Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:5382

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-08-2014
Datum publicatie
04-08-2014
Zaaknummer
02/700092-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hogere straf dan gevorderd voor opzettelijk aanrijden van zogenaamde ‘bijlman’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/700092-13

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 augustus 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats],

domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman mr. Veen, Frans den Hollanderlaan 14, 4461 HN Goes,

raadsman mr. G. Veen, advocaat te Goes.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 juli 2014, waarbij de officier van justitie mr. J.M. Valente en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegde dat

1.

hij op of omstreeks 07 maart 2013 te 's-Heer Arendskerke, in de gemeente Goes,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en

met voorbedachten rade, althans opzettelijk [slachtoffer] van het leven

te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat

opzet die [slachtoffer] (toen en daar rijdende op een fiets) als bestuurder van

een (bedrijfs)bus (Renault Traffic met kenteken [nummer]) met aanzienlijke

snelheid (circa 31 of 22 kilometer per uur) van achteren heeft aangereden, in

elk geval (hard) op die [slachtoffer] is ingereden, althans met die [slachtoffer]

in botsing is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet

is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht jo. art 45 Wetboek van Strafrecht

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 07 maart 2013 te 's-Heer Arendskerke, in de gemeente Goes,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [slachtoffer], opzettelijk en met voorbedachten rade, althans

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm

beraad en rustig overleg, althans met dat opzet toen en daar als bestuurder

van een (bedrijfs)bus (Renault Traffic met kenteken [nummer]) die [slachtoffer]

(rijdende op een fiets) met aanzienlijk snelheid (circa 31 of 22 kilometer per

uur) van achteren heeft aangereden,in elk geval (hard) op die [slachtoffer] is

ingereden, althans met die [slachtoffer] in botsing is gekomen, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art. 303 Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 07 maart 2013 te 's-Heer Arendskerke, in de gemeente Goes,

als bestuurder van een motorrijtuig (Renault Traffic met kenteken [nummer])

betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval

was veroorzaakt op de Arendstraat, de plaats van het ongeval heeft verlaten,

terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan

een ander (te weten [slachtoffer]) letsel en/of schade was toegebracht;

art 7 lid 1 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 7 maart 2013 opzettelijk het slachtoffer, die op zijn fiets reed, met zijn bedrijfsbus van achteren heeft aangereden. Nu niet is gebleken dat verdachte voorafgaand aan de aanrijding een moment van kalm en rustig overleg, enige tijd van reflectie heeft gehad, heeft hij verzocht verdachte vrij te spreken van poging moord. Hij acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging doodslag. Door met een dusdanige snelheid met een bedrijfsbus tegen een fietser, een onbeschermde verkeersdeelnemer, aan te rijden heeft hij de aanmerkelijke kans aanvaard dat de fietser als gevolg daarvan zou komen te overlijden.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde komt de officier van justitie eveneens tot een bewezenverklaring.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft niet betwist dat verdachte op 7 maart 2013 met zijn bedrijfsbus tegen het fietsende slachtoffer is gereden en dat hij daarna is doorgereden. Feit 2 kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden. Zij heeft ten aanzien van feit 1 betoogd dat er geen sprake is van een poging moord. De verdediging heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd met betrekking tot de vraag of de gedraging van verdachte als poging doodslag dan wel poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel dient te worden gekwalificeerd. Zij heeft daarbij opgemerkt dat er kan worden betwijfeld of je, door met 22 kilometer per uur tegen een fietser aan te rijden, de kans aanvaardt dat hij als gevolg daarvan komt te overlijden. Desondanks kan uit de omvang van de schade aan de bedrijfsbus worden geconcludeerd dat de aanrijding een bepaalde impact heeft gehad.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Op 7 maart 2013 omstreeks 10.08 uur is bij de regionale meldkamer een melding binnen gekomen dat er op de Arendstraat te ’s Heer-Arendskerke een ongeval had plaatsgevonden tussen een personenauto en een fietser. De verbalisant zag ter plaatse een mountainbike staan, waarvan de achterzijde zwaar beschadigd was. De velg was op drie plaatsen gebroken, de band was van de velg gelopen en het zadel en de achterbrug aan de rechterzijde van de fiets waren zwaar geschaafd.1 Hij zag dat het slachtoffer een wond op zijn voorhoofd had. Het slachtoffer verklaarde onsamenhangend over een groen busje en het bedrijf [naam].2 Door een getuige is verklaard dat kort voor de aanrijding aan de overkant van de straat een appelgroene bestelauto had gestaan.3

