Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:5364

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-07-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
02/820574-13
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:5267, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte werd verdacht van negen brandstichtingen. Zij is veroordeeld voor vier brandstichtingen die in haar woning hebben gewoed, waarvan drie in één nacht. Verdachte was de enige die bij alle branden thuis was. Niet aannemelijk is geworden dat de branden door een onbekende derde zijn aangestoken, gelet op situatie ter plaatse en de plaats waar de branden zijn ontstaan. Uitgebreide bewijsoverwegingen en schakelbewijs.

Vrijspraak van brandstichting van terrasstoelen bij een café, omdat de gang van zaken rond deze brand nauwelijks overeenkomsten vertoont met de branden in de woning.

Tevens vrijspraak van brandstichtingen in de tuin/schuur van verdachte, omdat, ondanks aantal overeenkomsten met bewezen verklaarde feiten, een alternatief scenario onvoldoende kan worden uitgesloten.

Opgelegde straf 4 jaar. Geen grond voor nader onderzoek in PBC gelet op reeds uitgebrachte uitgebreide rapportage.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/820574-13

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 juli 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1957 te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

gedetineerd in penitentiaire inrichting Zuid-Oost, huis van bewaring Ter Peel te Evertsoord

raadsman mr. J.M.A. Loevendie, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 juli 2014, waarbij de officier van justitie, mr. Smale, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, terzake dat:

1.

zij op of omstreeks 13 augustus 2012 (om ca. 01.15 uur) te Etten-Leur

opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een houtopslag en/of twee/een

schuurtje(s)/berging(en) (behorende bij het/de pand(en) gelegen aan de

[straat 1 + nummer] en/of [straat 1 + nummer])

immers heeft verdachte, toen aldaar (een) brandende lucifer(s) en/of een

brandende aansteker, in elk geval (open) vuur in aanraking gebracht met:

een houtblok/hout en/of een kleedje/gordijntje, althans met (een) brandbare

stof(fen) ten gevolge waarvan (respectievelijk)

- de houtopslag en/of die/dat schuurtje(s)/berging(en) (behorende bij het/de

pand(den) gelegen aan aan de [straat 1 + nummer] en/of [straat 1 + nummer]) geheel of gedeeltelijk

is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar

voor het/de schuurtje(s)/berging(en) van het/de belendend(e) perce(e)l(en), in

elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

en/of

zij op of omstreeks 13 augustus 2012 (om ca. 04.00 uur) te Etten-Leur

opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een schuurtje/berging (behorende bij

het pand gelegen aan de [straat 1 + nummer]), immers heeft verdachte toen aldaar

opzettelijk (een) brandende lucifer(s) en/of een brandende aansteker, in elk

geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandba(a)r(e)

goed/goederen, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan

dat/die schuurtje/berging geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk

geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een/de

schuurtje(s)/berging(en) van een/de belendend(e) perce(e)l(en) in elk geval

gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

2.

zij op of omstreeks 01 oktober 2012 te Etten-Leur opzettelijk brand heeft

gesticht in/aan een (personen)auto (Peugeot 407, eigendom van [slachtoffer]

[slachtoffer]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (een) brandende

lucifer(s) en/of een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur

in aanraking gebracht met (een onderdeel van) die auto en/of een goed in die

auto, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die

(personen)auto en/of een auto van [benadeelde partij 1] en/of een auto (Citroen

Xantia) van [benadeelde partij 2] geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk

geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor (een) andere

auto('s) en/of (een) bo(o)m(en) en/of de weg en/of een plantsoen, in elk geval

gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

3.

zij op of omstreeks 04 februari 2013 te Etten-Leur opzettelijk brand heeft

gesticht in/aan een houtopslag/houtstapel (behorende bij het pand gelegen aan

de [straat 1 + nummer]) immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (een)

brandende lucifer(s) en/of een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk

(open) vuur in aanraking gebracht met hout, althans met (een) brandbare

stof(fen), ten gevolge waarvan die houtopslag/houtstapel geheel of

gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan

gemeen gevaar voor de schutting en/of (een) belendend(e)

schuurtje(s)/berging(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten

was;

4.

zij op of omstreeks 17 maart 2013 te Etten-Leur opzettelijk brand heeft

gesticht in een woning (gelegen aan de [straat 1 + nummer]), immers heeft

verdachte toen aldaar opzettelijk (een) brandende lucifer(s) en/of een

brandende aansteker in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht

met een kledingstuk en/of een tochtstrip en/of papier/karton, althans met

(een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan de voordeur en/of de gang en/of

kleding en/of een deurmat geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk

geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor overige aanwezige

goederen (in die woning) en/of de woning zelf en/of (een) belendend(e)

perce(e)l(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar

en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) bewoner(s) van het/de

belendend(e) perce(e)l(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

5.

