levens als bedoeld in artikel 6:58 BW. Deugdelijke nakoming vereiste, afgaande op de bevindingen van de deskundigen, dat de bakapparatuur door een monteur op juiste wijze zou worden ingeregeld. Het aanbod van Levens om het functioneren van de apparatuur te testen door het bakken van pannenkoeken met die apparatuur, volgens de stelling van Levens en Prorent ter bevestiging van hun standpunt dat er met de apparatuur niets mis was, toont onvoldoende de bereidheid om in voornoemde zin deugdelijk na te komen. In dit verband acht de rechtbank tevens van belang dat het aanbod van Levens werd gedaan nadat [gedaagde] Levens op 10 augustus 2011 in kort geding had gedagvaard, enkele dagen voordat de mondelinge behandeling in kort geding zou plaatsvinden, terwijl Levens noch voorafgaande aan die procedure, noch na afloop van die procedure, zich (nog) bereid heeft getoond om de apparatuur te testen.

3.11.

Levens en Prorent hebben verder aangevoerd dat [gedaagde] als eerste in verzuim verkeerde ten aanzien van haar verplichting tot betaling van de resterende koopprijs voor de apparatuur nu zij al een week voor de levering (30 maart 2011) op grond van de koopovereenkomst verplicht was om 40% van de koopprijs te betalen. Volgens Levens en Prorent brengt dit mee dat [gedaagde] geen recht heeft op ontbinding en opschorting.

3.12.

De rechtbank overweegt dat [gedaagde] weliswaar ingevolge de koopovereenkomst gehouden was om 40% van de koopprijs “een week voor aanvang levering” te betalen, maar dat, ook naar de stellingen van Levens en Prorent, partijen op 16 maart 2011 zijn overeengekomen dat betaling van de resterende termijnen van de koopsom uiterlijk op 2 mei 2011 zou plaatsvinden, kennelijk uit de verkoopopbrengst van het restaurant. Dat die afspraak van de zijde van Levens niet bedoeld was ter vervanging van de bepaling in de koopovereenkomst, is door Levens en Prorent wel gesteld, maar de bedoeling van Levens en Prorent is in dit verband niet doorslaggevend. Niet gesteld is dat dit aan [gedaagde] is medegedeeld of dat zij dit op een andere manier zo had moeten begrijpen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat die afspraak is gemaakt ter vervanging van de afspraak omtrent de betaling in de koopovereenkomst, zodat het verweer van Levens en Prorent reeds daarom moet worden verworpen. Bovendien stellen Levens en Prorent zelf dat met die nadere afspraak ook door hen is bedoeld dat zij zich tot 2 mei 2011 niet op opschorting zouden kunnen beroepen. Bij gebreke van een opschortingsbevoegdheid van Levens, doet een verzuim van [gedaagde] ten aanzien van een door haar te verrichten prestatie niet af aan het ontstaan van verzuim van Levens ten aanzien van de door haar te verrichten prestatie. [gedaagde] heeft zich daarentegen gelet op de vastgestelde tekortkoming van Levens terecht op opschorting beroepen van haar verbintenis tot betaling van het restant van de koopprijs, waardoor Levens eveneens in verzuim is komen te verkeren en [gedaagde] niet meer in verzuim kon komen. Anders dan Levens en Prorent aanvoeren is die opschorting gelet op de aard en de gevolgen van de tekortkoming, ook voor het gebruik van andere zaken dan de bakapparatuur, niet disproportioneel of onaanvaardbaar.

3.13.

Uit het voorgaande blijkt dat Levens toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van haar verbintenis tot levering van deugdelijke bakapparatuur en dat Levens in verzuim verkeert, zodat [gedaagde] recht heeft op vergoeding van schade als gevolg daarvan. Dat het recht op schadevergoeding door de algemene voorwaarden van Levens beperkt is, zoals Levens en Prorent stellen, brengt niet mee dat Levens in het geheel niet gehouden zou zijn tot schadevergoeding. Dit blijkt in ieder geval niet zonder meer uit de door Levens en Prorent geciteerde algemene voorwaarden en dit is overigens onvoldoende gemotiveerd. De door [gedaagde] gevorderde verklaring voor recht dat Levens aansprakelijk is voor de door [gedaagde] geleden schade en nog te lijden schade op grond van de toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de op 7 december 2010 gesloten koopovereenkomst van professionele keukenapparatuur (vordering sub I) is daarom toewijsbaar. Nu de mogelijkheid van schade voldoende aannemelijk is, is de gevorderde veroordeling tot vergoeding van die schade bij staat (vordering sub IV) eveneens toewijsbaar, zij het dat Levens niet gehouden is tot betaling van de wettelijke handelsrente over de schade vanaf het moment van opeisbaarheid, maar tot betaling van de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. Artikel 6:119a BW mist toepassing in geval van een verplichting tot schadevergoeding. De door Levens en Prorent ingenomen stellingen over de (omvang van de) te vergoeden schade en het beroep op eigen schuld kunnen in een eventuele schadestaatprocedure aan de orde komen en behoeven thans geen bespreking.