[slachtoffer] heeft op 7 maart 2013 aangifte gedaan van poging tot doodslag. Hij heeft verklaard dat hij die dag omstreeks 09.00 uur van huis was gegaan om een rondje te fietsen. Hij wist nog dat hij vanuit Heinkenszand in de richting van ’s Heer-Arendskerke reed en vervolgens in de richting van Eindewege. Het eerste dat hij zich daarna kon herinneren was dat hij in een woning op de bank zat. Het slachtoffer vermoedde dat verdachte hem had aangereden, omdat iemand zei dat een groene bus van [naam] hem had aangereden en verdachte in zo’n bestelbus rijdt. Als gevolg van het ongeval had hij een hoofdwond en pijn aan zijn armen en benen. Zijn fiets was volledig vernield.4 Verder heeft aangever verklaard dat hij zelf een paar dagen voor de aanrijding de voordeur van de woning van verdachte [de rechtbank begrijpt dat hij bedoelt van de ouders van verdachte] met een bijl heeft bewerkt en dat hij met een machette op het dak van de schuur heeft staan hakken.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat het slachtoffer zijn ouders op 28 februari 2013 ernstig heeft bedreigd, onder andere door met een bijl op de voordeur te slaan, en daarvoor een aantal dagen in voorlopige hechtenis heeft gezeten. De nacht volgend op de vrijlating van het slachtoffer uit voorlopige hechtenis heeft verdachte bij zijn ouders doorgebracht. De volgende ochtend is hij naar zijn werk gereden, heeft hij de situatie uitgelegd en heeft hij twee vrije dagen opgenomen. Toen hij naar huis reed in de bedrijfsbus van zijn werkgever, zag hij het slachtoffer bij Eindewege rijden en is hij achter hem aangereden. Hij voelde zich op dat moment boos en onmachtig. Hij zag dat het slachtoffer op zijn motorkap viel en doorschoof tegen het raam. Vervolgens viel hij op de grond. Verdachte is daarna doorgereden.5

De bedrijfsbus die verdachte tot zijn beschikking had, een Renault Traffic voorzien van kenteken [nummer]6, is op 10 maart 2013 op aanwijzing van verdachte in een garage aangetroffen. De voorruit was beschadigd en de motorkap had deukschade.7

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij kwaad was vanwege hetgeen het slachtoffer zijn familie had aangedaan. Op het moment dat hij het slachtoffer op 7 maart 2013 zag fietsen, voelde hij naast boosheid vooral ook onmacht. Hij is met zijn bedrijfsbus achter het slachtoffer aangereden, maar niet met de intentie om hem aan te rijden. Waarom hij wel achter hem aan is gereden kon hij niet zeggen, maar dit was op zijn minst om hem aan te spreken op zijn gedrag. Hij heeft zo’n honderd à honderdvijftig meter achter het slachtoffer gereden, toen hij besloot hem aan te rijden. Hij heeft iets gas bijgegeven en hem vervolgens van achteren aangereden. Hij zag dat het slachtoffer met een harde klap op de motorkap terecht kwam en vervolgens op de grond viel. Verdachte heeft een paar seconden stil gestaan, maar toen hij in zijn achteruitkijkspiegel zag dat het slachtoffer overeind kwam is hij door gereden. Hij realiseerde zich toen pas dat hij iemand had aangereden en heeft de bus verborgen.8

Ten aanzien van de primair impliciet primair tenlastegelegde poging moord overweegt de rechtbank het volgende. Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden, zoals hierboven uiteengezet, valt niet zonder meer af te leiden dat verdachte na kalm beraad en rustig overleg het slachtoffer heeft aangereden met de intentie om hem van het leven te beroven. Niet valt uit te sluiten dat verdachte, zoals door hem gesteld, in een opwelling tegen het slachtoffer is aangereden. Ook overigens ziet de rechtbank onvoldoende bewijs in het dossier om tot een bewezenverklaring te komen van de bestanddelen na kalm beraad en rustig overleg. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van de poging moord.

De rechtbank acht de primair impliciet subsidiair ten laste gelegde poging doodslag wel wettig en overtuigend bewezen. De kans dat het slachtoffer ten gevolge van het handelen van verdachte aan zijn verwondingen zou komen te overlijden was naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk. Zij wijst hierbij op de aard van de gedraging. Verdachte is met zijn bestelbus tegen een fietser die voor hem reed aangereden. Weliswaar kan niet worden vastgesteld met welke snelheid verdachte tegen de fiets is aangereden, maar gelet op de gegevens van de black box van de bedrijfsauto9 alsook de schade aan de bedrijfsauto kan worden vastgesteld dat dit met een ten opzichte van de snelheid van de fiets aanzienlijke snelheid moet zijn geweest. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte daarmee willens en wetens de aanmerkelijke kans dat hij door zijn hierboven genoemde handeling het slachtoffer van het leven zou beroven aanvaard. Immers, verdachte had ten tijde van de aanrijding geen invloed op de wijze waarop het slachtoffer na de aanrijding zou vallen. Niet valt uit te sluiten dat het slachtoffer zodanig terecht zou zijn gekomen dat hij ernstige verwondingen aan zijn hoofd had opgelopen, dan wel dat verdachte met zijn bus over hem heen zou zijn gereden. Het is niet aan verdachte te danken dat het slachtoffer als gevolg van de aanrijding geen ernstigere verwondingen heeft opgelopen, of is komen te overlijden. Uit de genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, leidt de rechtbank af dat verdachte aldus heeft gepoogd het slachtoffer van het leven te beroven.