zij op of omstreeks 12 augustus 2013 te Etten-Leur opzettelijk brand heeft

gesticht op een terras gelegen aan de [straat 2] (behorende bij cafe [Naam]),

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (een) brandende lucifer(s)

en/of een brandende aansteker in elk geval opzettelijk (open) vuur in

aanraking gebracht met een/meer terrasstoel(en), althans met (een) brandbare

stof(fen), ten gevolge waarvan die terrasstoel(len) en/of de straat(stenen)

geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor (de gevel van) Cafe [Naam] en/of voor

andere terasstoelen en/of terrastafels en/of de straat, in elk geval gemeen

gevaar voor goederen, te duchten was;

6.

zij op of omstreeks 07 oktober 2013 (om ca. 00.20 uur) te Etten-Leur

opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (gelegen aan de [straat 1 + nummer]

[straat 1 + nummer]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (een) brandende

lucifer(s) en/of een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open)

vuur in aanraking gebracht met (een) folder(s)/papier althans met (een)

brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die/dat folders/papier geheel of

gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan

(telkens) gemeen gevaar voor overige (roerende) zaken in de woning en/of de

woning zelf en/of (een) belendend(e) perce(e)l(en) en/of de zich daarin

bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) bewoner(s)

van (een) belendend(e) perce(e)l(en) in elk geval (telkens) levensgevaar en/of

gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

en/of

zij op of omstreeks 7 oktober 2013 (om ca. 02.28 uur) te Etten-Leur

opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (gelegen aan de [straat 1 + nummer]

[straat 1 + nummer]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (een) brandende

lucifer(s) en/of een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open)

vuur in aanraking gebracht met een keukenrol(houder) en/of

handdoeken/theedoeken en/of een insecten(-UV-)lamp, althans met (een)

brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die/dat keukenrol(houder) en/of

handdoeken/theedoeken en/of insecten(-UV-)lamp en/of een keukenmuur en/of een

stopcontact en/of gordijnen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk

geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor overige (roerende)

zaken in de woning en/of de woning zelf en/of (een) belendend(e) perce(e)l(en)

en/of de zich daarin bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor

goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor

[slachtoffer] en/of (een) bewoner(s) van (een) belendend(e)

perce(e)l(en),in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

en/of

zij op of omstreeks 7 oktober 2013 (om ca. 04.31) te Etten-Leur

opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (gelegen aan de [straat 1 + nummer])

heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (een) brandende lucifer(s) en/of een

brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking

gebracht met twee/een fauteuil(s)/stoel(en), althans met (een) brandbare

stof(fen), ten gevolge waarvan die fauteuil(s)/stoel(en) en/of de vloer en/of

het plafond en/of de mu(u)r(en) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in

elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor overige

(roerende) zaken in de woning en/of de woning zelf en/of (een) belendend(e)

perce(e)l(en) en/of de zich daarin bevindende goederen, in elk geval gemeen

gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel voor [slachtoffer] en/of (een) bewoner(s) van (een) belendend(e)

perce(e)l(en),in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel voor een ander of anderen, te duchten was.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 3, 4 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij ten aanzien van feit 6 op de bevindingen van de politie, de brandweer en Forensisch Technisch Onderzoek (FTO), en de verklaringen van verdachte, [slachtoffer] en getuige [getuige 1]. De officier van justitie is van mening dat de drie branden die op 7 oktober 2013 in de woning van verdachte hebben plaatsgevonden, zoals deze onder feit 6 aan verdachte ten laste zijn gelegd, moeten zijn aangestoken door een persoon die in de woning was. Verdachte was de enige die bij alle drie branden thuis was. Haar partner, [slachtoffer], was ten tijde van de eerste brand niet thuis en ten tijde van de tweede en derde brand lag hij te slapen. Op grond van de bevindingen van de brandweer en FTO concludeert de officier van justitie dat de tweede en derde brand niet via het kattenluik of het klepraam door een onbekend gebleven derde kunnen zijn gesticht, zodat verdachte deze moet hebben gesticht.

De brandstichtingen, zoals onder 1, 3 en 4 aan verdachte ten laste zijn gelegd, vertonen op essentiële punten belangrijke overeenkomsten met de gang van zaken van de brandstichtingen zoals onder 6 ten laste zijn gelegd. Aldus is sprake van voldoende schakelbewijs om tevens tot een bewezenverklaring van de feiten 1, 3 en 4 te komen. Deze brandstichtingen vonden immers ook steeds plaats in de nabijheid van de woning van verdachte, in de nacht van zondag op maandag en nadat [slachtoffer] had opgetreden. Voorts heeft verdachte de meeste branden ontdekt en hiervan melding gemaakt.

De officier van justitie vordert ten slotte verdachte vrij te spreken van de aan haar onder 2 en 5 ten laste gelegde feiten, omdat hiervoor onvoldoende (schakel-)bewijs is.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de onder feit 6 ten laste gelegde brandstichtingen kan komen, omdat voldoende wettig bewijs ontbreekt. Er is onvoldoende en slecht onderzoek verricht, waardoor alternatieve scenario’s niet kunnen worden uitgesloten. De branden op 7 oktober 2013 kunnen ook van buitenaf zijn gesticht. Dat er niets op de camerabeelden van de woning is te zien zegt niks, nu die camera een dode hoek had en een derde persoon, voor de camera ongemerkt, dicht langs de achtergevel het pand heeft kunnen naderen en via het kattenluik of het bovenlicht brandende voorwerpen naar binnen heeft kunnen gooien. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de bevindingen van de deskundige [getuige 2] weinig bewijskracht hebben, nu hij niet over forensische expertise beschikt. Ook overigens is er geen onomstotelijk bewijs dat verdachte degene is geweest die de branden op 7 oktober 2013 en de andere ten laste gelegde branden heeft gesticht.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De verdediging heeft aangevoerd dat de deskundige [getuige 2] niet over forensische expertise beschikt. De rechtbank neemt die terechte constatering, gebaseerd op mededelingen van de heer [getuige 2] zelf, in aanmerking bij de weging van diens bevindingen en verklaringen, zulks naast diens deskundigheid voortvloeiend uit zijn jarenlange ervaring als brandweerman.