3.14.

Artikel 6:265 BW bepaalt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt, alsmede dat de bevoegdheid tot ontbinding pas ontstaat wanneer de schuldenaar in verzuim is. Uit hetgeen hiervoor is overwogen en beslist, blijkt dat Levens tekortgeschoten is in de nakoming van haar verbintenis en dat zij in verzuim verkeert, zodat in zoverre aan de voorwaarden voor ontbinding is voldaan.

3.15.

Levens en Prorent hebben zich voorafgaande aan het uitbrengen van het deskundigenbericht op het standpunt gesteld dat de tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt gelet op de bijzondere aard en geringe betekenis daarvan. Zij hebben in dit verband naar voren gebracht dat de geleverde keukenapparatuur reeds lange tijd in bezit is van [gedaagde] en dat zij vrezen dat deze niet meer in dezelfde of ongeschonden staat aan Levens kan worden teruggeleverd, terwijl de waarde daarvan is verminderd. Daarnaast houdt [gedaagde] de trailer en de apparatuur bewust onvindbaar voor Levens, terwijl de apparatuur deugdelijk functioneert, aldus Levens en Prorent.

3.16.

De stelling is na het uitbrengen van het deskundigenbericht niet herhaald. Afgezien hiervan blijkt uit het deskundigenbericht dat sprake is van zodanige tekortkomingen dat de apparatuur met de onjuiste inregeling niet geschikt is om in een continu proces pannenkoeken te bakken die voldoen aan de daaraan gebruikelijk te stellen eisen. Dat de apparatuur deugdelijk functioneert, zoals Levens en Prorent stellen, is mitsdien onjuist. Uit de aard van de tekortkomingen volgt dat [gedaagde] wezenlijk is belemmerd in de exploitatie van haar mobiele pannenkoekenrestaurant. Indien de bakapparatuur niet functioneert, heeft [gedaagde] ook niets aan de andere door Levens geleverde zaken die immers alle bedoeld zijn voor de exploitatie van het restaurant. De rechtbank acht de tekortkoming daarom van dien aard dat deze de ontbinding van de koopovereenkomst rechtvaardigt. Daaraan doen de door Levens en Prorent genoemde omstandigheden, indien deze zouden komen vast te staan, niet af.

3.17.

De conclusie luidt dat ook de door [gedaagde] gevorderde verklaring voor recht dat de koopovereenkomst is ontbonden (vordering sub II), moet worden toegewezen. Artikel 6:271 BW bepaalt dat een ontbinding partijen bevrijdt van de daardoor getroffen verbintenissen en dat, voor zover deze reeds zijn nagekomen, voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties ontstaat. Nu [gedaagde] naar tussen partijen vaststaat reeds 50% van de koopsom heeft betaald, is Levens gehouden om het betaalde bedrag aan [gedaagde] terug te betalen. [gedaagde] is gehouden om de door Levens geleverde zaken terug te geven, voor zover dit mogelijk is. In zoverre is de vordering eveneens toewijsbaar. De vordering dient te worden afgewezen voor zover deze betrekking heeft op de betaling van de wettelijke rente over de koopsom nu niet gesteld is dat Levens ten aanzien van die ongedaanmakingsverbintenis in verzuim verkeert. Ook overigens dient het gevorderde te worden afgewezen nu [gedaagde] daartoe te weinig heeft gesteld.

samenhangende overeenkomsten

3.18.