Voorts stelt de rechtbank vast dat uit het gedrag van verdachte na de aanrijding, zoals weergegeven in voornoemde bewijsmiddelen en in zijn verklaring ter zitting, welbewust de plaats van het ongeval heeft verlaten terwijl hij wist dat aan de aangever letsel en schade was toegebracht.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op of omstreeks 07 maart 2013 te 's-Heer Arendskerke, in de gemeente Goes,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en

met voorbedachten rade, althans opzettelijk [slachtoffer] van het leven

te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat

opzet die [slachtoffer] (toen en daar rijdende op een fiets) als bestuurder van

een (bedrijfs)bus (Renault Traffic met kenteken [nummer]) met aanzienlijke

snelheid (circa 31 of 22 kilometer per uur) van achteren heeft aangereden, in

elk geval (hard) op die [slachtoffer] is ingereden, althans met die [slachtoffer]

in botsing is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet

is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 07 maart 2013 te 's-Heer Arendskerke, in de gemeente Goes,

als bestuurder van een motorrijtuig (Renault Traffic met kenteken [nummer])

betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval

was veroorzaakt op de Arendstraat, de plaats van het ongeval heeft verlaten,

terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan

een ander (te weten [slachtoffer]) letsel en/of schade was toegebracht.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het een ernstige zaak betreft. Verdachte heeft een andere, kwetsbare verkeersdeelnemer, moedwillig van de weg gereden. Het slachtoffer had een aantal dagen daarvoor de ouders van verdachte ernstig bedreigd. De officier van justitie heeft, rekening houdend met het tijdsverloop tussen de plegen van de feiten en de berechting daarvan, de persoon van verdachte en de omstandigheden waaronder het is gebeurd, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een werkstraf voor de duur van 180 uur met aftrek van voorarrest, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging kan zich vinden in de vordering van de officier van justitie met dien verstande dat zij heeft bepleit de gevorderde werkstraf te beperken tot 100 à 120 uur. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het slachtoffer een zeer ernstig dreigende situatie heeft veroorzaak in zijn leefomgeving, met name voor de ouders van verdachte. Hij heeft de voordeur van hun woning bewerkt met een bijl en op het dak van hun schuur staan zwaaien met een zwaard. Verdachte is zich er inmiddels terdege van bewust dat hij problemen niet oplost door geweld te gebruiken.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beantwoording van de vraag welke straf of maatregel aan verdachte moet worden opgelegd houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder het is begaan, en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op 7 maart 2013 op de openbare weg de confrontatie gezocht met het slachtoffer [slachtoffer], die zijn ouders een aantal dagen daarvoor ernstig had bedreigd. Verdachte was in zijn bestelbus op weg naar huis toen hij die ochtend het slachtoffer op zijn fiets zag rijden. Hij is vervolgens bewust afgeslagen en achter hem aangereden met de intentie hem in ieder geval op zijn gedrag aan te spreken. Op enig moment heeft hij gas bijgegeven en is hij met een aanzienlijke snelheid met zijn bestelbus tegen de achterkant van de fiets van het slachtoffer aangereden. Het slachtoffer is ten gevolge van deze handeling van verdachte op de motorkap en tegen de voorruit van de bestelbus terecht gekomen en vervolgens op de grond. Hij heeft hierdoor letsel opgelopen en zijn fiets is vernield. Verdachte heeft door zijn handeling gepoogd het slachtoffer van het leven te beroven. Daarna is hij zonder zich om het slachtoffer te bekommeren doorgereden en heeft hij de bestelbus verstopt zodat hij zich aan de gevolgen van zijn daden zou kunnen onttrekken. Dit door verdachte getoonde gedrag getuigt van disrespect voor het lijf en leven van een ander. De rechtbank rekent verdachte dit feit zwaar aan en is van oordeel dat een behoorlijke straf dient te volgen.

Verdachte is blijkens het uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 23 juni 2014 niet eerder veroordeeld.

