Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:5109

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-07-2014
Datum publicatie
13-08-2014
Zaaknummer
AWB-13_1145
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Informatiebeschikking

De rechtbank oordeelt dat belanghebbende rekeninghouder was bij Van Lanschot in Luxemburg. Nu sprake was van aanzienlijke saldi in 1994 en 1996, acht de rechtbank niet onaannemelijk dat belanghebbende in 2009 nog steeds over (een deel van) die saldi en de rendementen daarop kon beschikken. Belanghebbende heeft geen gegevens verstrekt over de rekening. De informatiebeschikking is terecht genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1925
V-N Vandaag 2014/1684

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummer AWB 13/1145

uitspraak van 17 juli 2014

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende met de betrekking tot de aan hem op te leggen aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over het jaar 2009 met dagtekening 29 mei 2012 een informatiebeschikking gegeven en bij uitspraak op bezwaar van 14 februari 2013 deze beschikking gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 20 februari 2013, ontvangen bij de rechtbank op 22 februari 2013, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 44.

1.3.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2014 te Breda. Daar zijn gezamenlijk behandeld de zaken met de rolnummers AWB 13/3276, 13/3277, 13/6443, 13/6444, 13/2865 tot en met 13/2868, 13/6445, 13/6446, 13/1682, 13/6333, 13/1659, 13/1740, 13/1741, 13/1193, 13/1683 tot en met 13/1686, 13/1145, 13/5337 tot en met 5342, 13/5344 tot en met 5352, 13/5354, 13/5822, 13/5823, 13/1148, 13/1146, 13/1192, 13/1194, 13/1747, 13/1748, 13/1750, 13/7207 tot en met 13/7211, 13/7213 tot en met 13/7215, 13/7217, 13/7219, 13/7220, 13/7221, 13/7223 tot en met 13/7226, 13/1744 tot en met 13/1746, 13/7231, 13/7233, 13/7234, 13/7236, 13/7238, 13/3430 tot en met 13/3443, 13/1739, 13/5924, 13/7031, 13/1687, 13/3360, 13/6158, 13/6441, 13/5853, 13/3258, 13/762 tot en met 13/766 en 13/184 tot en met 13/195 van verschillende belanghebbenden. Voor het verhandelde ter zitting en de daar aanwezige personen verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting waarvan een afschrift op dezelfde dag als de uitspraak aan partijen is verzonden. De pleitnota’s van partijen behoren tot de gedingstukken.

1.5.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. De rechtbank heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld nadere stukken te overleggen.

1.6.

Belanghebbende heeft bij brief van 22 april 2014 aangegeven geen nadere stukken in te dienen. Deze brief is in afschrift verstrekt aan de inspecteur. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende, geboren [datum] 1934, was gehuwd met [Y] (hierna: de echtgenote), geboren op [datum] 1934. De echtgenote is op [datum] 2005 overleden.

2.2.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over de jaren 1995 tot en met 2008 behalve over 2006 navorderingsaanslagen IB/PVV en over de jaren 1996 tot en met 2000 navorderingsaanslagen vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd in verband met het niet aangegeven van (inkomen uit) in het buitenland aangehouden vermogen.

2.3.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV over het jaar 2009 aangifte gedaan naar een verzamelinkomen van € 80.481 en een gemiddelde rendementsgrondslag in box 3 van € 305.319.

2.4.

Op 18 februari 2005 hebben de Belgische belastingautoriteiten aan het Hoofd van Belastingdienst/FIOD/ECD/Team Internationaal (hierna; FIOD-ECD) een Nota met bijlagen verstrekt. De bijlagen B.1., B.2. en B.6. bevatten gegevens over rekeningstanden per 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996, bij, volgens de aanhef “F. van Lanschot (Bankiers) Luxembourg S.A.” (verder ook: de renseignementen). De bijlage B.9. betreft een adressenlijst. Voorzover te dezen van belang bevatten de bijlagen B.1., B.2. en B.6. respectievelijk de volgende gegevens:

Van Lanschot Bankiers (Luxembourg) SA Boulevard Prince Henri, 3 L-2016 Luxembourg, date: 9/05/96 prog: FVLR102J page: 24, portfolio evaluation

Racine

Name

CCY

Current

Accounts

Deposits

Bonds

Shares/

options

Inv. Funds

Total

(...)

[rekeningnummer]

[X - Y]

NLG

2.71

50,413.73

1,040,174.53

11,517.30

61,435.00

1,163,543.27 A

Van Lanschot Bankiers (Luxembourg) SA Boulevard Prince Henri, 3 L-2016 Luxembourg, date: 11/28/96 prog: FVLR102J page: 24, portfolio evaluation

Racine

Name

CCY

Current

Accounts

Deposits

Bonds

Shares/

options

Inv. Funds

Total

(...)

[rekeningnummer]

[X - Y]

NLG

174.41

51,336.66

1,061,280.80

10,068.18

67,595.00

1,190,455.05 A

2

[rekeningnummer]

[X - Y]

941221

NLG

337039,39

5532,17

53452,

135391,48

78574,97

0 P

18364

2.5.