Volgens [gedaagde] hangt de huurovereenkomst (in feite is sprake van twee overeenkomsten) met Prorent nauw samen met de koopovereenkomst met Levens en brengt die nauwe samenhang mee dat de tekortkoming van Levens inzake de koopovereenkomst tevens de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Zij wijst erop dat Prorent en Levens zustervennootschappen zijn en op hetzelfde adres zijn gevestigd, dat de heer [naam Y], de vertegenwoordiger van Levens, zowel namens Levens als namens Prorent een offerte heeft uitgebracht en namens beiden heeft gefunctioneerd en dat de koopovereenkomst en de huurovereenkomst op dezelfde dag gesloten zijn. Verder stelt zij dat zij niets heeft aan de van Prorent gehuurde zaken nu de bakapparatuur niet geschikt is voor het maken in een mobiel restaurant van pannenkoeken die aan de gebruikelijk te stellen eisen voldoen.

3.19.

Levens en Prorent hebben aangevoerd (voor zover nog relevant) dat de koopovereenkomst niet zodanig verbonden is met de huurovereenkomst dat een ontbinding van de koopovereenkomst tot gevolg moet hebben dat ook de huurovereenkomst niet in stand kan blijven. Gebrekkige inregeling van de bakplaten kan volgens hen niet tot gevolg hebben dat alles wat [gedaagde] heeft aangeschaft en gehuurd ongedaan kan worden gemaakt.

3.20.

Zoals de rechtbank in haar tussenvonnis van 7 augustus 2013 al heeft vastgesteld, heeft [naam Y], als vertegenwoordiger in dienst van Levens, bij brief van 22 november 2010 een prijsopgave gedaan voor en informatie gestuurd over de door [gedaagde] voor de exploitatie van het mobiele pannenkoekenrestaurant benodigde zaken, nadat [gedaagde] Levens daartoe had benaderd. De prijsopgave vermeldt de prijs bij koop van de diverse zaken, maar eveneens, in een aparte kolom, de huurprijs per maand van bepaalde zaken (‘Top Rent’), waarbij het huren van de zaken als alternatief voor het kopen van die zaken is gepresenteerd. In de prijsopgave zijn de geldende condities vermeld indien de klant kiest voor het ‘Top Rent Verhuursysteem voor de aangeboden apparatuur’. De meegezonden informatie op papier van Levens (zowel bovenaan als onderaan de bladzijde is de naam van Levens vermeld) vermeldt hierover:

“Prorent – huurarrangement: Nu gebruiken en later betalen
Het door Levens opgerichte Prorent is al meer dan 25 jaar actief als zelfstandige financiële dienstverlener. Bij Prorent weet men dus hoe uw cijfers geïnterpreteerd moeten worden. Wanneer u snel aan de slag wilt met uw Leventi oven en bovendien wilt beschikken over de oven zonder zorgen, dan geeft het huren van apparatuur u meer vrijheid en minder beperkingen. Gebruik de ovens en laat de techniek en investering over aan ons. Dat is de kracht van deskundige financiering.
De ‘full operational’ huurformule van Prorent stelt u niet alleen in staat uw werkkapitaal elders in te zetten, het geeft ook de ruimte om u te richten op uw core business. Prorent verzorgt de financiële en technische ondersteuning en biedt u de flexibiliteit en de mogelijkheden u aan veranderende marktomstandigheden aan te passen. Ook na de beslissing om te starten met huur blijft er altijd de mogelijkheid de Levanti oven aan te kopen (…)”

Zoals de rechtbank voorts in haar tussenvonnis heeft vastgesteld, heeft [gedaagde] op 7 december 2010 een koopovereenkomst gesloten met Levens met betrekking tot diverse apparatuur en inventaris, en heeft zij op diezelfde dag, na bemiddeling van [naam Y], twee huurovereenkomsten gesloten met Prorent voor de huur van een vaatwasser, twee combi-steamers, een vrieswerkbank, drie koelwerkbanken en een saladette, kennelijk gebruikmakend van het door Levens geboden alternatief voor de koop van die zaken.

3.21.

Uit het voorgaande volgt dat de ondernemingen van Levens en haar zustervennootschap Prorent, in ieder geval in het onderhavige geval, een economische eenheid vormen, met als doel het aan de man brengen van de apparatuur en de inrichting die [gedaagde] nodig had voor de exploitatie van het pannenkoekenrestaurant door middel van koop of huur, waarbij de huuroptie volgens de in de informatie gebezigde bewoordingen in feite als een financieringswijze wordt voorgesteld als alternatief voor de directe aanschaf van de zaken. De huurovereenkomsten zijn slechts door bemiddeling van Levens ([naam Y]) tot stand gekomen en zijn op dezelfde dag gesloten als de koopovereenkomst. De door [gedaagde] gekochte en gehuurde zaken waren alle bedoeld voor de exploitatie van het restaurant. Het is evident dat de huurovereenkomsten niet zouden zijn gesloten indien de koopovereenkomst niet zou zijn gesloten.