Over verdachte is op 24 september 2013 een rapport opgemaakt door psycholoog T. Verwerft, onder supervisie van I. Neissen, gz-psychologe. Uit het rapport blijkt dat verdachte functioneert op een beneden gemiddeld intelligentieniveau. De deskundige heeft bij verdachte een stoornis noch een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens vastgesteld. Hij heeft geconcludeerd dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar was. De deskundige schat de kans op herhaling laag in. Hij adviseert aan verdachte op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer.

Reclassering Nederland heeft op 9 april 2013 over verdachte gerapporteerd. De indruk bestaat dat de jarenlange overlast door het slachtoffer, de kwetsbaarheid van de ouders van verdachte en de bedreiging door het slachtoffer kort voor onderhavig incident voor een impulsdelict heeft gezorgd. Verdachte heeft geen problemen op de onderzochte leefgebieden. De reclassering schat het risico op herhaling laag in. Zij heeft geen strafadvies gegeven, wel heeft zij opgemerkt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf negatieve gevolgen zal hebben voor zijn werk, zijn financiële situatie (op termijn), zijn relaties en het emotioneel welzijn van verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de feiten en zal een zwaardere straf opleggen dan door hem is gevorderd. Zij overweegt hiertoe dat het slachtoffer wellicht een aanzienlijk aandeel heeft gehad in onderhavig incident door serieuze bedreigingen te uiten tegenover de ouders van verdachte, maar het is aan verdachte te wijten dat hij niet op een andere wijze hulp heeft gezocht zowel voor zichzelf alsook voor zijn familie. Gelet op straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, van na te melden duur passend en geboden is. Het voorwaardelijk deel dient verdachte er van te weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan enig strafbaar feit. Zij zal daarnaast een werkstraf voor de maximale duur aan verdachte opleggen, omdat zij van oordeel is dat met voornoemde gevangenisstraf niet kan worden volstaan.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 1.313,59 voor feit 1.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering integraal zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Materiële schade

De verdediging heeft de vordering voor zover deze ziet op vergoeding van de door de benadeelde partij gevorderde kosten voor materiële schade niet betwist zodat dit deel van de vordering voor toewijzing gereed ligt. De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Immateriële schade

Verdachte is bereid een bedrag van € 136,41 aan immateriële schade te vergoeden. Vast staat dat verdachte de benadeelde partij, die op zijn fiets reed, van achteren heeft aangereden met zijn bedrijfsbus, hetgeen ook bewezen is verklaard. Er is derhalve sprake van opzettelijk toegebracht letsel en schade. Als gevolg hiervan heeft hij een hoofdwond op gelopen waarvoor hij zich onder medische behandeling heeft moeten laten stellen. De rechtbank acht, gelet op de gebruikelijk in Nederland toegewezen bedragen, een vergoeding van

€ 700,00 aan immateriële schade redelijk en billijk en zal de vordering dan ook toewijzen.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank aan de benadeelde partij toewijzen een bedrag van € 613,59 ter zake van materiële schade en € 700,00 ter zake van immateriële schade.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank het toegewezen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf 7 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, en voor dat bedrag de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 27, 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen de artikelen 7, 176, 178, en 188 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair impliciet primair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair impliciet subsidiair en onder 2 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair impliciet subsidiair: Poging tot doodslag;

feit 2: Overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de
Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 192 (honderd tweeënnegentig) dagen, waarvan 180 (honderd tachtig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- stelt in dit verband vast dat verdachte aldus de opgelegde onvoorwaardelijke vrijheidsstraf reeds heeft ondergaan, voor zover het voorarrest niet op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 240 (tweehonderd veertig) uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderd twintig) dagen;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van

€ 1.313,59 ter zake van feit 1, waarvan € 613,59 ter zake van materiële schade en € 700,00 ter zake van immateriële schade, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf

7 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], € 1.313,59 (feit 1) te betalen, bij niet betaling te vervangen door 23 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Duinhof, voorzitter, mr. K.M. de Jager en mr. J.J.A. Groen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P.M. Philipsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 augustus 2014.

Mr. De Jager is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met registratienummer PL193D 2013026504 van de regiopolitie Zeeland, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 96. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 38 van voornoemd eindproces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 39 van voornoemd eindproces-verbaal.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 39 van voornoemd eindproces-verbaal.

4 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], pagina 35 en 36 van voornoemd eindproces-verbaal.

5 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 9 maart 2013, pagina 24 van voornoemd eindproces-verbaal.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 44 van voornoemd eindproces-verbaal.

7 Het proces-verbaal van bevindingen met als bijlage foto’s van de schade, pagina 46 tot en met 49 van voornoemd eindproces-verbaal.

8 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 juli 2014.

9 Het proces-verbaal van bevindingen black box, pagina 50 van voornoemd eindproces-verbaal.