Feit 6

- 00.20 uur

In de nacht van 6 op 7 oktober 2013 zijn verdachte en haar partner, [slachtoffer], vanuit het centrum van Etten-Leur te voet naar hun woning aan de [straat 1 + nummer] te Etten-Leur gegaan.1 Verdachte liep sneller en was daardoor eerder thuis dan [slachtoffer]. Op beelden van de beveiligingscamera’s2 die aan de woning van verdachte en die van de buren waren bevestigd, is te zien dat verdachte om 00.04 uur thuiskomt. De tijd van de opnameapparatuur liep ongeveer zes minuten achter op de werkelijke tijd, zodat verdachte daadwerkelijk om 00.10 uur thuiskwam. Verdachte3 heeft verklaard dat ze de katten eten heeft gegeven, één in de keuken en één in de achtertuin waarna ze de achterdeur heeft opengelaten, dat ze naar boven is gegaan, dat ze zich heeft uitgekleed, dat ze zich heeft klaargemaakt voor de nacht en dat ze toen naar bed is gegaan. Kort daarna werd ze wakker van een brandlucht. Ze is naar beneden gelopen en zag in de keuken een stapel folders op de grond bij de achterdeur branden. Deze folders lagen eerder die dag op het aanrecht in de keuken. De brandende folders heeft verdachte uitgetrapt. Hierna kwam [slachtoffer] thuis. Blijkens de camerabeelden4 was het toen, rekening houdend met genoemd tijdsverschil, 00.20 uur.

De handelingen die verdachte heeft uitgevoerd nadat zij is thuisgekomen en voordat [slachtoffer]

[slachtoffer] thuiskwam, hebben aldus naar het oordeel van de rechtbank in een tijdsbestek van tien minuten plaatsgevonden.

Volgens verdachte heeft een onbekend gebleven persoon in die tien minuten brand gesticht in hun woning.

De rechtbank overweegt het volgende. Een belangrijk deel van de tien minuten wordt in beslag genomen door de tijd die is gemoeid met de hiervoor genoemde handelingen die door verdachte zijn verricht vanaf het moment dat zij thuis kwam. Het tijdsbestek waarin een onbekende derde de brand moet hebben gesticht is hierdoor beduidend bekort.

Gelet op de verklaring van verdachte dat de folders op het aanrecht lagen en de omstandigheid dat resten van de verbrande folders op de vloer bij de deur bij het kattenluik zijn aangetroffen, moeten die folders door een persoon zijn verplaatst. Aangezien de folders niet via het kattenluik kunnen zijn verplaatst, moet – gelet op het betoog van verdachte – een onbekende derde via de keukendeur of de voordeur – die ook open stond – de woning zijn binnengegaan en de folders hebben gepakt en in brand gestoken. Gezien de zeer korte tijdspanne die een onbekende derde zou hebben gehad om de brand te stichten en gelet op de camerabeelden, waarop niet is te zien dat iemand in die korte periode de woning door de voor- of achterdeur is binnengegaan, noch dat de voor- of achterdeur van de woning werd geopend, terwijl dat gelet op de beelden die zich in het dossier bevinden, wel zichtbaar had moeten zijn, acht de rechtbank het betoog van verdachte dat de folders door een onbekende derde in brand zijn gestoken, niet aannemelijk en ongeloofwaardig. Aldus is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de folders in brand heeft gestoken waarbij gemeen gevaar voor goederen is ontstaan.

Gelet op de omvang van deze brand, die door verdachte met slippers zou zijn uitgeslagen, is de rechtbank van oordeel dat van gemeen gevaar voor personen geen sprake is geweest, zodat de rechtbank verdachte voor dit onderdeel vrijspreekt,

- 02.28 uur

Nadat de politie was vertrokken, zijn verdachte en [slachtoffer] naar bed gegaan. Dezelfde nacht omstreeks 02.30 uur werd verdachte wakker van het brandalarm. Zij zag rook in het trappengat. Ze heeft de voordeur opengezet en vervolgens [slachtoffer] wakker gemaakt. Beneden waren alle ramen en overige deuren gesloten.5 [slachtoffer] is naar beneden gegaan. Er was veel rook in de keuken en hij zag brand tegen de muur in de keuken, op de plaats waar de keukenrolhouder en de insectenlamp hingen. Met water heeft hij het vuur gedoofd.6