De inspecteur heeft belanghebbende en de echtgenote geïdentificeerd als rekeninghouder van bovengenoemde rekening bij de Van Lanschot bank in Luxemburg (hierna: Van Lanschot) en de onder 2.2 vermelde aanslagen opgelegd. Belanghebbende heeft ontkend een rekening bij Van Lanschot te hebben aangehouden. Na ontvangst van de aangifte van belanghebbende over het jaar 2009 heeft de inspecteur hem met dagtekening 5 april 2012 een vragenbrief gezonden waarin op grond van artikel 47, eerste lid, onderdeel a, van de AWR werd verzocht informatie te verstrekken over de rekening bij Van Lanschot met rekeningnummer [rekeningnummer] en van eventuele andere buitenlandse bankrekeningen van belanghebbende. Met dagtekening 27 april 2012 heeft de inspecteur aan belanghebbende een rappel vragenbrief gezonden. Belanghebbende heeft hierop niet gereageerd.

2.6.

Met dagtekening 29 mei 2012 heeft de inspecteur aan belanghebbende de informatiebeschikking over het jaar 2009 gezonden. Daarin heeft hij de tekst herhaald van de vragen die op 5 april 2012 zijn gesteld, vermeld dat bij Van Lanschot een rekening is aangehouden met het nummer [rekeningnummer] en geconstateerd dat niet aan de verplichtingen van artikel 47 AWR is voldaan. De vragen luidden als volgt:

“1. Is deze bankrekening in 2009 nog steeds door [X], burgerservicenummer/sofinummer [burgerservicenummer] aangehouden?

2. Zo ja, wat was het saldo, inclusief de onderliggende sub- en beleggingsrekeningen, op 1 januari en 31 december 2009?

3. Zo nee, waar wordt het eerder op de deze rekening gestalde vermogen in 2009 aangehouden?

4. Wat was het saldo van die andere rekeningen op 1 januari en 31 december 2009?

5. Indien niet langer dit vermogen in het buitenland wordt aangehouden, wanneer en op welke binnenlandse rekening is dit vermogen gestort of wanneer en waarvoor is het aangewend?

6. Ik verzoek u de bescheiden met betrekking tot de rekening bij Van Lanschot voor 2009 te overleggen.”

2.7.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de informatiebeschikking. De inspecteur heeft aan belanghebbende op 16 januari 2013 een brief met kenmerk “Informatie met betrekking tot de uitspraak op bezwaar” gezonden. Bij uitspraak op bezwaar van 14 februari 2013 heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen.

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of de informatiebeschikking terecht is afgegeven. Belanghebbende beantwoordt de vraag ontkennend en de inspecteur bevestigend.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen ter zitting en in de van hen afkomstige stukken zijn aangevoerd.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de beschikking. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet heeft bewezen dat belanghebbende in het onderhavige jaar gerechtigd was tot de meergenoemde bankrekening. Volgens belanghebbende is de bewijskracht van de renseignementen uit 1994 en 1996 daarvoor te beperkt en is de omstandigheid dat belanghebbende betrokken is bij het project “Bank zonder naam” niet van betekenis nu daarover nog geen onherroepelijke beslissing is genomen.

4.2.

De rechtbank heeft vandaag in haar uitspraken in de gelijktijdig behandelde beroepen met procedurenummers AWB 13/5337 tot en met 13/5342, 13/5344 tot en met 13/5352, 13/5354, 13/5822 en 13/5823 geoordeeld dat belanghebbende en de echtgenote rechthebbenden waren tot de rekening bij Van Lanschot met rekeningnummer [rekeningnummer], op de op de renseignementen genoemde data. Dat oordeel geldt ook voor deze zaken en wordt als hier ingelast beschouwd.

4.3.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem gevraagde informatie voor de belastingheffing van belanghebbende voor het jaar 2009 van belang kon zijn. Voor de aanwezigheid van een belang als bedoeld in artikel 47 van de AWR is slechts vereist dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van de betrokken belastingplichtige (vgl. Hoge Raad 8 januari 1986, nr. 23 034, ECLI:NL:HR:1986:AW8125, BNB1986/128). Gelet op de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens en de door de inspecteur uitgevoerde identificatie die erin resulteerde dat belanghebbende als rechthebbende tot de tegoeden op voormelde rekeningen kon worden aangewezen, bestond er voor de inspecteur voldoende aanleiding om belanghebbende nadere inlichtingen te vragen omtrent voornoemde rekening bij Van Lanschot. De enkele omstandigheid dat de renseignementen betrekking hebben op de jaren 1994 en 1996 kan hier niet aan afdoen. Er was immers in die jaren sprake van aanzienlijke saldi en de hoogte van de saldi alsmede de wijze waarop was belegd, te weten voornamelijk in obligaties, wijst op een belegging voor de lange termijn. Nu het voorts een algemene ervaringsregel is dat buitenlandse banktegoeden in een land met een bankgeheim voor een langere periode worden aangehouden, kon de inspecteur ook zoveel later nog in redelijkheid vragen om een nadere toelichting van de zijde van belanghebbende.

4.4.

Nu belanghebbende geen gegevens over voormelde rekening heeft verstrekt, heeft hij niet aan zijn informatieverplichting voldaan. De informatiebeschikking is derhalve terecht afgegeven.

4.5.

Het beroep van belanghebbende op de uitspraak van rechtbank Breda van 20 september 2012, nr. 12/1937, ECLI:NL:RBBRE:2012:BY2216, kan niet tot een ander oordeel leiden. In tegenstelling tot het onderhavige geval, had de inspecteur in dat geval niet aannemelijk gemaakt dat de belanghebbende in een eerder jaar (1994 in dat geval) gerechtigd was geweest tot een buitenlandse bankrekening.

4.6.

Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen ongegrond verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- stelt belanghebbende tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de gelegenheid alsnog de gevraagde informatie te verstrekken.

Deze uitspraak is gedaan op 17 juli 2014 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en mr. W.A.P. van Roij, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.S.J. Pijnenburg-Braspenning, griffier. De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.