3.22.

Op grond van de hiervoor genoemde feiten komt de rechtbank tot het oordeel dat in de gegeven omstandigheden sprake is van een zodanige samenhang tussen de koopovereenkomst en de huurovereenkomsten dat de tekortkoming in de koopovereenkomst, waardoor een normaal te verwachten exploitatie van het mobiele pannenkoekenrestaurant werd belemmerd, meebrengt dat [gedaagde] zich ook jegens Prorent op opschorting van haar prestatie (betaling huur) kon beroepen en voorts, dat de ontbinding van de koopovereenkomst, tevens de ontbinding van de huurovereenkomsten rechtvaardigt. De door [gedaagde] gevorderde verklaring voor recht dat de op 7 december 2010 gesloten huurovereenkomsten zijn ontbonden (vordering sub III) is derhalve toewijsbaar.

3.23.

De rechtbank verwijst voor de gevolgen van deze ontbinding naar hetgeen zij hiervoor ten aanzien van de koopovereenkomst heeft overwogen. Nu [gedaagde] naar tussen partijen vaststaat reeds huur heeft betaald, is Prorent bij gebreke van een verweer op dit punt gehouden om het betaalde bedrag aan [gedaagde] terug te betalen. [gedaagde] is gehouden om de van Prorent gehuurde zaken terug te geven, voor zover dit mogelijk is. In zoverre is de vordering eveneens toewijsbaar. De vordering dient te worden afgewezen voor zover deze betrekking heeft op de betaling van de wettelijke rente over de huursom nu niet gesteld is dat Prorent ten aanzien van die ongedaanmakingsverbintenis in verzuim verkeert. Ook overigens dient het gevorderde te worden afgewezen nu [gedaagde] daartoe niets heeft gesteld. Eventuele andere gevolgen van de ontbinding behoeven geen beoordeling, nu terzake niets is gevorderd.

conventie

3.24.

Hiervoor is geoordeeld dat [gedaagde] bevoegd was om de betaling van het restant van de koopsom en de huurpenningen op te schorten en dat zij gerechtigd is tot ontbinding van zowel de koopovereenkomst als de huurovereenkomsten. Levens en Prorent kunnen daarom geen nakoming vorderen van de betaling van de koopprijs en de huurpenningen, zodat de vorderingen in conventie moeten worden afgewezen.

proceskosten

3.25.

Levens en Prorent dienen als de in het ongelijk gestelde partijen in zowel de conventie als de reconventie in de kosten van het geding te worden veroordeeld die aan de zijde van [gedaagde] zijn gevallen, te vermeerderen met de nakosten als na te noemen. De rechtbank zal de kosten in verband met de comparitie en het deskundigenonderzoek toerekenen aan de reconventie. Omdat de reconventie nauw samenhangt met de conventie, zal de rechtbank het salaris van de advocaat in conventie waarderen op een halve punt van het in reconventie toepasselijke tarief.

De kosten die aan de zijde van [gedaagde] in conventie zijn gevallen, bestaan in het salaris van de advocaat en bedragen € 226,00 (0,5 punt van het in reconventie toepasselijke liquidatietarief volgens tariefgroep II, zijnde € 452,00).

De kosten die aan de zijde van [gedaagde] in reconventie zijn gevallen, zijn de volgende:

  • -

    vastrecht € 821,00

  • -

    salaris advocaat € 1.356,00 (3 punten van het liquidatietarief tariefgroep II)

  • -

    kosten deskundigen € 9.257,17

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis is toewijsbaar.

Dat [gedaagde] beschikt over een rechtsbijstandverzekering, doet er, anders dan Levens en Prorent betogen, niet aan af dat ook het salaris van de advocaat in het kader van de proceskostenveroordeling moet worden meegenomen.

3.26.

[gedaagde] stelt dat zij ten behoeve van het door de rechtbank bevolen deskundigenonderzoek een aggregaat heeft moeten huren om de bakapparatuur van stroom te kunnen voorzien en dat zij een elektricien opdracht heeft gegeven om bij het onderzoek aanwezig te zijn en erop toe te zien dat de stroomtoevoer tijdens het onderzoek correct zou verlopen en vragen van de deskundigen te beantwoorden over die stroomtoevoer. Zij stelt dat zij de elektricien € 300,00 excl. BTW heeft betaald en dat zij € 85,52 excl. BTW heeft betaald voor de huur van een auto om het aggregaat te kunnen vervoeren en vordert veroordeling van Levens tot betaling van deze bedragen.