De brandweer kwam ter plaatse en constateerde dat de brand was begonnen op de plaats waar de insecten UV-lamp had gehangen. Op die plaats waren namelijk zwarte vegen op de muur te zien, de keukenrolhouder was door de brand bijna weg en het stopcontact was gesmolten.7 In de keuken werden op de grond de verbrande resten van een insectenlamp aangetroffen. De brand van de lamp kan niet veroorzaakt zijn door een technische storing.8

Verdachte gaf direct aan dat de brand door het kattenluik was gesticht, maar dit leek de bevelvoerder van de brandweer niet mogelijk, vanwege de hoogte van de brand en omdat er geen brandschade aan de deur of op de grond was. Bovendien was het plastic vliegengordijn dat voor de keukendeur hing, nog intact.9

Gelet op de bevindingen van de brandweer en de roetsporen die zich door de brand op de muur hebben afgetekend10, is het naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat de brand bij de insecten UV-lamp of de keukenrolhouder is begonnen.

De rechtbank heeft tijdens de schouw op 15 juli 2014 in de woning van verdachte geconstateerd dat deze plek op de muur zich op 1.70 à 1.80 meter hoogte bevindt. Het is onwaarschijnlijk dat een hittebron door het kattenluik naar binnen is gebracht en zo lang tegen of dicht bij de insectenlamp of keukenrolhouder is gehouden, dat deze vlam kon vatten. Bij gelegenheid van de schouw is proefondervindelijk vastgesteld dat weliswaar een persoon met een gestrekte arm nagenoeg volledig door het kattenluik kan reiken, maar de afstand tot voornoemde plek waarop de brand is ontstaan zou vragen om een hulpmiddel van beduidende lengte (één meter of meer) om daarmee de hittebron voldoende dicht bij de voornoemde objecten te brengen om die vlam te laten vatten. Een dergelijke handelwijze acht de rechtbank onmogelijk. Daarbij komt dat er geen sporen die duiden op brand, aan de buitenzijde van de keukendeur ter hoogte van het kattenluik zijn achtergelaten. Voorts zijn er door de bewakingscamera’s aan de achterzijde geen opnamen die kunnen duiden op aanwezigheid van enige derde vastgelegd en zijn er door de politiehond geen verse sporen van een persoon in de brandgang achter de woning aangetroffen11. Geconcludeerd moet daarom worden dat de brand is gesticht door een persoon die zich in de woning bevond. Aangezien [slachtoffer] op het moment van de brandstichting lag te slapen12 en bovendien in beschonken toestand verkeerde13, is niet aannemelijk dat hij degene is geweest de brand heeft gesticht. Dit betekent dat, nu er zich naast [slachtoffer] en verdachte geen andere personen in de woning bevonden, verdachte degene is geweest die de brand in de woning heeft gesticht.

Gelet op de omvang van de brand, de locatie van de brand (in onmiddellijke nabijheid van stopcontacten, papier en gordijnen), de verbrande voorwerpen zoals zichtbaar op de foto’s en de flinke rookontwikkeling die de brand met zich meebracht, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de door verdachte gestichte brand gemeen gevaar voor goederen en personen opleverde.

- 04.31 uur

Die nacht om 03.44 uur hebben de hulpdiensten de woning van verdachte verlaten14. Omdat pas de volgende dag technisch sporenonderzoek zou worden verricht, heeft verdachte twee stoelen onder de toog tussen de keuken en de woonkamer geplaatst, om zodoende de sporen te beveiligen. Verdachte en [slachtoffer] zijn naar bed gegaan. Ongeveer een halfuur later werd [slachtoffer] wederom door verdachte wakker gemaakt omdat er brand in de woning was. [slachtoffer] ging naar beneden, zag een oranje gloed door het zwartgeblakerde glas in de deur van de woonkamer en hoorde het knetteren. Aan het glas van de woonkamerdeur voelde hij dat het erg heet in de woonkamer was.15 Verdachte heeft om 04.31 uur een 112-melding gedaan16. De brandweer constateerde dat de stoelen tussen de keuken en woonkamer in brand stonden en dat de brand hier ook was begonnen17.

Na de brand werd een sporenonderzoek ingesteld, waarbij het volgende werd waargenomen. De stoel die het dichtst bij de achtergevel stond, had de meeste brandschade. De bekleding van de leuningen aan de binnenzijde, de rugleuning en de zitting waren geheel weggebrand. Brandende resten van de zitting waren onder de stoel gevallen, waardoor de vloer onder de stoel deels was verbrand. Het plafond van de keuken en de wanden waren zwaar beroet. Het fineer van de keukenkastjes was door de hitte deels losgekomen. Ook het plafond, de wanden en de randen van het bovenlicht in de woonkamer waren beroet. Gelet op de positie van de stoeltjes wordt gesteld dat de brandhaarden in de stoeltjes mogelijk twee brandhaarden betreffen.

Door het ontbreken van een technische oorzaak en het feit dat drie branden kort na elkaar in dezelfde keuken hebben plaatsgevonden, is geconcludeerd dat de branden zeer waarschijnlijk zijn ontstaan door het opzettelijk in- of aanbrengen van vuur in enigerlei vorm.18

Door de verdediging wordt gesteld dat ook deze derde brand op 7 oktober 2013 niet noodzakelijkerwijs van binnenuit is gesticht, zodat de mogelijkheid dat een onbekende derde de brand van buitenaf heeft aangestoken, aanwezig is. Temeer nu niet onomstotelijk is komen vast te staan dat het klepraam in de woonkamer geheel was gesloten.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

De mogelijkheid om de brand vanuit het kattenluik te stichten, wordt door de brandweer en de forensisch onderzoekers uitgesloten.1920

De brandweer21 en getuige [getuige 1]22 hebben gezien dat de achterdeur van de woonkamer en de keukendeur op de knip zaten, zodat een eventuele derde zich langs deze weg eveneens geen toegang tot de woning heeft kunnen verschaffen. Ook de ramen zouden dicht zijn geweest, maar de forensisch onderzoekers sluiten niet uit dat het bovenlicht, oftewel het klepraam, openstond tijdens de brand.

Met betrekking tot dit bovenlicht overweegt de rechtbank dat [slachtoffer] op 11 december 2013 aan een verbalisant heeft laten zien dat het klepraam in de woonkamer niet goed sloot. Het uitzetijzer was vervangen of verplaatst en de oude schroefgaten waren nu zichtbaar23. Tijdens de schouw op 15 juli 2014 heeft [slachtoffer] verklaard dat het oude uitzetijzer, dat van een andere constructie was, reeds voor de brand op 7 oktober 2013 door een knecht van een aannemer was vervangen door het thans aanwezige nieuwe en dat het door die knecht op deze manier was bevestigd. De oude schroefgaten konden niet gebruikt worden, wellicht omdat de oude schroeven er niet uitgedraaid konden worden. Na de verplaatsing van de bevestigingspunten van het uitzetijzer kon het klepraam niet meer volledig gesloten worden. De knecht van de aannemer zou volgens [slachtoffer] mogelijk niet hebben gecontroleerd of het uitzetijzer op de juiste wijze was bevestigd.

Tijdens de schouw heeft de rechtbank waargenomen dat het klepraam niet geheel gesloten kon worden, omdat het uitzetijzer niet op de juiste manier was bevestigd. Daarbij heeft de rechtbank tevens waargenomen dat in de oude schroefgaten geen afgebroken schroeven zaten, zodat niet duidelijk is geworden waarom nieuwe schroefgaten zijn aangebracht.

De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het uitzetijzer eerst ná de branden op 7 oktober 2013 is verplaatst. Te meer nu niet aannemelijk is dat het uitzetijzer door een vakman op een dusdanige wijze wordt gemonteerd dat het klepraam niet meer afsluitbaar was, nu het deugdelijk monteren van een dergelijk uitzetijzer een eenvoudige klus is die weinig technisch vernuft vraagt.

Wat er ook zij van de mogelijkheid dat het bovenlicht open was, de rechtbank overweegt dat deze brand plaatsvond ongeveer een half uur nadat verdachte en [slachtoffer] zijn gaan slapen. Op de beelden van de bewakingscamera’s is in die tijdsspanne niet te zien dat een onbekende derde in de tuin van verdachte is geweest.

Weliswaar is gebleken dat het bereik van de camera’s niet de gehele tuin van verdachte beslaat – er is sprake van een zogenaamde ‘dode hoek’ – maar aan de camera’s zelf is niet te zien wat het opnamebereik is, zodat de onbekende derde in dat geval anderszins op de hoogte moet zijn geweest van de dode hoek. Deze persoon zou er aldus in geslaagd moeten zijn om in het korte tijdsbestek van het brand stichten in de woning, buiten het bereik van de camera’s te zijn gebleven.

Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat de vuurhaard zich op het zitvlak van één of beide stoel(en) bevond. Ook hier geldt dat een brandstichter van buiten de woning dan via het klepraam (een) brandend(e) voorwerp(en) in het aan drie kanten door hoge zij- en rugleuningen omsloten zitvlak van de stoel(en), zou moeten hebben gegooid, hetgeen in samenhang bezien met hetgeen omtrent dit incident overigens is vastgesteld - een hoogst onwaarschijnlijk scenario oplevert.

Dit alles afgezet tegen de omstandigheid dat verdachte in de uren voorafgaand aan deze brand reeds tweemaal brand heeft gesticht in haar woning, acht de rechtbank de stelling dat een onbekende derde in de woning via het bovenlicht een of twee stoel(en) in brand heeft gestoken zonder binnen het opnamebereik van de camera’s te zijn geweest, uiterst onaannemelijk. Dit betekent dat, nu er zich naast verdachte en de slapende [slachtoffer] geen andere personen in de woning bevonden, verdachte degene is geweest die de brand in de woning heeft gesticht. Gelet op onder meer de verbrande stoelen en de omvang van de brand, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat deze door verdachte gestichte brand gevaar voor goederen en personen opleverde.

Feit 4

Op 17 maart 2013 had [slachtoffer] een optreden in een café te Etten-Leur. Verdachte was hierbij aanwezig, maar is omstreeks 22.30 uur alleen naar hun woning aan de [straat 1 + nummer] te Etten-Leur gegaan24. Ongeveer twintig minuten nadat verdachte is gaan slapen, werd zij wakker van het brandalarm25. Beneden bij de voordeur zag zij rook en om 22.59 uur belde zij het alarmnummer 11226. De brandweer zag brand bij de voordeur aan de binnenzijde van de woning. Verdachte hing op de eerste verdieping uit het raam.27 Uit forensisch sporenonderzoek is het volgende gebleken. In de voortuin van de woning werden verbrande resten aangetroffen, vermoedelijk afkomstig van het gebreide vest dat voor de brand aan de deurklink aan de binnenzijde van de voordeur hing. Aan de buitenzijde van de voordeur werd geen brandschade dan wel roetaanslag aangetroffen. In de brievengleuf en op de briefplaat aan de binnenzijde werd wel roetaanslag waargenomen. In de brievengleuf werden tevens restanten verbrand kunststof, van vermoedelijk de tochtborstel, waargenomen. Op de binnenzijde van de voordeur was een bruinzwarte verkleuring zichtbaar. De lak was aldaar aangetast door warmtestraling. Op de tegelvloer in de hal was een brandpatroon zichtbaar. Op een multiplexplaat op de watermeterput in de hal was een lichte inbranding zichtbaar. De droogloopmat in de hal was voorzien van verschillende brandbeschadigingen. Aan de lange zijde was een gedeelte van de mat volledig weggebrand. Aan de bovenzijde van de mat bevonden zich schroeiplekken. Aan de hand van de brandsporen is geconcludeerd dat de brand vermoedelijk is ontstaan in de brievengleuf van de voordeur, door het al dan niet opzettelijk achterlaten of inbrengen van vuur, in welke vorm dan ook. Het gebreide vest werd vermoedelijk door warmtestraling tot ontbranding gebracht. De bruinzwarte verkleuring op de binnenzijde van de voordeur werd vermoedelijk veroorzaakt door de warmtestraling afkomstig van het brandend vest. Het brandpatroon op de tegelvloer werd vermoedelijk eveneens veroorzaakt door het brandend vest.

Aangezien de woning van verdachte een tussenwoning betreft, was overdracht van de brand naar omliggende woningen mogelijk geweest, indien de brand zich had kunnen ontwikkelen. De brand had zich kunnen uitbreiden door de aanwezigheid van brandend materiaal zoals de houten voordeur en kleding. Ten gevolge van de brand is schade in de woning ontstaan. Tevens was verdachte nog in de woning aanwezig. Gelet hierop was door deze brand gemeen gevaar voor goederen en personen aanwezig.28

Gelet op de conclusie van de forensisch onderzoekers dat de brand vermoedelijk in de brievengleuf van de voordeur is ontstaan, terwijl aan de buitenzijde van de voordeur geen brandschade dan wel roetaanslag is waargenomen, acht de rechtbank aannemelijk dat de brand niet van buitenaf is gesticht, maar door iemand die zich in de woning bevond. Verdachte was op het moment van de brand alleen thuis.

Voorts vertoont de gang van zaken bij deze brand belangrijke overeenkomsten met de gang van zaken bij de drie bewezenverklaarde branden op 7 oktober 2013. De brand heeft immers net als de branden op 7 oktober 2013 gewoed in de woning van verdachte, in de nacht van zondag op maandag en nadat [slachtoffer] heeft opgetreden. Voorts is ook deze brand door verdachte ontdekt kort nadat zij volgens haar verklaring zou zijn gaan slapen. Voor de bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde acht de rechtbank de genoemde feiten en omstandigheden dan ook bruikbaar als schakelbewijs. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte op 17 maart 2013 brand heeft gesticht bij de voordeur van haar woning, waarbij gemeen gevaar voor goederen en personen is ontstaan.

Feit 5

Onder 5 is aan verdachte ten laste gelegd dat zij op 12 augustus 2013 terrasstoelen in brand heeft gestoken, die tegen de gevel van café [Naam] te Etten-Leur stonden. Volgens de aangever vond de brand omstreeks 03.30 uur plaats.

De rechtbank overweegt dat de gang van zaken rond deze brand nauwelijks overeenkomsten vertoont met de branden die op 17 maart 2013 en 7 oktober 2013 hebben plaatsgevonden. Café [Naam] is gelegen in het uitgaanscentrum van Etten-Leur, niet in de omgeving van de woning van verdachte. Voorts lijkt deze brand meer een daad van vandalisme, zodat ook in die zin sprake is van een te ver verwijderd verband. De rechtbank ziet geen ander verband tussen verdachte en deze brand dan het slechts zijdelings relevante feit dat [slachtoffer] daar weleens optredens verzorgde. Nu er tevens geen aanwijzing is dat verdachte zich ten tijde van de brand in de buurt van het café bevond, is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de terrasstoelen in brand heeft gestoken. Zij wordt dan ook van feit 5 vrijgesproken.

Feiten 1, 2 en 3

Op 13 augustus 2012, 1 oktober 2012 en 4 februari 2013 hebben branden gewoed in de directe nabijheid van de woning van verdachte, te weten in de tuin van verdachte en van de buren, het schuurtje van verdachte en de op straat geparkeerde auto van [slachtoffer]. Deze branden vertonen overeenkomsten met de hiervoor bewezenverklaarde branden. Ze zijn immers ook steeds in de nacht van zondag op maandag gesticht, nadat [slachtoffer] had opgetreden. Voorts heeft verdachte de branden, op een na, telkens ontdekt en hiervan melding gemaakt. Hoewel de rechtbank niet de overtuiging heeft dat een derde een aandeel in deze brandstichtingen heeft gehad, aangezien hiervoor geen aanknopingspunten zijn, is naar haar oordeel niet in voldoende mate komen vast te staan dat het verdachte is geweest die de branden heeft gesticht, met name niet nu de branden hebben gewoed op plaatsen die eenvoudig van buitenaf bereikbaar waren waardoor een alternatief scenario hier onvoldoende kan worden uitgesloten. De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en zal haar dan ook van die feiten vrijspreken.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

4.

zij op of omstreeks 17 maart 2013 te Etten-Leur opzettelijk brand heeft

gesticht in een woning (gelegen aan de [straat 1 + nummer]), immers heeft

verdachte toen aldaar opzettelijk (een) brandende lucifer(s) en/of een

brandende aansteker in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht

met een kledingstuk en/of een tochtstrip en/of papier/karton, althans met

(een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan de voordeur en/of de gang en/of

kleding en/of een deurmat geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk

geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor overige aanwezige

goederen (in die woning) en/of de woning zelf en/of (een) belendend(e)

perce(e)l(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar

en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) bewoner(s) van het/de

belendend(e) perce(e)l(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

6.

zij op of omstreeks 07 oktober 2013 (om ca. 00.20 uur) te Etten-Leur

opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (gelegen aan de [straat 1 + nummer]

[straat 1 + nummer]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (een) brandende

lucifer(s) en/of een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open)

vuur in aanraking gebracht met (een) folder(s)/papier althans met (een)

brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die/dat folders/papier geheel of

gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan

(telkens) gemeen gevaar voor overige (roerende) zaken in de woning en/of de

woning zelf en/of (een) belendend(e) perce(e)l(en) en/of de zich daarin

bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) bewoner(s)

van (een) belendend(e) perce(e)l(en) in elk geval (telkens) levensgevaar en/of

gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

en/of

zij op of omstreeks 7 oktober 2013 (om ca. 02.28 uur) te Etten-Leur

opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (gelegen aan de [straat 1 + nummer]

[straat 1 + nummer][straat 1 + nummer], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (een) brandende

lucifer(s) en/of een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open)

vuur in aanraking gebracht met een keukenrol(houder) en/of

handdoeken/theedoeken en/of een insecten(-UV-)lamp, althans met (een)

brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die/dat keukenrol(houder) en/of

handdoeken/theedoeken en/of insecten(-UV-)lamp en/of een keukenmuur en/of een

stopcontact en/of gordijnen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk

geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor overige (roerende)

zaken in de woning en/of de woning zelf en/of (een) belendend(e) perce(e)l(en)

en/of de zich daarin bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor

goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor

[slachtoffer] en/of (een) bewoner(s) van (een) belendend(e)

perce(e)l(en),in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

en/of

zij op of omstreeks 7 oktober 2013 (om ca. 04.31 uur) te Etten-Leur

opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (gelegen aan de [straat 1 + nummer])

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (een) brandende lucifer(s) en/of een

brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking

gebracht met twee/een fauteuil(s)/stoel(en), althans met (een) brandbare

stof(fen), ten gevolge waarvan die fauteuil(s)/stoel(en) en/of de vloer en/of

het plafond en/of de mu(u)r(en) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in

elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor overige

(roerende) zaken in de woning en/of de woning zelf en/of (een) belendend(e)

perce(e)l(en) en/of de zich daarin bevindende goederen, in elk geval gemeen

gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel voor [slachtoffer] en/of (een) bewoner(s) van (een) belendend(e)

perce(e)l(en),in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel voor een ander of anderen, te duchten was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert primair bij tussenvonnis te bepalen dat de zaak wordt aangehouden om verdachte in het Pieter Baan Centrum op te nemen voor een onderzoek naar haar geestvermogens. Subsidiair vordert de officier van justitie aan verdachte een gevangenisstraf van zes jaar met aftrek van voorarrest op te leggen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzet zich tegen aanhouding van de zaak om verdachte in het Pieter Baan Centrum te laten observeren, omdat zij reeds al haar medewerking heeft verleend bij het opstellen van de rapportages en het geen pas geeft om haar in dit stadium nog in het PBC te laten opnemen.

Gelet op het feit dat de raadsman vrijspraak van alle ten laste gelegde feiten heeft gevorderd, heeft hij geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan brandstichting in haar woning. Als gevolg van deze branden is niet alleen gevaar voor goederen en andere woningen ontstaan, maar in drie van de vier gevallen ook voor de personen die zich in de woningen bevonden. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat vuur onvoorspelbaar is en zich zeer snel kan verspreiden en naar belendende woningen kan overslaan als het niet tijdig wordt geblust.

De buren van verdachte hebben vanwege de branden, die in één nacht zelfs tot driemaal toe hebben plaatsgevonden, aangegeven dat zij hun kleinkinderen niet meer te logeren durfden te vragen. Verdachte heeft blijkbaar geen moment stilgestaan bij de ernstige gevolgen die de branden zouden kunnen hebben voor haar partner en andere mensen in haar directe omgeving. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk.

Dat verdachte degene is geweest die meestal alarm sloeg kan daarbij slechts in beperkte mate als een omstandigheid in haar voordeel worden gewogen nu, op grond van het uit zijn aard onvoorspelbare verloop van branden, het zeer wel mogelijk zou zijn geweest dat onbeheersbare branden met ernstiger gevolgen zouden zijn opgetreden, ondanks dat alarmeren.

Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het nagenoeg blanco strafblad van verdachte. Zij is eenmaal eerder, in 2008, veroordeeld op grond van de Wegenverkeerswet waaraan in dit verband geen betekenis toekomt.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de gedragsdeskundige rapportages die over verdachte zijn uitgebracht en waaruit blijkt dat er geen reden is om aan te nemen dat verdachte ten tijde van de gepleegde feiten ontoerekeningsvatbaar was. Deze rapportages zijn gebaseerd op gedegen onderzoek, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet om verdachte in het Pieter Baan Centrum te laten opnemen, zoals door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank heeft op basis van die rapporten niet de verwachting dat een onderzoek in het Pieter Baan Centrum tot meer of andere informatie zal leiden dan thans bekend is.

Bij het multidisciplinair gedragsdeskundig onderzoek d.d. 16 juni 2014 is geen persoonlijkheidsstoornis bij verdachte gediagnosticeerd. De GZ-psycholoog en milieuonderzoeker hebben in de persoonlijkheidsstructuur wel een kwetsbaarheid met narcistische en antisociale trekken waargenomen. Verdachte heeft een periode van jarenlange stress door verschillende ingrijpende gebeurtenissen doorgemaakt en is geneigd de impact hiervan te ontkennen. Haar relaxte, rationele houding past er niet bij. Ze heeft moeite om, ook normaal menselijke, zwakheden te tonen en ze is geneigd om problemen te bagatelliseren en emoties te verdringen. Voor een deel wil ze de pijn vergeten en voor een deel lijkt ze deze bewust buiten beschouwing te laten. Enerzijds toont ze zich onafhankelijk en zelfstandig, maar anderzijds zoekt ze affectie en intimiteit bij haar naasten. Deze manier van omgaan met emoties kenmerkt haar levensloop. Voorts zijn er aanwijzingen voor relatieproblemen. Ongeacht de uitspraak over de ten laste gelegde feiten, acht de psycholoog een behandeling voor de verwerking van de ingrijpende gebeurtenissen in haar leven, almede de relatieproblemen, geïndiceerd. Bij de bespreking van het rapport met verdachte, gaf verdachte zelf ook aan na haar detentie behoefte te hebben aan psychologische begeleiding.

De reclassering onthoudt zich in het rapport d.d. 14 juli 2014 van advies over een eventueel op te leggen sanctie, omdat verdachte een ontkennende houding aanneemt. Wel verwijst de reclassering naar het rapport van de psycholoog waarin wordt aangegeven dat verdachte zich in de toekomst bij de GGZ dient te laten behandelen om de gebeurtenissen uit haar verleden te verwerken.

De inhoud van deze rapportages geven de rechtbank geen aanleiding om een deels voorwaardelijke straf op te leggen en hieraan bijzondere voorwaarden te verbinden. De rechtbank zal in plaats daarvan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. De officier van justitie heeft op die manier te zijner tijd de mogelijkheid om aan de hand van de persoonlijkheidsstructuur en de persoonlijke omstandigheden van verdachte dan passende voorwaarden in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling te formuleren.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf van vier jaar met aftrek van voorarrest recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van verdachte.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert een schadevergoeding van € 293,06 voor feit 2, waarvan € 73,06 voor materiële schade en € 220,- voor immateriële schade.

Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1, 2, 3 en 5 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart de onder 4 en 6 ten laste gelegde feiten bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 4: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

feit 6: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is,

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is,

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil. (BP.15)

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Van der Weide en mr. Van de Wetering, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Graumans, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 juli 2014.

Mr. Van de Wetering is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer 2013227150 van politie Midden- en West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 389. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], p. 182.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 311.

3 De verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 15 juli 2014.

4 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 311.

5 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [verdachte], p. 217.

6 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer], p. 188.

7 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], p. 222.

8 Het proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 371.

9 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], p. 223.

10 De foto’s zoals opgenomen op p. 282, 284 en 286.

11 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 362

12 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer], p. 188.

13 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 293.

14 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], p. 223.

15 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer], p. 189.

16 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 333.

17 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], p. 223.

18 Het proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 371.

19 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], p. 224.

20 Het proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 371.

21 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], p. 223.

22 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], p. 247.

23 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 364.

24 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], p. 149.

25 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [verdachte], p. 151.

26 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 161.

27 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 153.

28 Het proces-verbaal brandonderzoek forensische opsporing, p. 166-168.