3.27.

Levens en Prorent hebben betwist dat Levens gehouden is tot betaling van deze kosten. Zij voeren aan (voor zover nog relevant) dat de huur van een aggregaat en de opdracht aan de elektricien niet nodig waren. Uit het deskundigenbericht blijkt volgens Levens en Prorent niet dat dit nodig was en uit de door [gedaagde] overgelegde factuur voor de huur van een auto blijkt volgens hen niet dat de auto voor het vervoer van de aggregaat is gebruikt. Bovendien is niet gebleken dat de huur van een auto noodzakelijk was, aldus Levens en Prorent.

3.28.

De rechtbank stelt voorop dat voor het testen van de bakapparatuur door de deskundigen stroom nodig was. De rechtbank acht onvoldoende gemotiveerd betwist dat daarvoor een aggregaat nodig was met hulp en toezicht van een elektricien. Levens en Prorent hebben immers niet aangegeven waar de stroom anders vandaan had moeten komen. Gelet op de datum van de factuur van de huur van de auto, acht de rechtbank eveneens onvoldoende gemotiveerd betwist dat die kosten gemaakt dienden te worden om het aggregaat naar de trailer te vervoeren. Nu niet weersproken is dat [gedaagde] de kosten heeft gemaakt, heeft [gedaagde] kosten gemaakt die redelijkerwijs nodig waren voor het uit te voeren deskundigenonderzoek. De door [gedaagde] gemaakte kosten, hadden ook door de deskundigen gemaakt moeten worden ter uitvoering van hun onderzoek. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze kosten als deskundigenkosten moeten worden aangemerkt. Dat die kosten niet door de deskundigen zijn gemaakt en niet als deskundigenkosten in het voorschot en de begroting zijn meegenomen, maakt dit niet anders. De rechtbank zal daarom naast de hiervoor genoemde deskundigenkosten ten bedrage van € 9.257,17, een bedrag toewijzen van € 466,48.

4 De beslissing

De rechtbank

in conventie:

4.1.

wijst de vorderingen van Levens en Prorent af;

4.2.

veroordeelt Levens en Prorent in de kosten van het geding in conventie deze voor zover aan de zijde van [gedaagde] gevallen tot heden begroot op € 226,00;

in reconventie:

4.3.

verklaart voor recht dat Levens aansprakelijk is voor de door [gedaagde] geleden schade en nog te lijden schade op grond van de toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de op 7 december 2010 tussen [gedaagde] en Levens gesloten koopovereenkomst van professionele keukenapparatuur;

4.4.

verklaart voor recht dat voornoemde koopovereenkomst is ontbonden, veroordeelt Levens om aan [gedaagde] te voldoen het door haar reeds betaalde bedrag van de koopsom en bepaalt dat [gedaagde] de van Levens gekochte zaken indien en voor zover mogelijk dient terug te geven;

4.5.

verklaart voor recht dat de tussen [gedaagde] en Prorent gesloten huurovereenkomsten van 7 december 2010 zijn ontbonden, veroordeelt Prorent om aan [gedaagde] het door haar reeds betaalde bedrag van de huursom(men) te voldoen en bepaalt dat [gedaagde] de van Prorent gehuurde zaken indien en voor zover mogelijk dient terug te geven;

4.6.

veroordeelt Levens om aan [gedaagde] te vergoeden de als gevolg van de toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst door [gedaagde] geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente over die schade vanaf het moment waarop die is ontstaan tot de dag van voldoening;

4.7.

veroordeelt Levens en Prorent in de kosten van het geding in reconventie deze voor zover aan de zijde van [gedaagde] gevallen tot op heden begroot op € 11.900,65, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen nadat het vonnis aan Levens en Prorent is betekend tot de dag van voldoening;

in conventie en in reconventie:

4.8.

veroordeelt Levens en Prorent in de na dit vonnis ontstane kosten ten bedrage van € 131,00, te vermeerderen met een bedrag van € 68,00 aan salaris en met €73,31 aan explootkosten indien Levens en Prorent niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden;

4.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Louwerse en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2014.1

1 type: coll: